CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 12 maart 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
A — In de door het tribunal de grande instance te Mulhouse voorgelegde zaak, waarin deze ochtend nog mondelinge opmerkingen werden gemaakt, zal ik meteen conclusie nemen, aangezien de oplossing mijns inziens voor de hand ligt.
Over de feiten kan ik kort zijn.
De Franse vennootschap Perles France, een dochteronderneming van de Joegoslavische vennootschap Iskraa Commerce (die zich bezighoudt met de verkoop van produkten van de Joegoslavische fabrikant Iskraa) bestelde in 1981 bij de moedermaatschappij werktuigmachines, bestemd voor Frankrijk. Op verzoek van de Joegoslavische fabrikant (die als geadresseerde de Franse vennootschap had opgegeven) gaven de Joegoslavische autoriteiten ter zake verklaringen van oorsprong af (certificaten inzake goederenverkeer EUR 1). Daarmee kon voor de goederen bij invoer in de Gemeenschap aanspraak worden gemaakt op toepassing van de preferentiële regeling (schorsing van de invoerrechten), als voorzien in de Interimovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië betreffende het handelsverkeer en de commerciële samenwerking (verordening nr. 1272/80, PB 1980, L 130, blz. 1). De preferentiële regeling werd in eerste instantie ook toegepast, ofschoon de goederen via Zwitserland werden ingevoerd, waar zij in de vrijhaven van Bazel in een douane-entrepot werden opgeslagen.
Bij een controle stelde de Franse douane vast, dat de Zwitserse vennootschap Perles Eurotool (eveneens een dochteronderneming van Iskraa Commerce) nieuwe facturen voor de goederen had opgesteld. De douane stelde zich toen op het standpunt, dat daardoor de goederen in Zwitserland „ in de handel” waren gebracht in de zin van artikel 5 van protocol nr. 2 bij de interimovereenkomst, wat een preferentiële behandeling uitsloot. Volgens bedoeld artikel 5 worden voor de toepassing van de overeenkomst beschouwd als rechtstreeks vervoerd van Joegoslavië naar de Gemeenschap, de produkten van oorsprong waarvan het vervoer plaatsvindt zonder gebruikmaking van andere grondgebieden dan die van de partijen bij de overeenkomst. Het vervoer van produkten van oorsprong uit Joegoslavië, aldus nog steeds artikel 5, kan echter ook plaatsvinden met gebruikmaking van andere grondgebieden dan die van de partijen bij de overeenkomst, voor zover de produkten aldaar niet in de handel of in het vrije verkeer zijn gebracht. Krachtens de Franse code des douanes werd tegen de betrokkenen strafvervolging ingesteld wegens het gebruik van valse certificaten met het oogmerk, in aanmerking te komen voor toepassing van de in voormelde interimovereenkomst voorziene preferentiële regeling. De aangeklaagde vennootschappen en personen verdedigden zich met twee argumenten. De herfacturering in Zwitserland zou niet betekenen, dat de goederen daardoor in Zwitserland „in de handel zijn gebracht”. Bovendien hadden de goederen evengoed kunnen worden ingevoerd overeenkomstig verordening nr. 3510/80 van de Commissie betreffende de definitie van het begrip „produkten van oorsprong” voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties; ingevolge artikel 5, lid 1, sub e, van deze regeling zou bij vervoer over het grondgebied van Zwitserland als enige voorwaarde gelden, dat de produkten „aldaar niet in bet vrije verkeer zijn gebracht”.
De strafrechter achtte dit tweede argument, gelet op de tussen de Gemeenschap en Joegoslavië gesloten bijzondere overeenkomst, niet ter zake dienend. Een uitlegging van protocol nr. 2 bij de interimovereenkomst met Joegoslavië, meer in het bijzonder van de uitdrukking „in de handel of in het vrije verkeer gebracht” in artikel 5, kwam hem in verband met de genoemde herfacturering daarentegen noodzakelijk voor.
Bij vonnis van 23 april 1985 heeft hij de behandeling van de zaak derhalve geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Is de herfacturering in een derde land van goederen van oorsprong uit Joegoslavië in het kader van de preferentiële handelsbetrekkingen tussen de EEG en Joegoslavië te beschouwen als een handeling waardoor de goederen in de handel of in het vrije verkeer worden gebracht in de zin van artikel 5 van het protocol nr. 2 betreffende de definitie van het begrip ‚produkten van oorsprong’en betreffende de methoden van administratieve samenwerking ?”
B — Volgens de beklaagden en volgens de Commissie moet deze vraag ontkennend worden beantwoord, en ik sluit mij bij deze opvatting aan.
Wat het „in het vrije verkeer brengen” betreft, is geen twijfel mogelijk. Hiervan kan alleen worden gesproken, wanneer alle vereiste invoerformaliteiten zodanig zijn vervuld, dat op de binnenlandse markt over de goederen kan worden beschikt. In de onderhavige zaak is dit kennelijk niet het geval, aangezien de goederen in Zwitserland onder toezicht van de douaneautoriteiten zijn gebleven. Alleen dit is doorslaggevend; „herfacturering” heeft met het „in het vrije verkeer brengen” niets te maken.
Hetzelfde geldt voor het „in de handel brengen”.
Daarvoor is evenwel weinig steun te vinden in de argumenten die beklaagden ter zake hebben aangevoerd. Immers, het feit dat het een transactie tussen twee dochterondernemingen van een moedermaatschappij betreft, waarbij praktisch geen winst is gemaakt, omdat het door de moedermaatschappij aan de Zwitserse dochtervennootschap berekende bedrag nagenoeg gelijk is aan het nieuwe factuurbedrag, kan moeilijk beslissend worden geacht. Ook in dergelijke omstandigheden kan sprake zijn van echte handelsdaden en niet alleen maar van maatregelen van intern beheer. Zo ook kan geen geldig argument ontleend worden aan verordening nr. 3510/80, en wel omdat voor Joegoslavië een bijzondere regeling — een lex specialis — geldt.
Overtuigender lijkt mij de argumentatie van de Commissie, die uitgaat van het doel van de interimovereenkomst en van de daaraan gehechte protocollen — bevordering van het handelsverkeer tussen de partijen bij de overeenkomst — en van de systematiek van deze regeling.
In deze opvatting kan de preferentiële behandeling alleen gelden voor produkten, verkregen op het grondgebied van de verdragsluitende partijen; zo gezien moet worden gewaarborgd, dat de goederen tijdens het vervoer naar het land van invoer niet worden vervangen door andere en dat de markten van derde landen niet worden beïnvloed. Vandaar het beginsel van rechtstreeks vervoer, waarmee wordt bedoeld dat de goederen rechtstreeks van de markt van het land van oorsprong naar de markt van het land van bestemming moeten worden vervoerd. Indien dit gebeurt, is er niets op tegen dat de goederen tijdens het transport (bij voorbeeld op zee) worden verhandeld (daarbij is niet van belang, of er eigendomsoverdracht plaatsvindt, welke nationaliteit de betrokkene hebben, in welke valuta de transactie wordt uitgedrukt en waar de betaling plaatsvindt). Dit moet logischerwijs ook gelden, wanneer de goederen om geografische redenen via een derde land worden vervoerd. Beslissend is daarbij enkel, dat bij uitvoer vaststaat dat de goederen voor het partnerland bestemd zijn. Handelstransacties welke in een derde land worden verricht, spelen geen enkele rol, zolang de oorspronkelijke bestemming daardoor niet wordt gewijzigd en de goederen economisch gezien niet in een derde land op de markt worden gebracht. Een sterk argument voor deze opvatting is te vinden in de bewijsregeling van artikel 5, lid 2, van protocol nr. 2, waaraan de douane gebonden is. Volgens deze regeling kan het bewijs dat aan de in lid 1 gestelde voorwaarden is voldaan, worden geleverd door overlegging van bepaalde documenten; dit kan niet anders betekenen dan dat het verder niet ter zake doet, of er tijdens het vervoer handelstransacties hebben plaatsgevonden.
C — Met de Commissie geef ik u daarom in overweging, de vraag van het tribunal de grande instance te Mulhouse te beantwoorden als volgt:
De herfacturering van een produkt van oorsprong uit Joegoslavië in een derde land, over wiens grondgebied het overeenkomstig artikel 5 van protocol nr. 2 bij de Interimovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië wordt vervoerd, brengt niet mee dat het produkt aldaar in de handel of in het vrije verkeer wordt gebracht in de zin van voormelde bepaling, indien blijkt dat het produkt nimmer voor een andere markt dan die van de Gemeenschap bestemd is geweest.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy