CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 10 juni 1987 ( *1 )
Mijnheer de Président,
mijne beren Rechters,
A — De feiten
1.
De onderhavige zaak heeft betrekking op de uitlegging van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van de desbetreffende uitvoeringsverordening nr. 574/72, in verband met de Belgische wettelijke bepalingen inzake de cumulatie van sociale-zekerheidsuitkeringen.
2.
Artikel 25 van het Belgische Koninklijk Besluit van 24 oktober 1967 bepaalt, dat een overlevingspensioen niet wordt toegekend aan personen die een invaliditeitspensioen (ook indien van buitenlandse oorsprong) ontvangen; in zo'n geval wordt slechts een zogenoemde aanpassingsuitkering betaald ten bedrage van één annuïteit van het overlevingspensioen. Voorts bepaalt artikel 20 van hetzelfde besluit, dat de cumulatie van een overlevingspensioen met een ouderdomspensioen beperkt is tot een bepaald — in een Koninklijk Besluit van december 1967 vastgesteld — maximum, en daarbij moet men nog weten, dat — aanvankelijk op grond van een administratieve praktijk en sedert 1981 op grond van een Koninklijk Besluit — een invaliditeitspensioen als ouderdomspensioen wordt aangemerkt wanneer aan de voorwaarden voor toekenning van een ouderdomspensioen is voldaan (voor vrouwen is dat op de leeftijd van zestig jaar).
3.
Deze bepalingen zijn van belang voor een in 1919 geboren en in Italië wonend Italiaans onderdaan, die sinds juli 1969 een persoonlijk Italiaans invaliditeitspensioen ontvangt en die in 1972 is gehuwd met een Italiaan die gedurende vijftien jaar in Italië en gedurende meer dan zestien jaar in België had gewerkt en die in februari 1977 is overleden.
4.
Toen zij na het overlijden van haar man om toekenning van een overlevingspensioen verzocht (welk verzoek vanuit Italië aan het Belgische verzekeringsorgaan werd doorgezonden), ontving zij in verband met haar Italiaans invaliditeitspensioen over de periode februari 1977-januari 1978 aanvankelijk alleen de genoemde Belgische aanpassingsuitkering. Vanaf april 1979 — toen zij zestig jaar was geworden — ontving zij vervolgens overlevingspensioen — naar rato van de jaren die haar overleden echtgenoot in België had gewerkt —, juist omdat vanaf dat moment — zoals wij zagen — het invaliditeitspensioen als een ouderdomspensioen wordt aangemerkt. Het overlevingspensioen werd evenwel verminderd tot het bij het Koninklijk Besluit van december 1967 vastgestelde maximum.
5.
Omdat zij daarmee geen genoegen nam, maakte Stefanutti de zaak aanhangig bij de Arbeidsrechtbank te Charleroi. Deze was van oordeel, dat artikel 25 van het Koninklijk Besluit van 24 oktober 1967 niet van toepassing was, omdat het Italiaanse invaliditeitspensioen als een ouderdomspensioen moest worden aangemerkt, en dat Stefanutti bijgevolg met ingang van februari 1977 aanspraak had op een Belgisch overlevingspensioen. De Arbeidsrechtbank besliste overigens ook, dat aangezien overlevingspensioen van een andere aard is dan ouderdomspensioen, het eerste slechts met een Italiaans pensioen kon worden gecumuleerd tot het in het Koninklijk Besluit van december 1967 vastgestelde maximum.
6.
Het Belgische verzekeringsorgaan, de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (RWP), ging van die uitspraak in beroep bij het Arbeidshof te Bergen waar het zijn eigen standpunt hoopte te zien zegevieren, namelijk dat het invaliditeitspensioen van Stefanutti eerst als een ouderdomspensioen kon worden aangemerkt wanneer zij de leeftijd van zestig jaar had bereikt. Maar ook Stefanutti ging in hoger beroep. Zij meent, dat het Italiaanse invaliditeitspensioen enkel in aanmerking kan worden genomen naar verhouding van de in Italië vervulde tijdvakken van verzekering, zulks overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72, dat bepaalt:
„1)
Wanneer de rechthebbende op een krachtens de wetgeving van een Lid-Staat verschuldigde uitkering eveneens recht heeft op uitkeringen krachtens de wetgevingen van één of meer andere Lid-Staten, zijn de volgende voorschriften van toepassing:
a)
...;
b)
Indien het uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) betreft, die overeenkomstig artikel 46, lid 2, van de verordening door het orgaan van een Lid-Staat zijn vastgesteld, houdt dit orgaan rekening met uitkeringen van andere aard, inkomsten of beloningen die vermindering of schorsing van de door dit orgaan verschuldigde uitkering tot gevolg kunnen hebben; dit geldt niet voor de berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening bedoelde theoretische bedrag, doch uitsluitend voor de vermindering of schorsing van het in artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening bedoelde bedrag. Van het bedrag van deze uitkeringen, inkomsten of beloningen wordt slechts een gedeelte in aanmerking genomen, dat overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening vastgesteld wordt naar verhouding van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering.”
7.
Ten einde zekerheid te verkrijgen omtrent de vraag, hoe de Belgische anti-cumulatiebepalingen naar gemeenschapsrecht moeten worden beoordeeld en hoe de zojuist geciteerde bepalingen moeten worden uitgelegd, heeft het Arbeidshof te Bergen bij arrest van 21 juni 1985 ( 1 ) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Wanneer de weduwe van een migrerend werknemer buiten de gemeenschapsverordeningen om in een Lid-Staat recht op een persoonlijk invaliditeitspensioen heeft verkregen en in een andere Lid-Staat, eveneens buiten de gemeenschapsverordeningen om, aanspraak maakt op een overlevingspensioen uit hoofde van de beroepswerkzaamheid van haar echtgenoot, is het dan verenigbaar met de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag, dat het orgaan van laatstbedoelde Lid-Staat, dat het overlevingspensioen toekent, voor de toepassing van de anti-cumulatiebepalingen van zijn nationale wettelijke regeling het door eerstbedoelde Lid-Staat toegekende invaliditeitspensioen op dezelfde wijze in aanmerking neemt als invaliditeitsuitkeringen die krachtens zijn eigen wettelijke regeling worden toegekend ?
2)
Zo ja: Wanneer de wettelijke regeling van een Lid-Staat verschilt al naar gelang het krachtens die regeling toegekende overlevingspensioen gecumuleerd wordt met een invaliditeitsuitkering dan wel met een ouderdomsuitkering, moet dan het door een andere Lid-Staat toegekende — niet in een ouderdomspensioen om te zetten — invaliditeitspensioen worden aangemerkt als een invaliditeitsuitkering of als een ouderdomsuitkering ? Moet eventueel onderscheid worden gemaakt al naar gelang degene die het invaliditeitspensioen ontvangt, al dan niet de pensioenleeftijd heeft bereikt dan wel een ouderdomsuitkering ontvangt ?
3)
Gaat het bij die pensioenleeftijd om de leeftijd die is voorzien in de wetgeving waarvan de cumulatieregeling deel uitmaakt, of om die welke is voorzien in de wetgeving krachtens welke de niet voor de omzetting in aanmerking komende, aan de cumulatieregeling onderworpen uitkering is toegekend ?
4)
Is artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 van toepassing op de cumulatie van een indirect pensioen (overlevingspensioen) met een andersoortig direct pensioen (invaliditeits- of ouderdomspensioen) ?”
8.
Gezien de — in het rapport ter terechtzitting samengevatte — opmerkingen van partijen in het hoofdgeding, de Italiaanse regering en de Commissie, is mijn standpunt in deze als volgt.
B — Beoordeling
9.
1) Daar in het kader van een procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag geen uitspraak kan worden gedaan over de verenigbaarheid van het nationale recht met het gemeenschapsrecht — wat nochtans de strekking is van de eerste vraag —, zullen wij, na de vraag op de juiste wijze te hebben geformuleerd, eerst moeten nagaan, wat het gemeenschapsrecht te zeggen heeft over de toepassing van een Belgische anti-cumulatiebepaling op een buitenlands invaliditeitspensioen, wanneer het recht op persoonlijk invaliditeitspensioen en dat op overlevingspensioen buiten het gemeenschapsrecht om is ontstaan.
10.
a) Wat dit laatste aspect betreft, moet ik eraan herinneren, dat volgens de relevante rechtspraak in gevallen waarin uitsluitend op grond van nationaal recht aanspraak op een uitkering bestaat, de nationale wettelijke regeling integraal, dus met inbegrip van de anti-cumulatiebepalingen moet worden toegepast. ( 2 ) Duidelijk is dus, dat in een geval als het onderhavige het gemeenschapsrecht zich in beginsel niet verzet tegen toepassing van nationale anti-cumulatiebepalingen.
11.
Wanneer nu geïntimeerde in het hoofdgeding daartegen aanvoert, dat de pensioenrechten die zij uit hoofde van persoonlijke tijdvakken van verzekering heeft verworven, een vermogensbestanddeel zijn in de zin van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en om die reden buiten de toepassing van nationale anti-cumulatiebepalingen vallen, dan moet ik toegeven het alleszins begrijpelijk te vinden dat een argument als dit in een zaak als deze wordt opgeworpen. Men mag echter niet uit het oog verliezen, dat dat argument kennelijk betrekking heeft op de verhouding tussen het Belgische recht en dergelijke beginselen (men zou hier ook kunnen denken aan het fundamentele recht op bescherming van de eigendom). Het kan dan ook geen rol spelen in het kader van de prejudiciële procedure, maar enkel in de nationale procedure, waarin de kennisnemende rechter eventueel zal moeten onderzoeken, of de door hem toe te passen nationale regeling verenigbaar is met recht van hogere rang.
12.
b) Voorts moet worden opgemerkt dat de Belgische anti-cumulatiebepalingen, aangezien zij van externe aard zijn (dat wil zeggen ook van toepassing zijn op buitenlandse uitkeringen), niet afhankelijk zijn van de uitbreidingsclausule van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71, dat bepaalt:
„De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid, zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen.”
13.
In een dergelijke situatie is het, althans aanvankelijk, dan ook niet relevant, welke beperking daaraan wordt gesteld door de volgende zin van artikel 12, die luidt:
„Deze regel is echter niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46, 50, 51 of 60, lid 1, sub b, worden vastgesteld.”
14.
c) Deze bepaling is evenwel om een andere reden van belang. In de rechtspraak van het Hof is er steeds op gewezen, dat in dergelijke situaties (dat wil zeggen wanneer uitkeringen uitsluitend op grond van de nationale wetgeving en zonder toepassing van het gemeenschapsrecht zijn verschuldigd) een vergelijking moet worden gemaakt met de uitkomst van de berekening volgens artikel 46 van verordening nr. 1408/71, en dat het stelsel van samentelling en proratisering moet worden toegepast wanneer dat voor de werknemer gunstiger is dan de toepassing van de nationale wettelijke regeling. ( 3 ) Wanneer zo artikel 46 aan bod komt, dan vindt, zoals gezegd, ook artikel 12, lid 2, toepassing en dit dwingt ertoe, de nationale anti-cumulatiebepalingen bij gelijksoortige uitkeringen buiten toepassing te laten.
15.
De uitlegging van deze bepaling is in de rechtspraak van het Hof al vaak aan de orde geweest. Ik kan mij er dus toe beperken erop te wijzen, dat het Hof bij voorbeeld in zaak 171/82 ( 4 ) heeft vastgesteld, dat uitkeringen van sociale zekerheid, welke ook de kenmerken van de onderscheiden nationale wettelijke regelingen zijn, als gelijksoortig moeten worden aangemerkt, wanneer het voorwerp en de doelstelling alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn (zo ook het arrest in zaak 238/81).
16.
In de onderhavige zaak heeft de Commissie trachten aan te tonen, dat aan deze voorwaarden niet is voldaan bij een recht op overlevingspensioen enerzijds en op een invaliditeitspensioen anderzijds. Het eerste, aldus de Commissie, heeft tot doel, het wegvallen van de inkomsten van een echtgenoot te compenseren op een ogenblik waarop de langstlevende echtgenoot wegens zijn leeftijd moeilijk zelf werk kan vinden, terwijl het invaliditeitspensioen bedoeld is als compensatie voor een verminderde arbeidscapaciteit. Ook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden zouden niet identiek zijn, daar het overlevingspensioen samenhangt met de arbeidsloopbaan van de overleden echtgenoot en aan de weduwe eerst wordt toegekend vanaf de leeftijd van vijfenveertig jaar, terwijl het invaliditeitspensioen gebaseerd is op de arbeidsloopbaan van de betrokkene zelf in Italië en niet aan het bereiken van een bepaalde leeftijd is gebonden.
17.
De Commissie heeft verder nog betoogd, dat ook het Belgische overlevingspensioen en het Italiaanse ouderdomspensioen geen gelijksoortige uitkeringen zijn. Daarvoor kon zij zich niet enkel beroepen op een dienovereenkomstige beoordeling in de conclusies in de zaken 34/69 en 132/81 ( 5 ), maar ook op verschillen in de berekeningsgrondslag (verschillende tijdvakken van verzekering) en in de toekenningsvoorwaarden (minimumleeftijd).
18.
Voor deze opvatting valt mijns inziens stellig wat te zeggen en wij kunnen er dan ook van uitgaan, dat ook bij toepassing van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 niets zich ertegen verzet, dat de Belgische anti-cumulatiebepalingen volgens artikel 12, lid 2, van die verordening worden toegepast.
19.
Ik wijs er nog op, dat men deze conclusie niet kan weerleggen door te verwijzen naar de considerans van verordening nr. 1408/71, waarin, zoals verweerster heeft beklemtoond, wordt gesproken over het behoud van verworven rechten en voordelen en over het voorkomen van ongerechtvaardigde cumulaties. Behalve dat het in dit gedeelte van de considerans enkel gaat over werknemers die hun verworven rechten en voordelen moeten kunnen behouden (terwijl het in het hoofdgeding gaat om de rechten van een nabestaande van een werknemer), kan in de aangehaalde algemene formulering moeilijk iets worden gelezen wat tegen de precieze tekst van artikel 12 spreekt en wat steun zou bieden aan de stelling, dat de anti-cumulatiebepalingen niet van toepassing zijn omdat in het geval van onderscheiden, niet samenvallende verzekeringstijdvakken een ongerechtvaardigde cumulatie niet mogelijk is. Hetzelfde geldt voor de opvatting van geïntimeerde, dat anti-cumulatiebepalingen eigenlijk enkel zin hebben wanneer de uitkeringen op de loopbaan van één persoon zijn gebaseerd, daar het risico van overlapping van relevante tijdvakken niet bestaat wanneer het om verschillende loopbanen gaat. Ook voor deze opvatting valt in artikel 12 geen steun te vinden; niets laat hier de mening toe, dat de toepassing van anti-cumulatiebepalingen uitgesloten is wanneer de uitkeringen verband houden met de arbeidsloopbaan van twee verschillende personen.
20.
d) Hieraan dienen echter nog twee, eveneens aan de rechtspraak van het Hof ontleende vaststellingen te worden toegevoegd.
21.
In de eerste plaats is er de vaststelling in zaak 238/81, dat artikel 46, lid 3, dat de samenloop van op grond van de leden 1 en 2 van dat artikel verworven uitkeringen beoogt te beperken, moet worden toegepast met uitsluiting van nationale anti-cumulatiebepalingen. ( 6 ) In de tweede plaats is er de vaststelling die te vinden is in rechtsoverweging 21 van het arrest in zaak 296/84: het in artikel 46, lid 1, eerste alinea, bedoelde bedrag is dat waarop de werknemer volgens de nationale wettelijke regeling aanspraak zou kunnen maken indien hij geen pensioen ontving krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat; toepassing van een nationale externe anti-cumulatiebepaling is daarbij ingevolge artikel 12, lid 2, uitgesloten.
22.
Hiertoe kan ik mij voor het ogenblik beperken. Welke conclusies daaruit voor het hoofdgeding moeten worden getrokken, is iets wat de nationale rechter moet beoordelen.
23.
2) Dan kom ik nu tot de tweede en de derde vraag. Deze hebben betrekking op de in het begin vermelde, verschillende Belgische anti-cumulatiebepalingen. De ene daarvan bepaalt, dat het overlevingspensioen — op een aanpassingsuitkering na — niet wordt uitgekeerd wanneer de betrokkene tevens een invaliditeitspensioen ontvangt, de andere stelt een maximum aan de cumulatie van een overlevingspensioen met een ouderdomspensioen (waarbij van belang is, dat een invaliditeitspensioen als een ouderdomspensioen wordt aangemerkt vanaf het ogenblik waarop de betrokkene in aanmerking komt voor een ouderdomspensioen).
24.
In verband daarmee wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een door een andere Lid-Staat toegekend invaliditeitspensioen dat niet in een ouderdomspensioen kan worden omgezet, als een invaliditeitsuitkering of als een ouderdomsuitkering moet worden aangemerkt; of daarbij van belang is, of de begunstigde de pensioenleeftijd heeft bereikt dan wel een ouderdomsuitkering geniet; en ten slotte, of de pensioenleeftijd in casu naar Belgisch recht dan wel naar Italiaans recht moet worden bepaald.
25.
De Italiaanse regering en geïntimeerde in het hoofdgeding betogen, kort gezegd, dat het Italiaanse invaliditeitspensioen, omdat het doel en de berekeningsgrondslag dezelfde zijn, in feite als een ouderdomspensioen moet worden aangemerkt, en beslissend daarvoor zou ook zijn, dat in Italië de pensioenleeftijd voor vrouwen bij vijfenvijftig jaar ligt. De Commissie is daarentegen van mening, dat deze vragen niet op grond van het gemeenschapsrecht kunnen worden beantwoord; de Belgische rechter zou dat volgens zijn nationale recht moeten uitmaken.
26.
Ik geloof dat wij ons hier bij het standpunt van de Commissie moeten aansluiten.
27.
De enige bepaling die mij in dit verband in gedachten komt, is immers artikel 43 van verordening nr. 1408/71, dat bepaalt:
„De invaliditeitsuitkeringen worden eventueel in ouderdomsuitkeringen omgezet op de voorwaarden gesteld door de wettelijke regeling of de wettelijke regelingen krachtens welke zij zijn toegekend, en overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 3.”
28.
Belangrijk is hier echter — zulks gezien het woord „eventueel” —, dat Italië de automatische omzetting van invaliditeitspensioenen in ouderdomspensioenen bij het bereiken van de leeftijd van vijfenvijftig jaar (voor vrouwen) pas bij wet van 12 juni 1984 heeft geregeld; dit gold dus niet in de periode daarvóór, waarop het in casu aankomt.
29.
Voor het overige kan ik voor het kwalificatieprobleem enkel verwijzen naar de desbetreffende rechtspraak van het Hof. Hieruit blijkt duidelijk (aldus beslist in zaak 93/75 ( 7 )), dat het Hof niet bevoegd is bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag, hoe een krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat toegekende uitkering moet worden gekwalificeerd naar de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat. Die vraag is, zoals uitdrukkelijk werd verklaard, uitsluitend een vraag van nationaal recht en derhalve staat het „aan de nationale rechterlijke instantie, de inhoud en de uitlegging van haar eigen wettelijke regeling ten aanzien van de cumulatie van uitkeringen te beoordelen” (arrest in de gevoegde zaken 116, 117, 119, 120 en 121/80 ( 8 )).
30.
3) De vierde vraag ten slotte betreft het ter uitvoering van artikel 12 van verordening nr. 1408/71 vastgestelde artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 (hiervóór reeds geciteerd). Deze bepaling heeft, zoals bekend, betrekking op gevallen waarin de ontvanger van een krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat verschuldigde uitkering tevens aanspraak op uitkeringen heeft krachtens de wettelijke regeling van een of meer andere Lid-Staten. Het bepaalt in dit verband:
„Indien het uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) betreft, die overeenkomstig artikel 46, lid 2, van de verordening door het orgaan van een Lid-Staat zijn vastgesteld, houdt dit orgaan rekening met uitkeringen van andere aard, inkomsten of beloningen die vermindering of schorsing van de door dit orgaan verschuldigde uitkering tot gevolg kunnen hebben; dit geldt niet voor de berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening bedoelde theoretische bedrag, doch uitsluitend voor de vermindering of schorsing van het in artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening bedoelde bedrag. Van het bedrag van deze uitkeringen, inkomsten of beloningen wordt slechts een gedeelte in aanmerking genomen, dat overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening vastgesteld wordt naar verhouding van de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering.”
31.
De vraag is nu, of deze bepaling ook van toepassing is bij cumulatie van een overlevingspensioen met een ouderdoms- of invaliditeitspensioen.
32.
Ik zou niet aarzelen òm de vraag, in de vorm waarin zij gesteld is, bevestigend te beantwoorden, want een overlevingspensioen is ongetwijfeld bedoeld als een uitkering bij overlijden, en de onderwerpelijke ouderdoms- en invaliditeitspensioenen zijn klaarblijkelijk uitkeringen die naar Belgisch recht tot verminderingen kunnen leiden.
33.
Hieraan zij echter toegevoegd, dat de hierbedoelde bepaling naar haar letter enkel van toepassing is op uitkeringen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 46, lid 2, dus naar verhouding van de in de verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering (proratisering). Dit is in casu niet het geval, daar immers aan de voorwaarden voor toekenning van het overlevingspensioen is voldaan zonder dat buitenlandse tijdvakken van verzekering of tewerkstelling in aanmerking genomen moeten worden. Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 zou hier dus enkel aan bod kunnen komen bij de volgens 's Hofs rechtspraak uit te voeren vergelijkende berekening, dus om uit te maken of de toepassing van het gemeenschapsrecht (artikel 46) niet een gunstiger resultaat oplevert dan de toepassing van het nationale recht alleen.
34.
Vanuit het gezichtspunt van het gemeenschapsrecht valt er over de vierde vraag wel niet meer te zeggen.
C — Conclusie
Samenvattend geef ik derhalve in overweging, de vragen van het Arbeidshof te Bergen te beantwoorden als volgt:
35.
„a) Wanneer het recht op een uitkering uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling ontstaat (dat wil zeggen zonder dat op grond van het gemeenschapsrecht rekening moet worden gehouden met buitenlandse tijdvakken van verzekering of tewerkstelling), staat het gemeenschapsrecht niet eraan in de weg, dat die nationale regeling integraal, dus met inbegrip van eventuele anti-cumulatiebepalingen, wordt toegepast. Blijkt de toepassing van de nationale regeling voor de betrokkene minder gunstig te zijn dan de toepassing van het gemeenschapsrecht, dan moet dit laatste, dat wil zeggen artikel 46 van verordening nr. 1408/71, toepassing vinden. In dat geval sluit artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 de toepassing van nationale anti-cumulatiebepalingen niet uit, wanneer het gaat om uitkeringen van verschillende aard, zoals een overlevingspensioen enerzijds en een invaliditeits- of ouderdomspensioen anderzijds.
36.
b) Bij gebreke van communautaire beoordelingscriteria, moeten de tweede en derde vraag, betreffende de kwalificatie van een door een andere Lid-Staat toegekend invaliditeitspensioen — welke vragen van belang zijn voor de toepassing van de Belgische anti-cumulatiebepalingen —, worden beantwoord aan de hand van het nationale recht, voor de uitlegging waarvan het Hof niet bevoegd is.
37.
c) Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 574/72 gaat een rol spelen in geval van geoorloofde toepassing van nationale anti-cumulatiebepalingen op een overlevingspensioen enerzijds en een ouderdoms-, respectievelijk invaliditeitspensioen anderzijds, indien de uitkering die is toegekend krachtens de wettelijke regeling waarvan de anti-cumulatiebepalingen deel uitmaken, overeenkomstig artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 wordt berekend.”
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
( 1 ) Ingeschreven in liet register van hei Hof op 26 juni 1985.
( 2 ) Arresten van 14 maart 1978, zaak 98/77, Schaap, Jurispr. 1978, blz. 707; 2 juli 1981, gevoegde zaken 116, 117, 119, 120 en 121/80, Celestre, Jurispr. 1981, blz. 1737; 5 mei 1983, zaak 238/81, Van der Bunt-Craig, Jurispr. 1983, blz. 1385; 13 maart 1986, zaak 296/84, Sinatra, Jurispr. 1986, blz. 1047.
( 3 ) Vgl. zaak 98/77, Schaap, Jurispr. 1978, blz. 707, L 714, r. o. 10 en 11 ; zic eveneens de arresten in de gevoegde zaken 116, 117, 119, 120 en 121/80 en in de zalen 238/81 en 296/8-1.
( 4 ) Arrest van 5 juli 1983, zaak 171/82, Valentini, Jurispr. 1983, blz. 2157, 2170, r. o. 13.
( 5 ) Conclusie van advocaatgeneraal K. Römer van 3 december 1969 in zaak 34/69, Duffy, Jurispr. 1969, blz. 605; conclusie van advocaatgeneraal P. VerLoren van Themaat van 25 maart 1982 in zaak 132/81, Vlaeminck, Jurispr. 1982, blz. 2965.
( 6 ) Arrest van 5 mei 1983, zaak 238/81, Van der Bunt-Craig, Jurispr. 1983, blz. 1385, 1401, r. o. 15.
( 7 ) Arrest van 17 december 1975, zaak 93/75, Adlcrblum, Jurispr. 1975, bh. 2147,2151.
( 8 ) Arrest van 2 juli 1981, gevoegde zaken 116, 117, 119, 120 en 121/80, Celestre, Jurispr. 1981, blz. 1737, 1753, r. o. 10.
Full & Egal Universal Law Academy