CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 24 april 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het Bundesfinanzhof heeft het Hof bij beschikking van 7 mei 1985 een vraag voorgelegd over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1).
Aan de zaak liggen de volgende feiten ten grondslag.
Verweerster in het hoofdgeding voerde op 30 december 1980 een partij diepgevroren rundvlees uit Argentinië in. Deze partij bleek schade te hebben opgelopen door ontdooiing, die volgens de deskundigen tijdens het laden in Argentinië was opgetreden en die, nog steeds volgens de deskundigen, voor de totale partij had geleid tot een waardevermindering van 17%; de transportverzekeraar kende verweerster, die de koopprijs reeds aan de leverancier had betaald en een actie uit vrijwaring tegen deze praktisch onmogelijk achtte, voor de waardevermindering een schadevergoeding toe van 14%, zodat 3% ten laste van verweerster bleef. De douanewaarde is desondanks vastgesteld op basis van de transactiewaarde (met inbegrip van de zeevrachtkosten en de zeeverzekeringskosten).
Verweerster acht deze vaststelling onjuist: volgens haar had bij de bepaling van de douanewaarde met voornoemde waardevermindering rekening moeten worden gehouden.
Na een vruchteloos bezwaar werd zij op grond van dezelfde argumenten door het Finanzgericht in het gelijk gesteld. Deze rechter overwoog, dat de oplossing moest worden gezocht in een analogische uitlegging van het begrip „transactiewaarde” zoals gedefinieerd in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1224/80, dat luidt als volgt:
„De douanewaarde van ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap...”
Deze opvatting zou ook steun vinden in artikel 4, tweede volzin, van verordening nr. 1495/80 van de Commissie (in de versie van verordening nr. 1580/81 van de Commissie, PB 1981, L 154, blz. 36), bepalende:
„Een verhoudingsgewijze verdeling van de werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt ook toegepast in geval van gedeeltelijk verlies of in geval van beschadiging, vóór het in het vrije verkeer brengen, van de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald.”
Het Hauptzollamt Itzehoe stelde tegen deze uitspraak beroep tot „Revision” in. Zijns inziens is voor de toepassing van verordening nr. 1224/80 enkel van belang dat verweerster de factuurprijs in zijn geheel heeft voldaan, en biedt de regeling niet de mogelijkheid om rekening te houden met een waardevermindering ten gevolge van een gebrek van de zaak. Met artikel 4, tweede volzin, van verordening nr. 1495/80 zou geen rekening kunnen worden gehouden, aangezien deze bepaling ingevolge artikel 2 van verordening nr. 1580/81 pas in juni 1981 in werking is getreden.
Het Bundesfinanzhof lijkt enerzijds geneigd de stelling van het Hauptzollamt voor juist te houden op grond van de bewoordingen van verordening nr. 1224/80, doch heeft anderzijds zijn twijfels over deze uitlegging, omdat deze „tot economisch onlogische resultaten leidt”. Daarom heeft het bij de in aanvang genoemde beschikking de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht zich uit te spreken over de volgende prejudiciële vraag:
„Diende op 30 december 1980 onder transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80 ook dan het volledige bedrag van de werkelijk betaalde prijs te worden verstaan, wanneer het produkt, dat bij aankoop onbeschadigd was, vóór het voor de waardebepaling bepalende tijdstip door beschadiging een waardevermindering heeft ondergaan, waarvoor de transportverzekering aan de koper een vergoeding heeft uitgekeerd, echter zonder dat de verkoper een deel van de betaalde prijs heeft vergoed ?”
Naar aanleiding hiervan wil ik het volgende opmerken:
1.
Verordening nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, heeft het volgende algemene beginsel ingevoerd (artikel 2, lid 1):
„De douanewaarde van ingevoerde goederen dient te worden vastgesteld met toepassing van artikel 3 telkens wanneer aan de daarin genoemde voorwaarden is voldaan.”
Allereerst moet dus worden nagegaan of in casu aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden is voldaan.
Artikel 3, lid 1, bepaalt, dat de douanewaarde van ingevoerde goederen de transactiewaarde is, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, aangepast overeenkomstig artikel 8, op voorwaarde dat bepaalde, onder de punten a) tot en met d) van hetzelfde artikellid genoemde situaties zich niet voordoen.
Geen van deze situaties doet zich in casu voor en de in artikel 8 bedoelde aanpassingen behoeven evenmin te worden aangebracht.
Men zou dus geneigd zijn, te concluderen dat daarmee de kous af is en dat artikel 3, lid 1, moet worden toegepast, wat meebrengt dat de douanewaarde van het ingevoerde vlees moet worden vastgesteld op basis van de prijs die de importeur werkelijk heeft betaald. Welnu, zoals wij weten heeft deze de bij het sluiten van de overeenkomst overeengekomen prijs in zijn geheel voldaan.
Bij de uitlegging van artikel 3 kan men echter niet voorbijgaan aan de uitvoeringsbepalingen die de Commissie heeft vastgesteld.
In artikel 4 van verordening nr. 1495/80 van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad (PB 1980, L 154, biz. 14), dat tegelijk met de basisverordening in werking is getreden, preciseert de Commissie:
„Wanneer de goederen die ten invoer tot het vrije verkeer in het douanegebied van de Gemeenschap worden aangegeven., deel uitmaken van een grotere in een enkele transactie aangekochte hoeveelheid van dezelfde goederen, is de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1224/80 een prijs, die in dezelfde verhouding staat tot de totale prijs als de aangegeven hoeveelheid staat tot de totale aangekochte hoeveelheid.”
Het begrip transactiewaarde is dus vatbaar voor nuanceringen: wat telt, is niet altijd het totale bedrag dat werkelijk aan de verkoper is betaald, maar het bedrag dat is betaald voor het deel van de goederen dat in de Gemeenschap is ingevoerd.
Later is voornoemd artikel 4 aangevuld als volgt:
„Een verhoudingsgewijze verdeling van de werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt ook toegepast in geval van gedeeltelijk verlies of in geval van beschadigingen, vóór het in het vrije verkeer brengen, van de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald” (artikel 1, van verordening nr. 1580/81 van de Commissie van 12 juni 1981 tot wijziging van verordening nr. 1495/80, PB 1981, L 154, blz. 36).
Wanneer een deel van een lading onderweg overboord gaat of volledig te niet gaat, beschouwt men dus als werkelijk betaalde prijs, dat deel van de prijs dat betrekking heeft op het gedeelte van de lading dat in goede staat wordt geleverd.
Maar waarop slaan de woorden „of in geval van beschadiging” ? Hebben zij het oog op beschadiging van een deel van de goederen of ook op schade die, zoals in casu, de lading in haar geheel aantast ?
Bij nauwkeurige lezing van de tekst is men geneigd voor de tweede uitlegging te kiezen; het woord „gedeeltelijk” lijkt enkel terug te slaan op „verlies” en niet op „beschadiging”. Er staat immers niet: „in geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging”.
In het Duits ligt de zaak nog duidelijker. Daar lezen wij : „Im Falie eines Teilverlustes oder einer Beschädigung” en niet „Im Falle eines Verlustes oder einer Beschädiging eines Teiles der zu bewertenden Ware”.
Deze uitlegging lijkt echter op gespannen voet te staan met de uitdrukking „verhoudingsgewijze verdeling” aan het begin van die alinea. Bij schade die alle goederen aantast, zou men niet moeten spreken van „verhoudingsgewijze verdeling”, maar van „verhoudingsgewijze verlaging” van de prijs.
Het lijkt mij desondanks toelaatbaar om het begrip „verhoudingsgewijze verdeling” ook op te vatten in de zin van „verhoudingsgewijze verlaging”.
Het feit dat verordening nr. 1580/81 van de Commissie pas op 15 juni 1981, dat wil zeggen na de betrokken invoer, in werking is getreden, staat evenmin in de weg aan het gebruik hiervan bij de uitlegging van artikel 3 van de verordening van de Raad.
Eerstgenoemde verordening heeft blijkens haar eerste overweging geen wijziging willen brengen in de strekking van artikel 3 van veordening nr. 1224/80. Dat had zij overigens ook niet kunnen doen. Zij beoogt enkel de betekenis van dit artikel te preciseren. Men is dus gerechtigd om haar op de onderhavige feiten toe te passen.
Op grond van bovenstaande redenering zou men geneigd kunnen zijn te concluderen
—
dat artikel 3 van verordening nr. 1224/80 in casu van toepassing is;
—
dat de prijs die voor de berekening van de douanewaarde van de goederen in aanmerking moet worden genomen, op grond van dit artikel, uitgelegd in het licht van de verordening van de Commissie, naar evenredigheid van de schade aan die goederen mag worden verlaagd.
2.
Tegen deze uitlegging brengt de Commissie echter in, dat artikel 3 niet kan worden toegepast bij beschadiging van de gehele partij, omdat de werkelijk betaalde prijs (transactiewaarde) niet is vastgesteld voor de goederen in de beschadigde toestand waarin zij zijn geleverd, maar voor onbeschadigde goederen.
Ter ondersteuning van haar betoog voert de Commissie aan, dat verordening nr. 1224/80 is vastgesteld ter uitvoering van een in het kader van het GATT gesloten en namens de Gemeenschap door de Raad goedgekeurde overeenkomst, te weten de „Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene overeenkomst betreffende tarieven en handel” (PB 1980, L 71, biz. 107).
Door de aanvaarding van deze overeenkomst heeft de Gemeenschap zich verbonden om haar regeling inzake de douanewaarde in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de overeenkomst (zie vijfde overweging van verordening nr. 1224/80).
Bij de uitlegging van verordening nr. 1224/80 moet rekening worden gehouden met de uitlegging van de overeenkomst waarop zij berust.
Nu heeft het Technisch comité inzake de douanewaarde (Technical Committee on Customs Valuation), een comité dat op grond van artikel 18, lid 2, van voornoemde overeenkomst door de Internationale Douaneraad is opgericht, in maart 1982 een toelichting opgesteld in verband met de vragen die met betrekking tot beschadigde goederen rijzen.
Blijkens deze toelichting wordt artikel 1 van de „Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene overeenkomst”, dat woordelijk overeenkomt met artikel 3 van verordening nr. 1224/80, geacht niet te gelden wanneer de gehele partij goederen is beschadigd.
De commentatoren zijn een zelfde mening toegedaan; ook zij onderstrepen, dat de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald, identiek moeten zijn met de gekochte goederen. Van een dergelijke identiteit is geen sprake wanneer de goederen in goede staat worden gekocht en in beschadigde staat worden geleverd (zie over dit onderwerp: Zepf, Wertverzollung, commentaar A.2.3.3 betreffende artikel 3; Scherman, Saul L., en Glashoff Hinrich: A businessman's guide to the GATT Customs Valuation Code, hoofdstuk 3, nr. 114).
Deze redenering is niet geheel overtuigend. Zou zij namelijk niet net zo goed kunnen gelden voor goederen waarvan enkel een deel is teniet gegaan of beschadigd ? Ook in dat geval zijn de geleverde goederen niet identiek met de gekochte.
Maar nu de deskundigen van de Internationale Douaneraad zich in deze uitlegging hebben kunnen vinden en het aanbeveling verdient om een uniforme toepassing van deze, in het kader van het GATT gesloten, overeenkomst te verzekeren binnen een zo groot mogelijke groep verdragsluitende partijen, geef ik het Hof in overweging om de Commissie in haar conclusie te volgen en te beslissen, dat artikel 3 van verordening nr. 1224/80 niet geldt voor goederen die in hun totaliteit zijn beschadigd.
Het Hof kan zich echter niet tot deze vaststelling beperken. De traditie wil, dat aan de nationale rechter, ondanks het feit dat deze enkel spreekt van artikel 3 van verordening nr. 1224/80, met betrekking tot het toepasselijke gemeenschapsrecht aanwijzingen worden verstrekt die hem in staat stellen het hoofdgeding te beslechten.
In dit verband moet zijn aandacht worden gevestigd op artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1224/80; wanneer de douanewaarde niet kan worden vastgesteld met toepassing van artikel 3, moet volgens deze bepaling achtereenvolgens te rade worden gegaan met de artikelen 4, 5, 6 en 7, die elk ten opzichte van het direct daaraan voorafgaande artikel een subsidiaire functie vervullen.
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, komen de artikelen 4 en 5 in casu niet aan bod.
Artikel 6 zou van toepassing kunnen zijn indien het vlees in de Gemeenschap is verkocht in de staat waarin het zich bij invoer bevond.
Indien dit niet het geval is zal, nu artikel 7 eveneens lijkt te moeten uitvallen, de douanewaarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, moeten worden vastgesteld, dat wil zeggen „met gebruikmaking van redelijke middelen”.
In dat kader zou dan rekening moeten worden gehouden met beschadigingen van het soort als hier vastgesteld.
De vraag van het Bundesfinanzhof dient daarom te worden beantwoord als volgt:
„Wanneer een partij goederen in haar totaliteit is beschadigd voordat zij is ingeklaard, en de koper (importeur) de gevolgen van die schade draagt, moet de douanewaarde van die goederen niet worden berekend aan de hand van de transactiewaarde in de zin van artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1224/80, maar aan de hand van artikel 2, leden 2 en 3, van die verordening.”
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy