Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . A - Ter terechtzitting van 8*oktober is de discussie beperkt tot de -*door de Rekenkamer betwiste *- ontvankelijkheid van het beroep . Ik zal mij daarom in deze conclusie eveneens uitsluitend met dat thema bezighouden .
De feiten zijn de volgende .
2 . Ter voorziening in een LA*7/LA*6-post organiseerde de Rekenkamer vergelijkend onderzoek CC/LA/14/83 . Na afloop daarvan werd interveniënte op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst en bij besluit van de president van de Rekenkamer van 29*februari 1984 per 1*maart van dat jaar aangesteld als ambtenaar op proef in de rang LA*6, salaristrap*3 ( dit laatste blijkbaar op grond van haar beroepservaring ).
3 . Conform artikel*34 van het Ambtenarenstatuut werd bij het einde van haar proeftijd een stagerapport opgesteld . Anders dan normaal het geval is, werd het rapport niet opgesteld door de directe chef van interveniënte, die de echtgenoot is van de verzoekster in deze zaak, doch door het hoofd van de talendienst van de Rekenkamer, die daarbij andere ambtenaren raadpleegde en het werk van interveniënte door externe assessoren liet beoordelen . Deze procedure was gekozen omdat interveniënte een beroep in rechte had ingesteld ( zaak*143/84 ) ( 1 ) naar aanleiding van vergelijkend onderzoek CC/LA/20/82, waaraan de echtgenoot van de huidige verzoekster had deelgenomen, welk beroep geleid had tot nietigverklaring van de aanstelling van deze ambtenaar in de rang LA*5 .
4 . Verzoekster, die eveneens ambtenaar ( rang LA*7 ) bij de talendienst van de Rekenkamer is, beweert dat het stagerapport van interveniënte negatief was, anders gezegd dat daarin het ontslag van interveniënte werd aanbevolen . Dit wordt echter door de Rekenkamer ontkend . Bij besluit van de secretaris van de Rekenkamer van 26*november 1984 werd interveniënte per 1*december 1984 in vaste dienst aangesteld .
5 . Toen verzoekster dit vernam -*uit de mededeling van de aanstelling, die van 1 tot 20*december 1984 bij de Rekenkamer was geafficheerd *-, diende zij op 26*februari 1985 daartegen een klacht in . Volgens haar had interveniënte ingevolge de artikelen 27 en 34 van het Statuut en gelet op de conclusies van het stagerapport en de verklaringen van haar chef en van de Rekenkamer in zaak*143/84, niet tot ambtenaar mogen worden benoemd, maar had men haar moeten ontslaan . Doordat dit niet was gebeurd, zouden verzoeksters promotiekansen zijn verminderd omdat er nu een vaste post minder beschikbaar was waarnaar zij bevorderd had kunnen worden .
6 . Deze klacht werd bij nota van 21*juni 1985 niet-ontvankelijk verklaard, op grond dat het gewraakte besluit geen rechtstreekse gevolgen had voor verzoeksters rechtssituatie; benoemingsbesluiten zouden ten aanzien van een derde slechts rechtstreekse gevolgen kunnen hebben wanneer de derde -*anders dan verzoekster in het onderhavige geval *- kandidaat bij de aanwervingsprocedure was geweest . Verder werd er in de nota op gewezen, dat de bepalingen van het Statuut waarop verzoekster zich had beroepen, niet gegeven zijn ter bescherming van individuele belangen, doch in de eerste plaats van het algemeen belang .
7 . Daarop stelde verzoekster beroep in, dat op 3*juli 1985 in het register van het Hof is ingeschreven . Zij concludeert tot
a ) nietigverklaring van het besluit van de secretaris van de Rekenkamer van 26*november 1984 houdende aanstelling van interveniënte in vaste dienst;
b ) voor zoveel nodig, nietigverklaring van de uitdrukkelijke afwijzing van haar klacht .
8 . Bij beschikking van 31*januari 1986 is Vlachou toegelaten tot interventie in het geding . Alvorens nader op het geschil in te gaan, vermeld ik nog dat verzoekster op 1*januari 1983 als ambtenaar op proef in dienst van de Rekenkamer is getreden, dat zij volgens een officiële lijst van 11*september 1985 in dat jaar voor bevordering in aanmerking kwam, en dat zij bij besluit van 21*november 1985 per 1*december daaraanvolgend is bevorderd naar de rang LA*6, salaristrap*2; zij heeft thans dus dezelfde rang als interveniënte .
9 . B - Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep wordt in het verzoekschrift -*zoals ook in de klacht *- enkel aangevoerd, dat er ten gevolge van de benoeming van interveniënte een LA*6-post minder beschikbaar is voor bevordering, zodat verzoekster minder kans maakt op een promotie of langer zal moeten wachten .
10 . 1 . Dat de Rekenkamer dit ontoereikend acht, is tijdens de administratieve procedure al gebleken . Onder verwijzing naar de rechtspraak over het begrip "bezwarend besluit" en over het vereiste procesbelang, wijst zij op de essentiële omstandigheid, dat verzoekster niet heeft deelgenomen aan het vergelijkend onderzoek voor de post waarop interveniënte is aangesteld, en omdat verzoekster zelf geen enkele kans heeft om die post te krijgen, zou zij er geen persoonlijk belang bij hebben om bezwaar te maken tegen de aanwervingsprocedure die tot de aanstelling van interveniënte heeft geleid .
11 . Met betrekking tot verzoeksters argument, dat haar promotiekansen kleiner zijn geworden, betoogt de Rekenkamer verder dat -*nog afgezien van het feit dat er geen recht op bevordering bestaat *- verzoekster bij het einde van de betrokken aanwervingsprocedure nog niet voor bevordering in aanmerking kwam, en dat er overigens op het moment waarop het beroep werd ingesteld, bij de Rekenkamer nog twee LA*6-posten beschikbaar waren waarin bij wege van bevordering kon worden voorzien . De aanstelling van interveniënte had dan ook geen enkele invloed op verzoeksters promotiekansen; in november*1985 werd zij trouwens bevorderd, zodat dit aspect van de zaak tenminste vanaf dat moment voor haar zonder belang is geworden .
12 . Ten slotte betoogt de Rekenkamer nog, dat hoogstens de aanstelling van interveniënte op proef in februari 1984 het verzoekster bezwarend besluit kon zijn . Maar daartegen heeft verzoekster niet tijdig een klacht ingediend, zodat haar beroep tardief is .
13 . Hiertegenover heeft verzoekster in haar tweede memorie aangevoerd, dat zij vanaf januari*1985 voor bevordering in aanmerking kwam en dat er toen nog maar drie LA*6-posten beschikbaar waren, terwijl er zes kandidaten op de nominatie stonden ( was interveniënte niet aangesteld, dan zouden er vier posten zijn geweest ).
14 . Verder zou haar procesbelang een uitvloeisel zijn van het laakbare optreden van interveniënte ( onder meer zou deze door haar uitlatingen in zaak*143/84 haar verplichtingen krachtens artikel*12 van het Statuut hebben geschonden ), dat tot gespannen verhoudingen binnen de kleine equipe van de Griekse vertaalafdeling had geleid .
15 . Bovendien moet volgens verzoekster rekening worden gehouden met het feit dat de Rekenkamer binnenkort interne of interinstitutionele vergelijkende onderzoeken gaat organiseren om te voorzien in twee LA*5/LA*4-posten, en dat, indien de benoeming van interveniënte niet wordt nietigverklaard, zij bij die gelegenheid beiden naar zulk een post zullen dingen .
16 . Dat zij haar klacht te laat zou hebben ingediend, is volgens verzoekster onjuist, aangezien zij niet had kunnen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek op grond waarvan interveniënte is aangesteld, en dus geen belang had bij de nietigverklaring van het eerste besluit tot aanstelling van interveniënte ( van februari*1984 ).
17 . 2 . Deze discussie doet vóór alles de vraag rijzen, of het bestreden aanstellingsbesluit als een de verzoekster bezwarend besluit in de zin van artikel*91 van het Statuut kan worden aangemerkt .
18 . Volgens de rechtspraak tot nu toe -*waaraan de Rekenkamer refereert *- moet deze vraag stellig ontkennend worden beantwoord . Ik denk hierbij meer in het bijzonder aan het arrest van 17*maart 1983 ( 2 ), waarin een vordering tot nietigverklaring van de benoeming van een andere ambtenaar niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de verzoekster "vrijwillig (( had )) besloten zich niet kandidaat te stellen en dus (( had )) geweigerd aan de benoemingsprocedure deel te nemen ." In dezelfde lijn overwoog het Hof in een arrest van 30*mei*1984 ( 3 ), dat verzoeker er geen rechtmatig belang bij had, de aanstelling van een andere kandidaat op een post waarop hijzelf geen aanspraak kon maken, nietigverklaard te zien .
19 . Met betrekking tot aanstellingsbesluiten gelden voor beroepen van "concurrenten" dus strenge voorwaarden . Daarmee wil men blijkbaar beroepen "in het belang van de wet of van de instellingen" ( 4 ), anders gezegd een actio popularis, uitsluiten . Voor de ontvankelijkheid van ambtenarenberoepen is dus bepalend, aldus het Hof in zijn arrest van 1*februari 1979 ( 5 ), of het gewraakte besluit de rechtspositie van de belanghebbende onmiddellijk en rechtstreeks aantast, en of hij er een rechtmatig, reeds bestaand en actueel, en bovendien voldoende gekarakteriseerd belang bij heeft, een bepaalde vraag ter beslechting aan de rechter voor te leggen .
20 . Aangezien verzoekster in de onderhavige zaak evenwel niet heeft deelgenomen aan de aanwervingsprocedure die tot de aanstelling van interveniënte ( op een LA*7/LA*6-post ) heeft geleid, en zij dit -*voor wat een LA*6-post betreft *- overigens ook niet kon ( omdat zij toen LA*7-ambtenaar was en aan het einde van de aanwervingsprocedure nog niet voldeed aan de voorwaarden voor bevordering naar LA*6 ), is volgens de aangehaalde rechtspraak haar beroep stellig niet-ontvankelijk .
21 . 3 . Stelt men zich desondanks de vraag, of ook in andere dan de in de rechtspraak bedoelde situaties aanstellingsbesluiten van ambtenaren kunnen worden aangemerkt als besluiten "die rechtstreekse gevolgen hebben voor de rechtspositie van een bepaalde (( andere )) ambtenaar" ( arrest van 1*juli 1964 ( 6 )), dan moet met betrekking tot de in deze zaak door verzoekster aangevoerde specifieke argumenten nog het volgende worden opgemerkt .
22 . a)*Tegen het argument, dat verzoekster ten gevolge van de aanstelling van interveniënte op een LA*6-post minder promotiekansen heeft, kan meteen al worden ingebracht, dat het ambtenarenrecht geen recht op bevordering kent, dat er dus geen rechtspositie te bekennen valt die door het aanstellingsbesluit aangetast zou kunnen zijn .
23 . Waar vaststaat dat verzoekster ten tijde van het bestreden aanstellingsbesluit nog niet bevorderbaar was, zou men aan het voorgaande nog kunnen toevoegen dat dat besluit in ieder geval geen rechtstreekse gevolgen heeft gehad voor een eventuele rechtspositie van verzoekster en dat een actueel belang dus ontbreekt .
24 . Wanneer men per se toch rekening wil houden met promotiekansen, dan zou men in het onderhavige geval ook kunnen tegenwerpen dat verzoeksters kansen reeds waren verminderd door het vergelijkend onderzoek voor een LA*6-post . Logischerwijze had verzoekster dus tegen dat vergelijkend onderzoek moeten opkomen, aangenomen tenminste dat dat niet principieel onmogelijk is, aangezien het daarbij gaat om een handeling van het administratief gezag, met de opportuniteit waarvan particulieren zich niet hebben in te laten .
25 . Ten slotte is het ook zeer de vraag, of het wegvallen van één LA*6-post, terwijl er voor het jaar 1985 nog twee van die posten beschikbaar waren, werkelijk als een relevante vermindering van verzoeksters promotiekansen is te beschouwen; daarbij komt nog dat deze grief ( minder promotiekansen ) door verzoeksters bevordering in november*1985 zonder voorwerp is geraakt .
26 . b)*Tot een zelfde oordeel moet men komen ten aanzien van verzoeksters argument, dat zij, indien de aanstelling van interveniënte in stand blijft, haar bij toekomstige vergelijkende onderzoeken voor LA*5-posten als concurrente zal ontmoeten en dat daardoor haar belangen worden geraakt .
27 . Waar verzoekster van mening is, dat interveniënte blijkens het over haar opgestelde stagerapport niet geschikt is voor een LA*6-post, kan ik al niet goed begrijpen waarom zij haar concurrentie vreest en daarin een bedreiging of aantasting van haar eigen bevorderingskansen ziet . Van belang is echter vooral, dat het hier geen actueel belang betreft, zoals de rechtspraak verlangt, doch hoogstens een toekomstig, misschien zelfs hypothetisch belang, aangezien de verwezenlijking ervan -*aangenomen al dat er een vergelijkend onderzoek zou moeten worden gehouden *- ten minste van twee voorwaarden afhankelijk is, namelijk dat én verzoekster én interveniënte eraan deelneemt .
28 . Wil men de restrictieve werking van de aan beroepen te stellen voorwaarden niet op onaanvaardbare wijze beperken, dan kan het onderhavige beroep dus niet op grond van dit argument ontvankelijk worden geacht .
29 . c)*Wat ten slotte het argument betreft, dat de aanstelling van een niet voldoende bekwame collega -*wier gedrag in een andere procedure in rechte bovendien kritiek bij de Rekenkamer heeft opgeroepen *- in de kleine administratieve eenheid waarin verzoekster met de betrokkene moet samenwerken, de arbeidsomstandigheden voor verzoekster erg moeilijk heeft gemaakt, meen ik dat ook dit geen grond voor ontvankelijkverklaring oplevert . Een ambtenaar kan immers alleen maar verlangen dat hem passend werk wordt opgedragen, doch niet dat de collega' s waarmee hij moet samenwerken, worden geselecteerd op basis van zijn persoonlijke eisen inzake beroepsbekwaamheid en karaktereigenschappen .
30 . Wanneer een dergelijke beïnvloeding van de belangensfeer voldoende was voor de ontvankelijkheid van een beroep tegen een aanstellingsbesluit, dan zou dit kunnen leiden tot een moeilijk te accepteren inmenging in de organisatie van een dienst; dergelijke organisatorische problemen gaan het individu niet aan en regarderen uitsluitend de administratie .
31 . In dat verband wil ik tevens eraan herinneren, dat volgens het Hof de verzoeker slechts hem persoonlijk betreffende grieven kan aanvoeren ( arrest van 30*juni*1983, reeds aangehaald, r.o.*14 ). Aan dit criterium beantwoordt de door verzoekster gestelde schending van de artikelen*27 en*34 Ambtenarenstatuut niet ( die schending houdt immers verband met de beweerde professionele tekortkomingen en het moeilijke karakter van interveniënte ). Genoemde bepalingen beogen in de eerste plaats de waarborging van het dienstbelang; miskenning hiervan kan echter geen argument zijn voor de ontvankelijkheid van het beroep van een individuele ambtenaar .
32 . d)*Ik kom dan ook tot de conclusie, dat verzoeksters beroep bij gebreke van een bezwarend besluit en van een te beschermen procesbelang niet ontvankelijk is . Op het subsidiaire argument van de Rekenkamer, dat verzoekster eigenlijk had moeten opkomen tegen het eerste besluit tot aanstelling van interveniënte als ambtenaar op proef, en dat de klacht en het beroep derhalve tardief zijn, behoeft derhalve niet nader te worden ingegaan .
33 . 4 . Ten slotte nog een enkel woord met betrekking tot de kosten . Volgens de Rekenkamer moet op dit punt worden afgeweken van het beginsel van artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering en moet verzoekster in alle kosten worden veroordeeld, en wel omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en verzoekster -*die zich reeds tijdens de klachtprocedure door een advocaat heeft laten vertegenwoordigen *- reeds in de loop van de administratieve procedure bij herhaling daarop attent is gemaakt .
34 . Ik sluit mij bij deze mening aan . Uitgaande van de aangehaalde rechtspraak, die de Rekenkamer al in een vroeg stadium onder de aandacht van verzoekster heeft gebracht, is het stellig op zijn plaats om van kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep en van misbruik van procedure te spreken ( op deze gronden gaf het Hof in zaak*252/81 toepassing aan artikel*69, paragraaf*3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering ).
35 . Zonder meer duidelijk is ook dat -*waar artikel*70 enkel de door de instellingen gemaakte kosten betreft *- de kosten van de aan de zijde van de Rekenkamer opgetreden interveniënte overeenkomstig de algemene regels ten laste van de in het ongelijk gestelde verzoekster moeten komen .
36 . C - Concluderend geef ik het Hof in overweging het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en verzoekster te verwijzen in in alle kosten van het geding, daaronder begrepen die van interveniënte .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Arrest van 6*februari 1986, zaak*143/84, A.*Vlachou/Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, Jurispr.*1986, blz . 459 .
( 2)*Zaak 252/81, Macevicius, Jurispr.*1983, blz.*867, r.o.*10 .
( 3)*Zaak 111/83, Picciolo, Jurispr.*1984, blz.*2323, r.o.*29 .
( 4)*Arrest van 30*juni*1983, zaak 85/82, Schloh, Jurispr.*1983, blz.*2105, r.o.*14 .
( 5)*Zaak 17/78, Deshormes, Jurispr.*1979, blz.*189, r.o.*10 .
( 6)*Zaak*26/63, Pistoj, Jurispr.*1964, blz.*703, 727 .
Full & Egal Universal Law Academy