Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Deze zaak, waarin ik al conclusie heb genomen, is door de Vijfde kamer, waarnaar zij aanvankelijk was verwezen, naar het voltallige Hof terugverwezen . Verzoeker in het hoofdgeding alsook de vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk en van de Commissie hebben vooral de aandacht gevestigd op twee nieuwe punten, die mogelijk van invloed zouden kunnen zijn op het aan de verwijzende rechter te geven antwoord . Het gaat om het arrest van het Hof in de zaak Bilka*(1 ), gewezen nadat de eerste zitting had plaatsgevonden, en om richtlijn*86/378 van de Raad van 24*juli*1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings - en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid.*(2 )
2 . Geen van beide elementen geeft mij aanleiding om terug te komen van de oplossing die ik in mijn eerste conclusie heb verdedigd en die ik hier uitdrukkelijk bevestig . De nieuwe richtlijn, waarvoor de omzettingstermijn in nationaal recht nog niet is verstreken, bevestigt mijn analyse van het voorstel van de Commissie dat eraan voorafging . De gemeenschapsbepalingen die in het arrest Bilka centraal staan, hebben mijns inziens betrekking op andere gevallen dan het onderhavige . Zoals ik reeds eerder heb verdedigd, valt de onderhavige casus evenmin binnen het toepassingsgebied van artikel*119 EEG-Verdrag, zoals omschreven in de rechtspraak van het Hof in de zaken Worringham*(3 ) en Liefting.*(4 ) Ik zal op deze drie punten nader ingaan .
3 . Om te beginnen herinner ik eraan, dat het hoofdgeding betrekking heeft op de op Newstead rustende verplichting om bijdragen te betalen ter financiering van de pensioenen van nagelaten betrekkingen, hoewel hij niet gehuwd is en hij, naar zijn zeggen, dat ook niet van plan is . Daarbij komt voorts, dat volgens Newstead de latere terugbetaling -*aan hemzelf of aan zijn erfgenamen *- van het bedrag van zijn bijdragen, zelfs indien vermeerderd met rente, de discriminatie die hij ondervindt, niet kan ongedaan maken, nu hij, anders dan zijn vrouwelijke collega' s, niet onmiddellijk over zijn volledige salaris kan beschikken .
4 . De richtlijn van 1986 is voor de ondernemings - en sectoriële regelingen wat richtlijn*79/7 is voor de wettelijke regelingen.*(5 ) Beide sluiten de pensioenen van nagelaten betrekkingen*(6 ) uitdrukkelijk van hun werkingssfeer uit . De communautaire verplichting om mannen en vrouwen gelijk te behandelen blijft derhalve op dit vlak afhangen van de vaststelling van nauwkeurige bepalingen, die zijn aangekondigd in artikel*1, lid*2, van richtlijn*76/207.*(7 ) De laatste richtlijn van de Raad, die op dit punt aansluit bij het voorstel van de Commissie, sterkt mij in mijn overtuiging dat, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, de Lid-Staten het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen niet behoeven toe te passen op een verplichting om bij te dragen in de vorming van een pensioen voor een nagelaten betrekking .
5 . Wat nu het arrest Bilka betreft, in die zaak diende te worden uitgemaakt of de uitkeringen van een werkgever aan zijn werknemer op grond van een contractuele bedrijfspensioenregeling, ter aanvulling op de wettelijke regeling en uitsluitend gefinancierd door de werkgever, binnen de werkingssfeer van artikel*119 vielen . Het Hof oordeelde in de lijn van mijn conclusie, dat deze regeling
"geen rechtstreeks bij wet geregeld en als dusdanig buiten de werkingssfeer van artikel*119 vallend stelsel van sociale zekerheid is en dat de uitkeringen aan de werknemers op grond van de omstreden regeling als een door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaald voordeel in de zin van artikel*119, tweede alinea, zijn aan te merken."*(8 )
De uitspraak van het Hof betrof dus niet een op de werknemer rustende verplichting om bijdragen te betalen, maar een aanvullende contractuele regeling waarvoor uitsluitend de werkgever bijdragen betaalde, en de mogelijk discriminerende gevolgen daarvan voor vrouwelijke werknemers . De wijze waarop die regeling werd gefinancierd, kon immers gevolgen hebben voor de beheerskosten van de werkgever en kon derhalve tot objectieve voorwaarden leiden die niet stroken met de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling .
6 . De onderhavige zaak is daarmee hoegenaamd niet analoog . De werkgever kan aan de pensioenregeling geen enkel voordeel ontlenen, daar de omstreden bijdrage uitsluitend ten laste van de werknemer is . Bovendien gaat het in casu niet om de opneming in een pensioenregeling of om de voorwaarden om voor uitkering in aanmerking te komen . Het kernpunt is hier het verschil in de onmiddellijke beschikbaarheid van een deel van het nettosalaris wegens de inhouding van de bijdrage . Kortom de kwestie betreft de gevolgen van de bijdrageplicht voor het salaris .
7 . In mijn eerste conclusie heb ik ook verwezen naar de rechtspraak van het Hof in de zaak Worringham, bevestigd in het arrest Liefting, die mijns inziens geen bijstelling behoeft . In die zaken heeft het Hof, welke de aard van de gefinancierde regelingen ook was, niets gezegd over het feit, dat de bijdragen op het salaris werden ingehouden . Telkens heeft het Hof zich uitgesproken over de bepaling, in verband met de bijdrage, van de berekeningsgrondslag van andere aan het salaris gekoppelde voordelen . Met andere woorden, de bijdrage als zodanig was niet in geding, maar de gevolgen die zij had voor de omvang van die grondslag . Slechts voor zover deze grondslag naar gelang van het geslacht van de werknemers verschilde doordat de bijdrage er al dan niet in werd opgenomen, was er naar het oordeel van het Hof sprake van een onder artikel*119 vallende discriminatie . Van een dergelijke discriminatie blijkt in casu niet . Weliswaar wordt Newstead anders behandeld dan zijn vrouwelijke collega' s, en het valt te begrijpen dat hij daartegen opkomt . In de arresten Worringham en Liefting kan evenwel niet worden gelezen, dat elk onderscheid in behandeling naar kunne met repercussies op het bruto - of nettosalaris automatisch zou moeten leiden tot rechtstreekse toepassing van artikel*119, ongeacht de rechtsgrond van dit onderscheid . Een dergelijke uitlegging gaat mijns inziens verder dan hetgeen het Hof in bovengenoemde arresten heeft bedoeld . Bovendien is die uitlegging in strijd met de in het Verdrag neergelegde bevoegdheidsverdeling zoals die in het arrest Defrenne*III duidelijk is omschreven.*(9 )
8 . Deze zienswijze, hoe hard ook, is naar mijn mening de enig mogelijke bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht . Derhalve handhaaf ik het in mijn eerste conclusie in overweging gegeven antwoord, dat bij deze stand van het gemeenschapsrecht een inhouding op het brutosalaris van uitsluitend mannelijke werknemers ten behoeve van de vorming van een pensioen voor nagelaten betrekkingen in het kader van een beroepsregeling, niet in strijd is met het gemeenschapsrecht .
(*)* Vertaald uit het Frans .
( 1)*Arrest van 13*mei*1986, zaak*170/84, Bilka, Jurispr.*1986, blz.*1607 .
( 2)*PB*1986, L*225, blz.*40 .
( 3)*Arrest van 11*maart*1981, zaak*69/80, Worringham en Humphreys, Jurispr.*1981, blz.*767 .
( 4)*Arrest van 18*september*1984, zaak*23/83, Liefting, Jurispr.*1984, blz.*3225 .
( 5)*Richtlijn van de Raad van 19*december*1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van sociale zekerheid ( PB*1979, L*6, blz.*24 ).
( 6)*Artikel*3, lid*2, van richtlijn*79/7 en artikel*9 van richtlijn*86/378 .
( 7)*Richtlijn van de Raad van 9*februari*1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden ( PB*1976, L*39, blz.*40 ).
( 8)*Arrest Bilka, r.o.*22 ( onderstreping van mij ).
( 9)*Arrest van 15*juni*1978, zaak*149/77, Defrenne, Jurispr.*1978, blz.*1365 .
Full & Egal Universal Law Academy