CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 1 oktober 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Is het verenigbaar met artikel 95 EEG-Verdrag dat een Lid-Staat het hoogste BTW-tarief toepast op motorrijtuigen die zijn uitgerust met een dieselmotor met een cilinderinhoud van meer dan 2500 cm3, wanneer enkel uit andere Lid-Staten (of derde landen) ingevoerde motorrijtuigen tot die categorie behoren?
Over deze vraag moet het Hof uitspraak doen in dit beroep dat de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag tegen de Italiaanse Republiek heeft ingesteld.
Tot 1978 gold voor motorrijtuigen in Italië de volgende belastingregeling:
—
BTW over motorrijtuigen met een cilinderinhoud van 2000 cm3 of minder: 18% (later verhoogd tot 20%);
—
BTW over motorrijtuigen met een cilinderinhoud van meer dan 2000 cm3: 35% (later verhoogd tot 38%).
Bij decreto-legge van 26 mei 1978, omgezet in een wet van 24 juli 1978, is deze regeling gewijzigd voor met een dieselmotor uitgeruste motorrijtuigen. De grens van waaraf over deze voertuigen 38% BTW verschuldigd is, werd opgetrokken tot 2500 cm3.
Voor zes types Italiaanse motorrijtuigen en vijftien in andere Lid-Staten geproduceerde types motorrijtuigen leverde deze maatregel een belastingverlaging op.
In Italië worden geen motorrijtuigen met een dieselmotor met een cilinderinhoud van meer dan 2500 cm3 geproduceerd. Het BTW-tarief van 38% is wel van toepassing op twee in een andere Lid-Staat geproduceerde motorrijtuigen met een cilinderinhoud van 2996 respectievelijk 2998 cm3 (in feite de „berline”- en „station-car”-uitvoe-ring van eenzelfde model).
Alvorens de gegrondheid van het verzoekschrift van de Commissie te behandelen, dien ik eerst in te gaan op de door de Italiaanse regering aangevoerde bezwaren ter zake van de ontvankelijkheid van het beroep.
De ontvankelijkheid
De Italiaanse regering, volgens welke het met redenen omklede advies en het verzoekschrift noodzakelijk met elkaar moeten overeenstemmen, stelt, dat de Commissie in de administratieve fase de Italiaanse Republiek een schending van artikel 95, eerste alinea, heeft verweten, maar in het inleidend verzoekschrift het Hof daarentegen vraagt, vast te stellen dat de Italiaanse Republiek haar verplichtingen ex artikel 95 in zijn geheel niet is nagekomen. Omdat het dispositief van het met redenen omklede advies niet met de conclusie van het verzoekschrift overeenstemt, zou het beroep, in zoverre het ook op artikel 95, tweede alinea, is gebaseerd, niet-ontvankelijk zijn.
De Commissie betoogt, dat de vereiste overeenstemming tussen de administratieve fase
en de rechterlijke procedure is gebaseerd op de noodzaak dat de Lid-Staat de zekerheid moet worden gegeven, dat hij zich ten volle kan verweren, wat niet mogelijk zou zijn indien in de loop van het beroep nieuwe middelen worden aangevoerd. De Commissie heeft in het verzoekschrift geen middel aangevoerd dat niet in de administratieve fase werd aangevoerd. De algemene opzet van artikel 95 (beginsel van de belastingneutraliteit die elke discriminatie verbiedt) en de neiging van het Hof bij het onderzoek van de aan zijn oordeel voorgelegde feiten uit te gaan van de genoemde bepaling in haar geheel, zouden haar ertoe hebben gebracht in het verzoekschrift zonder meer van artikel 95 te spreken.
De rechtspraak van het Hof terzake staat vast.
Ik beperk mij tot een verwijzing naar r. o. 16 van het arrest van 7 februari 1984 (zaak 166/82, Commissie/Italië, Jurispr. 1984, blz. 459), waarin het Hof overwoog, dat het met redenen omklede advies en het verzoekschrift op dezelfde overwegingen en middelen dienen te berusten.
Mij dunkt evenwel niet, dat de Commissie in casu in haar verzoekschrift een rechtsgrondslag aanvoert waarvan zij in de precontentieuze fase geen melding heeft gemaakt.
Het onderwerp van het beroep wordt immers door het gehele met redenen omkleed advies en niet alleen door zijn dispositief bepaald en afgebakend.
Welnu, in punt 2 van het met redenen omklede advies zegt de Commissie, dat zij in een eerder gevoerde correspondentie het probleem van de verenigbaarheid van de Italiaanse wet met artikel 9} EEG-Verdrag aan de orde heeft gesteld. Zij vervolgt met een citaat van de integrale tekst van de eerste twee alinea's van dit artikel. In punt 3 van het met redenen omklede advies stelt zij, dat „zelfs indien over de gelijksoortigheid betwisting zou kunnen bestaan, niet kan worden ontkend dat de betrokken bepaling een protectionistisch doel heeft en onverenigbaar is met artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag”. Ten slotte geeft de Commissie, alvorens te concluderen, als haar mening te kennen, dat „Italië met het vaststellen van deze bepaling in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag een protectionistisch doel heeft nagestreefd”.
Uit het voorgaande volgt, dat de Italiaanse Republiek niet in het ongewisse kon verkeren over de strekking van de door de Commissie in de precontentieuze fase geformuleerde grief, dat de BTW-regeling voor dieselvoertuigen een op fiscaal vlak discriminerende of protectionistische werking had. Uit het enige standpunt dat Italië vóór het met redenen omklede advies heeft ingenomen, blijkt trouwens duidelijk dat de Italiaanse instanties wel degelijk hadden begrepen wat het onderwerp van de precontentieuze administratieve procedure was (zie de bij het verzoekschrift gevoegde brief van de Permanente vertegenwoordiging van Italië van 8 april 1980).
Het doel van deze fase in de procedure — te weten, de Lid-Staat de noodzakelijke elementen voor de voorbereiding van zijn verweer verschaffen — werd dus gerespecteerd. Italië heeft de gelegenheid gekregen opmerkingen in te dienen, ook al heeft het het niet nodig gevonden daarvan ten volle gebruik te maken. De door de opstellers van het Verdrag beoogde essentiële waarborg — de eerbiediging van de rechten van de verdediging — is in acht genomen en de contentieuze procedure is niet ongeldig wegens een vermeend gebrek aan overeenstemming tussen het onderwerp van de administratieve fase en dat van de contentieuze procedure.
Ten gronde
Drie vaststellingen kunnen onze taak bij de behandeling van de grond van de zaak aanzienlijk vergemakkelijken.
1.
Blijkens vaste rechtspraak van het Hof ( 1 ) staat het gemeenschapsrecht in de huidige stand zijner ontwikkeling niet in de weg aan de vrijheid der onderscheiden Lid-Staten om met behulp van objectieve criteria, zoals de aard van de grondstoffen of de toegepaste produktieprocédés, voor bepaalde produkten een systeem van gedifferentieerde belastingen vast te stellen. Zulke differentiaties verdragen zich met het gemeenschapsrecht, wanneer zij gericht zijn op de verwezenlijking van econonomische beleidsoogmerken die, op hun beurt, met de in het Verdrag en in het afgeleide recht gestelde eisen verenigbaar zijn, en wanneer in de uitvoeringsbepalingen alle mogelijke, rechtstreekse of indirecte, discriminatie jegens importen uit derde landen en/of iedere vorm van bescherming van concurrerende nationale produkten, wordt vermeden.
In zijn arrest van 15 maart 1983 (zaak 319/81, Commissie/Italië, Jurispr. 1983, blz. 601, r. o. 21) erkende het Hof trouwens, dat de Lid-Staten de bevoegdheid hebben om „met inachtneming van de terzake geldende richtlijnen, luxeprodukten volgens een hoger BTW-tarief te belasten dan nationale of ingevoerde produkten die dat karakter niet hebben, met dien verstande evenwel dat de criteria ter afbakening van de zwaarst belaste produktencategorie niet discriminerend mogen zijn ten aanzien van ingevoerde produkten die gelijksoortig zijn of die, in voege als bedoeld in artikel 95, tweede alinea, met de nationale produkten concurreren”.
Het feit dat een Lid-Staat bepaalde types motorvoertuigen zwaarder belast, is in beginsel dus niet voor kritiek vatbaar.
2.
Hoewel het verschil tussen het „normale” BTW-tarief van 20% en het tarief van 38% dat Italië op zogenaamde „luxe”-produkten toepast, op het eerste gezicht aanzienlijk moge lijken, is de kritiek van de Commissie toch niet tegen dit verschil gericht. Het Hof, dat herhaaldelijk uitspraak heeft moeten doen over zaken waarin deze tarieven ter discussie stonden, heeft Italië niet de bevoegdheid ontzegd om zulke tarieven vast te stellen ( 2 ).
3.
In de derde plaats dient te worden vastgesteld, dat er objectieve gronden zijn om dieselvoertuigen anders te belasten dan benzinevoertuigen.
In haar verzoekschrift gaat de Commissie uitvoerig in op de verschillen tussen benzine- en dieselmotoren, om te concluderen „dat de Commissie de Italiaanse instanties nooit heeft verweten de BTW-tarieven op de aankoop van dieselvoertuigen te hebben toegepast volgens andere criteria dan in het geval van benzinevoertuigen. Integendeel: juist de verschillende karakteristieken van deze motoren verklaren en rechtvaardigen een verschillende behandeling Het is dus geheel onnodig aan te tonen, dat het onbillijk zou zijn voor diesel- en benzinevoertuigen weer een identieke belastingregeling in te voeren, aangezien niemand dat ooit heeft verlangd.”
Uit het voorgaande blijkt dat hier in feite twee vragen aan de orde zijn:
—
kan een dieselvoertuig een „luxe”-voer-tuig zijn en zo ja, wat onderscheidt „luxe”-dieselvoertuigen van andere dieselvoertuigen? (Zie ook verweerschrift van de Italiaanse regering, punt 7, vijfde alinea).
—
is het gekozen onderscheidend criterium discriminatoir, wanneer op grond van dat criterium enkel uit andere Lid-Staten ingevoerde motorvoertuigen zwaarder worden belast?
1. Kan een dieselvoertuig een „luxe”-voertuig zijn f
Daar volgens de rechtspraak van het Hof een systeem van gedifferentieerde belastingen enkel aan de hand van objectieve criteria kan worden toegepast, moet om te beginnen worden uitgemaakt, of het onderscheid dat Italië binnen de categorie van dieselmotorrijtuigen hanteert, al dan niet op zulk een criterium steunt.
Volgens de Commissie „missen dieselmotoren de kenmerken, die ze in beginsel geschikt zouden maken om in luxevoertuigen te worden gemonteerd”.
De Commissie verdedigt dus ogenschijnlijk dat dieselvoertuigen, ongeacht hun cilinderinhoud, nooit kunnen worden belast tegen het tarief dat geldt voor luxeprodukten.
Tot staving van haar standpunt geeft zij in haar verzoekschrift een opsomming van de „zwakke punten” van dieselmotoren. Deze zijn algemeen bekend, zodat ik daar niet bij behoef stil te staan.
De Italiaanse regering merkt evenwel terecht op — en de Commissie erkent dit in haar verzoekschrift —, dat sinds enkele jaren met een turbodieselmotor uitgeruste voertuigen op de markt worden aangeboden, die qua prestaties maar weinig of niet onderdoen voor benzinevoertuigen met gelijke cilinderinhoud, hoge topsnelheden halen en een goed acceleratievermogen hebben.
Volgens mij gaat het dus te ver om te stellen, dat een dieselvoertuig in geen geval een luxemotorrijtuig kan zijn.
Men zou wel in de verleiding kunnen komen om te concluderen dat met een turbodieselmotor uitgeruste voertuigen op gelijke voet als met een benzinemotor uitgeruste voertuigen met een vergelijkbaar vermogen moeten worden belast tegen het voor luxemotorrijtuigen geldende tarief.
Rest evenwel dat dieselmotoren, ook indien zij zijn voorzien van een turbocompressor, door de band genomen minder verbruiken dan benzinemotoren.
Ten slotte is met name van belang, dat geen communautaire bepaling een Lid-Staat ertoe verplicht, een belastingregeling in te voeren die is gebaseerd op het vermogen van de motorrijtuigen in plaats van op hun cilinderinhoud.
Rest dus nog de vraag, of binnen de categorie van de dieselvoertuigen uitsluitend op basis van de cilinderinhoud een objectief onderscheid kan worden gemaakt tussen „luxe”-rijtuigen en andere.
Ik geloof van wel. Een grotere cilinderinhoud gaat gewoonlijk gepaard met een hoger vermogen (vergeleken met een dieselmotor met een kleinere cilinderinhoud), een ruimere carrosserie, een vollediger of geraffineerder uitrusting en een hogere prijs.
Zo kan niet worden ontkend, dat een Mercedes 300 diesel (2996 cm3, 109 pk, 1031250 BFR) duidelijk luxueuzer is dan een Fiat Uno diesel (1301 cm3, 45 pk, 310000 BFR), een Volkswagen Golf diesel (1588 cm3, 54 pk, 362000 BFR), maar ook luxueuzer dan een Mercedes 250 diesel (2497 cm3, 90 pk, 937500 BFR) — alle prijzen exclusief BTW.
Evenmin mag uit het oog worden verloren, dat Japanse ondernemingen op de Europese markt motorrijtuigen met dieselmotoren van 3120, 3246, 3432 en 3980 cm3 verkopen.
Ten slotte, indien Italië het recht heeft een onderscheid te maken tussen een Renault 25 met een benzinemotor van 1995 cm3 (103 pk, automatisch, 620000 BFR) en een Renault 25 met een benzinemotor van 2165 cm3 (123 pk, 673875 BFR), waarbij de laatste in de „luxe”-categorie wordt ingedeeld en met 38% BTW wordt belast, waarom zou het dan hetzelfde onderscheid niet mogen toepassen op twee dieselvoertuigen, waarvan het ene een grotere en het andere een kleinere cilinderinhoud heeft dan 2500 cm3.
De grens lijkt mij namelijk in geen enkel opzicht onredelijk. Ongetwijfeld werd om praktische redenen, waarvoor men volledig begrip kan opbrengen, een rond cijfer gekozen, de begrippen „2, 2,5 en 3 litermotor” zijn in de automobielwereld immers algemeen gangbaar.
Overigens blijkt na consultatie van een gespecialiseerd autoblad dat, algemeen gesproken, een dieselvoertuig van 2500 cm3, zelfs zonder turbocompressor, een vermogen ontwikkelt dat vergelijkbaar is met dat van een benzinevoertuig met een 2000 cm3.-motor
Men kan dus zeggen dat de voor dieselvoertuigen gehanteerde limiet van 2500 cm3 nagenoeg overeenstemt met die van 2000 cm3, aan de hand waarvan „luxe”-benzinevoertuigen worden onderscheiden van „gewone”.
Ten slotte zij erop gewezen, dat het gekozen criterium geen rekening houdt met de oorsprong van de produkten.
Op dit punt verschilt de onderhavige situatie dan ook volkomen van die welke het Hof discriminerend achtte in zijn reeds geciteerde arresten van 15 maart 1983 („belasting op gedistilleerd”) en 11 juni 1985 („BTW — belasting op mousserende wijnen”).
In deze zaken was het gehanteerde criterium van dien aard, dat het in geen geval op nationale produkten van toepassing kon zijn. In casu is dat niet zo. Indien ooit een Italiaanse producent een motorrijtuig met een dieselmotor met een cilinderinhoud boven de 2500 cm3 op de markt brengt, zal dit automatisch tegen 38% worden belast.
Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse overheid het recht heeft bepaalde dieselvoertuigen als luxueuzer te beschouwen dan andere, wanneer zij daarbij gebruik maakt van een criterium dat objectief kan worden geacht en geen verband houdt met de oorsprong van de produkten.
Blijft nog de vraag, of het gemaakte onderscheid niettemin onverenigbaar is met artikel 95, omdat in feite enkel geïmporteerde voertuigen tot de „luxe”-categorie behoren.
2. Is het gekozen criterium discriminerend?
Na in haar repliek te hebben herinnerd aan de rechtspraak van het Hof volgens welke de criteria die worden gekozen om de categorie van de zwaarst belaste produkten te bepalen, niet discriminerend mogen zijn ten aanzien van gelijksoortige ingevoerde produkten, verklaart de Commissie:
„Welnu, een criterium als de cilinderinhoud, waarvan het plafond zodanig is bepaald dat het aanmerkelijk hogere BTW-tarief enkel van toepassing is op uit andere Lid-Staten geïmporteerde dieselvoertuigen, voldoet kennelijk niet aan vorengenoemde fundamentele voorwaarden, en de verschillende belasting die het gevolg daarvan is, kan derhalve niet worden geacht zich met artikel 95 EEG-Verdrag te verdragen.” (punt 2.1. van de repliek).
De Commissie merkt even verder op, dat haar standpunt, haars inziens, volledig wordt gesteund door de redenering van het Hof in een analoge zaak (zaak 112/84, Humblot, arrest van 9 mei 1985, Jurispr. 1985, blz. 1367).
Hebben beide zaken zoveel gemeen, dat een zelfde oplossing zich opdringt?
Toen de zaak-Humblot bij het Hof aanhangig werd gemaakt, kende Frankrijk twee verschillende jaarlijkse motorrijtuigenbelastingen: een differentiële belasting op motorrijtuigen met een fiscaal vermogen van 16 pk of minder, en een bijzondere belasting op motorrijtuigen met een fiscaal vermogen van meer dan 16 pk. De differentiële belasting steeg progressief met het fiscaal vermogen van het motorrijtuig, terwijl de bijzondere belasting een vast bedrag bedroeg dat nagenoeg vijf maal hoger was dan het hoogste bedrag van de differentiële belasting (5000 FF tegen 1100 FF).
In voornoemd arrest van 9 mei 1985 overwoog het Hof, dat een dergelijke regeling „onmiskenbaar met artikel 95 EEG-Verdrag strijdige discriminerende en beschermende trekken” heeft, en voorts dat „de belastingverhoging waartoe de heffing van de bijzondere belasting aanleiding geeft, evenwel veel groter is dan de verhoging die onder de regeling van een progressieve belasting met evenwichtige tariefverschillen, zoals die van de differentiële belasting, uit de overgang van de ene naar de andere categorie motorrijtuigen voortvloeit. De voordelen die bepaalde uit andere Lid-Staten ingevoerde motorrijtuigen voor de consument kunnen hebben, ten opzichte van vergelijkbare binnenslands vervaardigde motorrijtuigen, worden door deze bijkomende last tenietgedaan, te meer daar zij gedurende meerdere jaren wordt geheven. In zoverre beperkt de bijzondere belasting de mededinging waaraan laatstgenoemde motorrijtuigen zijn onderworpen, en is zij in strijd met het beginsel van neutraliteit van binnenlandse belastingen.”
Vaststaat dat de zaak-Humblot en de onderhavige zaak vergelijkbaar zijn, waar de hoogste belasting in werkelijkheid slechts ingevoerde motorrijtuigen treft.
a) Op zich volstaat deze factor mijns inziens niet om te concluderen tot het bestaan van een discriminerende of protectionistische praktijk.
Ik denk hier bij voorbeeld aan een land als België, dat maar een beperkt aantal motorrijtuigen produceert. Dit land kent een stelsel van progressieve motorrijtuigenbelasting (de jaarlijke verkeersbelasting) dat uit 30 schalen bestaat.
Men zou kunnen stellen, dat de nationaal geproduceerde motorrijtuigen die in de belastingregeling onder schaal χ vallen, worden beschermd door de hogere belasting op motorrijtuigen die onder schaal (x + 1) vallen, wanneer deze alle uit andere Lid-Staten worden ingevoerd.
De Commissie heeft zulk een belastingregeling evenwel nooit bestreden en in het ar-rest-Humblot erkende het Hof, dat zij in overeenstemming was met het Verdrag, voor zover het hoogste tarief, waardoor enkel ingevoerde produkten worden getroffen, deel uitmaakt van een regeling van een progressieve belasting met evenwichtige tariefverschillen (r. o. 12 en 15).
Andere interessante precedenten zijn de arresten van het Hof van 14 januari 1981 in de zaken 140/79, Chemial Farmaceutici, en 46/80, Vinal (Jurispr. 1981, blz. 1, respectievelijk 77).
In Italië is gedenatureerde synthetische alcohol van Italiaanse of buitenlandse herkomst onderworpen aan een accijns van 12000 LIT per hectoliter; voor gedenatureerde gistingsalcohol (uit landbouwprodukten) van Italiaanse of communautaire herkomst geldt een accijns van 1000 LIT per hectoliter. In Italië wordt geen synthetische alcohol geproduceerd.
In genoemde arresten heeft het Hof verklaard, dat „de toepassing van zulk een belastingstelsel niet op de enkele grond dat zij in feite leidt tot een zwaardere belasting van het produkt dat uitsluitend uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap wordt ingevoerd, kan worden geacht een indirecte bescherming van de nationale produktie van gistingsalcohol — ; in de zin van artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag — in te houden, wanneer door de belasting van synthetische alcohol op het nationale grondgebied een rendabele produktie van die soort alcohol niet tot ontwikkeling heeft kunnen komen”.
b) In de tweede plaats kan mijns inziens eveneens ervan worden uitgegaan, dat een verschil tussen twee belastingtarieven op zich evenmin beslissend kan worden geacht.
De verhouding tussen de twee Italiaanse tarieven (1/1,9) is alleszins lager dan de verhouding tussen de hoogste progressieve belasting op motorrijtuigen en de bijzondere belasting op motorrijtuigen met een fiscaal vermogen van meer dan 16 pk (1/4,5).
In de zaken „gedenatureerde alcohol” was de verhouding 1/12, waartegen geen bezwaar werd gemaakt.
In de meeste Lid-Staten bedragen sommige BTW-tarieven het dubbele van andere.
Hiervoor heb ik reeds gezegd, dat de Commissie in de beroepen tegen Italië betreffende „gedistilleerde dranken” en „mousserende wijnen” niet is opgekomen tegen de tarieven van 20% en 38%, maar tegen de wijze waarop werd bepaald, welke produkten onder het hoogste tarief vielen.
c) Welk criterium is dus doorslaggevend om te bepalen welke praktijk discriminerend of protectionistisch is?
Volgens mij wordt dit gevormd door een combinatie van drie factoren:
—
de toepassing van een duidelijk hoger tarief,
—
dat een breuk of onderbreking markeert ten opzichte van het algemene belastingstelsel waaronder de betrokken produkten vallen,
—
en dat uitsluitend wordt toegepast op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten.
Dit lijkt te worden bevestigd door het ar-rest-Humblot, waarin het Hof heeft geoordeeld, dat
„artikel 95 van het Verdrag verbiedt, motorrijtuigen met meer dan een bepaald fiscaal vermogen te onderwerpen aan een vaste bijzondere belasting waarvan het bedrag verscheidene malen hoger is dan het hoogste bedrag van de progressieve belasting die verschuldigd is voor motorrijtuigen die dat fiscaal vermogen niet overschrijden, indien door die bijzondere belasting uitsluitend — met name uit andere Lid-Staten — ingevoerde motorrijtuigen worden getroffen”.
De Franse belasting viel als het ware buiten de gewone belastingregeling voor motorrijtuigen, die voorzag in een belasting die progressief toenam met het fiscaal vermogen van het motorrijtuig. In Italië daarentegen worden de verschillende belastingtarieven van de algemene BTW-regeling toegepast. Deze kent meerdere tarieven, waaronder een hoog tarief van 38% waartegen luxegoederen worden belast.
Dit tarief van 38% geldt niet alleen voor dieselvoertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 2500 cm3 en benzinevoertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 2000 cm3, maar ook voor een groot aantal Italiaanse of ingevoerde produkten die door de Italiaanse wet als „luxe”-produkten worden aangemerkt.
Dit lijkt te bewijzen, dat Italië met dit tarief geen afschrikking beoogt, met andere woorden, dat dit tarief niet werd „ingevoerd” om de import van bepaalde dieselvoertuigen tegen te gaan.
De wijze waarop Italië dieselvoertuigen van meer dan 2500 cm3 belast, behoort veeleer — ik citeer hier het arrest van het Hof van 3 februari 1981 (zaak 90/79, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1981, blz. 283, r. o. 14) — tot „een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve, onafhankelijk van de oorsprong der produkten toegepaste criteria”.
Daarbij komt, dat het Hof reeds in zijn arrest van 4 april 1968 (zaak 31/67, Stier, Jurispr. 1968, blz. 333) heeft geoordeeld, dat „een benadeling van het vrije verkeer van goederen... niet aanwezig mag worden geacht wanneer het belastingpercentage het algemeen kader van het nationaal belastingstelsel, waarvan de litigieuze belasting integrerend deel uitmaakt, niet te buiten gaat”.
Men kan derhalve concluderen, dat is voldaan aan de in het arrest van het Hof in zaak 319/81 (reeds aangehaald) gestelde voorwaarde, „dat het (door Italië gekozen) criterium ter afbakening van de zwaarst belaste produktencategorie niet discriminerend is ten aanzien van ingevoerde produkten die gelijksoortig zijn of die, in voege als bedoeld in artikel 95, tweede alinea, met de nationale produkten concurreren”.
Nog een laatste, mijns inziens belangrijke opmerking.
Vooralsnog heb ik dezelfde gedachte gevolgd als de Commissie, die impliciet uitgaat van het beginsel dat enkel in Italië geproduceerde dieselvoertuigen kunnen worden geacht gelijksoortig te zijn met in andere Lid-Staten geproduceerde dieselvoertuigen.
Is deze zienswijze evenwel in overeenstemming met de uitlegging die het Hof aan artikel 95 heeft gegeven?
Volgens de rechtspraak van het Hof dienen als „gelijksoortig” in de zin van artikel 95, eerste alinea, te worden aangemerkt, „de produkten die uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen. Voor de bepaling van het toepassingsgebied van artikel 95, eerste alinea dienen dus niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik als maatstaf te worden gehanteerd” (arrest van 27 februari 1980, zaak 169/78, Commissie/Italië, Jurispr. 1980, blz. 385, r. o. 5).
In Italië wordt echter een hele reeks motorrijtuigen gefabriceerd die zijn uitgerust met benzinemotoren met een cilinderinhoud van minder dan 2500 cm3 (2492 cm3) of meer dan 2500 cm3 (2849, 2927, 3185, 3500, 4930, 4942, 5763 en 5769 cm3), waarvan er alleszins enkele in de ogen van de koper die op het punt staat een keuze te doen, moeten concurreren met de dieselvoertuigen uit de topklasse.
Indien, in navolging van de Commissie, een Lancia Thema Turbo Diesel (2445 cm3, 100 pk, 805000 BFR) wordt geacht „gelijksoortig” te zijn met een Merdeces 300 diesel (2996 cm3, 6 cilinders, 109 pk, 1031250 BFR), gaat die redenering dan niet eveneens op voor de Lancia Thema V6 die dezelfde carrosserie heeft maar een benzinemotor (2849 cm3, 150 pk, 856000 BFR)?
In de regel is het dieselvoertuig bij vergelijkbare cilinderinhoud duurder, heeft het een beperkter vermogen (behalve wanneer het met een turbocompressor is uitgerust), maar mag op lagere brandstofkosten worden gerekend. Deze typen voertuigen bieden een vergelijkbare ruimte en uitrusting en de belasting is gelijk. Derhalve zullen persoonlijk factoren — zoals het aantal kilometers dat hij jaarlijks denkt af te leggen of het feit dat hij houdt van een sportieve rijstijl — de consument bij zijn keuze leiden.
Uit het voorgaande leid ik af, dat het criterium van de „gelijksoortigheid” niet alleen verticaal (dieselvoertuigen met een kleinere of grotere cilinderinhoud), maar ook horizontaal (voertuigen met een overeenkomstige ruimte en uitrusting, ongeacht de aard van de motor) moet worden toegepast.
Op grond van een en ander kan worden vastgesteld, dat er Italiaanse voertuigen zijn die „gelijksoortig” zijn met uit andere Lid-Staten ingevoerde zware dieselvoertuigen en die ook tegen het tarief van 38% worden belast.
Er is dus geen discriminatie ten nadele van ingevoerde voertuigen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande meen ik, dat de Italiaanse Republiek door de betrokken fiscale regeling toe te passen, niet is tekort geschoten in de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het beroep van de Commissie te verwerpen en haar te verwijzen in de kosten van de procedure.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) Arresten van 14 januari 1981, zaak 140/79, Chemial, Jurispr. 1981, blz. 1, r. o. 14, en zaak 46/80, Vinal, Jurispr. 1981, blz. 77, r. o. 13; 27 mei 1981, gevoegde zaken 142 en 143/80, Essevi Salcngo, Jurispr. 1981, blz. 1413, r. o. 21; 15 maart 1983, zaak 319/81, Commissie/Italië, Jurispr. 1983, blz. 601, r. o. 13 en 14; 4 maart 1986, zaak 243/84, John Walker, Jurispr. 1986, blz. 875, r. o. 22, en 106/84, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1986, blz. 833, r. o. 20.
( 2 ) Arresten van 15 maart 1983, zaak 319/81, Commissie/Italië, „belasting op gedistilleerd”, Jurispr. 1983, blz. 601, en 11 juli 1985, zaak 278/83, Commissie/Italië, „BTW op mousserende wijnen”, Jurispr. 1985, blz. 2503.
Full & Egal Universal Law Academy