CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 10 november 1987 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Op 2 februari 1982 heeft het Hof op de beroepen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de zaken 68/81, 69/81, 70/81 en 71/81 (Jurispr. 1982, blz. 153, 163, 169 en 175) vastgesteld, dat het Koninkrijk België niet binnen de voorgeschreven termijnen de nodige bepalingen had vastgesteld om de navolgende richtlijnen van de Raad in nationaal recht om te zetten: 78/176 van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie (PB 1978, L 54, blz. 19); 75/442 van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB 1975, L 194, blz. 39); 75/439 van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB 1975, L 194, blz. 23) en 76/403 van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PB 1976, L 108, blz. 41). België was bijgevolg de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
Bij vier beroepen, ingesteld op 23 juli 1985, die het Hof bij beschikking van 9 oktober 1985 tot één zaak heeft samengevoegd, verzoekt dezelfde instelling thans om vast te stellen, dat België genoemde arresten niet heeft uitgevoerd en hierdoor de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen.
2.
De Belgische regering betwist de haar door de Commissie ten laste gelegde feiten niet; evenals reeds in de zaken 68/81, 69/81, 70/81 en 71/81, wijt zij deze aan constitutionele moeilijkheden als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 8 augustus 1980. Zoals bekend, zijn de gewesten, waarin België is onderverdeeld, bij deze belangrijke hervorming voor tal van onderwerpen, onder meer die waarop de vier richtlijnen betrekking hebben, bij uitsluiting bevoegd verklaard. Het was bijgevolg de taak van de desbetreffende territoriale instellingen om de door deze handelingen opgelegde verplichtingen uit te voeren, en de respectieve wetgevende organen hebben dit nog niet gedaan.
Dit argument is krachteloos. Zoals het Hof in de arresten van 1982 reeds verklaarde, behoren de door de Belgische regering aangevoerde omstandigheden tot de binnenlandse „bepalingen, praktijken of toestanden”, die volgens vaste rechtspraak van het Hof zonder meer ongeschikt zijn om de niet-nakoming van uit communautaire richtlijnen voortvloeiende verplichtingen te rechtvaardigen (zie laatstelijk het arrest van 12 februari 1987, zaak 69/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 773, r. o. 7). Ik wil hieraan toevoegen, dat deze omstandigheden in ieder geval niet relevant zijn voor richtlijn 78/176. Op het door deze rechtsbron bestreken gebied heeft de Belgische staat immers een eigen wetgevende bevoegdheid behouden, en hij geeft zelf toe, dat de nodige uitvoeringsmaatregelen nog niet alle zijn vastgesteld.
Ik zou hier kunnen eindigen. De zaak heeft evenwel een delicate kant, waarop het mij nuttig lijkt de aandacht te vestigen. Ter terechtzitting heeft de Belgische regering erop gewezen dat, anders dan in de rechtsorde van Italië (artikel 6 van het decreet nr. 616 van de president van de Republiek van 24 juli 1977) en Spanje (artikel 155 van de Grondwet), de Belgische wetgeving de staat niet de bevoegdheid verleent om de gewesten te dwingen hun communautaire verplichting na te komen, of om, ingeval zij blijven stilzitten, zich in hun plaats te stellen ten einde hierin rechtstreeks te voorzien.
De vertraging die België wordt verweten, beloopt echter bijna tien jaar en dit brengt mij tot een tweeledige opmerking. In de eerste plaats, dat de verplichtingen van de Lid-Staten krachtens artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag (het door de richtlijn beoogde resultaat binnen de daarin gestelde termijn bereiken) en artikel 5, eerste alinea (de maatregelen treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit communautaire handelingen voortvloeiende verplichtingen te verzekeren) zonder onderscheid gelden voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de Lid-Staten en dus ook voor de rechterlijke instanties (arresten van 10 april 1984, zaak 14/83, Van Colson en Kamann, Jurispr. 1984, blz. 1891, r. o. 26, en van 15 mei 1986, zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r. o. 51-53). Het spreekt dan ook vanzelf, dat deze verplichtingen ook voor de gewesten gelden wanneer ze, zoals in casu, de ter zake nodige bevoegdheden bezitten.
In de tweede plaats mogen de Lid-Staten ingevolge artikel 5, tweede alinea, EEG-Verdrag in hun nationale rechtsorde geen maatregelen — dus ook niet een wet van constitutionele rang — opnemen „welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen”. Nog duidelijker gezegd betekent dit, dat de Lid-Staten gehouden zijn „door hun... wetgeving geen afbreuk te doen aan de volledige en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en aan de werking van handelingen tot uitvoering ervan, en geen maatregelen... te nemen of te handhaven, welke aan (deze) ... regels hun nuttig effect kunnen ontnemen” (arrest van 10 januari 1985, zaak 229/83, Leclerc, Jurispr. 1985, blz. 1, r. o. 14).
3.
Gelet op het voorafgaande kan ik enkel concluderen tot toewijzing van de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingestelde beroepen. Mitsdien geef ik het Hof in overweging om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door zich niet te voegen naar de arresten van het Hof van 2 februari 1982 in de zaken 68/81, 69/81, 70/81 en 71/81, zijn verplichtingen krachtens artikel 171 EEG-Verdrag niet is nagekomen.
Overeenkomstig artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering dient verweerder Ín de kosten van de procedure te worden verwezen.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy