CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 24 september 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Voor één keer moet het Hof uitspraak doen in een zaak die niet in het kader van zijn algemene opdracht — het uitleggen van het gemeenschapsrecht — valt. Buiten een verwijzing naar artikel 181 EEG-Verdrag, dat het Hof bevoegd verklaart om „uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding” zoals er een voorkomt in de privaatrechtelijke overeenkomst tussen Fadex en de Commissie, wordt hier van het EEG-Verdrag niet gesproken.
2.
Over de feiten bestaat geen betwisting. Op 4 december 1979 diende Fadex bij de Commissie een offerte in voor het leveren en leggen van een Dex-O-Tex vloerbedekking voor een televisiestudio te Brussel. In deze offerte werden de kosten geraamd op 150480 BFR, plus 13230 BFR voor de afwerking. Dit laatste bedrag is thans echter niet in geschil.
Op 14 december 1979 zond M. Gibbels, hoofd van de afdeling „Gebouwen, technische diensten en telecommunicatie” van de Commissie, Fadex een bestelbon waarin uitdrukkelijk naar genoemde offerte werd verwezen en waarop was vermeld: „Deze bestelling is onderworpen aan de Algemene voorwaarden van toepassing op leveringsovereenkomsten, ref: 10.070/IX/69”. Fadex bevestigde de bestelling door een kopie van die bestelbon afgestempeld en ondertekend aan de Commissie te retourneren.
Op 31 januari 1980 factureerde Fadex de uitgevoerde werken tegen de overeengekomen prijs. Ondanks een ingebrekestelling van 11 juni 1980 weigerde de Commissie te betalen, op grond dat de betrokken vloerbedekking niet vlak genoeg was om de stabiliteit van de in de studio gebruikte mobiele camera's te garanderen. Bij brief van 29 juli 1980 protesteerde Fadex daarover bij de Commissie, daarbij onder meer stellend:
„... uw bestelbon specificeert precies het produkt dat wij hebben gelegd.
U hebt nooit eisen geformuleerd ter zake van de vlakheid of hardheid van het oppervlak van de bedekking.”
3.
Dat de vloer niet helemaal vlak is — het enige bezwaar dat de Commissie tegen verzoekster aanvoert —, wordt door Fadex niet werkelijk betwist; zij stelt evenwel daarvoor niet aansprakelijk te zijn. De beslissing over Fadex' vordering van 150480 BFR, plus interessen, hangt er dus van af, of Fadex op grond van de overeenkomst tussen partijen verplicht was de vloer te egaliseren alvorens de vloerbedekking aan te brengen, of althans de Commissie te wijzen op het risico dat het gevolg was van het feit dat zij — de Commissie — die vloer niet eerst behoorlijk had geprepareerd.
Indien het Hof de vordering gegrond acht, moet het ook uitmaken of Fadex op grond van het boetebeding in haar algemene verkoopvoorwaarden een forfaitaire schadevergoeding van 30096 BFR kan eisen.
De vordering van 150480 BFR
4.
De Commissie concludeert tot afwijzing van de vordering; zij stelt dat Fadex zeer goed wist dat voor een normaal gebruik van mobiele televisiecamera's een volledig vlakke vloer vereist is, dat haar met name tijdens de besprekingen vooraf uitdrukkelijk daarop is gewezen, en dat Fadex overigens had verklaard voor de Belgische Radio en Televisie te Brussel te hebben gewerkt. In haar dupliek verwijst zij met name naar de brief van 3 maart 1980 van Fadex, waarin deze geenszins betwist dat zij wist dat er in casu bijzondere eisen moesten worden gesteld, en toegeeft zich ertoe te hebben beperkt de vloerbedekking te leggen zonder de toestand van de ondergrond te controleren. Dit zou kennelijk een ernstige beroepsfout zijn.
Fadex voert daarentegen aan, dat zij contractueel enkel verplicht was de vloerbedekking te leveren en te leggen, dat de Commissie moet aantonen dat de gestelde gebreken te wijten zijn aan een fout van Fadex bij de uitvoering van het contract, dat in haar offerte van 4 december 1979 duidelijk stond dat de Commissie moest zorgen voor het verwijderen van de bestaande vloerbedekking — dus voor het klaarmaken van de vloer waarop de nieuwe bedekking moest worden aangebracht —, en dat Fadex niet aansprakelijk kan worden gesteld voor een conceptie- of uitvoeringsfout van de Commissie.
5.
In een interne nota van 8 november 1979 deelde de betrokken dienst aan de heer Gibbels mee, dat „de nieuwe vloerbedekking vlak en naadloos moest zijn en sterk genoeg om het gewicht van camera's en wagentje te kunnen dragen”. De Commissie kende dus het vereiste dat de vloer vlak moest zijn.
Van de overgelegde stukken maken enkel de bestelbon van 14 december 1979 en de offerte van Fadex van 4 december 1979, waarnaar de bestelbon verwijst, deel uit van de overeenkomst. In geen van beide stukken wordt van dat vereiste gesproken en uit niets blijkt dat Fadex ervan op de hoogte was of dat zelfs maar had moeten zijn. In geen van beide stukken wordt Fadex belast met het prepareren van de vloer; de enige aanwijzing die hier van belang is, is dat de Commissie moet zorgen voor de „verwijdering van de bestaande vloerbedekking”.
Blijkens de genoemde stukken moest Fadex de vloerbedekking leveren en leggen. Afgezien van wat er is gezegd over de effenheid van de ondergrond — uit niets blijkt evenwel dat Fadex contractueel verplicht was daarvoor te zorgen —, is aangetoond noch met een voldoende graad van waarschijnlijkheid aannemelijk gemaakt dat Fadex zich niet correct van haar taak zou hebben gekweten. De Commissie kan haar derhalve de „exceptio non adimpleti contractus” niet tegenwerpen.
Mitsdien moet verweerster worden veroordeeld om aan verzoekster het gevorderde bedrag van 150480 BFR te betalen, vermeerderd met de wettelijke interessen conform het Belgisch recht, dat van toepassing is ingevolge artikel 17 van de Algemene voorwaarden van de Commissie, vanaf 11 juni 1980, de datum van de ingebrekestelling.
Het boetebeding
6.
Fadex beroept zich hiervoor op artikel 13 van haar eigen algemene verkoopvoorwaarden. De Commissie vraagt dus terecht deze vordering af te wijzen, nu de bestelbon van 14 december 1979 op de betrokken transactie uitdrukkelijk van toepassing verklaart de Algemene voorwaarden van de Commissie (réf. 10.070/IX/69), waarvan artikel 2, lid 1, juist bepaalt:
„De indiening van een offerte... betekent dat de inschrijver:
—
...
—
afziet van zijn eigen voorwaarden voor verkoop...”
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1)
—
de Commissie te veroordelen tot betaling aan de vennootschap naar Belgisch recht Fadex NV van een bedrag van 150480 BFR, vermeerderd met de Belgische wettelijke interessen met ingang van 11 juni 1980;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding;
2)
het beroep te verwerpen voor het overige.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy