CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 10 juni 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Executieverdrag), bepaalt zoals bekend in artikel 31: „De beslissingen welke in een verdragsluitende staat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere... staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, van het verlof tot tenuitvoerlegging zijn voorzien.” Artikel 33 bepaalt vervolgens in zijn eerste alinea, dat „de vereisten waaraan het verzoek moet voldoen, worden vastgesteld door de wet van de aangezochte staat”, waaraan in de tweede alinea wordt toegevoegd: „De verzoeker moet binnen het rechtsgebied van het gerecht van de aangezochte staat woonplaats kiezen. Kent echter de wetgeving van de aangezochte staat geen woonplaatskeuze, dan kan de verzoeker een procesgemachtigde aanwijzen.”
In een geschil over de toepassing van dit laatste voorschrift heeft het Belgische Hof van Cassatie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: a) hangt het van het recht van de aangezochte staat af, wanneer en hoe de woonplaatskeuze, bedoeld in artikel 33, tweede alinea, moet geschieden en welke sanctie er op het niet nakomen van die verplichting moet worden gesteld ? ; b) zo neen, wanneer en hoe moet de woonplaatskeuze dan geschieden en welke is dan de eventuele sanctie ?
Voor de in het hoofdgeding relevante feiten moeten wij teruggaan tot 27 juli 1982. Op die dag verleende de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen verlof tot tenuitvoerlegging van een vonnis van het Landgericht Duisburg, waarbij de Belg F. Carrón was veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 5240000 DM aan de Bondsrepubliek Duitsland. Na tevergeefs verzet te hebben gedaan, stelde de schuldenaar beroep tot cassatie in, aanvoerende dat de procedure nietig was. Zijns inziens verlangen de eerste en tweede alinea van artikel 33, dat de woonplaatskeuze plaatsvindt op het moment waarop het verzoekschrift wordt ingediend, dus voordat het exequatur wordt verleend. De Bondsrepubliek had in het rechtsgebied van de Antwerpse rechtbank echter pas woonplaats gekozen in de akte van betekening van de exequaturbeschikking.
Vandaar dus de vragen die ik hiervoor heb weergegeven.
2.
Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoeker in het hoofdgeding, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, de Bondsrepubliek en het Verenigd Koninkrijk. In die opmerkingen vallen twee opvattingen te beluisteren. Volgens de Commissie en Carrón hebben de verplichting om woonplaats te kiezen, alsook de exequaturprocedure een communautair karakter. De nationale rechter kan er dus niet zijn eigen gewone regels op toepassen zonder aan het eenvormige karakter ervan afbreuk te doen. Anderzijds brengen de vereisten van eenvoud en snelheid, die het uitgangspunt zijn van het gehele Executieverdrag, mee dat de woonplaatskeuze als regel plaatsvindt bij de indiening van het verzoekschrift; wanneer de belanghebbende dat niet doet, zet hij tot zijn eigen nadeel de gehele procedure op losse schroeven.
De Duitse en de Britse regering zien het helemaal anders. Het communautair karakter van de verplichting van woonplaatskeuze staat voor hen buiten discussie, maar het tijdstip waarop en de vorm waarin die keuze moet worden gedaan, alsook de sanctie wanneer men die verplichting niet nakomt, zijn eenvoudig procedure-„modaliteiten” en worden derhalve beheerst door de wetgeving van de aangezochte staat. Het bewijs hiervan is artikel 33, tweede alinea, bepalende dat, indien „de wetgeving van de aangezochte staat geen woonplaatskeuze kent” (en dus ook geen desbetreffende modaliteiten voor tijdstip en vorm), aan die verplichting kan worden voldaan door het aanwijzen van een procesgemachtigde.
Het stelsel van het Executieverdrag verlangt dus niet dat de woonplaatskeuze tegelijk met het indienen van het verzoekschrift plaatsvindt. Vóór de betekening van het verlof tot tenuitvoerlegging immers wordt de partij tegen wie die tenuitvoerlegging is gevraagd, toch niet gehoord en heeft hij er dus geen belang bij, de gekozen woonplaats van de verzoeker te kennen.
3.
Het betoog van verzoeker in het hoofdgeding en van de Commissie kan niet worden aanvaard. Men bedenke dat de verdragsauteurs, in verband met de omvangrijke waarborgen die in de hoofdprocedure aan de verweerder worden geboden, het billijk hebben geacht om de eisende partij die een voor hem gunstig vonnis ten uitvoer wenst te leggen, een snelle procedure aan de hand te doen: een procedure dus waarin de schuldenaar geen gelegenheid krijgt nieuwe weren aan te voeren en waarin de rechter zijn onderzoek heeft te beperken tot aspecten van openbare orde. Daarom is de verwijzing naar de procedure van de aangezochte Staat, die de schuldeiser genoemde voordelen niet steeds biedt, uitgesloten en is een communautaire regeling ingevoerd. Uit de verschillende mogelijkheden is gekozen voor een model dat uitgaat van een door de eisende partij in te dienen verzoek, juist omdat dit de rechter in staat stelt op het verzoek te beslissen op basis van de hem voorgelegde stukken en inaudita altera parte.
Samenvattend kan men zeggen dat de wezenlijke elementen van de procedure van het Executieverdrag deze zijn: a) het verzoek dat de belanghebbende partij moet richten tot de rechter van de woonplaats van degene tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd (artikelen 31 en 32); b) de verplichting van die partij om domicilie te kiezen binnen het rechtsgebied van de aangezochte rechter (artikel 33, tweede alinea); c) de beslissing over het exequatur, die „door bemiddeling van de griffier onverwijld ter kennis van [alleen] de verzoeker wordt gebracht” (artikel 35).
Wat echter de voorschriften inzake tijd en vorm van die akten betreft, heeft de wetgever liever geen regeling ad hoc willen geven, maar de vaststelling ervan aan „de wet van de aangezochte staat” overgelaten. Dit is uitdrukkelijk bepaald met betrekking tot het verzoek (artikel 33, eerste alinea) en de mededeling van het verlof tot tenuitvoerlegging (artikel 35), dus de akten waarmee de procedure wordt ingeleid en beëindigd, maar het ligt voor de hand, dat dit ook voor de woonplaatskeuze heeft te gelden. Dit volgt overigens uit de tekst van de bepaling, zoals de interveniërende regeringen terecht stellen, uit de uiteenzettingen in het rapport-Jenard (PB 1979, C 59, blz. 49, artikel 33, tweede en zesde alinea), en uit een simpel argument a contrario: wanneer het recht van de aangezochte staat niet in woonplaatskeuze voorziet, kan de akte die daarvoor in de plaats komt, dat wil zeggen de aanwijzing van de procesgemachtigde, alleen maar de vorm hebben die de nationale wet voor processtukken intuitu personae voorschrijft.
Wat vervolgens de sanctie betreft, lijkt het mij gewenst om onderscheid te maken tussen het geval waarin de verzoeker zich niet houdt aan de in de artikelen 32 en 33 omschreven verplichtingen, en dat waarin hij de hand licht met de door de lex fori voorgeschreven modaliteiten. In het eerste geval zal de aangezochte rechter het exequaturverzoek afwijzen omdat inbreuk is gemaakt op die twee bepalingen (zie rapport-Jenard, artikel 34), in het tweede geval zal hij handelen overeenkomstig hetgeen in zijn eigen recht is voorzien. Vanuit het gezichtspunt van het Executieverdrag verzekert dit een betere controle door de rechter, die goed bekend is met de nationale voorschriften betreffende het wanneer en hoe van processtukken. Van zijn kant heeft de verzoeker er alle belang bij, ze in acht te nemen, ten einde het doel dat hem voor ogen staat, niet in gevaar te brengen.
Zo gezien, kan het antwoord op de eerste vraag alleen maar bevestigend luiden. De tweede vraag verliest daarmee haar belang.
4.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging om de vragen die het Belgische Hofvan Cassatie met zijn beschikking van 14 juni 1982 in de zaak Carrón tegen Bondsrepubliek Duitsland heeft gesteld, te beantwoorden als volgt:
„Artikel 33, tweede alinea, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat de aldaar voorziene verplichting om woonplaats te kiezen, moet worden nagekomen op het tijdstip en in de vorm als voorzien in de wetgeving van de aangezochte staat. Deze wetgeving is tevens bepalend voor de processuele consequenties ingeval die modaliteiten niet in acht worden genomen.”
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy