Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Hof is verzocht om een uitspraak in twee beroepen wegens niet-nakoming, door de Commissie ingesteld tegen de Helleense Republiek en gevoegd omdat zij naar onderwerp verknocht zijn . Het eerste beroep strekt tot veroordeling van genoemde Lid-Staat ter zake van het feit dat hij voor de invoer van bananen van oorsprong uit of in het vrije verkeer gebracht in een andere Lid-Staat, een invoervergunning vereist, een vergunning die in de praktijk bovendien systematisch wordt geweigerd, een en ander in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag; het tweede beroep strekt eveneens tot veroordeling van Griekenland, ter zake van het feit dat het de invoer van bananen uit de ACS-staten verbiedt, zulks in strijd met zijn verplichtingen ingevolge de Overeenkomst van Lomé .
2 . Om te beginnen wijs ik erop, dat de uitspraak van het Hof over het verwijt van schending van artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst van Lomé - door het invoerverbod voor bananen uit de ACS-staten - ( zaak 241/85 ), afhangt van wat het zal beslissen met betrekking tot de wettigheid van de Griekse maatregelen inzake de invoer van bananen van oorsprong uit of in het vrije verkeer gebracht in andere Lid-Staten ( zaak 194/85 ), aangezien artikel 6 van de Overeenkomst van Lomé niet toelaat dat ACS-staten gunstiger worden behandeld dan de Lid-Staten van de EEG .
3 . Daarom zal ik eerst zaak 194/85 bespreken .
4 . I - Eerst zullen we echter een prealabele vraag moeten beantwoorden, namelijk die betreffende de draagwijdte van de beroepen .
5 . De Commissie baseert ze in wezen op schending van artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst van Lomé . De in de precontentieuze fase geformuleerde bezwaren hadden dezelfde grondslag .
6 . De procedure is ingeleid en het beroep ingesteld tijdens de door de Toetredingsakte Griekenland vastgestelde overgangsperiode . Ter terechtzitting, die plaatsvond na afloop van die overgangsperiode ( dat wil zeggen na 31.12.1985 ), heeft de gemachtigde van de Commissie evenwel verklaard, ook de periode na dat tijdstip in de procedure te willen betrekken .
7 . Hoewel het beroep voor en na het einde van de overgangsperiode op dezelfde gronden berust, meen ik dat die opzet van de Commissie niet gerechtvaardigd is .
8 . Tegen het verwijt dat zij haar verplichtingen niet was nagekomen, heeft de Griekse regering zich nog in de administratieve fase en in haar verweerschrift - en dit volkomen terecht - verdedigd met een beroep op artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte Griekenland, dat wil zeggen op het toenmaals geldende recht .
9 . Zou de procedure zijn geëindigd tijdens de overgangsperiode na de toetreding van Griekenland, dan zou er geen probleem zijn geweest en zou het enkel om de rechtssituatie in die periode zijn gegaan . Het zou dan onzinnig zijn, het Hof te vragen om, vooruitlopend op een toekomstige situatie, er een oordeel over uit te spreken .
10 . Dat de procedure, die begonnen is toen de overgangsbepalingen van de Toetredingsakte van kracht waren, heeft voortgeduurd tot in de periode daarna, is een omstandigheid die geen invloed kan hebben op de processituatie van verzoekster .
11 . Ofschoon het juridisch kader waarbinnen verweerster zich moest bewegen, gewijzigd is, kan men niet van haar verlangen dat zij haar verweer aan de nieuwe rechtssituatie aanpast, te meer omdat op het moment van die wijziging de schriftelijke fase van de contentieuze procedure al was afgesloten ( de dupliek is ingediend op 5.12.1985 ).
12 . Evenmin kon men in redelijkheid van verweerster verlangen - zoals de Commissie lijkt te doen -, dat zij zich vanaf het begin van de procedure zou uitlaten over een toekomstige situatie en haar verweer zou aanpassen aan een mogelijk ander juridisch kader, hoe voorzienbaar dat ook mocht zijn .
13 . Men dient de verwerende partij steeds het recht toe te kennen om tegen ieder verwijt alle verweermiddelen aan te voeren die een volledige procedure haar verzekert .
14 . Anders zou het komen tot een ongeoorloofde uitbreiding van het voorwerp van het beroep, in strijd met de artikelen 38, paragraaf 1, sub c, en 42 van het Reglement voor de procesvoering en met de desbetreffende rechtspraak van het Hof . ( 1 )
15 . Ik merk nog op, dat de onderhavige zaak symmetrisch lijkt ten opzichte van het klassieke geval van wijziging van het voorwerp van het geding ( een andere onrechtmatige gedraging, terwijl de toepasselijke regeling dezelfde blijft ), en dat er dus dezelfde rechtsgevolgen aan verbonden moeten worden .
16 . Om het recht van verweer tot gelding te laten komen, moet het beroep dus worden beoordeeld volgens de feitelijke en rechtssituatie op het moment waarop het werd ingesteld ( de administratieve fase daarbij inbegrepen ).
17 . De omstandigheid dat de Commissie in het onderhavige geval de Griekse regering nog een tweede met redenen omkleed advies heeft gezonden, doet aan die conclusie niet af .
18 . De Commissie deed dat, omdat de richting die de Griekse regering in haar verweer insloeg, en met name de elementen van haar antwoord op het eerste advies - in het bijzonder het beroep op artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte - haar noopten haar eigen betoog dienovereenkomstig te wijzigen .
19 . Dat is de reden waarom de redenering van het aanvullend met redenen omkleed advies duidelijk is toegespitst op artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte .
20 . Die bepaling staat ook in het beroep centraal en uitbreiding of wijziging hiervan is niet mogelijk .
21 . II - Dan kom ik nu tot de vragen die in zaak 194/85 rijzen .
22 . Het gaat hier om een besluit van de Griekse minister van Handel, gedateerd 24 december 1980 en sedertdien regelmatig verlengd, ingevolge hetwelk met ingang van 1 januari 1981 voor de invoer van bananen in Griekenland een vergunning vereist is . En zonder op tegenspraak van de Griekse regering te stuiten, stelt de Commissie voorts vast, dat aanvragen om dergelijke vergunningen in de praktijk stelselmatig worden afgewezen .
23 . De Commissie acht zowel het vereiste inzake invoervergunningen als de systematische weigering ervan in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag .
24 . De Griekse regering brengt daartegen in, dat er een nationale marktordening voor de produktie en verhandeling van bananen bestaat en dat, nu een gemeenschappelijke marktordening in die sector ontbreekt, op grond van het bestaan van die nationale ordening en overeenkomstig artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte mag worden afgeweken van de voorschriften inzake het vrije goederenverkeer .
25 . Ik wil even de tekst van artikel 65, lid 2, in herinnering brengen :
"Ten aanzien van de produkten die op het tijdstip van toetreding niet onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, zijn de bepalingen van titel II inzake de geleidelijke afschaffing van de heffingen van gelijke werking als invoerrechten, van de kwantitatieve beperkingen en van de maatregelen van gelijke werking, niet van toepassing op deze heffingen, beperkingen en maatregelen wanneer zij op het tijdstip van de toetreding deel uitmaken van een nationale marktordening .
Deze bepaling geldt slechts tot op het ogenblik waarop de gemeenschappelijke ordening der markten voor deze produkten van toepassing wordt en uiterlijk tot en met 31 december 1985 en voor zover zulks strikt noodzakelijk is om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen ."
26 . De Commissie verwerpt dat argument van de Griekse regering en betoogt, dat ook als er een nationale marktordening bestond - quod non -, het algemene invoerverbod voor bananen niet in overeenstemming zou zijn met het gemeenschapsrecht, omdat volgens voornoemd artikel 65, lid 2, kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking slechts zijn toegestaan "voor zover zulks strikt noodzakelijk is om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen ".
27 . Daarmee hebben wij dus twee problemen op te lossen : bestaat er in Griekenland een nationale marktordening voor bananen? En zo ja, welk verband bestaat er tussen de in geding zijnde maatregelen en de handhaving van de nationale marktordening, met andere woorden, zijn die maatregelen strikt noodzakelijk om die ordening te handhaven?
1 . De nationale marktordening
28 . Om de stelling te weerleggen, dat er in Griekenland een nationale marktordening voor de produktie van en handel in bananen bestaat, gaat de Commissie uit van de definitie die het Hof van een dergelijke ordening heeft gegeven : "Een geheel van rechtsinstrumenten waarmee de marktregulering voor de betrokken produkten onder toezicht van de overheid wordt gebracht, ten einde door opvoering van de produktiviteit en een optimaal gebruik van de produktiefactoren, met name van de arbeidskrachten, de producenten een redelijke levensstandaard te verzekeren, de markten te stabiliseren, de voorziening veilig te stellen en redelijke prijzen voor de verbruikers te verzekeren ." ( 2 )
29 . Volgens de Commissie valt niet te ontkennen, dat de Griekse overheid een reeks maatregelen heeft genomen ter bescherming van de binnenlandse bananenproduktie ( die nagenoeg geheel op Kreta is geconcentreerd ) en ter regeling van de bananenhandel .
30 . De Commissie meent evenwel, dat die maatregelen niet voldoende zijn om het in Griekenland geldende stelsel, in zijn geheel beschouwd, het karakter van een nationale marktordening te geven .
31 . De Commissie wijst erop, dat Griekse bananen klein en van slechte kwaliteit zijn; dat zij ook zo gedurende lange perioden niet verkrijgbaar zijn; dat de verkoop ervan in die omstandigheden aanleiding geeft tot speculatie en de verkoopprijs zeer hoog is; en dat dat alles het gevolg is van zeer hoge produktiekosten bij een te kleine produktieomvang en van het feit dat de Griekse overheid niet in staat is de handelskanalen te controleren .
32 . Daardoor zouden de Griekse overheidsmaatregelen met betrekking tot de bananenproduktie en bananenhandel niet geschikt zijn om de doelstellingen van een nationale marktordening te verwezenlijken, namelijk : stabilisatie van de markt, regelmatige voorziening tegen redelijke verbruikersprijzen, optimaal gebruik van de produktiefactoren enzovoort .
33 . Volgens de Commissie worden enorme bedragen uitgegeven om een kostbare, te kleine en kwalitatief slechte produktie in stand te houden, ten voordele van een zeer kleine groep producenten en handelaars en ten nadele van de overgrote meerderheid van de consumenten .
34 . Daarmee is de Griekse regering het uiteraard niet eens; volgens haar bestaat er in Griekenland sedert enkele jaren een echte nationale marktordening voor bananen, gekenmerkt door een zeker aantal maatregelen die even zovele instrumenten vormen ter verwezenlijking van de doelstellingen die het Hof in zijn definitie in het arrest Charmasson heeft genoemd .
35 . In dit verband somt de Griekse regering de volgende maatregelen op :
a ) toekenning van diverse typen financiële steun voor de bananenteelt, waaronder kredietfaciliteiten, rechtstreekse subsidies en rendementssteun;
b ) andere vormen van produktiesteun, waaronder het verrichten van technisch-economische studies en experimenteel onderzoek, het opstellen van bedrijfstellingen en statistieken;
c ) vaststelling van maximumdetailhandelsprijzen, waarbij rekening wordt gehouden met de produktie - en vervoerskosten, een billijke winstmarge voor de winkelier en een redelijk prijsniveau voor de consument;
d ) vaststelling van kwaliteitscriteria en andere voorwaarden waaraan de in de handel gebrachte bananen moeten voldoen;
e ) sanering van de handelskanalen en distributiesteun, door het verlenen van verkoopvergunningen aan kleine winkeliers;
f ) controle op de buitenlandse handel : invoervergunningen en fytosanitaire controles voor de invoer van bananeplanten en -stekken; sedert 1969 invoerverbod voor bananen, af en toe voor korte periodes vervangen door een stelsel van vergunningen voor de invoer van kleine hoeveelheden tegen betaling van een compenserend recht; thans bestaat er, zoals bekend, een stelsel van vergunningen, die systematisch worden geweigerd .
36 . Voor de uitvoering van die maatregelen zijn diverse organen bevoegd, waaronder het Ministerie van Landbouw, de landbouwcooeperaties en de Griekse Landbouwbank .
37 . Al die maatregelen dragen er volgens de Griekse regering toe bij, dat de markt stabiel blijft en de consumentenprijzen op een redelijk niveau komen te liggen; overigens kan de consument in Griekenland over een ruim assortiment ander fruit beschikken en is de voorziening daarmee steeds gewaarborgd, waardoor dus de vraag naar bananen ( de jaarproduktie in Griekenland bedraagt 4 000 à 5 000 ton ) gedeeltelijk wordt gedekt; anderzijds blijkt uit het feit dat de bananenproduktie tot het eiland Kreta beperkt is, dat de produktiefactoren optimaal worden benut, want op Kreta is het klimaat het meest geschikt voor de bananenteelt .
38 . De Griekse regering beweert niet, dat al die doelstellingen tegelijk en in gelijke mate worden verwezenlijkt, maar onder verwijzing naar 's Hofs arresten in de zaken Balkan Import-Export ( 3 ) en Beus ( 4 ) stelt zij dat, juist zoals dat bij de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid het geval was, de bepaling van een passende rangorde van doelstellingen haar in staat heeft gesteld voorrang te geven aan de ontwikkeling van de bananenteelt en aan het verzekeren van een billijk levenspeil voor de producenten, zonder dat dat al te grote offers vroeg van de consumenten .
39 . Hoe moeten wij de situatie vanuit dat gezichtspunt beoordelen?
40 . Vooreerst herinner ik eraan dat, zoals het Hof in het arrest Charmasson ( 5 ) beklemtoonde, de doelstellingen van een nationale marktordening in de zin van de artikelen 43 en volgende EEG-Verdrag op nationaal vlak analoog zijn aan die van een gemeenschappelijke marktordening zoals omschreven in artikel 39 van het Verdrag, waarnaar artikel 40, lid 2, verwijst . Bovendien moeten de getroffen maatregelen het mogelijk maken, globaal de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken, overeenkomstig het bepaalde in artikel 38, lid 2 .
41 . Ik vraag me echter af, of de door de Griekse regering getroffen maatregelen wel de meest geschikte zijn met het oog op de in artikel 39 genoemde doelstellingen . In het bijzonder is niet duidelijk, in hoeverre zij kunnen bijdragen aan de "rationele ontwikkeling van de landbouwproduktie" en het "optimaal gebruik van de produktiefactoren ". De Griekse regering geeft zelf toe, dat de nationale bananenproduktie kwalitatief en qua opbrengst zeer duidelijk niet kan concurreren met de uit andere Lid-Staten en derde landen ingevoerde bananen ( vandaar ook het invoerverbod ); dit is zelfs zo zeer het geval, dat de Griekse regering, zoals ter terechtzitting is gebleken, bereid lijkt haar huidige beleid op te geven; er is een onderzoek gaande om de betrokken sector op een andere teelt om te schakelen .
42 . In de tweede plaats doet de Griekse regering weinig moeite om de doeltreffendheid van het stelsel te verdedigen, in het bijzonder met betrekking tot de mogelijkheid om speculatie te verhinderen .
43 . Men kan echter niet ontkennen dat de maatregelen in geding, in het licht van eerdere beleidskeuzen van de Griekse overheid, een logische samenhang vertonen met de ermee beoogde doelen .
44 . In de tweede plaats, ook al kan men niet zeggen dat alle of zelfs maar de meeste doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zoals die in artikel 39 van het Verdrag zijn omschreven, in de Griekse organisatie aanwezig zijn of er daadwerkelijk mee kunnen worden bereikt, toch meen ik wel dat die organisatie ten minste voldoet aan de minimaal vereiste voorwaarden om als nationale marktordening in de zin van artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte te kunnen worden erkend . Weliswaar kan het in de arresten Balkan en Beus belichaamde precedent niet automatisch worden toegepast, omdat die arresten met betrekking tot het te zoeken evenwicht tussen de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de eventuele conjuncturele voorrang van deze of gene van die doelstellingen een aanbeveling bevatten die gericht is tot de gemeenschapsinstellingen en niet tot de Lid-Staten, maar de filosofie die aan 's Hofs gedachtengang in die arresten ten grondslag ligt, past ook precies op een situatie waarin het gaat om een door een gemeenschapsverdrag voorwaardelijk erkende en door een Lid-Staat beheerde nationale marktordening .
45 . Voor het overige vallen alle Griekse maatregelen binnen het kader van artikel 40, lid 3, van het Verdrag, en sommige ervan komen volledig overeen met maatregelen die daar uitdrukkelijk worden genoemd .
46 . Zou het Hof zijn toezicht uitbreiden tot de vraag of de maatregelen zich wel lenen voor het verwezenlijken van de beoogde doelstellingen, dan zou die toetsing zich mede gaan uitstrekken tot de wenselijkheid en doelmatigheid van die maatregelen, en dat heeft niets te maken met het doel van toetsing van hun wettigheid .
47 . Bovendien dient men te bedenken, dat er geen gemeenschappelijke marktordening voor de betrokken sector bestaat, hetgeen erop duidt, dat de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in deze sector minder noodzakelijk is .
48 . In alle geval is het duidelijk, dat artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte tijdelijk genoegen nam met een slechts onvolmaakte verwezenlijking van de verdragsdoelstellingen op het gebied van het landbouwbeleid en gedurende de overgangsperiode de handhaving toeliet van bepalingen die onder normale omstandigheden niet verenigbaar zouden zijn met de regels van het gemeenschapsrecht .
49 . De Griekse marktordening voor bananen verdient zeker geen eerste prijs, maar men ontkomt niet aan de slotsom, dat zij, gezien haar kenmerken, een nationale marktordening in de zin van artikel 65 van de Toetredingsakte is .
50 . Het feit dat dit artikel van toepassing is, betekent dus dat Griekenland gedurende de in dat artikel genoemde periode in zijn buitenlandse handel eventueel heffingen van gelijke werking als douanerechten, kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking mocht handhaven, voor zover die heffingen, beperkingen en maatregelen deel uitmaakten van de op het tijdstip van toetreding bestaande nationale marktordening .
51 . Dit geldt echter niet automatisch, want het is afhankelijk van de voorwaarde van lid 2 van artikel 65, dat luidt : "Deze bepaling geldt slechts ... voor zover zulks strikt noodzakelijk is om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen ."
2 . Een strikt noodzakelijke maatregel
52 . Dan komen we nu tot de vraag, of het vereiste van een invoervergunning voor bananen van oorsprong uit of in het vrije verkeer gebracht in de andere Lid-Staten, en meer nog het systematisch weigeren van dergelijke vergunningen, wat neerkomt op een absoluut invoerverbod, beschouwd kunnen worden als maatregelen die strikt noodzakelijk zijn voor de handhaving van de Griekse nationale marktordening in de sector bananen .
53 . De Griekse regering vindt van wel : als de invoer van bananen tijdens de in artikel 65 van de Toetredingsakte bedoelde overgangsperiode was toegestaan, dan zou de binnenlandse produktie instorten, hetgeen zou leiden tot het faillissement van enkele duizenden bananenproducenten en tot de noodzaak de financiële programma' s en de investeringen van de staat op te geven .
54 . De Commissie is van een andere mening : waar het gaat om een afwijking van het beginsel van het vrije verkeer van goederen, moet de betrokken bepaling restrictief worden uitgelegd .
55 . Dat volgt volgens haar uit 's Hofs arrest van 29 maart 1979 ( zaak 231/78, Commissie/Verenigd Koninkrijk ) ( 6 ), en dit met te meer reden omdat het in artikel 65, lid 2, gebruikte woord "strikt" ontbreekt in het overeenkomstige artikel 60, lid 2, van de Toetredingsakte van 1972 .
56 . Het lijkt mij duidelijk dat de Commissie het bij het rechte eind heeft . De bepalingen van de Toetredingsakte moeten immers worden uitgelegd in overeenstemming met de grondslagen en het stelsel van de Gemeenschap ( 7 ), waarnaar bij voorbeeld wordt verwezen in artikel 35 van de Toetredingsakte, betreffende de onmiddellijke afschaffing van de op het tijdstip van toetreding tussen Griekenland en de andere Lid-Staten bestaande kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking .
57 . En waar artikel 65 van de Toetredingsakte betrekking heeft op de handel in landbouwprodukten, moet bij de uitlegging ervan eveneens acht worden geslagen op de verdragsbepalingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid, aan de uitvoering waarvan het zoveel mogelijk moet bijdragen . ( 7 )
58 . In de tweede plaats, aansluitend bij de vaste rechtspraak van het Hof met betrekking tot de overgangsperiode van het Verdrag moeten wij ervan uitgaan, dat de in de Toetredingsakte voorziene afwijkingen van artikel 30 EEG-Verdrag enkel gedurende de overgangsperiode na de toetreding gelden . Na die periode is artikel 30 rechtstreeks toepasselijk, ook ten aanzien van landbouwprodukten ( zoals bananen ) waarvoor geen gemeenschappelijke marktordening is ingesteld . ( 8 ) Dat is in het geval van Griekenland zo sedert 1 januari 1986, zoals volgt uit de artikelen 2 en 9 van de Toetredingsakte en uitdrukkelijk is bepaald in artikel 65, lid 2, tweede alinea, welke bepaling ons de moeilijkheden bespaart die het gevolg waren van de formulering van artikel 60, lid 2, tweede alinea, van de Toetredingsakte van 1972 . ( 9 )
59 . Bepalingen als die van artikel 65 moeten het toetredende land in staat stellen, de produktie - en verhandelingsstructuren van een door een nationale marktordening beschermd landbouwprodukt gedurende de overgangsperiode geleidelijk aan te passen aan de eisen van de gemeenschappelijke markt .
60 . De afwijkingen die ingevolge die bepalingen zijn toegestaan, dienen een zodanige vorm te krijgen, dat de doelstellingen van het Verdrag gemakkelijker kunnen worden verwezenlijkt en de verdragsregels volledig kunnen worden toegepast; dat lijkt te volgen uit artikel 2 juncto artikel 9 van de Toetredingsakte en dat is ook wat het Hof heeft verklaard in verband met de Toetredingsakte van 1972 ( 10 ) en de overgangsperiode van het Verdrag . ( 11 )
61 . In casu moet men echter vaststellen, dat het nagenoeg absolute invoerverbod voor bananen in Griekenland niet enkel de toepassing van het gemeenschapsrecht aan het einde van de overgangsperiode op geen enkele wijze heeft bevorderd, maar de aanpassing van de regels van het nationale recht juist bijna volledig heeft verhinderd .
62 . Zo staat de beperkte bevoorrading van de Griekse markt met bananen slechts een zeer gering jaarlijks verbruik per hoofd van de bevolking toe ( 0,44 à 0,55 kg per inwoner tegenover gemiddeld 7 kg in de andere Lid-Staten ) en in die situatie is mettertijd geen verbetering gekomen .
63 . Wanneer de Griekse regering zegt, dat er aanbod te over is van andere soorten fruit, zodat de totale consumptie toch een acceptabel gemiddelde bereikt, dan tracht zij daarmee een praktijk te legitimeren die het Hof reeds heeft veroordeeld ( 12 ) in het verband van de mededinging tussen produkten die aan dezelfde behoeften van de consumenten kunnen voldoen .
64 . Terecht stelt de Commissie, dat de Griekse regering die doelen kan bereiken met andere middelen, die de vrijheid van de handel binnen de Gemeenschap veel minder belemmeren . Liberalisatie van de invoer, gekoppeld aan een stelsel van toezicht of contingentering, zou bij voorbeeld een handzaam middel zijn geweest waarmee men de noodzakelijke bescherming had kunnen bieden aan de binnenlandse produktie en zich tegelijkertijd had kunnen voorbereiden op de volledige vrijgave van de handel per 1 januari 1986 . Een gecontroleerde opening van de markt maakt het bovendien mogelijk de reactie van die markt te testen en ze op adequate wijze aan de getroffen maatregelen aan te passen .
65 . Aangezien artikel 65, lid 2, tweede alinea, van de Toetredingsakte dus niet van toepassing is, heeft het in artikel 35 vervatte algemene verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking te gelden .
66 . De in Griekenland geldende regeling, die een belemmering vormt voor het intracommunautaire handelsverkeer, en de toepassing ervan in de praktijk, welke neerkomt op een algeheel invoerverbod, zijn dus - en waren ook gedurende de overgangsperiode - in strijd met de Toetredingsakte ( artikel 35 ) en met het EEG-Verdrag ( artikel 30 ), een conclusie waarvoor ik verwijs naar de vaste rechtspraak van het Hof vanaf het arrest Dassonville . ( 13 )
67 . III - Dan kom ik nu tot het verwijt dat de Helleense Republiek in zaak 241/85 wordt gemaakt, namelijk dat zij, door de invoer van bananen uit ACS-staten te verbieden, haar verplichtingen krachtens artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst van Lomé niet is nagekomen .
68 . Genoemd artikel 3, lid 1, verbiedt de toepassing van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking op de invoer van produkten uit de ACS-staten; duidelijk is, dat deze bepaling in dezelfde zin moet worden gelezen als artikel 30 EEG-Verdrag .
69 . De Griekse regering verweert zich met dezelfde argumenten als zij in zaak 194/85 heeft aangevoerd, en beroept zich met name op artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte en op artikel 6 van de Overeenkomst van Lomé, dat verbiedt de ACS-staten gunstiger te behandelen dan de Lid-Staten van de EEG .
70 . Ik concludeerde reeds dat de argumenten van de Griekse regering in zaak 194/85 moeten worden afgewezen . Daaruit volgt, dat niet enkel haar betoog in zaak 241/85 hetzelfde lot treft, en wel om precies dezelfde redenen, maar dat ook het beroep op artikel 6 van de Overeenkomst van Lomé vergeefs is .
71 . IV - Ik wil nog op een laatste aspect wijzen, namelijk de door de Griekse regering aangevoerde omstandigheid, dat de Griekse Raad van State zich al over het in geding zijnde stelsel heeft uitgesproken en de hier bestreden maatregelen wettig heeft verklaard .
72 . 's Hofs rechtspraak op dat punt is volstrekt duidelijk : in het geval van rechtstreeks toepasselijke gemeenschapsvoorschriften sluit het bestaan van rechtsmiddelen in het kader van het nationale recht een beroep op het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag niet uit, aangezien de twee acties niet hetzelfde doel hebben en tot verschillend gevolg leiden . ( 14 )
73 . Daarom is de uitspraak van de Griekse Raad van State niet van belang voor de beslissing in de onderhavige procedures, waarin het gaat om toepassing van het gemeenschapsrecht en het Hof bevoegdheden uitoefent die het aan het Verdrag ontleent .
74 . V - Samenvattend geef ik het Hof in overweging, vast te stellen dat de Helleense Republiek, door een invoervergunning te verlangen voor bananen van oorsprong uit en zich bevindend in het vrije verkeer in andere Lid-Staten, en dan dergelijke vergunningen systematisch te weigeren, de artikelen 35 en 65, lid 2, tweede alinea, van de Toetredingsakte Griekenland alsmede artikel 30 EEG-Verdrag heeft geschonden, en door een zelfde regeling in te voeren voor bananen van oorsprong uit de ACS-staten, tevens artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst van Lomé heeft geschonden .
75 . De vaststelling dat Griekenland zijn verplichtingen niet is nagekomen, betreft enkel de in de Toetredingsakte bedoelde overgangsperiode, aangezien de Commissie eerst ter terechtzitting de periode daarna ter sprake heeft gebracht, waarvan de aanvang na het einde van de schriftelijke behandeling ligt .
76 . Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dragen; ik geloof niet, dat de zojuist genoemde omstandigheid, betreffende de tijd na de overgangsperiode, een reden vormt om die algemene regel inzake de verdeling van de kosten in dit geval niet toe te passen .
(*) Vertaald uit het Portugees .
( 1 ) Zie bij voorbeeld de arresten van 25 september 1979, zaak 232/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1979, blz . 2729; 9 december 1981, zaak 193/80, Commissie/Italië, Jurispr . 1981, blz . 3019; 8 februari 1983, zaak 124/81, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr . 1983, blz . 203; 22 maart 1983, zaak 42/82, Commissie/Frankrijk, ibidem, blz . 1013; 27 maart 1984, zaak 50/83, Commissie/Italië, Jurispr . 1984, blz . 1640; 15 januari 1986, zaak 121/84, Commissie/Italië, Jurispr . 1986, blz . ...
( 2 ) Arrest van 10 december 1974, zaak 48/74, Charmasson, Jurispr . 1974, blz . 1383, 1396 .
( 3 ) Arrest van 24 oktober 1973, zaak 5/73, Jurispr . 1973, blz . 1091 .
( 4 ) Arrest van 13 maart 1968, zaak 5/67, Jurispr . 1968, blz . 125 .
( 5 ) Reeds aangehaald, r.o . 24 .
( 6 ) Jurispr . 1979, blz . 1447, r.o . 13 .
( 7 ) Ibid ., r.o . 12 .
( ) 7 Ibid .
( 8 ) Arrest van 16 maart 1977, zaak 68/76, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1977, blz . 515; zie ook arresten Charmasson, reeds aangehaald, r.o . 15, en Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, r.o . 15 .
( 9 ) Arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, r.o . 16 en 17 .
( 10 ) Ibid ., r.o . 10 en 11 .
( 11 ) Arrest Charmasson, reeds aangehaald, r.o . 16 en 17 .
( 12 ) Zie arrest van 12 juli 1983, zaak 170/78, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr . 1983, blz . 2265 .
( 13 ) Arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Jurispr . 1974, blz . 837, r.o . 5 .
( 14 ) Zie bij voorbeeld arrest van 7 februari 1970, zaak 31/69, Commissie/Italië, Jurispr . 1970, blz . 25 .
Full & Egal Universal Law Academy