CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 7 mei 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Is een nationale regeling welke aan ingezetenen van een Lid-Staat bij aankoop van ter beurze genoteerde buitenlandse effecten de dubbele verplichting oplegt om:
—
deze effecten in bewaring te geven bij een erkende bank, en
—
tot zekerheid een renteloos bedrag evenredig aan de waarde van de gekochte effecten te storten,
verenigbaar met de bepalingen van artikel 67 EEG-Verdrag zoals uitgewerkt in de ter uitvoering van dat artikel vastgestelde richtlijnen, onverminderd krachtens artikel 108, lid 3, EEG-Verdrag toegestane vrijwaringsmaatregelen ?
Dit is de kern van de prejudiciële vragen waarmee de Pretore te Genua het Hof om uitlegging van genoemde gemeenschapsbepalingen verzoekt naar aanleiding van een door Brugnoni en diens speciale gemachtigde Ruffinengo aangespannen geding tegen de Cassa di risparmio di Genova e Imperia.
Alvorens de feiten te schetsen, wil ik eerst ingaan op de relevante communautaire en nationale voorschriften.
2.
Artikel 67, lid 1, EEG-Verdrag legt de Lid-Staten de verplichting op, „in hun onderling verkeer geleidelijk de beperkingen [op te heffen] met betrekking tot het verkeer van kapitaal toebehorende aan personen die woonachtig of gevestigd zijn in de Lid-Staten alsmede discriminerende behandeling op grond van nationaliteit of van de vestigingsplaats van partijen op grond van het gebied waar het kapitaal wordt belegd”.
Volgens artikel 69, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest Casati (zaak 203/80, Jurispr. 1981, blz. 2595) dienen er, om tot een vrij kapitaalverkeer te komen, door de Raad richtlijnen te worden vastgesteld die de bepalingen van artikel 67 geleidelijk uitvoeren.
In dit kader heeft de Raad twee richtlijnen vastgesteld, waarvan de eerste dateert van 11 mei 1960 (PB 1960, blz. 921) en de tweede van 18 december 1962 (PB 1963, blz. 62). In het onderstaande duid ik ze te zamen aan als „de richtlijn”.
Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„De Lid-Staten verlenen algemene vergunningen, vereist voor het aangaan van overeenkomsten of het verrichten van handelingen en voor de overmakingen tussen ingezetenen van de Lid-Staten, die betrekking hebben op de in lijst B van bijlage I van deze richtlijnen genoemde categorieën van kapitaalverkeer.”
Deze lijst — inzake effectentransacties — heeft inzonderheid betrekking op de verwerving door ingezetenen van ter beurze verhandelde buitenlandse effecten en de aanwending van de liquidatieopbrengst van deze effecten, alsmede op de in- en uitvoer van deze effecten.
Volgens artikel 5 laten de bepalingen van deze richtlijn het recht van de Lid-Staten onverlet, „de aard en de realiteit van de overeenkomsten, handelingen of overmakingen te controleren of om de maatregelen te treffen die nodig zijn om inbreuk op hun wetten en voorschriften te verhinderen.”
Voor het geval dat het binnen de grenzen van het afgeleide recht tot ontwikkeling gekomen vrije kapitaalverkeer zich niet zou blijken te verdragen met een crisissituatie, heeft het Verdrag twee categorieën van maatregelen voorzien waarmee tijdelijk van het beginsel van vrij verkeer kan worden afgeweken. Zo voorziet artikel 73 in vrijwaringsmaatregelen in geval kapitaalbewegingen verstoringen in de werking van de kapitaalmarkt van een Lid-Staat tot gevolg hebben. Deze maatregelen behoeven de goedkeuring van de Commissie, na raadpleging van het Monetair Comité (lid 1). Bij uitzondering mogen zij door de Lid-Staat zelf worden genomen, in welk geval de betrokken Lid-Staat ze ter kennis moet brengen van de andere Lid-Staten en van de Commissie die, na overleg, kan besluiten dat ze moeten worden gewijzigd of ingetrokken (lid 2).
De tweede categorie van maatregelen is te vinden in de artikelen 108 en 109 EEG-Verdrag.
Artikel 108 voorziet in een communautaire procedure in geval van moeilijkheden of ernstig dreigende moeilijkheden in de betalingsbalans van een Lid-Staat. Ingevolge lid 3 kan de Commissie de in moeilijkheden verkerende Lid-Staat machtigen, vrijwaringsmaatregelen te nemen waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt. Artikel 109 heeft betrekking op het geval van een plotselinge crisis in de betalingsbalans. In een dergelijk geval mag de betrokken Lid-Staat te zijner bescherming de noodzakelijke vrijwaringsmaatregelcn treffen; de Raad kan besluiten dat ze moeten worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.
3.
Bij drie achtereenvolgende beschikkingen heeft de Commissie de Italiaanse Republiek krachtens artikel 108, lid 3, EEG-Verdrag, gemachtigd, bepaalde vrijwaringsmaatregelen te treffen (beschikkingen nrs. 74/287 van 8 mei 1974, PB 1974, L 152, blz. 18, en 75/355 van 26 mei 1975, PB 1975, L 158, blz. 25) en de toepassing van sommige van deze vrijwaringsmaatregelen voort te zetten (beschikking nr. 85/16 van 19 december 1984, PB 1985, L 8, biz. 34).
Artikel 5, van de eerste beschikking machtigde de Italiaanse Republiek om van ingezetenen te eisen, dat zij een renteloos bankdeposito stortten van ten hoogste 50% van het bedrag van de overmaking van kapitaalbedragen naar de andere Lid-Staten, als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de richtlijn. Deze machtiging, die tijdelijk was zonder dat de duur ervan nader was bepaald, werd bij de beschikking van 1975, waarbij overigens verscheidene bepalingen van de eerste beschikking werden afgeschaft, ongewijzigd gehandhaafd (zie de laatste overweging).
Artikel 1 van de beschikking van 1984 machtigde de Italiaanse Republiek,
„tijdelijk [namelijk voor de duur van drie jaar] en binnen de grenzen van de in de bijlage bij deze beschikking genoemde maatregelen, de uitvoering van overmakingen betreffende het op de dag van het vaststellen van deze beschikking overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van de richtlijn... geliberaliseerde kapitaalverkeer te beperken”.
In deze bijlage wordt de hoogte van het renteloze bankdeposito verminderd van 50% tot 30% voor effecten die, zoals in casu, zijn uitgegeven door de gemeenschapsinstellingen, mits de verworven effecten gedurende meer dan een jaar worden aangehouden; indien dit laatste niet het geval is, bedraagt het deposito 50% van de aankoopsom.
Bij artikel 3 van de beschikking van 1984 werd de beschikking van 1974 ingetrokken.
4.
Van deze machtiging heeft de Italiaanse Republiek gebruik gemaakt bij het ministeriele besluit van 12 maart 1981.
Volgens artikel 15 van dit besluit moeten ingezetenen die in het buitenland uitgegeven of betaalbare effecten verwerven, een bedrag in LIT gelijk aan 50% van de aankoopsom storten op een geblokkeerde en niet-rentende rekening bij de bank of kredietinstelling die met de opdracht is belast.
Ingevolge artikel 20, lid 1, moeten dergelijke effecten
„worden gedeponeerd bij tot bewaring en beheer bevoegde banken, en wel binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de ingezetenen in het bezit ervan komen of de beschikking erover verkrijgen...”
Volgens lid 3 is aan deze verplichting eveneens voldaan, wanneer de bevoegde banken de effecten binnen de voorgeschreven termijn op hun eigen naam en voor rekening van de rechthebbenden in bewaring geven bij buitenlandse banken.
Bij een besluit van 30 november 1984 — daterend dus van vóór de derde beschikking van de Commissie — werd de hoogte van het te storten renteloze deposito verminderd tot 30% in geval van aankoop van door de gemeenschapsinstellingen uitgegeven obligaties.
5.
Dit zijn de bepalingen waarom het in de onderhavige zaak gaat.
Eind november 1984 gaf Ruffinengo, handelende in opdracht van Brugnoni, de Cassa di risparmio order om voor diens rekening in de Bondsrepubliek Duitsland ter beurze genoteerde EGKS-toonderobligaties te kopen voor een bedrag van 5000 DM.
Op 28 november 1984 debiteerde de spaarkas de rekening van de verkrijger ter zake van deze order niet alleen voor de tegenwaarde van de stukken in (3260292 LIT), maar ook voor de in artikel 15 van het ministeriële besluit van 12 maart 1981 voorziene waarborgsom ten belope van 50% van het eerstgenoemde bedrag (1630146 LIT); laatstbedoeld bedrag werd gestort op een niet-rentende rekening bij de spaarkas. Op 11 februari 1985 werd Brugnoni ingevolge voornoemd ministerieel besluit van 30 november 1984 gecrediteerd voor een bedrag van 651758 LIT, ofwel 20% van de aankoopsom van de stukken.
Verder deponeerde de spaarkas op grond van artikel 20 van eerstgenoemd besluit de EGKS-obligaties voor rekening van verzoeker in het hoofdgeding, doch op eigen naam, bij de Deutsche Bank te Frankfurt. Over de periode 28 november — 31 december 1984 werd verzoeker in het hoofdgeding een bedrag van 7600 LIT ter zake van bewaarloon in rekening gebracht. Ik wijs erop, dat de spaarkas haar cliënten vanaf 1 juli 1985 geen bewaarloon meer in rekening brengt, behalve voor buitenlandse effecten de eventueel aan de buitenlandse bank verschuldigde bewaarkosten.
Ik voeg eraan toe, dat volgens een Italiaanse wet van 1976 bestuurders en employés van banken strafbaar zijn bij overtreding van de deviezenvoorschriften voor commerciële en financiële transacties met het buitenland.
Voor de Pretore te Genua zijn Brugnoni en Ruffinengo opgekomen tegen de dubbele verplichting, de effecten bij een erkende bank in bewaring te geven en een renteloze waarborgsom te storten.
6.
De Pretore heeft het Hof vier prejudiciele vragen gesteld.
Na te hebben vastgesteld dat de betrokken transactie onder lijst B van de richtlijn valt — wat voor het Hof niet is betwist —, vraagt de Pretore, kort samengevat:
—
of verkrijgers van die effecten uit dien hoofde rechtstreeks toepasselijke rechten kunnen ontlenen aan de communautaire rechtsorde, en, zo ja, of restrictieve nationale maatregelen, met name de verplichting om de effecten in bewaring te geven bij een bank, met die rechten verenigbaar zijn;
—
dan wel of ingevolge de artikelen 67 en 68 EEG-Verdrag een dergelijke maatregel door een Lid-Staat kan worden getroffen op grond van artikel 108, lid 3, waarop de op de onderhavige transactie betrekking hebbende derde beschikking (nr. 85/16) van de Commissie is gebaseerd;
—
of de Italiaanse regering het Verdrag heeft geschonden door niet de overlegprocedure van artikel 73 te volgen, en
—
of de derde beschikking van de Commissie een verdere verlenging van de sedert 1974 verleende machtigingen of enkel een nieuwe machtiging inhoudt, die overeenkomstig artikel 191, tweede alinea, EEG-Verdrag alleen voor transacties na 19 december 1984 geldt.
Laten wij dan nu onderzoeken, of de twee door verzoekers in het hoofdgeding bestreden maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht.
7.
Wat de renteloze waarborgsom betreft stellen Brugnoni en Ruffinengo, dat de betrokken transactie weliswaar plaatsvond toen de beschikking van 1974 van kracht was, doch dat deze bij de beschikking van 1984 uitdrukkelijk werd ingetrokken. Dientengevolge zou de verplichting tot storting van een waarborgsom zijn komen te vervallen. Het deposito bedoeld in de beschikking van 1984 zou, waar deze beschikking terugwerkende kracht mist, niet kunnen gelden voor eerdere transacties.
De Italiaanse regering en de Commissie zijn op grond van de vijfde overweging van beschikking nr. 85/16 van mening, dat de omstreden vrijwaringsmaatregel daarbij onverkort gehandhaafd bleef.
Zoals reeds gezegd, machtigt deze beschikking blijkens haar opschrift de Italiaanse regering om de toepassing van bepaalde vrijwaringsmaatregelen „voort te zetten”. De strekking ervan wordt nog eens helder aangegeven in de vijfde overweging: „... dat het opheffen van de vrijwaringsmaatregelen, tot het nemen waarvan Italië werd gemachtigd, geleidelijk moet geschieden” en „dat derhalve bepaalde deviezenrestricties en kapitaaltransacties die normaal geliberaliseerd zijn, gehandhaafd dienen te worden” (cursivering van mij).
Bijgevolg was het de bedoeling van de gemeenschapswetgever, dat de sedert 1974 aan Italië verleende machtiging om in de bovengenoemde gevallen storting van een renteloos bankdeposito verplicht te stellen, van kracht zou blijven. Bij de beschikking van 1984 werd deze machtiging dus verlengd, en geen nieuwe vrijwaringsmaatregel krachtens artikel 108, lid 3, vastgesteld. Wel zijn daarbij aan de machtiging nieuwe voorwaarden verbonden, met name betreffende het maximumpercentage van het deposito en de duur van de machtiging. Deze duur, waaromtrent in 1974 noch in 1975 iets was bepaald, is — zoals gezegd — bij de beschikking van 1984 vastgesteld op drie jaar.
Ik wil er nog op wijzen, dat — gelijk de Commissie heeft opgemerkt — de procedures van de artikelen 73 en 108 EEG-Verdrag alternatief en niet cumulatief zijn. De Italiaanse regering behoefde de procedure van artikel 73 in dit geval dus niet te volgen.
8.
Ik kom nu tot het meer omstreden vraagstuk — onderwerp van de eerste twee vragen —, of de aan de eigenaar van buitenlandse effecten opgelegde verplichting om deze bij een erkende bank in bewaring te geven, verenigbaar is met het primaire en het afgeleide gemeenschapsrecht.
Volgens verzoekers in het hoofdgeding is dit niet het geval.
Wat artikel 67, lid 1, EEG-Verdrag betreft, verwijzen zij naar de uitlegging daarvan in het reeds aangehaalde arrest Casati:
—
„Het vrije verkeer van kapitaal vormt... evenals dat van personen en diensten een der fundamentele vrijheden van de Gemeenschap”;
—
„de verplichting tot liberalisatie van het kapitaalverkeer wordt slechts opgelegd ‚in de mate waarin zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt nodig is’”;
—
„deze beoordeling komt in de eerste plaats toe aan de Raad volgens de procedure van artikel 69. In het kader van dit artikel heeft de Raad twee richtlijnen vastgesteld...In de bijlagen bij de richtlijnen wordt het gehele kapitaalverkeer verdeeld over vier lijsten (A, B, C en D). Voor de in de lijsten A en B vermelde kapitaalbewegingen schrijven de richtlijnen een onvoorwaardelijke liberalisering voor” (r. o. 8-11).
Brugnoni en Ruffinengo leiden hieruit af dat, nu de liberalisatie onvoorwaardelijk is, de Lid-Staten verplicht zijn ten aanzien van de betrokken kapitaalbewegingen iedere discriminatie als bedoeld in artikel 67, lid 1, op te heffen. Die opheffing — die als complement op de onvoorwaardelijke liberalisatie moet worden gezien — zou automatisch plaatsvinden in die zin, dat daarvoor geen richtlijn van de Raad noodzakelijk is. De Italiaanse regeling betreffende de verplichte bewaargeving van effecten nu zou discrimineren zowel op grond van de vestigingsplaats van partijen als op grond van het gebied waar het kapitaal wordt belegd.
Verder zou zij in strijd zijn met de bepalingen van de richtlijn, en wel met artikel 2, in zover daarin sprake is van het verrichten van handelingen betreffende kapitaalbewegingen van lijst B van bijlage I, alsmede met deze lijst zelf, volgens welke de koper uitdrukkelijk het recht heeft om de effecten naar diens land van vestiging over te brengen. De regeling zou niet als een controlemaatregel in de zin van artikel 5 van de richtlijn kunnen worden beschouwd noch als een naar gemeenschapsrecht toelaatbare vrijwaringsmaatregel, daar immers de procedure van artikel 73 EEG-Verdrag niet is gevolgd.
Ten slotte stellen verzoekers in het hoofdgeding, dat de betrokken maatregel een ernstige aantasting van het eigendomsrecht inhoudt en zelfs een bedreiging van hun vermogensrechten betekent in geval van faillissement van de bank die de stukken bewaart of die die haar bemiddeling verleent.
9.
Deze argumenten van verzoekers in het hoofdgeding komen mij om de navolgende redenen, en met name om die welke de Italiaanse regering en de Commissie hebben aangevoerd, niet overtuigend voor.
Om de betrokken maatregel in juiste verhouding tot artikel 67, lid 1, te zien, moeten wij uitgaan van het arrest Casati.
Daarin heeft het Hof de vrijheid van kapitaalverkeer weliswaar als „fundamenteel” gekenschetst, doch er meteen aan toegevoegd dat:
„artikel 67, lid 1, van de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen, personen en diensten verschilt, in die zin dat de verplichting tot liberalisatie van het kapitaalverkeer slechts wordt opgelegd ‚in de mate waarin zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt nodig is’. De omvang van deze beperking, die na het verstrijken van de overgangsperiode van toepassing blijft, wisselt met de tijd en hangt af van een beoordeling van de behoeften van de gemeenschappelijke markt, en van de waardering van zowel voordelen als risico's die een liberalisatie voor deze markt zou kunnen meebrengen, gelet op haar toestand op een bepaald moment, en, met name, op de graad van integratie die is bereikt op de gebieden waarvoor het kapitaalverkeer bijzonder belangrijk is” (r. o. 10).
Daarmee sloot het Hof zich aan bij advocaatgeneraal Capotorti die meende dat
„artikel 67, lid 1, niet de vereiste kenmerken vertoont om te kunnen worden gerekend tot de bepalingen die na het verstrijken van de overgangsperiode rechtstreeks toepasselijk zijn” (t. a. p. blz. 2625).
In de opvatting van verzoekers in het hoofdgeding zou het Hof moeten omgaan: Zij willen immers een nuanceverschil gemaakt zien tussen het eerste en het tweede gedeelte van artikel 67, lid 1 — betreffende respectievelijk de beperkingen ten aanzien van het kapitaalverkeer en de discriminerende behandeling —, omdat de opheffing van de beperkingen huns inziens noodzakelijkerwijs de afschaffing van discriminaties moet meebrengen. Dit zou neerkomen op een soort van rechtsteekse reflexwerking, waarvoor evenwel de letter noch de strekking van de bepaling steun bieden.
Indien de verdragsauteurs dit hadden bedoeld, zouden zij niet de uitdrukking „alsmede”, maar „en, bijgevolg,” of „derhalve” hebben gebruikt. De disciminaties moeten evenals de beperkingen door de Lid-Staten „geleidelijk” worden opgeheven op grond van een beoordeling die, zo het Hof, „in de eerste plaats toekomt aan de Raad overeenkomstig de procedure van artikel 69” (arrest Casati, t. a. p., r. o. 11).
10.
Wij zullen daarom thans moeten nagaan, of de verplichte bewaargeving van de effecten bij een erkende bank in strijd is met de ter uitvoering van artikel 67, lid 1, vastgestelde richtlijn.
In confesso is, dat de onderhavige kapitaalbewegingen vallen onder artikel 2 van de richtlijn en onder lijst B van bijlage I.
„Voor de in lijsten A en B vermelde kapitaalbewegingen schrijven de richtlijnen een onvoorwaardelijke liberalisering voor” (arrest Casati, t. a. p., r. o. 11).
Maar deze liberalisering vindt slechts plaats in de — nader te bepalen — mate waarin de beperkingen door de richtlijn worden opgeheven.
In het onderhavige geval zal de nationale rechter aan de hand van de door het Hof gegeven uitlegging van de communautaire rechtsnormen moeten uitmaken, of de Italiaanse regeling „het aangaan van overeenkomsten of het verrichten van handelingen” en „de overmakingen tussen ingezetenen van de Lid-Staat” ter zake van effecten toestaat en de „verwerving door ingezetenen van ter beurze verhandelde buitenlandse effecten en de aanwending van de liquidatieopbrengst van deze effecten”, met inbegrip van de in- en uitvoer van die effecten, mogelijk maakt.
Niemand heeft gesteld, dat de betrokken maatregel een verbod of zelfs maar een beperking voor de ingezetenen inhoudt om ter beurze verhandelde buitenlandse effecten te verwerven. Kennelijk konden de daartoe nodige kapitaalbewegingen normaal worden afgewikkeld, en niets duidt erop dat die maatregel een beletsel vormt voor de aanwending van de eventuele liquidatieopbrengst van de onderhavige effecten.
Wat is nu bedoeld met de „in- en uitvoer” van effecten („mouvements matériels des titres”), en welke „effectentransacties” vallen daar precies onder ? Is dat, zoals verzoekers in het hoofdgeding stellen, de invoer van buitenlandse effecten in de Lid-Staat van woonplaats van de verkrijger om hem de feitelijke macht te verschaffen ?
Ik geloof niet dat de gemeenschapswetgever een dergelijke overdracht heeft bedoeld, die niet zou aansluiten bij de reeds geruime tijd gaande zijnde ontwikkeling om het recht van de eigenaar van de schuldtitel te „dematerialiseren”. Dit recht wordt namelijk meer en meer van de schuldtitel zelf losgemaakt om schriftelijke vorm te krijgen in de boeken van de bankinstellingen.
Onder „in- en uitvoer” in de zin van lijst B moeten mijns inziens dan ook worden verstaan, de bewegingen waardoor transacties in en met name de verhandeling van effecten worden geconditioneerd ( 1 ). De verplichte bewaargeving zou derhalve slechts dan onverenigbaar zijn met de richtlijn, indien het kapitaalverkeer daardoor werd belemmerd, en in dat geval nog enkel in de mate waarin zij een belemmering vormt. Aldus zou met de richtlijn onverenigbaar zijn een verbod op de uitvoer van ter beurze verhandelde buitenlandse effecten, wanneer die uitvoer voor de verhandeling van deze effecten noodzakelijk zou zijn.
Naar het mij voorkomt, vormt de verplichting om de verkregen effecten in bewaring te geven bij een erkende bank evenwel geen belemmering voor de tot nog toe geliberaliseerde kapitaalbewegingen en wordt het door de richtlijn onvoorwaardelijk geliberaliseerde gebied onverlet gelaten. De betrokken maatregel valt mijns inziens binnen de bevoegdheid waarover de Lid-Staten in de huidige stand van het gemeenschapsrecht vooralsnog beschikken.
Ik ben dan ook van mening, dat zij een dergelijke maatregel kunnen vaststellen buiten de in de artikelen 73 en 108 EEG-Verdrag voorziene procedures om en de naleving ervan strafrechtelijk mogen handhaven.
11.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Pretore te Genua te beantwoorden als volgt:
„1)
Een nationale maatregel waarbij de ingezetenen van een Lid-Staat verplicht worden, ter beurze verhandelde buitenlandse effecten, genoemd in lijst B van bijlage I van de richtlijn van de Raad van 11 mei 1960, in bewaring te geven bij een erkende bank, is, mits het kapitaalverkeer er niet door wordt belemmerd, in de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet in strijd met artikel 67, lid 1, EEG-Verdrag zoals uitgewerkt in voornoemde richtlijn en aangevuld en gewijzigd bij de richtlijn van de Raad van 18 december 1962. Voor de vaststelling van een dergelijke maatregel is thans derhalve geen machtiging van de Commissie krachtens artikel 73 of artikel 108 van het Verdrag vereist.
2)
Voor een krachtens artikel 108 EEG-Verdrag en overeenkomstig de daarin voorziene procedure vastgestelde nationale maatregel behoeft niet tevens de procedure van artikel 73 van het Verdrag in acht genomen te worden.
3)
Beschikking nr. 85/16 van de Commissie van 19 december 1984, waarbij de Italiaanse Republiek overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag wordt gemachtigd de toepassing van bepaalde vrijwaringsmaatregelen voort te zetten, heeft ten opzichte van de daarbij ingetrokken beschikkingen nrs. 74/287 en 75/355 niet tot gevolg, dat de verplichting tot storting van een renteloze waarborgsom voor aankopen door ingezetenen van ter beurze genoteerde buitenlandse effecten, welke vóór haar inwerkingtreding zijn gedaan, vervalt.”
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) Zie P. Oliver: „Free Movement of Capital: Art. 67(1) and Implementing Directives”, European Law Review, 1984, biz. 401, met name biz. 404.
Full & Egal Universal Law Academy