Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de president,
mijne heren rechters,
In de zaken*293/84, Sorani en anderen, en 294/84, Adams en anderen, heeft het Hof bij arresten van 11*maart 1986 een besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/B/2/82 ( met het oog op de vorming van een reserve van adjunct-assistenten in de rangen 5 en 4 van categorie B ) nietigverklaard . Dat besluit was vervat in een op 7*september 1984 aan alle verzoekers in bovenbedoelde zaken gerichte standaardbrief en hield in, dat zij niet waren toegelaten tot het examen van het betrokken vergelijkend onderzoek .
Ook verzoekster in de onderhavige zaak is een C-ambtenaar van de Commissie, die door de jury niet tot het examen is toegelaten . Zij komt op tegen het besluit, vervat in de standaardbrief van 7*september 1984, die ook zij ontving, en tegen de afwijzing door de Commissie ( op 17 april 1985 ) van haar krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut ingediende klacht ( van 5 december 1984 ). De details van het vergelijkend onderzoek en de door de jury gevolgde procedure zijn weergegeven in hogerbedoelde arresten en in mijn conclusies in die zaken, waarnaar ik verwijs .
De Commissie betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de brief van 7 september 1984 slechts een bevestiging is van een eerder, in een standaardbrief van 15 juni 1984 vervat besluit, waartegen verzoekster niet meer kon opkomen . In de zaken Sorani en Adams is dit middel afgewezen, op grond dat op verzoek van betrokkenen opnieuw een onderzoek was verricht en derhalve geen sprake was van een loutere bevestiging, maar van een nieuw besluit . Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de Commissie toegegeven, dat het onderhavige beroep op dit punt niet verschilde van dat in de zaken Sorani en Adams . In casu moet het middel op dezelfde gronden worden afgewezen . De ontvankelijkheid van het beroep wordt niet betwist, voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van de klacht; derhalve is het in zijn geheel ontvankelijk .
De reden waarom het Hof het besluit van de jury in de zaken Sorani en Adams nietig heeft verklaard was, dat verzoekers geen gelegenheid hadden gehad om opmerkingen te maken over het advies dat hun hiërarchieke meerderen over hen hadden gegeven . De jury had namelijk het advies van een hiërarchieke meerdere ingewonnen, in de meeste gevallen de assistent van de directeur-generaal van het betrokken directoraat-generaal ( een "assistent "), en aan geen verzoeker de inhoud van het advies van de betrokken assistent meegedeeld .
Ofschoon zij zich in precies dezelfde situatie bevond, heeft verzoekster dit argument niet in haar verzoekschrift aangevoerd . Naar aanleiding van bovenbedoelde arresten heeft zij het Hof verzocht om toelating, haar pleidooi aan te vullen door dit middel toe te voegen aan die van haar verzoekschrift . Ter terechtzitting heeft haar raadsman dit punt echter laten vallen, omdat de jury haar na bedoelde arresten de gelegenheid had geboden om opmerkingen te maken over het advies van de betrokken assistent .
In haar schriftelijke opmerkingen voert verzoekster drie middelen aan, die hoofdzakelijk, zij het niet uitsluitend betrekking hebben op het besluit van de jury om de tot het vergelijkend onderzoek toegelaten kandidaten in te delen in twee categorieën*-*a)*zij die reeds "alle werkzaamheden" op het niveau van categorie*B uitoefenden of daarvoor reeds alle capaciteiten hadden, en b ) zij die daartoe slechts gedeeltelijk of in onvoldoende mate de capaciteiten hadden *-, en om uitsluitend de kandidaten van groep a ) tot het examen toe te laten .
Het eerste middel luidt, dat het besluit van de jury niet voldoet aan de motiveringsplicht, zoals met name neergelegd in artikel 25, tweede alinea, Ambtenarenstatuut en artikel 5 van Bijlage III bij het Statuut . Deze bepalingen luiden respectievelijk als volgt :
"Elk besluit dat overeenkomstig dit Statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht . Ieder voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed" ( artikel 25, tweede alinea ).
"Na kennisneming van deze dossiers stelt de jury de lijst vast van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek ...
Bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken stelt de jury, na de normen te hebben bepaald volgens welke zij deze stukken zal beoordelen, een onderzoek in naar de schriftelijke bewijsstukken van de sollicitanten die op de in de eerste alinea bedoelde lijst zijn geplaatst .
Bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van zowel schriftelijke bewijsstukken als een examen bepaalt de jury welke sollicitanten uit deze lijst tot het examen worden toegelaten ..." ( artikel 5 van bijlage III ).
Verzoekster beklaagt zich erover, dat het bestreden besluit generlei individuele motivering bevat en dat de brief waarin het is vervat, een standaardbrief is waarin de door de jury toegepaste criteria worden vermeld zonder dat de minste uitleg wordt verschaft waarom zij niet tot het examen is toegelaten, in het bijzonder waarom zij niet werd geacht reeds werkzaamheden van categorie*B te hebben vervuld althans daarvoor alle capaciteiten te bezitten .
Zij baseert zich met name op het arrest van het Hof in zaak 225/82 ( Verzyck, Jurispr . 1983, blz . 1991 ), waarin de verzoeker het besluit om hem niet toe te laten tot het examen van een vergelijkend onderzoek met succes heeft bestreden op grond dat het onvoldoende met redenen was omkleed . Ik zal de relevante rechtsoverwegingen van dit arrest uitvoerig citeren, omdat het Hof hiermee een leidraad heeft gegeven voor de motiveringsplicht van jury' s van vergelijkende onderzoeken waaraan een groot aantal kandidaten deelnemen, hetgeen het geval is met het vergelijkend onderzoek dat in*casu aan de orde is :
"... de verplichting om een bezwarend besluit te motiveren, ( heeft ) ten doel het Hof in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is dan*wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist .
Bij de beoordeling van deze motiveringsplicht dient evenwel rekening te worden gehouden met de verschillende niveaus en typen van vergelijkende onderzoeken en vooral ook met het aantal kandidaten dat zich ervoor heeft aangemeld . Bij vergelijkende onderzoeken met een groot aantal deelnemers dient de motivering van de afwijzingen niet zo uitvoerig te zijn, dat de werkzaamheden van de jury en de arbeid van de personeelsadministratie er in onaanvaardbare mate door wordt verzwaard . Rekening houdend met de praktische problemen waarvoor een jury zich bij een groot aantal kandidaten voor een vergelijkend onderzoek geplaatst ziet, is er geen bezwaar tegen, dat zij de kandidaat aanvankelijk enkel iets meedeelt over de criteria en het resultaat van de selectie, en eerst later een individuele toelichting geeft aan de kandidaten die daar uitdrukkelijk om vragen; de jury dient er echter op toe te zien, dat die individuele informatie wordt verzonden vóór het verstrijken van de in de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut bedoelde termijn, zodat de betrokkenen desgewenst van hun recht gebruik kunnen maken .
Uit de ... tekst van het bestreden besluit blijkt, ... dat het geen enkel element, hoe summier ook, van een individuele redengeving bevat ."
( rechtsoverwegingen 15-17 van het arrest )
Het arrest in de zaak Verzyck komt na eerdere arresten van het Hof, met name in de gevoegde zaken 4, 19 en 28/78, Salerno*e.a . ( Jurispr.*1978, blz.*2403 ), waarin het Hof met betrekking tot een vergelijkend onderzoek met meer dan 4*000 deelnemers overwoog, dat een aan de afgewezen deelnemers gerichte brief waarin enkel maar wordt verwezen naar de niet*vervulde, uit verschillende elementen bestaande voorwaarde van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, niet "kan voldoen aan het vereiste van motivering, met name aangezien een dergelijke verwijzing aan de betrokkene geen toereikende aanwijzing biedt omtrent de vraag of de weigering gegrond is, of daarentegen met een gebrek is behept waardoor de wettigheid ervan zou kunnen worden betwist" ( r.o.*29 ).
Tot een vergelijkbaar resultaat kwam het Hof in zaak 108/84 ( arrest van 21 maart 1985, De Santis, Jurispr . 1985, blz.*954 ), waarin de verzoeker bij het tot aanstelling bevoegd gezag erover had geklaagd, dat de jury bij de afwijzing van zijn sollicitatie voor een vergelijkend onderzoek, zijn kwalificaties onjuist had beoordeeld .
Op grond van deze arresten moet de jury een individuele toelichting verschaffen, in ieder geval aan kandidaten die daar uitdrukkelijk om verzoeken, en minstens summier de redenen aangeven waarop het besluit met betrekking tot een bepaalde kandidaat was gebaseerd .
Van het in*casu bestreden besluit kan dit niet worden gezegd . Het geeft niet aan, of verzoekster is afgewezen omdat zij geen werkzaamheden van niveau*B verrichtte of omdat zij daarvoor niet de capaciteiten had, noch in welk opzicht haar werk of haar capaciteiten in dat geval niet aan het vereiste niveau beantwoordden . De Commissie betoogt, dat het besluit niet alleen de algemene criteria aangaf, doch ook de "maatstaven", vastgesteld aan de hand van de sollicitatie van elke kandidaat . Mijns inziens evenwel beperkt de brief zich duidelijk tot een beschrijving van de manier waarop de jury te werk is gegaan en bevat hij generlei verwijzing naar verzoeksters specifieke situatie .
In dupliek stelt de Commissie, dat de jury -*gelet op het aantal deelnemers aan het vergelijkend onderzoek*-*mocht volstaan met de mededeling van haar criteria; de jury was niet verplicht om aan elke kandidaat gedetailleerd uit te leggen, hoe en in welke mate het vervullen van bepaalde taken het bewijs vormde van geschiktheid om een B-functie te vervullen . Dit argument staat haaks op het arrest van het Hof in de zaak Verzyck . Bijgevolg moet het besluit nietig worden verklaard omdat het niet of onvoldoende met redenen is omkleed .
In dat geval behoeft op de andere middelen niet te worden ingegaan . Ik behandel ze in het kort voor het geval het Hof het eerste middel anders zou beoordelen .
Verzoeksters tweede middel luidt, dat in het bestreden besluit ten onrechte stilzwijgend wordt aangenomen, dat verzoekster op dit ogenblik geen werkzaamheden van niveau*B verricht althans daartoe niet alle capaciteiten heeft . Dit zou in strijd zijn met artikel 5, lid 3, Ambtenarenstatuut, dat luidt als volgt : "Voor de ambtenaren die tot eenzelfde categorie of groep behoren, gelden onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan", en met een aantal algemene rechtsbeginselen .
Ingevolge artikel 5, lid 1, derde en vierde alinea, Ambtenarenstatuut vervult het personeel van categorie B "functies met een uitvoerend en leidinggevend karakter, voor welke functies volledige middelbare ( hogere middelbare ) schoolkennis of een gelijkwaardige beroepservaring vereist is" en het personeel van categorie C "uitvoerende functies, waarvoor kennis op het peil van lager middelbaar onderwijs of uitgebreid lager algemeen vormend onderwijs, dan wel een gelijkwaardige beroepservaring vereist is ."
Volgens verzoekster is het duidelijk, dat zij bij de griffie van directoraat-generaal IV, waar zij sedert november 1979 werkt, een B-functie vervult, aangezien haar voorganger B2 ( zie beroep ) of B3 ( zie repliek ) was . Er is immers een wettelijk vermoeden dat in haar voordeel spreekt, omdat het tot aanstelling bevoegd gezag de ambtenaar ingevolge artikel 7, lid 1, Ambtenarenstatuut "overeenkomstig zijn rang te werk ( stelt ) in een tot zijn categorie of groep behorend ambt ": zonder tegenbewijs ( dat door de Commissie niet is geleverd ) moet haar voorganger worden geacht, een B-functie te hebben uitgeoefend . Zo niet, had zij op zijn minst de capaciteiten om een B-functie uit te oefenen, gelet op het werk dat zij heeft gedaan en ook omdat zij in het bezit is van een certificaat waaruit blijkt, dat zij een door een zekere mijnheer Hoffmann gegeven archivariscursus heeft gevolgd .
De Commissie betoogt, dat de jury volgens 's*Hofs rechtspraak over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt en dat het Hof deze slechts mag toetsen in geval van kennelijke dwaling . Uit het onderzoek van verzoeksters beoordelingsrapporten blijkt volgens de Commissie, dat de door haar verrichte taken op niveau*C lagen : typen, secretariaatswerk, registratie - en klasseerwerk . Het feit dat zij aan de cursus van Hoffmann heeft deelgenomen, toont niet aan dat zij alle capaciteiten had om werkzaamheden op niveau*B te verrichten .
Indien een besluit gelet op de aan de jury verstrekte gegevens een onjuiste voorstelling van zaken geeft of volstrekt onredelijk is -*op "kennelijke dwaling" berust *- is nietigverklaring gerechtvaardigd . Ik ben er evenwel niet van overtuigd, dat dit in casu het geval is en dat kan worden gezegd dat de jury haar beoordelingsbevoegdheid, die zij bij de beoordeling van de haar verstrekte gegevens ontegenzeglijk heeft, heeft overschreden . Het Hof is bijvoorbeeld niets meegedeeld over de moeilijkheidsgraad van de door verzoekster verrichte werkzaamheden, noch over de mate waarin haar werk werd gecontroleerd . Op het eerste gezicht kan het weliswaar verbazing wekken dat verzoekster niet is toegelaten ofschoon, naar zij beweert, haar voorganger in de rang B2 of B3 was ingedeeld, maar het Hof kan geen genoegen nemen met de loutere bewering dat zij in wezen hetzelfde werk of werk van hetzelfde niveau verricht . Dit laatste is niet bewezen en mijns inziens moet het tweede middel dan ook worden verworpen .
Volgens het derde middel, subsidiair bij de eerste twee, heeft de jury de kandidaten ten onrechte in twee groepen verdeeld ( zij die reeds werkzaamheden op niveau*B verrichtten of daartoe de capaciteiten hadden en zij die die capaciteiten niet hadden ). Dit zou zowel in strijd zijn met artikel 5, lid*3, Ambtenarenstatuut als met artikel 5, leden 3 en 4, van Bijlage*III bij het Statuut, alsmede de doelstelling van de procedure bij vergelijkend onderzoek miskennen, en daarmee misbruik van bevoegdheid en schending van een aantal rechtsbeginselen opleveren . Het criterium voor de indeling van de sollicitanten in twee groepen zou berusten op discriminatie tussen degenen die reeds de kans hebben gehad, werkzaamheden op niveau*B te verrichten, en degenen die die kans niet hebben gehad . Het miskent de doelstelling van een vergelijkend onderzoek, zelfs een intern vergelijkend onderzoek, op grond waarvan iedereen die voldoet aan de criteria om tot het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten, de kans behoort te krijgen zijn geschiktheid aan te tonen, los van toevallige factoren, zoals de omstandigheid dat iemand reeds de gelegenheid heeft gehad, taken op niveau*B te verrichten .
In het onderhavige vergelijkend onderzoek zou het mijns inziens te streng zijn om alleen kandidaten tot het examen toe te laten, die daadwerkelijk een B-functie hebben vervuld . Gelijk ik in de zaak Adams heb uiteengezet, zou het zonder meer toelaten van die sollicitanten ook nadelen hebben . Uitbreiding van de groep met de sollicitanten die blijk hebben gegeven van hun capaciteiten om alle werkzaamheden op niveau*B te verrichten, zou uiteraard minder streng zijn, maar als nadeel hebben de uitsluiting van degenen die nog niet de gelegenheid hadden, hun geschiktheid voor een B-functie aan te tonen, en onvermijdelijk een zekere mate van subjectieve beoordeling van de dossiers hebben geïmpliceerd . Het lijkt mij beter, in de toelatingsvoorwaarden van het vergelijkend onderzoek strengere eisen te stellen en de capaciteiten tot uiting te laten komen in het examen .
Met 800 deelnemers aan het vergelijkend onderzoek moest de jury evenwel ergens een norm leggen om tot een definitieve lijst te komen . Voor zover de betrokkenen duidelijk wisten, dat zij waren afgewezen omdat zij geen B-functie hadden vervuld of daartoe niet de capaciteiten hadden, zodat zij dat besluit konden aanvechten indien het huns inziens volstrekt onredelijk was of op onjuiste gegevens berustte, ben ik er niet van overtuigd, dat de methode waarbij de geschiktheid aan alle betrokken factoren werd afgemeten, misbruik van bevoegdheid opleverde .
Mijns inziens faalt dan ook het derde middel .
Aangezien de Commissie het besluit van de jury niet kon nietig verklaren, is het mijns inziens niet juist om de afwijzing van verzoeksters klacht nietig te verklaren . Zulks doet geenszins af aan de doeltreffendheid van de rechtsweg die verzoekster mijns inziens mag volgen .
Aangezien verzoeksters raadsman heeft erkend, dat zijn argumenten met betrekking tot het besluit van 7 september 1984 eveneens golden voor de latere gesprekken van september 1986 en december 1986, die hebben geleid tot de brief van 12 februari 1987, waarin de jury kennelijk haar eerdere besluit heeft gehandhaafd ( maar die het Hof niet heeft gezien ), behoeft mijns inziens niet te worden ingegaan op de vraag, of het beroep moet worden geacht zich tevens tot dit latere besluit uit te strekken . In ieder geval is het, indien een later besluit op andere gronden wordt bestreden, voorzichtigheidshalve beter ( en mijns inziens noodzakelijk ), tijdig een nieuwe procedure in te leiden .
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, het in de brief van 7 september 1984 vervatte besluit om verzoekster niet tot het examen toe te laten, nietig te verklaren en de Commissie in verzoeksters kosten te verwijzen .
(*) Vertaald uit het Engels
Full & Egal Universal Law Academy