CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 29 mei 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Daar in deze zaak de mondelinge behandeling geen echte nieuwe gegevens met betrekking tot het probleem of de argumenten van partijen heeft aangebracht, kan ik thans reeds conclusie nemen.
Het Bundesfinanzhof vraagt het Hof, of „het gemeenschappelijk douanetarief op 23 december 1975 aldus moest worden uitgelegd, dat ,jeans'-pantalons van klassieke snit met voorsluiting van links naar rechts, als herenbovenkleding onder post 61.01 van het tarief moesten worden ingedeeld”.
Dienaangaande wil ik het volgende opmerken.
Er is in casu nog eens aan herinnerd, dat ingevolge Aantekening 3 a) op Hoofdstuk 61 van het gemeenschappelijk douanetarief, artikelen waarvan niet kan worden onderkend dat zij heren- of jongenskleding dan wel dames- of meisjeskleding zijn, worden ingedeeld als dameskleding of als meisjeskleding (post 61.02 of post 61.04 naar gelang het geval).
Anderzijds wordt onder punt 7 van de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van de Internationale Douaneraad bij post 61.02 verklaard:
„Bepaalde kleding voor dames en meisjes is van dezelfde soort als die, welke door heren of jongens gebruikt wordt (broeken, regenjassen of schorten b. v.) Het is echter meestal mogelijk ze te onderscheiden aan de snit, aan de plaats van de knopen, aan de vorm van de kraag of aan de aanwezigheid van garnituren of versieringen.”
Uit de processtukken blijkt evenwel, dat het Bundesfinanzhof met de term „ ,jeans'-pantalons van klassieke snit” („Jeanshosen der klassischen Machart”) doelde op pantalons die noch aan hun snit, noch aan de aanwezigheid van garnituren of versieringen, noch aan enig ander kenmerk als damespantalons „te onderkennen” waren.
Die pantalons vertoonden daarentegen een bepaalde bijzonderheid die bij ons gewoonlijk, als een kenmerk van herenpantalons wordt beschouwd, te weten een voorsluiting van links naar rechts.
Op grond van dit onderscheidingscriterium waren dergelijke pantalons dus als herenpantalons „te onderkennen” en moesten zij onder tariefpost 61.01 worden ingedeeld.
Daar kledingstukken enkel aan de hand van hun objectieve kenmerken mogen worden ingedeeld, kon immers niet worden geconcludeerd, dat een pantalon met een kenmerk dat herenpantalons (althans die met een opening aan de voorzijde) nog steeds vertonen, niet meer als zodanig „te onderkennen” was op de enkele grond, dat op een gegeven moment steeds meer vrouwen dergelijke pantalons zijn gaan dragen, of op grond dat sinds enige tijd ook pantalons die om andere redenen ontegenzeglijk als damespantalons „te onderkennen” zijn, dit kenmerk vertonen.
Dat de bestemming van een goed niet in aanmerking kan worden genomen voor de tariefindeling, heeft het Hof zeer onlangs nogmaals bevestigd in het arrest van15 mei 1986 (zaak 90/85, Mikx, Jurispr. 1986, blz. 1695). Daar ging het om hagelpatronen die zowel voor de jacht als voor de schietsport geschikt waren, maar volgens de importeur bestemd waren voor de schietsport.
In rechtsoverweging 15 van dit arrest heeft het Hof overwogen dat „de opvatting van verzoekster, dat patronen die geschikt zijn voor beiderlijk gebruik, naar hun bestemming moeten worden onderscheiden, af te wijzen is. Die bestemming is immers geen inherente eigenschap van die patronen, zodat zij op het tijdstip van invoer niet als objectief criterium kan dienen, daar op dat tijdstip niet kan worden vastgesteld, waarvoor de patronen daadwerkelijk zullen worden gebruikt.”
In de onderhavige zaak was toepassing van Aantekening 3 a) op Hoofdstuk 61 van het gemeenschappelijk douanetarief derhalve nodig noch mogelijk. Toepassing daarvan zou trouwens tot een meer dan vreemd resultaat hebben geleid, namelijk dat alle „jeans”-pantalons van klassieke snit — oorspronkelijk typische cowboykleding — onder de categorie dameskleding moesten worden ingedeeld, en zulks tot de inwerkingtreding van verordening nr. 2496/82 van de Commissie van 13 september 1982 (PB 1982, L 267, blz. 11), ingevolge welke lange broeken, zogenaamde „jeans” daaronder begrepen, met een opening aan de voorzijde die links over rechts wordt gesloten, in het gemeenschappelijk douanetarief worden ingedeeld onder post 61.01 B V e). Men kan zich afvragen, of de Commissie bij de vaststelling van deze verordening niet in het andere uiterste is vervallen. Deze verordening lijkt immers alle andere onderscheidingscriteria dan de sluiting links over rechts opzij te zetten, maar dit is een vraag waarover het Hof thans niet hoeft te oordelen.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, op de vraag van het Bundesfinanzhof te antwoorden dat „op 23 december 1975 Jeans'-pantalons van klassieke snit met voorsluiting van links naar rechts, als herenbovenkleding onder post 61.01 moesten worden ingedeeld”.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy