CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 8 oktober 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A — De feiten
De feiten zijn tamelijk eenvoudig.
Bij brief van 2 juli 1984 werd D. Strack, ambtenaar van de Verenigde Naties, toegelaten tot het schriftelijk examen van het door het Parlement georganiseerde vergelijkend onderzoek PE/27/A. Hij heeft er evenwel niet aan kunnen deelnemen omdat de oproep op zijn adres aankwam op 5 juli 1984, toen hij met vakantie was, met het gevolg dat hij er eerst kennis van kreeg nadat het examen — op 19 en 20 juli 1984 — al had plaatsgevonden.
Daarop verzocht Strack de jury van het vergelijkend onderzoek een nieuwe datum vast te stellen waarop hij het schriftelijk examen zou kunnen afleggen, maar dit werd hem bij brief van 4 oktober 1984 van de voorzitter van de jury geweigerd. Nadat zijn eerste beroep (zaken 259/84 en 259/84 R) bij beschikking van het Hof van 31 januari 1985 niet-ontvankelijk was verklaard en de klacht die hij op 2 november 1984 bij de voorzitter van het Europees Parlement tegen het jurybesluit had ingediend, stilzwijgend was afgewezen, heeft Strack zich opnieuw tot het Hof gewend met het verzoek:
1)
het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek PE/27/A nietig te verklaren,
2)
het Europees Parlement te gelasten hem alsnog, met inachtneming van de rechtsopvatting van het Hof ( 1 ), tot het schriftelijk examen van dat vergelijkend onderzoek toe te laten,
3)
subsidiair, hem een door het Hof te bepalen schadevergoeding toe te kennen, die echter ten minste de door hem gemaakte proces- en advocatenkosten dekt.
B — De ontvankelijkheid
Alvorens in te gaan op de middelen en argumenten waarop verzoeker zijn beroep doet steunen, zal ik de drie door verweerder incidenteel aangevoerde opmerkingen ter zake van de ontvankelijkheid behandelen.
1.
Verwijzend naar het arrest van 8 juli 1965 in de gevoegde zaken 19 en 65/63 ( 2 ), betwist verweerder de ontvankelijkheid van het inleidend verzoekschrift, daar dit voor de feiten eenvoudig verwijst naar het feitenrelaas in de reeds genoemde zaak 259/84. In genoemd arrest verklaarde het Hof, dat „slechts die middelen en bewijsgronden, welke geen onderwerp uitmaken van (zulk een) verwijzing, in aanmerking kunnen worden genomen”.
Ik meen echter dat deze rechtspraak hier niet van toepassing is. Om te beginnen werd in de gevoegde zaken 19 en 65/63 verwezen naar een zaak tussen andere partijen. Verder verwijst verzoeker in casu alleen voor de feiten — en dan nog enkel voor de details — naar een andere zaak. En ten slotte en vooral is, ondanks deze verwijzing, het verzoekschrift volledig en nauwkeurig genoeg om te voldoen aan de vereisten van artikel 38 van het Reglement voor de procesvoering, en is het Hof zeker in staat om in het onderhavige geschil te beslissen zonder te moeten teruggrijpen naar de processtukken in de vorige zaak.
2.
Verweerder acht de tweede vordering niet-ontvankelijk omdat het Hof zich niet in de plaats van de jury van het vergelijkend onderzoek kan stellen en niet alsnog de toelating van Strack tot het schriftelijk examen kan gelasten.
Het is juist, dat het „uitsluitend tot de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag (behoort) om te beoordelen of het gewenst of noodzakelijk is een vergelijkend onderzoek te organiseren”, en dat „het Hof dus niet de opening of heropening van een vergelijkend onderzoek (kan) bevelen zonder inbreuk te maken op de prerogatieven van het administratieve gezag”. ( 3 ) De desbetreffende conclusies van verzoeker zijn in de vorm waarin zij zijn geformuleerd, derhalve niet ontvankelijk.
Ik meen evenwel dat het Hof niet uitdrukkelijk over de ontvankelijkheid van deze tweede vordering behoeft te beslissen. Want ofwel verklaart het Hof het bestreden besluit niet nietig, en dan komt de tweede vordering automatisch al niet meer aan de orde, ofwel verklaart het Hof het jurybesluit nietig, en dan volgt daar logisch uit, dat de jury verzoeker alsnog moet toelaten tot de examens waaraan hij destijds niet heeft kunnen deelnemen.
Deze zienswijze lijkt mij direct aan te sluiten bij het standpunt van het Hof in met name het arrest van 30 november 1978 ( 4 ), waarin het de vordering om „voor zover nodig te verklaren dat het vergelijkend onderzoek voor verzoekers opnieuw zal plaatsvinden”, niet formeel niet-ontvankelijk heeft verklaard (blz. 2407), maar eenvoudig heeft geoordeeld dat, „waar het hier ging om een algemeen vergelijkend onderzoek voor de vorming van een aanwervingsreserve, de rechten van verzoekers naar behoren zijn beschermd indien de jury zich opnieuw beraadt over haar besluit, zonder dat het gehele resultaat van het vergelijkend onderzoek behoeft te worden aangetast of de hierop gevolgde benoemingen behoeven te worden nietigverklaard” (r. o. 35). Hoewel het geen nauwkeurige opdracht bevatte aan het adres van de jury of van de Commissie, impliceerde dit arrest dus — in de lijn van wat er gebeurd was in een overeenkomstige zaak ( 5 ) — dat er een nieuw examen ad hoc moest plaatsvinden (standpunt van advocaatgeneraal Capotorti, Jurispr. 1978, blz. 2427).
3.
Volgens verweerder is ook de subsidiaire schadevordering niet ontvankelijk, daar de verwerping van een vordering tot nietigverklaring krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut andere aanspraken uitsluit ( 6 ).
Deze wat al te algemene voorstelling van zaken, had wel wat genuanceerd mogen worden. Uitgaande van de vaststelling dat de artikelen 90 en 91 van het Statuut noch bij de administratieve noch bij de gerechtelijke procedure onderscheid maken tussen de schadeactie en het beroep tot nietigverklaring — wat nochtans onderscheiden, zelfstandige beroepsmogelijkheden zijn —, heeft het Hof in zijn arrest Meyer-Burckhardt ( 7 ) immers overwogen, dat het de betrokkene vrijstaat om ter afdwinging van zijn rechten te kiezen voor hetzij de ene, hetzij de andere, hetzij beide beroepsmogelijkheden samen (r. o. 10 en. 11).
Nog onlangs heeft het Hof in een reeks interlocutoire beslissingen naar dat arrest verwezen en geoordeeld dat „verzoekers zowel in hun vordering tot nietigverklaring als in die tot schadevergoeding ontvankelijk zijn, mits zij voldoen aan de door het Statuut gestelde voorwaarden, die voor beide beroepswegen dezelfde zijn”. ( 8 )
Het is juist dat het Hof ook herhaaldelijk heeft verklaard, dat een partij zich niet langs de omweg van een schadevordering kan onttrekken aan de niet-ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring wanneer het om dezelfde onwettigheid gaat en het beroep dezelfde geldelijke strekking heeft. ( 9 ) In deze gedachtengang kwam het tot de conclusie, „dat wanneer een ambtenaar krachtens artikel 179 EEG-Verdrag beroep instelt tot nietigverklaring van een handeling van een instelling en tot vergoeding van de schade die hij door die handeling heeft geleden, de vorderingen onderling zozeer samenhangen dat de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring de niet-ontvankelijkheid van de schadevordering meebrengt”. ( 10 ) Maar in het omgekeerde geval, waarin de schadevordering niet gebaseerd is op de beweerde onwettigheid van het bestreden besluit, dat wil zeggen wanneer zij steunt op feiten die daar geen verband mee houden, of op middelen die niet noodzakelijk samenvallen met die betreffende de onwettigheid, is het Hof, zijn redenering voortzettend, wegens het zelfstandig karakter van de schadevordering hiervoor tot een afzonderlijke oplossing gekomen ( 11 ), zelfs wanneer beide acties voor de verzoeker financieel gezien tot hetzelfde resultaat konden leiden. ( 12 )
Uit een en ander concludeer ik, dat het feit dat de vordering tot nietigverklaring ongegrond wordt bevonden, niet volstaat om de subsidiaire schadevordering niet-ontvankelijk te verklaren. Ofwel heeft de schadevordering een zelfstandig karakter ten opzichte van de vordering tot nietigverklaring, en dan moet zij op haar eigen merites worden beoordeeld. Ofwel zijn beide vorderingen zo nauw met elkaar verbonden, dat de schadevordering uitsluitend gebaseerd is op de onwettigheid van het met de vordering tot nietigverklaring bestreden besluit, en dan hangt het falen of slagen van de eerste vordering af van het falen of slagen van de tweede; wordt deze laatste verworpen, dan moeten ook de conclusies strekkende tot toekenning van schadevergoeding worden afgewezen. ( 13 ) (Het omgekeerde is niet altijd waar: de nietigverklaring van een onwettig besluit behoeft niet automatisch tot toekenning van schadevergoeding te leiden — zie zaak 263/81, List, Jurispr. 1983, blz. 103, blz. 116, r. o. 20.)
Daar de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring in casu niet kan worden betwist, zullen wij, na de zaak ten gronde te hebben onderzocht, op de vordering tot schadevergoeding moeten terugkomen.
C — Ten gronde
1. De vordering tot nietigverklaring van bet jurybesluit en het verzoek om het schriftelijk examen na de daarvoor vastgestelde datum te mogen afleggen
Tot staving van zijn beroep voert verzoeker aan, dat een oproepingstermijn van twee weken zeker tijdens de zomervakantie volstrekt onvoldoende is en in strijd met de praktijk van de gemeenschapsinstellingen. Hieruit concludeert hij, dat de weigering van de jury om voor hem een nieuwe datum voor het schriftelijk examen vast te stellen, onwettig is, temeer daar hij op erewoord had verklaard — en bereid is dit voor het Hof onder ede opnieuw te doen — dat hij de examenopgaven niet kende en ook thans nog niet kent:
Verweerder antwoordt daarop, zakelijk weergegeven, dat Strack de situatie uitsluitend aan zichzelf te wijten heeft, omdat hij niet de moeite heeft genomen het Parlement zijn vakantieadres mee te delen of zijn post te laten nasturen, en dat het gelijkheidsbeginsel respectievelijk het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg staan dat hij achteraf wordt geëxamineerd hetzij over nieuwe onderwerpen hetzij over dezelfde onderwerpen als aan de andere kandidaten zijn voorgelegd.
Wat moeten wij hiervan denken ?
Het Statuut zwijgt over oproeptermijnen voor examens. Artikel 1, lid 2, van bijlage III bij het Statuut bepaalt enkel een termijn voor de aankondiging van het vergelijkend onderzoek: deze moet plaatsvinden „ten minste één maand voor de uiterste datum van ontvangst der sollicitaties en ten minste twee maanden voor de datum van het eventuele examen”. ( 14 )
Zouden de bevoegde instanties deze minimumtermijn strikt willen aanhouden, dan hebben zij maar één maand de tijd voor
—
het opstellen van de lijst van de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 28, sub a, b en c;
—
het opstellen van de lijst van de kandidaten die voldoen aan de voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek;
—
het oproepen van de tot de examens toegelaten kandidaten.
Aangezien de eerste twee verrichtingen — zeker in het geval van een algemeen vergelijkend onderzoek — uiteraard heel wat tijd vergen, mag men concluderen dat het Statuut niet uitsluit dat de oproepingstermijn aanzienlijk korter kan zijn dan één maand.
Vanzelfsprekend is het een vereiste van behoorlijk bestuur, dat de datum van de examens zo wordt vastgesteld, dat de bevoegde instanties de sollicitaties nauwgezet en behoorlijk kunnen onderzoeken — hoeveel tijd daarvoor nodig is, valt vooraf moeilijk te schatten —, maar ook dat de kandidaten de nodige tijd wordt gelaten om zich vrij te maken en zich te begeven naar de plaats waar de examens worden afgenomen.
In de praktijk wordt de datum voor de examens dan ook pas bepaald nadat de voorbereidende werkzaamheden zijn afgesloten. De verwachte of waarschijnlijke examendatum behoort trouwens niet tot de gegevens die ingevolge artikel 1, lid 1, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut in de aankondiging van vergelijkend onderzoek moeten worden vermeld.
Verzoeker heeft dus geen enkele rechtsregel geschonden door de kandidaten op een termijn van veertien dagen op te roepen.
Hiertegen valt niet in te brengen dat men zich in de vakantieperiode bevond of dat de andere instellingen er een andere praktijk op na houden.
In de eerste plaats — verzoeker heeft daar in zijn repliek zelf op gewezen, zij het om andere redenen (r. o. 2, blz. 3) — verschilt de vakantieperiode immers van land tot land en zelfs van persoon tot persoon. Het zou dus wel erg moeilijk zijn om met de vakanties van alles en iedereen rekening te houden.
In de tweede plaats lijkt de praktijk van de Raad en van de Commissie, die kandidaten „meestal”„ongeveer” vier weken voor de examendatum verwittigen, niet in die mate vast te liggen, dat zij rechtens bindend zou zijn of geen uitzondering zou kunnen lijden. Nu het Statuut er nergens over spreekt, kan die praktijk in elk geval niet bindend zijn voor het Europees Parlement.
De enige en echte reden waarom de betrokken termijn naar verzoekers zeggen „onredelijk” was, is ten slotte niet dat de termijn objectief gezien te kort was, maar dat de oproeping hem niet tijdig heeft bereikt om redenen die hem persoonlijk betreffen en waarvan de verweerder geen verwijt kan worden gemaakt.
Verweerder voert terecht aan, dat een sollicitant die zijn op het sollicitatieformulier vermelde adres voor langere tijd verlaat, het tot aanstelling bevoegd gezag daarover moet informeren of ervoor moet zorgen dat zijn post hem wordt nagezonden. Op het sollicitatieformulier is trouwens een vakje voorzien voor een correspondentieadres voor het geval dit niet de vaste woonplaats is.
Verzoeker had de zorgvuldigheid die van sollicitanten mag worden verwacht, te meer moeten betrachten, omdat hij wist dat de examens binnenkort zouden plaatsvinden; daarom ook heeft hij voor zijn afreis nog getracht telefonisch inlichtingen in te winnen. Omdat hij toen geen precies antwoord had gekregen, had hij de nodige maatregelen moeten treffen om bereikbaar te blijven. In die omstandigheden kan er dan ook geen sprake zijn van schending van het vertrouwensbeginsel, te meer daar het Parlement hem geen aanleiding had gegeven te geloven dat de oproeping op een bepaalde termijn zou geschieden. En het is duidelijk dat een gewettigd vertrouwen daarin bij hem ook niet kan zijn gewekt door een meer of minder vaste praktijk van andere instellingen.
Ten slotte heeft het Hof in zijn arrest van 27 oktober 1976 ( 15 )overwogen, dat het belang van de kandidaten om niet voor het examen te worden opgeroepen tegen een dag die hun niet schikt, moet worden afgewogen tegen de noodzaak om, met het oog op de gelijkheid van kansen, de examens voor alle kandidaten gelijk te doen zijn en op dezelfde datum te laten plaatsvinden (r. o. 13-15). Het concludeerde daaruit, dat indien een kandidaat niet tijdig mededeling doet van zijn problemen — in de betrokken zaak problemen van godsdienstige aard —, die hem beletten op bepaalde dagen aan het examen deel te nemen, het tot aanstelling bevoegd gezag kan weigeren een andere dag aan te wijzen, met name wanneer de andere kandidaten reeds voor het examen zijn opgeroepen.
Het feit dat verzoeker op de vastgestelde data niet aan het schriftelijk examen van vergelijkend onderzoek PE/27/A heeft kunnen deelnemen, is in casu vooral aan zijn eigen nalatigheid te wijten. Ook rekening houdend met het gelijkheidsbeginsel, is er geen reden om de weigering van de jury om voor hem een andere dag vast te stellen, nietig te verklaren, vooral omdat — anders dan in zaak 130/75 — op het ogenblik waarop hij zijn klacht indiende, het examen reeds had plaatsgevonden.
Het besluit van de jury is dus niet onwettig.
Aan deze conclusie kan niet afdoen, dat verzoeker op erewoord heeft verklaard geen kennis te hebben gekregen van de examenopgaven — waarbij ik in het midden laat, welke waarde aan een dergelijke verklaring moet worden gehecht. Die verklaring lijkt mij immers weinig nut te hebben en van geen enkel belang te zijn noch voor de beslissing van het Hof noch voor de eventuele gevolgen daarvan.
Want ofwel was het jurybesluit wettig en wordt het beroep verworpen, en dan doet het probleem van de gelijkheid van kansen, te garanderen door gelijke examenopgaven en gelijke examendata, zich niet voor.
Want ofwel was het jurybesluit onwettig en wordt het nietigverklaard, en dan staat het aan verweerder om daar de nodige consequenties aan te verbinden, en aan de jury om haar besluit in „heroverweging te nemen” in de zin van de eerder genoemde arresten Salerno en Costacurta, wat noodzakelijk moet leiden tot een inbreuk op het beginsel van gelijke data en — laten wij realistisch zijn — het beginsel van gelijke examenopgaven.
Uit het voorgaande volgt, dat zowel de vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit alsook — los van de ontvankelijkheidsvraag — het verzoek om alsnog tot de examens van vergelijkend onderzoek PE/27/A te worden toegelaten, moet worden verworpen.
2. De schadevordering
Om te beginnen stel ik vast, dat verzoeker zijn subsidiaire schadevordering niet speciaal motiveert, wat het op het eerste gezicht moeilijk maakt een antwoord te geven op de vraag, of het al dan niet een zelfstandige vordering naast de vordering tot nietigverklaring betreft.
In zijn verzoekschrift stelt hij weliswaar, dat „de verwikkelingen zijn veroorzaakt door een ernstige onrechtmatigheid van de jury”, en verder, dat deze onrechtmatigheid „enkel maar op een voor verzoeker zinvolle wijze kan worden opgeheven wanneer, zoals gevraagd, een nieuwe datum voor het examen wordt vastgesteld”. Hieruit en uit de middelen en argumenten van verzoeker in globo genomen, blijkt dat de aan de jury verweten onrechtmatigheid erin bestaat, dat deze een te korte oproepingstermijn heeft bepaald dan wel ten onrechte heeft geweigerd verzoeker alsnog het schriftelijk examen te laten afleggen, of beide. Daar deze middelen samenvallen met die welke zijn aangevoerd tot staving van de vordering tot nietigverklaring wegens onwettigheid van het bestreden besluit, dient ook de schadevordering ongegrond te worden verklaard.
Toch geloof ik dat het in het belang van een goed verloop van het examen zou zijn geweest, indien de oproeping van de uiteindelijk tot de examens toegelaten kandidaten op een wat redelijker termijn had plaatsgevonden, zodat zij in staat zouden zijn geweest werkelijk aan het examen deel te nemen.
Persoonlijk ben ik er niet van overtuigd, dat een termijn van veertien volle dagen voldoende is, ook al valt er juridisch niets op af te dingen. In het onderhavige geval zijn van de 362 opgeroepen kandidaten er 92 — dat wil zeggen één op de vijf — niet verschenen, en dat zegt toch wel wat.
Ook anderszins is er wel kritiek mogelijk op de houding van de diensten van het Parlement. Met name denk ik hier aan het feit dat de jury, na het op 18 juni 1984 eens te zijn geworden over de data 19 en 20 juli, nog twee weken heeft gewacht om dat met brieven van 2 juli 1984 aan de kandidaten mee te delen. Deze vertraging is temeer betreurenswaardig, omdat de kandidaten niet was meegedeeld dat de jury aanvankelijk het examen op 28 en 29 juni 1984 had willen houden.
In dit verband merk ik nog op, dat de Commissie de kandidaten van vergelijkend onderzoek COM/A/403 reeds op 17 april 1984 had meegedeeld dat dat vergelijkend onderzoek in de laatste weken van juni 1984 zou plaatsvinden. Uiteindelijk is dat 28 en 29 juni geworden. Een betere coördinatie tussen de instellingen had kunnen voorkomen dat het Parlement de intern al voor zijn eigen vergelijkend onderzoek gekozen datum moest uitstellen, nu het Parlement dit uitstel aanvoert als verklaring voor de bijzondere omstandigheden die tot verkorting van de oproepingstermijn hadden genoopt (r. o. 27, blz. 10). Het is dan ook niet zeer doordacht van het Parlement, om verzoeker zelf voor zijn pech verantwoordelijk te stellen met het argument dat hij zich niet kan beroepen op „onregelmatigheden” die hij zelf heeft uitgelokt door voor twee vergelijkende onderzoeken tegelijk te solliciteren (r. o. 25, blz. 9 en 10).
Ten slotte schijnt verzoeker voor het laatst met de diensten van het Europees Parlement te hebben getelefoneerd vlak voordat hij voor drie weken met vakantie ging, dit wil zeggen tussen 28 en 30 juni en dus na 18 juni, de datum waarop de jury had beslist het examen op 19 en 20 juli te doen plaatsvinden. Men kan dus wel zeggen, dat de diensten van het Europees Parlement zich er gemakkelijk van hebben afgemaakt door verzoeker enkel te laten weten dat de datum van het vergelijkend onderzoek nog niet was vastgesteld en dat hij tijdig bericht zou krijgen.
Ook al kon verweerders optreden verzoeker stellig niet ontslaan van zijn zorgvuldigheidsplicht, en al kan het geen grond opleveren om te concluderen dat de weigering van de jury om voor verzoeker een nieuwe datum vast te stellen onwettig was, het is begrijpelijk dat het verzoeker tot de overtuiging heeft gebracht dat hij onbillijk was behandeld of dat hij ten minste het slachtoffer was van een administratieve slordigheid die het Hof zou moeten afstraffen, en dat hij daarin aanleiding heeft gevonden om het onderhavige beroep in te stellen.
Ik geef dan ook in overweging, daarmee rekening te houden bij de kostenbeslissing en bijgevolg artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering toe te passen, volgens hetwelk het Hof ook een partij die in het gelijk is gesteld, kan veroordelen tot vergoeding aan de wederpartij van de kosten van een procedure die door haar eigen optreden is veroorzaakt ( 16 ).
Conclusie
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, het beroep te verwerpen, doch met verwijzing van verweerder in de kosten van het geding.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) Verzoeker heeft deze precisering eerst in repliek aan zijn petitum toegevoegd (r. o. 14, blz. 9). Anders dan verweerder geloof ik evenwel niet, dat dit een wijziging van het voorwerp van het beroep is, die tot niet-ontvankeïijkverklaring moet leiden.
( 2 ) Satya Prakash, Jurispr. 1965, blz. 585.
( 3 ) Zie met name de arresten van 14 december 1965 in de zaken 11/65 en 21/65, Morina, Jurispr. 1965, blz. 1312 en 1334.
( 4 ) Gevoegde zaken 4, 19 en 28/78, Salerno e.a., Jurispr. 1978, blz. 2403.
( 5 ) Arrest van 4 december 1975, zaak 31/75, Costacurta, Jurispr. 1975, blz. 1563.
( 6 ) In zijn verweerschrift (r. o. 30, blz. 12) spreekt verweerder van een „onwettigheidsberoep in de zin van artikel 90, lid 2”. Artikel 90 regelt echter de klachtprocedure die aan een eventueel beroep Krachtens artikel 91 voorafgaat.
( 7 ) Arrest vin 22 oktober 1975, zaak 9/75, Jurispr. 1975, blz. 1171.
( 8 ) Tussenarresten van 4 juli 1985 in de zaken 174/83, Ammann, 175/83, Culmsee, 176/83, Allo, 233/83, Agostini e.a., 247/83, Ambrosetti, en 264/83, Délhez e. a., Jurispr. 1985, blz. 2133, 2149, 2155, 2163, 2171 en 2179.
( 9 ) Arresten van 15 december 1966, zaak 59/65, Schreckenberg, Jurispr. 1966, blz. 779; 10 november 1981, gevoegde zaken 532, 534, 567, 600, 618 en 660/79, Amesz e.a., Jurispr. 1981, blz. 2569; 12 november 1981, zaak 543/79, Birke, Jurispr. 1981, blz. 2669, en zaak 799/79, Bruckner, Jurispr. 1981, blz. 2697.
( 10 ) Arrest van 16 juli 1981, zaak 33/80, Albini, Jurispr. 1981, blz. 2141, r. o. 18; zie ook arrest van 12 december 1967, zaak 4/67, Maller, Jurispr. 1967, blz. 455,466.
( 11 ) Arrest van 19 november 1981, zaak 106/80, Foumier, Jurispr. 1981, blz. 2759, r. o. 18 en 19; zie ook arrest van 11 juli 1985, gevoegde zaken 255 en 256/83, R-, Jurispr. 1986, blz. 2473, r. o. 56-58, waarin de schadevordering enkel was ingesteld voor het geval het beroep tot nietigverklaring zou worden afgewezen.
( 12 ) Arrest van 13 juli 1972, zaak 79/71, Heinemann, Jurispr. 1972, blz. 579, r. o. 7.
( 13 ) Arren van 17 maart 1983, zaak 280/81, Hoffmann, Jurispr. 1983, blz. 889, r. o. 11; in dezelfde zin: de arresten van 27 januari 1983, zaak 263/81, List, Jurispr. 1983, blz. 103, r. o. 29, en 5 april 1984, zaak 347/82, Jurispr. 1983, blz. 1847, r. o. 17. In andere arresten erkent het Hof, na het beroep tot nietigverklaring; te hebben verworpen, uitdrukkelijk, dat de instelling met onrechtmatig heeft gehandeld dan wel niet aansprakelijk is, en verwerpt het op die grond de schadevordering (arresten van 22 oktober 1981, zaak 218/80, Kruse, Jurispr. 1981, blz. 2417, r. o. 10, 11 juli 1980, zaak 137/79, Kohll, Jurispr. 1980, blz. 2601, r.o. 15; 28 mei 1980, gevoegde zaken 33 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677, r.o. 27). In zijn arrest van 9 december 1982, zaak 191/81, Plug, Jurispr. 1982, blz. 4229, r. o. 29, verklaarde het eenvoudig, dat de vordering tot schadevergoeding niet behoefde te worden onderzocht omdat zij was gebaseerd op de beweerde onwettigheid van besluiten waarvan in hetzelfde arrest de wettigheid was vastgesteld.
( 14 ) Aan deze voorwaarden is in casu voldaan.
( 15 ) Zaak 130/75, Prais, Jurispr. 1976, blz. 1589.
( 16 ) Voor precedenten zie de arresten van 22 oktober 1981, zaak 218/80, Kruse, Jurispr. 1981, blz. 2417, r. o. 11 en 12; 29 oktober 1981, zaak 125/80, Aminę, Jurispr. 1981, blz. 2539, r. o. 20 en 21; 27 januari 1983, zaak 263/81, Ust, Jurispr. 1983, blz. 103, r. o. 30 en 31; 21 april 1983, zaak 282/81, Ragusa, Jurispr. 1983, blz. 1245, r. o. 28 en 29.
Full & Egal Universal Law Academy