Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . A - Tegelijk met de afschaffing van het staatsmonopolie inzake het zeevervoer en de industriële verwerking van bananen alsmede inzake de handel in bananen, is in Italië bij wet nr . 986 van 9 oktober 1964 per 1 januari 1965 een belasting op verse en gedroogde bananen en op bananenmeel ingevoerd . Aanvankelijk bedroeg zij voor verse en gedroogde bananen 70 LIT per kg, en sedert 1982 bedraagt zij 525 LIT per kg ( 1 500 LIT per kg voor bananenmeel ). Bij de invoer van bananen ( in 1985 : 357 500 ton ) wordt de betrokken belasting door de douane-autoriteiten geïnd; wat de Italiaanse produktie betreft ( volgens de Italiaanse regering 100 ton in 1985 en 120 ton in de jaren daarvoor ), is bepaald dat de belasting opeisbaar wordt bij de verkoop door de producent en door de gemeentelijke belastingdiensten wordt geïnd .
2 . Deze regeling was van toepassing, toen verzoekster in het hoofdgeding ( dat aanleiding heeft gegeven tot het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ) van augustus tot november 1982 bananen uit Colombia, die in de Benelux-landen in het vrije verkeer waren, in Italië invoerde . Van mening dat de betrokken regeling ten onrechte was toegepast, vorderde verzoekster terugbetaling van de belasting .
3 . Zij beroept zich daartoe in de eerste plaats op het in de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag vervatte verbod op heffingen van gelijke werking als douanerechten . Het verbod is haars inziens relevant, daar Italië geen bananen produceert ( wat, naar ik heb vernomen, in feite onjuist is ) en over andere in Italië geproduceerde fruitsoorten geen dergelijke belastingen worden geheven . Indien de betrokken belasting evenwel als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag moet worden beschouwd, dan is er volgens verzoekster op zijn minst schending van artikel 95, lid 2, daar moet worden aangenomen, dat de belasting op bananen andere, daarmee gedeeltelijk of potentieel concurrerende produkten zijdelings beschermt . Deze stelling berust op de overweging dat artikel 95 niet alleen van toepassing is op goederen van oorsprong uit andere Lid-Staten, maar eveneens op goederen die zich in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden .
4 . Ten slotte wijst verzoekster erop dat Colombia lid is van de GATT en betoogt zij, dat de litigieuze belasting in strijd is met artikel III van de GATT, waarin het beginsel van nationale behandeling ter zake van de belastingheffing is neergelegd en volgens hetwelk geen belastingen mogen worden geheven die tot doel hebben gelijksoortige nationale produkten te beschermen .
5 . De Administratie van de staatsfinanciën ( hierna : verweerster ) repliceert dat de betrokken belasting geen heffing van gelijke werking als douanerechten is, maar, aangezien het verbruik en niet de invoer de belastingschuld doet ontstaan, een verbruiksbelasting die ongeacht de herkomst van het produkt wordt geheven, dus een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag . Deze bepaling zou evenwel niet worden geschonden, omdat zij uitsluitend van toepassing is op produkten van communautaire oorsprong ( terwijl het in het hoofdgeding gaat om uit derde landen afkomstige produkten ); bovendien zouden er in feite geen binnenlandse produkten zijn, die door de belasting op bananen indirect worden bevoordeeld .
6 . Van oordeel dat dit geschil vragen van gemeenschapsrecht doet rijzen waarop de rechtspraak van het Hof geen duidelijk antwoord biedt, heeft het aangezochte gerecht bij beschikking van 17 januari 1985 ( die evenwel pas op 21 juni 1985 ten Hove is ingekomen ) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :
" 1 ) Vormt een als verbruiksbelasting aangeduide belasting (' imposta erariale di consumo' ), die formeel zowel op ingevoerde als op nationale produkten rust, maar in feite alleen ingevoerde produkten ( in casu bananen ) treft omdat wegens het klimaat een nationale produktie ontbreekt, een door de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht?
2 ) Moet een dergelijke belasting evenwel als een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag worden beschouwd, indien zij, overeenkomstig haar benaming, het verbruik en niet de invoer van het produkt treft, ook al wordt zij in feite geheven bij de inklaring en treft zij alleen bananen, met uitsluiting van alle ander fruit?
3 ) Zo de onderhavige belasting als een binnenlandse belasting moet worden beschouwd, is zij dan in strijd met artikel 95, tweede alinea, en derhalve verboden, voor zover zij is gericht op bescherming van de produktie van ander fruit, inzonderheid alle binnenlands fruit?
4 ) Voor zover van belang : is artikel 95 alleen van toepassing op produkten van oorsprong uit de Lid-Staten van de Gemeenschap, of ook op produkten die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden?
5 ) Indien artikel 95 niet van toepassing is op produkten van oorsprong uit derde landen, is dan een belasting die in strijd is met artikel 95 voor zover zij betrekking heeft op produkten van de Lid-Staten, tevens in strijd met artikel III van de GATT, voor zover zij produkten treft die afkomstig zijn van het grondgebied van de bij de GATT aangesloten landen?"
B - Hierover wil ik de volgende opmerkingen maken :
7 . 1 . Uit de eerste twee vragen blijkt dat het de verwijzende rechter in de eerste plaats te doen is om een nauwkeurige definitie van het begrip "heffingen van gelijke werking als douanerechten", en om de afgrenzing tussen dit begrip en het begrip "binnenlandse belastingen" in artikel 95 EEG-Verdrag .
8 . a ) Volgens verzoekster in het hoofdgeding, - dat is reeds duidelijk - gaat het hier om heffingen van gelijke werking als douanerechten; zij wijst daarbij met name op het feit dat de door het Hof in zijn rechtspraak gebruikte definities niet eisen dat de onjuiste behandeling betrekking heeft op identieke produkten, doch dat gelijksoortigheid van de betrokken produkten volstaat . Zij voelt zich in die kwalificatie gesteund door een nota van de Permanente vertegenwoordiging van Italië van 11 april 1972 over de aard van het vroegere bananenmonopolie ( daar is sprake van de bescherming van inheemse vruchten, die van bananen ernstige concurrentie zouden kunnen ondervinden ), en door het feit, dat na de afschaffing van het bananenmonopolie een belasting werd ingevoerd die vier maal zo hoog was als het douanerecht en 80% van de waarde van de bananen bedroeg ( later werden overigens importcontingenten voor bananen vastgesteld en werd gebruik gemaakt van artikel 115 EEG-Verdrag ).
9 . Haars inziens kan in geen geval worden gesteld, dat de betrokken belasting deel uitmaakt van een algemeen stelsel van belastingen in de zin van artikel 95 en de rechtspraak dienaangaande . Zij wordt immers geheven bij de invoer en zulks ongeacht het latere verbruik ( er is dus niet voorzien in terugbetaling voor het geval dat de goederen, wegens verrotting tijdens het rijpingsproces, niet op de markt worden gebracht ). Bovendien vallen van het in hoofdstuk 8 van het gemeenschappelijk douanetarief genoemd fruit enkel de in tariefpost 08.01 B bedoelde bananen onder die regeling, terwijl inzake BTW ( die 2% bedraagt ) geen onderscheid wordt gemaakt tussen vruchten van de tariefposten 08.01 tot 08.12 .
10 . Volgens de Italiaanse regering daarentegen, kan de betrokken belasting niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht worden beschouwd . Bepalend daarvoor is dat de belasting ook geldt voor de - daadwerkelijk bestaande - binnenlandse bananenproduktie en dat de opbrengst ervan niet voor een welbepaald doel ( namelijk ten voordele van de nationale produktie ) wordt aangewend, maar op algemene wijze bijdraagt aan de financiering van de overheidsuitgaven .
11 . De Commissie heeft zich alles bij elkaar genomen bij deze zienswijze aangesloten . Zij was weliswaar van mening dat de betrokken belasting moeilijk te kwalificeren valt, omdat zij slechts voor enkele tropische produkten geldt, doch opteerde ten slotte voor de toepasselijkheid van artikel 95 en voor de opvatting, dat de belasting op bananen deel uitmaakt van de Italiaanse regeling inzake verbruiksbelastingen . Zij is tot die conclusie gekomen, omdat dergelijke verbruiksbelastingen ook over koffie en cacao worden geheven ( en overigens ook over gedistilleerd, bier, suiker, zoetmiddelen, oliën en margarines ) en omdat er slechts een klein aantal tropische produkten is die in noemenswaardige hoeveelheden in Italië worden ingevoerd .
12 . b ) Uit de desbetreffende rechtspraak blijkt mijns inziens een zekere evolutie met betrekking tot de hier aan de orde zijnde afgrenzingsvraag .
13 . Aanvankelijk was het voor heffingen van gelijke werking als douanerechten kenmerkend, dat zij tot dezelfde discriminerende of protectionistische resultaten leidden als douanerechten en dat zij eenzijdig werden geheven op een bepaald, uit een andere Lid-Staat ingevoerd produkt ( 1 ) met uitsluiting van het gelijksoortige nationale produkt . Van "beschermende maatregelen" ( vergelijkbaar met heffingen ), "protectionistische doelstelling" en "bijzondere belasting op ingevoerde produkten" was ook nog sprake in het arrest in zaak 20/67 ( 2 ).
14 . In latere arresten is men daar blijkbaar van afgestapt . In zaak 24/68 ( 3 ) werd gesteld dat de discriminerende of beschermende werking niet doorslaggevend is ( wat evident is, aangezien dit ook in het kader van artikel 95 bepalend is ). Tevens werd duidelijk gemaakt dat het feit dat uitsluitend ingevoerde produkten worden belast, niet doorslaggevend is; van heffingen van gelijke werking als douanerechten is namelijk ook sprake wanneer de binnenlandse produkten eveneens worden belast, doch de opbrengst van die belasting bestemd is "voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan de belaste nationale produkten ten goede komen, zodat de hierop drukkende last geheel of gedeeltelijk wordt gecompenseerd" ( arrest in zaak 94/74 ( 4 ), cf . arrest in zaak 78/76 ( 5 )).
15 . Voor de afgrenzing tussen heffingen van gelijke werking als douanerechten en binnenlandse belastingen werd derhalve steeds meer belang gehecht aan de vraag, of de betrokken belasting op gehele categorieën van binnen - of buitenlandse produkten wordt gelegd die zich alle in een vergelijkbare situatie bevinden ( cf . arrest in zaak 78/76, reeds aangehaald, r.o . 30 ), dan wel - gelijk in de zaken 90/79 ( 6 ) en 158/82 ( 7 ) - of zij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong der produkten toegepaste criteria .
16 . Laat mij er nog aan toevoegen dat zulks - zoals bekend - werd aangenomen in zaak 90/79 ( waar het ging om een Franse heffing op het gebruik van reprografische apparatuur ), kennelijk wegens de omstandigheid dat een reeks heel verschillende en in verschillende douanerubrieken ondergebrachte apparaten door de betrokken belasting werden getroffen . De kwalificatie "binnenlandse belastingen" werd evenwel niet aanvaard in zaak 158/82 ( waar het ging om een retributie voor de sanitaire controle bij de invoer van aardnoten en produkten op basis van aardnoten in Denemarken ). Het Hof wees er daarbij op, dat het begrip "gehele categorieën van produkten" een grotere pluraliteit van produkten impliceert; dat is niet het geval wanneer de groep produkten enkel bestaat uit aardnoten, produkten op basis van aardnoten, en paranoten, met andere woorden, wanneer een zeer klein aantal produkten wordt getroffen ( r.o . 24 ).
17 . c ) Gelet op deze rechtspraak en op het betoog van de Italiaanse regering werd ter terechtzitting de vraag gesteld, hoe zwaar de belasting op in Italië geproduceerde bananen in werkelijkheid was . Gevraagd werd met name naar het bedrag van de daaruit voortvloeiende belastingopbrengsten, waaruit het bestaan en de omvang van de vermeende belasting op binnenlandse produkten zou blijken . Spijtig genoeg kregen wij geen bevredigend antwoord op deze vraag, doch slechts gegevens over de - zeer geringe - omvang van de Italiaanse produktie ( ik heb deze bij het begin van mijn conclusie vermeld ) met de opmerking dat de omvang van de belastingopbrengst gemakkelijk kan worden berekend aan de hand van artikel 3 van het wetsdecreet nr . 688 van 30 september 1982 .
18 . aa ) Hieruit zou met enige grond kunnen worden geconcludeerd ( nu de Italiaanse regering tot op heden geen gebruik heeft gemaakt van het in haar antwoord geformuleerde voorbehoud om bijkomende inlichtingen in te winnen en mee te delen ), dat niet is aangetoond dat ook over de Italiaanse bananenproduktie verbruiksbelasting wordt geheven, zodat dit onderdeel van de wettelijke regeling geen praktische betekenis heeft . Het kan immers niet al te moeilijk zijn de eventuele opbrengst van de belasting op Italiaanse bananen te bepalen - al was het maar met betrekking tot één jaar - en het Hof daarvan binnen een redelijke termijn een beeld te geven .
19 . Deze conclusie zou evenwel betekenen dat de betrokken heffing niet als een binnenlandse belasting in de zin van de rechtspraak van het Hof kan worden aangemerkt . In geen geval gaat het om een regeling "waardoor nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden belast ". ( 8 ) Veeleer zou - aangezien er geen corresponderende rechten op soortgelijke binnenlandse produkten ( in de zin van genoemd arrest, r.o . 16 ) bestaan - enkel van een heffing van gelijke werking als een douanerecht kunnen worden gesproken .
20 . bb ) Zelfs als men het uitgangspunt van voormelde conclusie niet aanvaardt en gewoon uitgaat van de juridische situatie, namelijk dat ook is voorzien in belasting voor in Italië geproduceerde bananen, rijzen er ernstige bezwaren tegen de door de Italiaanse regering en de Commissie verdedigde opvatting, en zijn er integendeel stevige argumenten voor het standpunt van verzoekster in het hoofdgeding, namelijk dat het hier om heffingen van gelijke werking als douanerechten gaat .
21 . Van bijzonder belang is het reeds aangehaalde arrest in zaak 90/79 inzake de Franse heffing op reprografische apparatuur, omdat daaruit blijkt dat de ontstaansgeschiedenis en het doel van een regeling relevant zijn voor de beoordeling ( in die zaak bleek daaruit, dat het om een fiscale regeling ging welke haar oorsprong vond in de bres welke door het in zwang komen van het gebruik van reprografische apparatuur werd geslagen in de wettelijke stelsels waardoor de rechten van auteurs en uitgevers van boeken werden beschermd, welke regeling de gebruikers van zulke procédés, zij het indirect, een last oplegt die opweegt tegen die welke zij anders te dragen zouden hebben - Jurispr . 1981, blz . 302, r.o . 16 ).
22 . Wanneer men de onderhavige zaak dienovereenkomstig analyseert, blijkt - zoals verzoekster terecht heeft gesteld - dat het hier niet gaat om een "naar aard en wezen fiscale" heffing ( arrest van 4 april 1968, zaak 20/67, reeds aangehaald, blz . 290 ) die in de eerste plaats is bedoeld om de staat inkomsten te bezorgen, maar veeleer om een handelspolitieke maatregel . Tot deze conclusie kan men komen op grond van wat in voornoemde nota van de Permanente vertegenwoordiging van Italië over de functie van het vroegere bananenmonopolie wordt gezegd, en wanneer men voor ogen houdt, dat de litigieuze belasting werd ingevoerd bij de afschaffing van dat monopolie, en dat zij weliswaar de vorm van een verbruiksbelasting aanneemt, doch ( gelijk uit voormelde nota blijkt ) in de eerste plaats een beschermende werking heeft, met andere woorden, een werking die - nog steeds volgens het arrest in zaak 94/74 - kenmerkend is voor heffingen van gelijke werking als douanerechten .
23 . - Dat de belasting daadwerkelijk op binnenlandse produkten werd toegepast - wat zoals wij hebben gezien, ten zeerste kan worden betwijfeld -, zou niets afdoen aan haar handelspolitieke doel, daar de verhouding tussen de getroffen binnenlandse produktie en de invoer 1 op 3 600 is . Bovendien treft de belasting niet de produktie, maar wordt zij eerst verschuldigd bij de verkoop door de producent; de produkten die niet in het verkoopcircuit terechtkomen, worden dus niet getroffen . Daardoor wordt het belang van de belastbare binnenlandse produktie zo mogelijk nog verminderd . Zelfs al zou de belasting effectief op binnenlandse produkten worden geheven, zou dat uit dit economische oogpunt niets veranderen aan het handelspolitieke karakter van de als binnenlandse verbruiksbelasting aangeduide belasting, die dan ook een heffing van gelijke werking als een douanerecht zou blijven .
24 . - Relevant is verder een andere belangrijke overweging van het arrest in zaak 90/79 ( waar het zoals bekend ging over een aantal heel verschillende apparaten - r.o . 17 ), met name gelet op de bijzonderheden van het in zaak 158/82 behandelde Deense geval, waar wegens het kleine aantal getroffen produkten het bestaan van een stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen, werd ontkend . Daarbij mag men zich in casu niet laten misleiden door de omstandigheid dat de belasting op bananen in de categorie van de - op de meest uiteenlopende goederen gelegde - verbruiksbelastingen is opgenomen zonder dat daarbij de gebruikelijke gedachte een rol zou hebben gespeeld, dat het om produkten gaat die - zoals de Commissie meent - geen eerste levensbehoeften zijn .
25 . Van belang is, afgezien van het feit dat de belasting op koffie en cacao aloude verbruiksbelastingen zijn, dat bananen als enig produkt uit de groep van exotische vruchten worden belast . Men kan dan ook moeilijk spreken van een belasting van gehele groepen van goederen of categorieën van produkten en de belasting op bananen als onderdeel van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen beschouwen .
26 . d ) Gelet op het voorgaande moet met betrekking tot de eerste twee vragen worden vastgesteld, dat de litigieuze Italiaanse belasting op bananen ( ook al treft zij eveneens inheemse bananen ) niet aan artikel 95 dient te worden getoetst, doch - als heffing van gelijke werking als douanerechten - veeleer aan de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag .
27 . 2 . De volgende twee vragen van het Tribunale te Milaan hebben uitsluitend betrekking op artikel 95 EEG-Verdrag . Twee aspecten ervan behoeven uitlegging : de werkingssfeer moet worden afgebakend ( uitgemaakt moet worden of het alleen van toepassing is op goederen van oorsprong uit andere Lid-Staten ) en de draagwijdte van artikel 95, tweede alinea ( kennelijk de enige bepaling waaraan de verwijzende rechter heeft gedacht ) moet worden bepaald .
28 . Aangezien artikel 95 mijns inziens niet in aanmerking komt voor de oplossing van de in het hoofdgeding gerezen problemen, lijkt het mij overbodig deze twee vragen te behandelen . Subsidiair, voor het geval het Hof mijn visie op de eerste twee vragen niet zou delen, toch nog enkele summiere opmerkingen in verband met artikel 95 .
29 . a ) Wat het eerstgenoemde aspect betreft, is de Italiaanse regering, zoals bekend, van mening, dat artikel 95 enkel van toepassing is op goederen van oorsprong uit andere Lid-Staten, doch niet op goederen die zich daar in het vrije verkeer bevinden . Dat is ook de mening van de Commissie, die betoogt dat artikel 95 niet van toepassing is op bananen uit derde landen, doch enkel op in andere Lid-Staten geproduceerde bananen .
3O . Verzoekster in het hoofdgeding is daarentegen van mening, dat artikel 95 eveneens van toepassing is op produkten die zich in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden . Zij leidt dit af uit het verband dat er volgens haar zou bestaan tussen de artikelen 9 en volgende, 30 en 95, alsmede uit het feit dat volgens de rechtspraak van het Hof artikel 95 eerstgenoemde bepalingen aanvult .
31 . Wat het tweede aspect betreft, betoogt de Italiaanse regering, dat artikel 95, eerste alinea, niet van toepassing is op de belasting op bananen, omdat bananen en binnenlands niet-belast fruit uit verbruikersoogpunt niet volkomen substitueerbaar zijn, zodat zij niet gelijksoortig zijn in de zin van dat artikel . Daartoe verwijst zij naar de structuur van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, neergelegd in verordening ( EEG ) nr . 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 ( PB 1972, L 118, blz . 1 ), alsmede naar het feit dat bananen in hoofdstuk 8 van het gemeenschappelijk douanetarief in een afzonderlijke tariefpost zijn ingedeeld .
32 . Artikel 95, tweede alinea, is volgens haar evenmin van toepassing, omdat de belasting op bananen niet alleen Italiaans, doch ook uit andere Lid-Staten afkomstig fruit ten goede komt . De Commissie daarentegen is - evenals verzoekster in het hoofdgeding - van mening, dat bananen zeer wel aan dezelfde behoeften kunnen voldoen als inheems fruit ( appelen, peren, pruimen, abrikozen, kersen, sinaasappelen, mandarijnen ), met andere woorden, dat er wel gelijksoortigheid is . Artikel 95, tweede alinea, zou derhalve in de weg staan aan een belasting die uitsluitend op bananen wordt geheven en daardoor ander fruit tegen ongewenste concurrentie beschermt .
33 . b ) Op de vierde vraag - die nu logischerwijze eerst moet worden behandeld - kan mijns inziens enkel het door de Italiaanse regering en de Commissie voorgestelde antwoord worden gegeven .
34 . Dit is niet alleen zo, omdat in de desbetreffende rechtspraak van het Hof reeds uitdrukkelijk is gesteld, dat artikel 95 alleen van toepassing is op goederen van oorsprong uit de andere Lid-Staten ( cf . arrest in zaak 106/84 ( 9 )).
35 . In dit verband is met name van belang - ook dat blijkt uit de rechtspraak van het Hof -, dat artikel 95 niet van toepassing is op importen uit derde landen ( cf . arrest in zaak 20/67 en het arrest in zaak 148/77 ( 10 ), volgens hetwelk er voor het verkeer met derde landen geen enkele regeling betreffende binnenlandse belastingen bestaat die overeenkomt met die van artikel 95; in die betrekkingen is veeleer van belang, wat er in verdragen is afgesproken ). Artikel 95 bevat dus slechts een geringe beperking van de fiscale soevereiniteit van de Lid-Staten ter begunstiging van de handel binnen de Gemeenschap ( zoals advocaat-generaal Capotorti in zijn conclusie in zaak 148/77 stelde ). Dit zou evenwel kunnen worden omzeild, met het gevolg dat de vrijheid die de Lid-Staten krachtens het Verdrag ten aanzien van derde landen hebben, ongedaan wordt gemaakt, indien artikel 95 eveneens van toepassing zou zijn op via andere Lid-Staten ingevoerde goederen, die zich aldaar in het vrije verkeer bevonden .
36 . Deze opvatting vindt ten slotte ook nog steun in de bewoordingen van artikel 95, eerste alinea, (" produkten van de overige Lid-Staten ") alsmede in artikel 9, lid 2, waaruit duidelijk blijkt, dat alleen welbepaalde gedeelten van het Verdrag van toepassing zijn op produkten die zich in het vrije verkeer bevinden . In dezelfde gedachtengang kan worden gezegd, dat artikel 95 volgens zijn plaats in het Verdrag ten doel heeft, de onvervalste mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te waarborgen ( het vrije verkeer van goederen tussen de Lid-Staten onder normale concurrentieverhoudingen te verzekeren - cf . het arrest in zaak 106/84, reeds aangehaald, r.o . 10 ), terwijl het gemeenschappelijk douanetarief en de bijzondere overeenkomsten bescherming bieden tegen mededinging uit derde landen .
37 . Derhalve kan enkel worden vastgesteld, dat artikel 95 niet van toepassing is bij de invoer van uit derde landen afkomstige produkten die zich in een andere Lid-Staat in het verkeer bevonden, en dat deze bepaling derhalve niet relevant is voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten .
38 . c ) De andere met artikel 95 verband houdende problemen, namelijk het bepalen van de draagwijdte van de tweede alinea van dat artikel - het onderwerp van de derde vraag -, behoeven dan ook niet verder te worden onderzocht, te meer daar zaak 184/85, een niet-nakomingsprocedure tegen Italië, mij dadelijk de gelegenheid biedt daaromtrent enkele opmerkingen te maken .
39 . 3 . Thans blijft alleen nog de vijfde vraag te onderzoeken, die betrekking heeft op artikel III van de GATT . Zij is erop gericht te vernemen of een belasting die - voor zover zij produkten uit de Lid-Staten treft - in strijd is met artikel 95, ook in strijd is met genoemd artikel van de GATT, voor zover zij produkten treft die afkomstig zijn uit het grondgebied van landen die partij zijn bij die overeenkomst .
4O . a ) In dit verband heeft de Italiaanse regering er vooreerst op gewezen, dat de GATT irrelevant is voor het in het hoofdgeding aan de orde zijnde geval, omdat het geen rechten doet ontstaan voor particulieren ( een opvatting die door de Commissie wordt gedeeld met betrekking tot artikel III van de GATT ) en omdat artikel III van de GATT enkel geldt voor de verdragsluitende partijen, doch het land van herkomst waar het in casu om gaat - te weten Colombia - slechts bij een voorlopig protocol tot de GATT is toegetreden en bijgevolg niet als een verdragsluitende staat kan worden aangemerkt . Verder merkt de Italiaanse regering op, dat artikel 95 EEG-Verdrag en artikel III van de GATT niet dezelfde strekking hebben; van bijzonder belang is, dat artikel III van de GATT enkel betrekking heeft op soortgelijke produkten ( dat wil zeggen - zoals uit een aantekening blijkt - rechtstreeks concurrerende produkten die elkaar onmiddellijk kunnen vervangen ), met andere woorden dat in de GATT geen met artikel 95, tweede alinea, overeenkomende bepaling voorkomt .
41 . Ter terechtzitting heeft verzoekster in het hoofdgeding evenwel beklemtoond, dat de vraag of de GATT rechtstreekse werking heeft, voor de verwijzende rechter kennelijk niet van belang is . Het Hof dient derhalve in ieder geval de inhoud van artikel III van de GATT uit te leggen, en wat dit betreft is er beslist overeenkomst met artikel 95 EEG-Verdrag .
42 . b ) In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd, dat de Gemeenschap de voor de Lid-Staten uit de GATT voortvloeiende verbintenissen per 1 juli 1968 - namelijk door de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief - heeft overgenomen ( zoals het Hof overwoog in zijn arrest in de gevoegde zaken 267 tot 269/81 ( 11 )). GATT-verplichtingen zijn sedert die datum communautaire verplichtingen . Dit impliceert dat de GATT in de gehele Gemeenschap op dezelfde manier moet worden toegepast . Het staat derhalve aan het Hof, de draagwijdte en de werking van de GATT op eenvormige wijze te bepalen voor de gehele Gemeenschap ( zoals eveneens is overwogen in het reeds aangehaalde arrest ); het dwingende rechtsgevolg van de GATT-verplichtingen moet - zoals in het arrest in zaak 38/75 ( 12 ) ( Jurispr . 1975, blz . 1449 ) is overwogen - worden beoordeeld in verband met de desbetreffende bepalingen in de communautaire rechtsorde, ook wanneer moet worden onderzocht of nationale bepalingen zich verdragen met de gemeenschapsverplichtingen .
43 . Bovendien moet, volgens de rechtspraak van het Hof, bij het onderzoek naar de verenigbaarheid van nationale bepalingen met de GATT in de eerste plaats worden nagegaan of de betrokken GATT-bepaling voor particulieren rechten doet ontstaan . Ook in het onderhavige geval kan deze vraag niet worden ontweken en kan niet onmiddellijk worden overgegaan tot uitlegging van de GATT-bepalingen ( hier : artikel III ). Deze vraag is reeds met betrekking tot verscheidene GATT-bepalingen in de rechtspraak van het Hof ter sprake gekomen en steeds ontkennend beantwoord . Van doorslaggevend belang waren daarbij ( cf . het arrest in gevoegde zaken 267 tot 269/81, reeds aangehaald, r.o . 23 ) overwegingen in verband met de opzet van de GATT ( dat uitgaat van het beginsel van onderhandelingen op de grondslag van wederkerigheid en wordt gekenmerkt door een grote soepelheid van zijn bepalingen, met name betreffende de uitzonderingsmogelijkheden, de maatregelen die in geval van bijzondere moeilijkheden kunnen worden genomen en de regeling van geschillen tussen de verdragsluitende partijen ).
44 . Deze overwegingen gelden ongetwijfeld eveneens met betrekking tot artikel III van de GATT . Mitsdien moet met de Italiaanse regering en de Commissie worden geconcludeerd, dat dit artikel evenmin als de in de rechtspraak van het Hof reeds aan de orde gekomen artikelen 2 en 11 rechten voor particulieren doet ontstaan . Bijgevolg kan deze bepaling niet als maatstaf voor de toelaatbaarheid van de Italiaanse belasting op bananen in aanmerking worden genomen; derhalve behoeft niet nader te worden ingegaan op de draagwijdte ervan en behoeft niet te worden onderzocht of die bepaling inderdaad enkel van toepassing is op gelijksoortige, rechtstreeks concurrerende produkten en niet zo ver gaat als artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag .
C - Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door het Tribunale te Milaan gestelde vragen te beantwoorden als volgt :
Vragen 1 tot 3
45 . Een belasting - zelfs al wordt zij gelijkelijk over ingevoerde en binnenlandse produkten geheven - maakt geen deel uit van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen in de zin van artikel 95, doch is als een heffing van gelijke werking als een douanerecht te beschouwen, indien zij hoofdzakelijk om handelspolitieke en niet om fiscale redenen is ingevoerd en alleen bepaalde afzonderlijke produkten, doch niet groepen en categorieën van produkten gelijkelijk treft .
Vraag 4
46 . Artikel 95 betreft alleen produkten van de overige Lid-Staten, doch niet produkten uit derde landen, die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden .
Vraag 5
47 . Artikel III van de GATT doet voor particulieren geen rechten ontstaan, die voor de nationale rechter kunnen worden ingeroepen om te doen onderzoeken of nationale bepalingen met dit artikel verenigbaar zijn . De inhoud van deze bepaling en haar precieze draagwijdte ( wat betreft de produkten waarop zij van toepassing is ) behoeven derhalve niet te worden onderzocht .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Arrest van 14 december 1962, gevoegde zaken 2 en 3/62, Commissie/Luxemburg en België, Jurispr . 1962, blz . 853 .
( 2 ) Arrest van 4 april 1968, zaak 20/67, Kunstmuehle Tivoli, Jurispr . 1968, blz . 281 .
( 3 ) Arrest van 1 juli 1969, zaak 24/68, Commissie/Italië, Jurispr . 1969, blz . 193 .
( 4 ) Arrest van 18 juni 1975, zaak 94/74, IGAV, Jurispr . 1975, blz . 699, r.o . 10-13 .
( 5 ) Arrest van 22 maart 1977, zaak 78/76, Steinike & Weinlig, Jurispr . 1977, blz . 595 .
( 6 ) Arrest van 3 februari 1981, zaak 90/97, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1981, blz . 283 .
( 7 ) Arrest van 9 november 1983, zaak 158/82, Commissie/Denemarken, Jurispr . 1983, blz . 3573 .
( 8 ) Arrest van 20 maart 1984, zaak 314/82, Commissie/België, Jurispr . 1984, blz . 1543, r.o . 11 .
( 9 ) Arrest van 4 maart 1986, zaak 106/84, Commissie/Denemarken, Jurispr . 1986, blz . 867 .
( 10 ) Arrest van 10 oktober 1978, zaak 148/77, Hansen, Jurispr . 1978, blz . 1787 .
( 11 ) Arrest van 16 maart 1983, gevoegde zaken 267 tot 269/81, SPI en SAMI, Jurispr . 1983, blz . 801 .
( 12 ) Arrest van 19 november 1975, zaak 38/75, Nederlandse Spoorwegen, Jurispr . 1975, blz . 1439 .
Full & Egal Universal Law Academy