CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 29 mei 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I — De feiten
De onderhavige zaak betreft de invoer met vrijdom van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief van voorwerpen van wetenschappelijke aard, een thema waarmee het Hof de laatste tijd wel vaker geconfronteerd is geweest.
Thans verzoekt het Hessische Finanzgericht het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een uitspraak over de geldigheid van beschikking 82/586/EEG van de Commissie van 6 augustus 1982, waarbij wordt vastgesteld dat het apparaat genaamd „Nicolet-high speed signal averager, model 1174, with accessories” niet met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief mag worden ingevoerd (PB 1982, L 243, biz. 30).
Partijen in het hoofdgeding zijn:
—
Nicolet Instrument GmbH, verzoekster, die in 1982 uit de Verenigde Staten twee apparaten als hierboven omschreven heeft ingevoerd, alsmede een voor aansluiting daarop bestemd „NIC-285 diskette system”, bestemd voor het Max-Planck-Institut für medizinische Forschung te Heidelberg en voor de Uni-versitäts-Nervenklinik te Kiel;
—
het Hauptzollamt Frankfurt am Main-Flughafen, verweerder, dat bij beschikkingen van 3 september en 28 oktober 1982 alsook van 10 maart 1983 op grond van voormelde beschikking 82/586/EEG over deze importen douanerechten ten bedrage van 7172,89 DM heeft geheven.
Na verschillende bezwaarschriften, die door verweerder werden afgewezen, stelde verzoekster beroep in bij het Hessische Finanzgericht dat, gelet op een door verzoekster overgelegd deskundigenrapport van Dr. H. E. Buchwald van de Universiteit te Berlijn, betwijfelde of de litigieuze beschikking geldig was.
Beschikking 82/586/EEG vermeldt de ter zake geldende verordeningen:
—
verordening nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard (PB 1975, L 184, biz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1027/79 van de Raad van 8 mei 1979 (PB 1979, L 134, biz. 1);
—
verordening nr. 2784/79 van de Commissie van 12 december 1979 houdende uitvoeringsbepalingen van voormelde verordening nr. 1798/75 (PB 1979, L 318, biz. 32), waarbij verordening nr. 3195/75 van de Commissie van 2 december 1975 werd ingetrokken.
Het Hof is met deze verordeningen wel bekend, aangezien het de laatste tijd bij herhaling om uitlegging ervan is verzocht. Ik zie dan ook af van een gedetailleerde analyse van deze teksten, doch zal er, waar nodig, in de loop van mijn conclusie naar verwijzen.
II — In rechte
Tegen de geldigheid van beschikking nr. 82/586 van de Commissie voert verzoekster drie grieven aan:
1)
ontbreken van of ontoereikende motivering (artikel 190 EEG-Verdrag);
2)
miskenning van het fundamentele recht van iedere betrokken partij om te worden gehoord;
3)
onjuiste beoordeling omtrent de al dan niet wetenschappelijke aard van de litigieuze apparaten.
In haar memorie poogt de Commissie voornamelijk aan te tonen, dat het hier niet om wetenschappelijke apparaten gaat.
Met betrekking tot haar eerste grief (schending van artikel 190), wijst verzoekster er meer in het bijzonder op dat de Commissie in de litigieuze beschikking zonder nadere gegevens enkel verwijst naar het advies van een groep deskundigen, en dat zij, zonder enige motivering verklaart dat „soortgelijke apparaten hoofdzakelijk gebruikt worden bij niet-wetenschappelijke activiteiten”, hetgeen slechts een subsidiair beoordelingscriterium zou zijn, dat de Commissie eerst zou kunnen gebruiken, wanneer niet met volstrekte zekerheid kan worden vastgesteld of het al dan niet om een wetenschappelijk apparaat gaat.
Ik wil er meteen op wijzen dat verzoeksters zienswijze omtrent de hiërarchie der beoordelingscriteria in overeenstemming is met artikel 5 van verordening nr. 2784/79, zoals uitgelegd in de twee arresten-Nicolet van 7 maart 1985 (zaken 6 en 30/84, Jurispr. 1985, blz. 759 en 771). Daarin oordeelde het Hof namelijk dat „de Commissie nauwkeurig de objectieve technische kenmerken van het betrokken apparaat moet onderzoeken om vast te stellen of het een wetenschappelijk apparaat is. Slechts wanneer dit onderzoek geen duidelijk resultaat oplevert, moet worden nagegaan voor welke doeleinden gelijksoortige apparaten in de Gemeenschap in het algemeen worden gebruikt” (r. o. 12).
In de onderhavige zaak ontzegt verzoekster elke waarde aan de vaststelling van de Commissie betreffende het niet-wetenschappelijk gebruik van de apparaten, omdat de Commissie, zoals uit de „overwegingen” van de beschikking blijkt, het eerste beoordelingscriterium niet juist zou hebben toegepast. Ook dit argument van verzoekster sluit aan bij de rechtspraak, aangezien het Hof in voormelde arresten in de zaken 6 en 30/84 heeft beslist dat, „nu de Commissie het voornaamste criterium niet wettig heeft gehanteerd, zij haar beschikking niet kon baseren op het tweede motief, te weten het normale gebruik van soortgelijke instrumenten of apparaten” (r. o. 17).
Hoe ligt dat nu in de onderhavige zaak ? In de tweede overweging van beschikking 82/586 stelt de Commissie vast dat „overeenkomstig artikel 7, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2784/79, op 2 juli 1982 een uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten samengestelde groep deskundigen bijeen is gekomen in het kader van het Comité Douanevrijstellingen ten einde dit speciale geval te onderzoeken”. In de derde overweging voegt zij daaraan toe, „dat uit dit onderzoek is gebleken dat het bedoelde apparaat een signaalanalysator is; dat dit apparaat geen objectieve kenmerken bezit die het bijzonder geschikt maken voor het wetenschappelijk onderzoek...”
Inderdaad is deze motivering nogal summier en beknopt. Zij voldoet evenwel aan de in 's Hofs rechtspraak ter zake gestelde eisen. In zijn arrest van 25 oktober 1984 (zaak 185/83, Interfacultair Instituut Electronenmicroscopie, Jurispr. 1984, blz. 3623) oordeelde het Hof ter zake van een al even beknopte motivering: zij „voldoet aan de minimumeisen van artikel 190 EEG-Verdrag, in aanmerking genomen dat de beschikking is gericht tot de Lid-Staten, die hebben deelgenomen aan de vergaderingen van de groep deskundigen en genoegzaam op de hoogte zijn van de details van de zaak om de draagwijdte van de beschikking te kunnen beoordelen, en dat zij ook de nodige gegevens bevat om (de betrokken persoon) in staat te stellen te beoordelen, of de beschikking op een kennelijke vergissing of op misbruik van bevoegdheid berust” (r. o. 39). Voorts verklaarde het Hof nog dat de betrokkenen nog steeds kunnen besluiten om de zaak voor de nationale rechter te brengen, die op zijn beurt eventueel een prejudiciële vraag daaromtrent aan het Hof kan voorleggen, wat verzoekster in casu heeft gedaan.
Wat verzoeksters tweede grief betrek, te weten miskenning van het recht otri te wordengehoord, kan worden volstaan met een korte verwijzing naar ditzelfde arrest. Om te beginnen, merkt het Hof op, dat verordening nr. 2784/79 niet voorziet in de deelneming van de aanvrager van de vrijstelling aan het onderzoek door het Comité Douanevrijstellingen noch in een recht op verweer van de aanvrager alvorens de Commissie haar beschikking geeft waarin zij vaststelt of het instrument of apparaat aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet (r. o. 20). Voorts wijst het Hof erop, dat deze beschikking uitsluitend gericht is tot de Lid-Staten en dat de bekendmaking ervan ingevolge het EEG-Verdrag niet verplicht is, waarna het opmerkt dat verzoeker bijgevolg geen aanspraak erop kan maken, dat de Commissie hem meedeelt, waarop haar beschikking is gebaseerd.
Bovendien moet worden vastgesteld dat de vennootschap naar Duits recht Nicolet Instrument GmbH in geen enkel opzicht betrokken was bij de procedure die tot beschikking 82/586 van de Commissie heeft geleid. Deze beschikking'is immers gegeven naar aanleiding van de invoer van een soortgelijk apparaat in het Verenigd Koninkrijk. Ter terechtzitting heeft de Commissie bevestigd, dat de volledige documentatie betreffende de specifieke kenmerken van het betrokken apparaat, die de importeur aan de Britse autoriteiten ter hand heeft gesteld, aan haar en aan de leden van het Comité Douanevrijstellingen was doorgestuurd.
Ten slotte heeft Nicolet Instrument GmbH zowel op nationaal als op communautair vlak alle relevante mogelijkheden van verweer kunnen gebruiken.
Wat de zojuist genoemde eerste twee middelen betreft, legt verzoekster het arrest van het Hof van 17 maart 1983 (zaak 294/81, Control Data, Jurispr. 1983, blz. 911) ten onrechte aldus uit, dat de beschikking in dat geding juist op grond van ontoereikende motivering en het niet horen van partijen nietig is verklaard.
Enerzijds blijkt uit rechtsoverweging 17 van dit arrest duidelijk, dat het Hof het middel dat de werkwijze van de Commissie onbevredigend was, omdat zij geen gedachtenwisseling aanvaardde en de betrokken partijen niet in de gelegenheid stelde te worden gehoord, uitdrukkelijk heeft verworpen. De litigieuze beschikking werd bovendien niet nietig verklaard op grond van een ontoereikende motivering, doch van een onjuiste motivering; het Hof stelde namelijk vast dat de Commissie, anders dan zij ingevolge de gemeenschapsregeling verplicht was te doen, onvoldoende rekening had gehouden met de bijzondere objectieve kenmerken van de betrokken apparaten (r. o. 31). Deze uitlegging heeft het Hof zelf bevestigd in zijn arrest van 2 mei 1985 (zaak 81/84, Deutsche For-schungs- und Versuchsanstalt für Luft- und Raumfahrt, Jurispr. 1985, blz. 1277), waarin het een beschikking die in identieke bewoordingen was gemotiveerd als beschikking 82/586, geldig heeft verklaard op grond dat, anders dan in zaak 294/81, de procedure voor het Hof geen nieuwe overtuigende elementen naar voren had gebracht op grond waarvan het oordeel van de Commissie in twijfel had kunnen worden getrokken (r. o. 16).
Dan kom ik thans tot verzoeksters derde grief: de beoordelingsfout. De rechtspraak van het Hof op dit punt is duidelijk: het staat niet aan het Hof om vast te stellen of het betrokken apparaat een wetenschappelijk karakter heeft; wel moet het controleren of de door de Commissie gehanteerde criteria aan de gemeenschapsregeling voldoen en de Commissie, bij de toepassing van deze criteria, de objectieve kenmerken van het in de litigieuze beschikking bedoelde produkt in aanmerking heeft genomen (arrest van 17 maart 1983, reeds aangehaald, r. o. 19).
Het Hof kan de inhoud van een door de Commissie conform het advies van het Comité Douanevrijstellingen gegeven beschikking slechts aan de kaak stellen in geval van een klaarblijkelijke dwaling — feitelijk of rechtens — of bij misbruik van bevoegdheid (arrest van 27 september 1983, zaak 216/82, Universität Hamburg/Hauptzollamt Ham-burg-Kehrwieder, Jurispr. 1983, blz. 2771, r. o. 14).
In het arrest van 29 januari 1985 (zaak 234/83, Gesamthochschule Duisburg/Hauptzollamt München-Mitte, Jurispr. 1985, blz. 327), wees het Hof erop dat de werkzaamheden van wetenschappelijke aard waarvoor de instrumenten of apparaten in het bijzonder geschikt moeten zijn, werkzaamheden zijn die „gericht zijn op de verwerving en de verdieping van wetenschappelijke kennis” (r.o. 32). In een eerdere rechtsoverweging had het Hof reeds opgemerkt dat „dit criterium (‚bijzondere geschiktheid’) alleen verlangt, dat het instrument of apparaat primair geschikt is voor wetenschappelijke activiteiten, en niet de mogelijkheid uitsluit dat het instrument of apparaat daarnaast, zij het secundair, geschikt is voor andere doeleinden, bij voorbeeld voor industrieel gebruik” (r. o. 27).
Uit deze noodzaak van een objectieve beoordeling leidde het Hof af, dat „de omstandigheid dat het instrument of apparaat in de industrie of elders voor commerciële doeleinden wordt gebruikt, op zichzelf niet noodzakelijkerwijs uitsluit dat het een wetenschappelijk karakter heeft in de zin van verordening nr. 1798/75, en bijgevolge in aanmerking kan komen voor de in deze verordening voorziene vrijstelling van douanerechten, indien tevens aan de overige hiertoe gestelde voorwaarden wordt voldaan” (arrest van 2 februari 1978, zaak 72/77, Universiteitskliniek Utrecht/Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, Jurispr. 1978, blz. 189, r. o. 18).
De algemene vaststelling van de Commissie in haar opmerkingen, dat blijkens de douaneaangifte het betrokken apparaat ook in de toegepaste geneeskunde wordt gebruikt, kan dan ook niet beslissend zijn om uit te maken of het apparaat hoofdzakelijk geschikt is voor wetenschappelijke activiteiten.
Daarentegen staat het aan de bevoegde nationale organen om voor elk afzonderlijk apparaat waarvoor vrijstelling van invoerrechten wordt gevraagd, na te gaan of het uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden wordt ingevoerd (artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798/75, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1027/79).
Dit lijkt op het eerste gezicht niet het geval te zijn met het door de Universitäts-Nervenklinik te Kiel gekochte exemplaar, dat naar luid van de douaneaangifte bestemd is voor „intensief medisch gebruik in de klinische geneeskunde...”.
Het door het Max-Planck-Institut für medizinische Forschung te Heidelberg gekochte exemplaar lijkt daarentegen op het eerste gezicht wel aan die voorwaarde te voldoen, aangezien het bestemd is om te worden gebruikt „voor wetenschappelijk onderzoek... zonder winstoogmerk” (artikel 3, lid 3, tweede streepje, van diezelfde verordening).
Ten slotte rest dan nog de vraag of dit type apparaat wegens „zijn objectieve technische kenmerken en de resultaten welke ermee bereikt kunnen worden, uitsluitend of hoofdzakelijk geschikt is voor de verwezenlijking van wetenschappelijke activiteiten” (artikel 3, lid 3, eerste streepje, van voormelde verordening).
„Onder ‚objectieve technische kenmerken’ van een wetenschappelijk instrument of apparaat wordt verstaan de kenmerken die voortvloeien uit de bouw van genoemd instrument of apparaat of uit de wijzigingen die in vergelijking met een instrument of apparaat van een gangbaar type daarin zijn aangebracht waardoor het prestaties kan leveren van een hoog niveau die niet vereist zijn voor industrieel of commercieel gebruik” (artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2784/79 van de Commissie van 12 december 1979).
In haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting heeft de Commissie diverse objectieve kenmerken van dit type apparaat besproken. Zij stelde vast dat talrijke andere apparaten die thans op de markt te koop worden aangeboden, al deze, of althans nagenoeg al deze kenmerken vertoonden, en dat die kenmerken niet van dien aard waren dat zij de bijzondere prestaties mogelijk maken, die normalerwijs worden verlangd van apparaten die uitsluitend voor wetenschappelijke activiteiten worden gebruikt.
Met betrekking tot meer in het bijzonder het oplossend vermogen in de tijd („zeitliche Auflösungsgrenze”), waarvan sprake in het door verzoekster ingediende deskundigenrapport, heeft de Commissie vastgesteld dat dit slechts haalbaar was met een hulpapparaat dat in casu niet was ingevoerd, en dat de prestaties van de standaardversie van het apparaat noodzakelijk waren voor een groot aantal toepassingen, ook van commerciële aard.
Uit een en ander volgt dat de Commissie geen kennelijke dwaling — feitelijk of rechtens — of misbruik van bevoegdheid kan worden verweten.
III — Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vraag van het Hessische Finanzgericht te beantwoorden als volgt:
„Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van beschikking 82/586 van de Commissie van 6 augustus 1982 kunnen aantasten.”
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy