CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 8 juli 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In het kader van een geschil tussen Irish Grain Board (Trading) Ltd (hierna: Irish Grain) en de minister van Landbouw verzoekt de Ierse Supreme Court het Hof om uitlegging van twee gemeenschapshandelingen: verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB 1971, L 106, biz. 1), en verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetair compenserende bedragen (PB 1975, L 139, biz. 37). De verwijzende rechter wenst in het bijzonder te vernemen of, en zo ja onder welke voorwaarden, een onderneming recht heeft op betaling van monetair compenserende bedragen (hierna: mcb's) met betrekking tot de invoer van graan waarvan niet met volledige zekerheid is komen vast te staan, dat het in de staat van invoer in het verkeer is gebracht.
Irish Grain — een „Industrial and Provident Society” die graan van haar leden koopt en voor hun rekening verhandelt — voerde tussen december 1977 en juli 1978 uit Ierland goederen uit die waren bestemd voor vijf kopers in Noord-Ierland. In genoemde periode werden bij uitvoer van Ierland naar het Verenigd Koninkrijk mcb's geheven en bij invoer in laatstgenoemde staat mcb's toegekend. Tussen de twee landen bestond toen een overeenkomst zoals voorzien door artikel 2 bis van verordening nr. 974/71, volgens welke de staat van uitvoer de mcb's betaalt die door de staat van invoer moeten worden toegekend. Bijgevolg verzocht Irish Grain het ministerie van Landbouw (dat in Ierland de functie van interventiebureau vervult) om betaling van mcb's voor de betrokken invoer in het Verenigd Koninkrijk. Vaststaat, dat de douaneagent van Irish Grain naar behoren alle documenten invulde die door de mcb-regeling en voor de betrokken graanuitvoer waren vereist. Een van deze documenten was het controleexemplaar van het formulier T5, waarop was vermeld dat het graan was „bestemd om in Noord-Ierland in het vrije verkeer te worden gebracht”.
Het interventiebureau betaalde aan Irish Grain onmiddellijk de mcb's voor het graan dat met de eigen vrachtwagens van de onderneming of door voor haar rekening handelende transporteurs was vervoerd. Met betrekking tot het graan dat door voor rekening van de Noordierse kopers handelende transporteurs was vervoerd, achtte het integendeel een administratief onderzoek noodzakelijk. De Britse douane, die met het onderzoek werd belast, kon niet met zekerheid vaststellen of de waar in het Verenigd Koninkrijk was binnengekomen om daar in het verkeer te worden gebracht. De Ierse minister van Landbouw weigerde dan ook de mcb's te betalen.
Daarop daagde Irish Grain het interventiebureau voor de Ierse High Court tot betaling van de haar verschuldigde mcb's, die meer dan 138000 IRL beliepen. Bij vonnissen van 9 maart 1981 en 19 juli 1982 oordeelde de High Court, dat de Noordierse kopers of althans sommigen hunner zich schuldig hadden gemaakt aan frauduleuze verrichtingen en onregelmatigheden. De High Court was evenwel van oordeel, dat Irish Grain op geen enkele wijze bij die knoeierijen was betrokken, noch daarvan weet had. De High Court erkende derhalve dat Irish Grain recht had op de gevraagde mcb's, en gelastte de gedaagde minister ze te betalen. Het verwierp evenwel de vordering van Irish Grain tot verkrijging van rente over het betrokken bedrag.
De minister kwam echter van het vonnis van 19 juli 1982 in hoger beroep bij de Supreme Court, stellende dat hij, gelet op het door de Britse autoriteiten verrichte onderzoek en op de bevindingen van de High Court betreffende de bedrieglijke praktijken en onregelmatigheden van de kopers, terecht weigerde de door Irish Grain gevraagde mcb's te betalen, zolang niet zou zijn aangetoond dat de waar in de invoerende staat in het vrije verkeer was gebracht. Het interventiebureau deed zijn betoog steunen op een reeks communautaire bepalingen en inzonderheid op artikel 8 van verordening nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1970, L 94, biz. 13) en op de artikelen 11 en 16 van verordening nr. 1380/75.
Irish Grain hield daarentegen staande, dat de minister niet kon weigeren haar de mcb's te betalen. Zij voerde met name aan, dat het bestaan tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland van een overeenkomst in de zin van artikel 2 bis van verordening nr. 974/71, zoals gewijzigd door verordening nr. 1112/73 (PB 1973, L 114, biz. 4), toepassing van artikel 8 van verordening nr. 729/70 in casu uitsloot: aangezien het als gemachtigde van de invoerende staat handelde, stond het interventiebureau niets anders te doen dan de verschuldigde bedragen uit te betalen. Bovendien vorderde Irish Grain andermaal dat haar over de mcb's rente zou worden betaald vanaf de dag waarop betaling was geëist, en maakte zij aanspraak op betaling in Britse valuta in plaats van in Ierse valuta.
Gelet op vorenstaande argumenten, heeft de Supreme Court, die van oordeel is dat het geschil niet kan worden opgelost zonder uitlegging van het gemeenschapsrecht, bij beschikking van 25 juni 1985 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie volgens de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen te stellen:
a)
Wanneer een Lid-Staat krachtens de relevante communautaire verordeningen en het gemeenschapsrecht inzake de betaling van mcb's (inzonderheid de artikelen 38 tot 45 EEG-Verdrag; verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971, zoals gewijzigd; verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975, zoals gewijzigd; en verordening nr. 3094/76 van de Commissie van 17 december 1976) bij de uitvoer van produkten naar een andere Lid-Staat mcb's moet betalen, is hij dan gerechtigd betaling te weigeren wanneer de betrokken produkten, ten gevolge van fraude of enige andere onregelmatigheid vanwege de kopers, in de Lid-Staat van invoer niet in het vrije verkeer zijn gebracht, ook al waren de douaneformaliteiten vervuld en de passende T5-formu-lieren afgegeven, en al was de „exporteur” of „belanghebbende” in de zin van genoemde verordeningen, wat bedoelde transactie betreft, steeds te goeder trouw ?
b)
Is een Lid-Staat gerechtigd de betaling van mcb's, gevorderd bij de uitvoer van produkten naar een andere Lid-Staat, te weigeren zolang de eiser niet het bewijs heeft geleverd dat de transacties daadwerkelijk en in overeenstemming met de gemeenschapsverordeningen zijn uitgevoerd, en ondanks de overlegging van de passende T5-formulieren of de goede trouw van de eiser ?
c)
Wanneer de bevoegde autoriteit, die een mcb is verschuldigd, het twee maanden na ontvangst van voldoende bewijsstukken nog niet heeft betaald, omdat zij wegens haar twijfels omtrent bedoelde documenten een administratief onderzoek heeft ingesteld, moet dan artikel 16 van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 aldus worden uitgelegd, dat die bevoegde autoriteit over de mcb's rente moet betalen, en zo ja, vanaf wanneer en volgens welk percentage ?
d)
Wanneer een Lid-Staat krachtens verordening nr. 974/71 een heffing moet toepassen op uitgevoerde produkten en krachtens een op grond van artikel 2 bis van deze verordening gesloten overeenkomst met een andere Lid-Staat namens de invoerende Lid-Staat mcb's betaalt die hoger zijn dan de heffing, moeten dan voornoemd artikel 2 bis en artikel 8 van verordening nr. 1380/75 aldus worden uitgelegd, dat de betrokkene recht heeft op betaling in de valuta van de Lid-Staat van invoer ?
2.
Aangezien de onderhavige materie reeds in tal van arresten aan de orde is geweest, kan ik mij ertoe beperken de voornaamste punten van de in vorenstaande vragen bedoelde mcb-regeling aan te duiden. Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 974/71 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 509/73 (PB 1973, L 50, biz. 1), bepaalt: „Indien een Lid-Staat toestaat dat de wisselkoers van zijn munteenheid voor handelstransacties de fluctuatiegrens [geldende] op 12 mei 1971... in bovenwaartse of benedenwaartse richting overschrijdt, worden in het handelsverkeer met de Lid-Staten en met derde landen voor de in lid 2 bedoelde produkten compenserende bedragen a) door de Lid-Staat waarvan de munteenheid onder overschrijding van de fluctuatiegrens in waarde is gestegen, bij invoer geheven en bij uitvoer toegekend, b) door de Lid-Staat waarvan de munteenheid onder overschrijding van [deze grens] in waarde is gedaald, bij uitvoer geheven en bij invoer toegekend.”
In het sub b bedoelde geval worden de mcb's in de regel geïnd respectievelijk betaald door de staat van uitvoer, nadat de douaneformaliteiten zijn vervuld en het produkt zijn grondgebied heeft verlaten (vgl. artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1380/75). Evenzo is het de gewoonte, dat bij invoer toegekende of geheven mcb's door de staat van invoer worden betaald of geïnd. Artikel 2 bis van verordening nr. 974/71 machtigt de uitvoerende en de invoerende staat evenwel, een regeling te treffen waarbij eerstgenoemde de mcb's betaalt die laatstgenoemde verschuldigd is. De bepaling luidt: „Wanneer een uit een Lid-Staat uitgevoerd produkt wordt ingevoerd in een Lid-Staat die een compenserend bedrag bij invoer moet toekennen, kan de uitvoerende Lid-Staat, in onderlinge overeenstemming met de invoerende Lid-Staat, het... bedrag betalen dat door [laatstgenoemde] zou moeten worden toegekend... Het... bedrag wordt omgerekend aan de hand van de contante wisselkoers van de [respectieve] valuta's, ... geconstateerd gedurende een later te bepalen periode.”
De toepassing van deze bepaling is geregeld in artikel 11 van verordening nr. 1380/75, waarvan lid 2, eerste alinea, bepaalt: „Voor betaling door de uitvoerende Lid-Staat van het [mcb] dat door de invoerende Lid-Staat toegekend zou moeten worden, moet het bewijs worden overgelegd dat de douaneformaliteiten bij invoer zijn vervuld en dat de in de Lid-Staat van invoer verschuldigde rechten en heffingen van gelijke werking zijn geheven”. De tweede alinea bepaalt voorts, dat dit bewijs moet worden geleverd door overlegging van het controle-exemplaar, bedoeld in artikel 1 van verordening nr. 2315/69 van de Commissie van 19 november 1969 betreffende het gebruik van de documenten voor communautair douanevervoer met het oog op de toepassing van communautaire maatregelen welke een controle op het gebruik en of de bestemming van goederen met zich brengen (PB 1969, L 295, biz. 14). Op bedoeld document, T5 genoemd, moeten de vermeldingen worden aangebracht die uitdrukkelijk door de verordening zijn voorzien.
In dit verband zijn twee andere algemene bepalingen van verordening nr. 1380/75 van belang. De eerste is artikel 8, betreffende de hoogte van de mcb's. Lid 1 van dit artikel bepaalt: „Het toe te kennen of te heffen [mcb] is [dat wat] van toepassing is op de dag van uitvoer, respectievelijk van invoer”. Volgens lid 5 geldt als dag van invoer de dag „aangehouden voor de vaststelling van de douanerechten en de heffingen”. De tweede bepaling is artikel 16, betreffende de betalingstermijnen. Het bepaalt dat, wanneer „de bevoegde autoriteiten [mcb's] moeten toekennen, ... deze binnen twee maanden na de dag van indiening van het volledige dossier (worden) betaald, behalve... in geval van overmacht [en] in gevallen waarin twijfel bestaat omtrent de juistheid van het... dossier en door de overheid een onderzoek is ingesteld”.
Tot besluit van dit overzicht van de gemeenschapsregeling dient te worden herinnerd aan artikel 8 van verordening nr. 729/70 van de Raad, dat bepaalt: „De Lid-Staten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds [in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid] gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd, [om] onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen [en om] de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen...”
Een laatste opmerking. De verwijzende rechter maakt in zijn eerste vraag gewag van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3094/76, houdende aanvullende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetair compenserende bedragen in het handelsverkeer tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk (PB 1976, L 348, biz. 21). Deze bepaling, volgens welke de bevoegde instanties de toekenning van het mcb in het handelsverkeer tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk afhankelijk kunnen stellen van bijzondere voorwaarden ten einde onregelmatigheden te voorkomen, is echter kennelijk niet geschreven voor de onderhavige zaak. Anikei 1, lid 2, van deze verordening bepaalt immers, dat de betrokken Lid-Staten de Commissie onverwijld in kennis moeten stellen van de maatregelen die zijn vastgesteld. In de graansector zijn bedoelde bijzondere voorwaarden vastgesteld bij een overeenkomst die aan de Commissie is meegedeeld op 30 mei 1979, dat wil zeggen na de feiten van de onderhavige zaak.
3.
De Supreme Court vraagt het Hof in de eerste plaats vast te stellen, of een Lid-Staat het recht heeft te weigeren de mcb's te betalen, wanneer ondanks het feit dat de douaneformaliteiten regelmatig zijn vervuld en de exporteur te goeder trouw is, twijfel bestaat of de goederen daadwerkelijk in de staat van invoer in het verkeer zijn gebracht. Zoals bekend, wensen verweerder in het hoofdgeding en de Commissie van de Europese Gemeenschappen deze vraag bevestigend te zien beantwoord, terwijl Irish Grain de tegengestelde oplossing voorstaat.
Irish Grain voert drie argumenten aan:
a)
de uitvoer vormt een ondeelbare verrichting, waarin geen twee opeenvolgende fasen kunnen worden onderscheiden; wanneer de invoerformaliteiten zijn vervuld en de T5-formulieren bij binnenkomst door de douane van de invoerende staat zijn geviseerd, rechtvaardigt niets het vermoeden dat de goederen niet in die staat in het verkeer zijn gebracht;
b)
de gemeenschapsregeling en met name artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1380/75 vereisen niet het bewijs, dat de goederen daadwerkelijk de binnenlandse markt hebben bereikt;
c)
zodra de waar is uitgevoerd, heeft de exporteur daarover geen controle meer en kan hij niet weten wat er verder mee gebeun.
Een en ander zou worden bevestigd door de arresten van het Hof van 18 september 1980 (zaak 795/79, Pesch, Jurispr. 1980, blz. 2705) en 1 oktober 1981 (zaak 196/80, Anglo-Irish Meat Company, Jurispr. 1981, biz. 2263). Uit deze arresten zou volgen dat het land van uitvoer, wanneer het als gemachtigde van de staat van invoer handelt en in zijn plaats de mcb's betaalt, zich niet mag bemoeien met de door de douane van die staat opgestelde documenten.
Dit betoog overtuigt mij niet. De Commissie stelt niet ten onrechte, dat het al te eenvoudig zou zijn om voor de oplossing van het onderhavige probleem uitsluitend uit te gaan van een letterlijke uitlegging van artikel 11 (volgens hetwelk, zoals bekend, de exporteur recht heeft op betaling van de mcb's, zodra hij het bewijs heeft geleverd dat de invoerformaliteiten zijn vervuld, en hij met name het T5-formulier heeft overgelegd), en om geen rekening te houden met wat daarna met de waar gebeurt, noch — zou ik eraan willen toevoegen — met de mogelijkheid dat de overgelegde documenten onbetrouwbaar zijn. De bepaling dient te worden uitgelegd met inachtneming van de volledige tekst waarvan zij deel uitmaakt, of, beter nog, van de gehele gemeenschapsregeling inzake mcb's.
Verordening nr. 1380/75 bevat een andere bepaling — het reeds aangehaalde artikel 16 — volgens welke de bevoegde autoriteit gerechtigd is met betaling van de mcb's te wachten wanneer „twijfel bestaat omtrent de juistheid van het voorgelegd dossier” en een onderzoek is ingesteld. Bedoelde autoriteit heeft dus zeker het recht om betaling te weigeren, wanneer het — niet slechts „ingestelde”, doch inmiddels reeds afgesloten — onderzoek het dubieuze karakter van het dossier heeft bevestigd. In een dergelijk geval is zij zelfs verplicht betaling te weigeren, aangezien de administratie gehouden is zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze zijn uitgevoerd (artikel 8 van verordening nr. 729/70).
Maar er is meer. Volgens's Hofs rechtspraak volgt uit het doel van de mcb's, namelijk tussen twee Lid-Staten met een verschillend prijspeil een onder bevredigende voorwaarden verlopend goederenverkeer mogelijk te maken, dat de betrokken regeling slechts van toepassing is indien a) het betrokken produkt zich daadwerkelijk in het handelsverkeer tussen die staten bevindt, en b) het verschil tussen het prijspeil in de uitvoerende Lid-Staat en dat in de invoerende Lid-Staat een economische factor vormt die het handelsverkeer tussen die staten daadwerkelijk beïnvloedt (arrest van 27 oktober 1981, zaak 250/80, Schuhmacher e. a., Jurispr. 1981, blz. 2465).
Indien dit het doel van de mcb's is, indien zij dienen om „de gevolgen van de schommelingen van onstabiele wisselkoersen te corrigeren, die in een op gemeenschappelijke prijzen gebaseerd systeem van marktordeningen voor landbouwprodukten tot verstoringen van het handelsverkeer kunnen leiden” (arrest van 15 oktober 1985, zaak 125/84, Continental Irish Meat, Jurispr. 1985, blz. 3441, r. o. 16), dan is het duidelijk dat zij slechts een reden van bestaan hebben, voor zover de goederen daadwerkelijk de markt van het invoerende land bereiken, omdat enkel in dat geval een koersschommeling van belang kan zijn. Gelijk advocaatgeneraal Capotorti in de zaak Schumacher heeft opgemerkt, impliceert het feit dat de inklaringsformaliteiten zijn vervuld, overigens op zich niet dat aan dit vereiste is voldaan. Vervulling van deze formaliteiten is noodzakelijk om het produkt in de staat van invoer in het verkeer te kunnen brengen, doch zolang niet aan de overige voorwaarden is voldaan en het produkt met name niet voor verbruik is bestemd, kan onmogelijk van aan verstoringen onderhevig handelsverkeer worden gesproken.
Het argument van Irish Grain, dat een interventiebureau dat krachtens een overeenkomst in de zin van artikel 2 bis van verordening nr. 974/71 mcb's betaalt, als gemachtigde van de invoerende staat handelt en zich derhalve niet aan zijn verplichtingen kan onttrekken, is bijgevolg ongegrond. Het Hof heeft immers in zijn arrest in de zaak Continental Irish Meat in verband met de door verzoekster in het hoofdgeding aangehaalde rechtspraak gepreciseerd, dat de rol die in het kader van het communautaire stelsel aan de interventiebureaus van de Lid-Staten is toebedeeld, uitgebreide bevoegdheden op het stuk van het beheer van dit stelsel omvat: in het bijzonder heeft het interventiebureau van een Lid-Staat, wanneer het handelt krachtens voornoemd artikel 2 bis, dezelfde bevoegdheden als bij de inning van bij de uitvoer van goederen uit die staat geheven mcb's.
Ten slotte lijkt mij de omstandigheid dat de onregelmatigheid aan onwettige gedragingen van een derde is toe te schrijven, irrelevant of — juister — inherent aan het risico dat de exporteur als handelaar loopt en waartegen hij zich zou kunnen beschermen door middel van een passende clausule in zijn contract met de koper van de waar.
4.
Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de last van het bewijs dat het produkt daadwerkelijk in de staat van invoer in het verkeer is gebracht, op de mcb-aanvrager dan wel op het interventiebureau rust. Zoals wij hebben gezien, moet volgens Irish Grain het antwoord op deze vraag in artikel 11 van verordening nr. 1380/75 worden gezocht. Volgens deze bepaling zou namelijk beslissend zijn, of een T5-formulier is overgelegd en de douane daarop het vereiste visum heeft aangebracht. Zodra deze formaliteiten zijn vervuld, zou de exporteur zich van zijn taak hebben gekweten en zou derhalve van hem niet meer het bewijs kunnen worden verlangd, dat de transactie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en regelmatig is verlopen.
Dit argument houdt echter geen rekening met artikel 16 dat, zoals gezegd, aan het interventiebureau de bevoegdheid toekent om een onderzoek in te stellen naar de regelmatigheid van de verrichtingen en de juistheid van de documenten. Mijns inziens is het immers evident dat, wanneer ondanks dit onderroek onzekerheid blijft bestaan, van de mcb-aanvrager de nodige ophelderingen en rectificaties kunnen worden geëist en met name het bewijs dat het produkt de markt van de staat van invoer heeft bereikt.
Evenmin kan worden gesteld, dat het tegendeel valt af te leiden uit het arrest van 5 december 1985 (zaak 124/83, Corman, Jurispr. 1985, blz. 3777), volgens hetwelk „wanneer de bevoegde autoriteiten zich op een inhoudelijke onjuistheid in [het T5-formulier] beroepen, zij het bewijs daarvan dienen te leveren” (r. o. 50). Het probleem stelt zich in de twee gevallen immers juist andersom. Terwijl in de onderhavige zaak geen betaling heeft plaatsgehad omdat de douanedocumenten na onderzoek ondeugdelijk zijn gebleken, had in de zaak Corman een gelijkaardige verificatie aan het licht gebracht dat de overgelegde documenten, op grond waarvan de bevoegde autoriteit verplicht was de door de verzoekende onderneming gestelde waarborg vrij te geven, in orde waren. Niet overtuigd door het resultaat van deze controle, had het interventiebureau evenwel een tweede onderzoek ingesteld, ten einde het betaalde bedrag terug te vorderen; het is dus logisch, dat het Hof de bewijslast bij het bureau legde.
5.
De derde en de vierde vraag strekken ertoe te vernemen, of in geval van te late betaling van mcb's rente is verschuldigd en in welke valuta de mcb's dienen te worden betaald. Ofschoon ik deze problemen op grond van vorenstaande conclusies buiten beschouwing zou kunnen laten, zal ik ze volledigheidshalve toch behandelen.
Met betrekking tot de derde vraag herinner ik eraan, dat het volgens 's Hofs vaste rechtspraak „aan de nationale rechter (staat) om... een regeling te treffen voor alle... bijkomende vraagstukken zoals de betaling van rente, zulks met toepassing van [zijn] nationale voorschriften inzake de rentevoet en het tijdstip vanwaaraf de rente moet worden berekend” (arresten van 21 mei 1976, zaak 26/74, Roquette, Jurispr. 1976, blz. 677, r.o. 12; en 12 juni 1980, zaak 130/79, Express Dairy Foods, Jurispr. 1980, blz. 1887, r. o. 17). Dit beginsel is gesteld in verband met de terugbetaling van ten onrechte geheven bedragen, doch het is duidelijk dat het algemene strekking heeft en derhalve van toepassing is telkens wanneer, gelijk in het geval van de mcb's, specifieke bepalingen ontbreken.
Voorts heeft de Commissie ter terechtzitting terecht opgemerkt, dat de nationale rechter rekening dient te houden met twee elementen: a) het reeds herhaaldelijk geciteerde artikel 16 van verordening nr. 1380/75 staat het interventiebureau toe met betaling te wachten, wanneer het er op grond van de resultaten van het onderzoek of op grond van de door de exporteur aangebrachte bewijzen niet van overtuigd is, dat de waar de markt van de staat van invoer heeft bereikt; b) de voorwaarden voor betaling mogen niet ongunstiger zijn dan die welke in gelijkaardige situaties op grond van het nationale recht gelden, noch van dien aard zijn dat zij de uitoefening van door de communautaire rechtsorde verleende rechten praktisch onmogelijk maken (arrest van 9 november 1983, zaak 199/82, San Giorgio, Jurispr. 1983, blz. 3595, r. o. 12).
Dan komen wij toe aan het probleem van de valuta. Zoals bekend, betalen de Lid-Staten de mcb's in hun eigen valuta op basis van de op de dag van de invoer geldende koers; is echter een overeenkomst gesloten krachtens artikel 2 bis van verordening nr. 974/71, dan mag deze regel niet zodanig worden toegepast dat de ondernemingen worden benadeeld. Hieruit volgt, dat in het door de Supreme Court aan het Hof voorgelegde geval ter voldoening van de mcb's een bedrag in Britse ponden moet worden uitbetaald, dan wel het equivalent daarvan in Ierse ponden, berekend volgens voornoemde koers.
Nu zou kunnen worden tegengeworpen dat deze oplossing weliswaar billijk is, doch in strijd is met hetgeen het Hof heeft gesteld in rechtsoverweging 17 van het arrest in de zaak Continental Irish Meat, namelijk dat artikel 2 bis slechts voor een administratieve vereenvoudiging van het mcb-stelsel zorgt, doordat de schulden en vorderingen van iedere exporteur op één rekening worden gebracht, die wordt bijgehouden door het interventiebureau van één Lid-Staat (in casu Ierland) en in de valuta van die staat (in casu Ierse ponden). Deze opwerping zou echter geen steek houden. Zoals gezegd, bepaalt artikel 2 bis dat „het... bedrag wordt omgerekend aan de hand van de contante wisselkoersen van de [respectieve] valuta's, ... geconstateerd gedurende een nader te bepalen periode”. Toen het Hof het over de valuta van het uitvoerende land had, kon het dus enkel doelen op het in die munteenheid uitgedrukte bedrag, dat eerst in de valuta van het invoerende land is berekend en vervolgens op basis van de op de dag van de invoer geldende koers is omgerekend.
6.
Op grond van het vorenoverwogene stel ik dat het Hof voor, de door de Ierse Supreme Court bij beschikking van 25 juni 1985 in het geding tussen Irish Grain Board (Trading) Ltd en de minister van Landbouw gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
1)
Een Lid-Staat die op grond van de gemeenschapsregeling mcb's moet betalen voor naar een andere Lid-Staat uitgevoerde goederen, kan weigeren ze te betalen, wanneer na een administratief onderzoek twijfel blijft bestaan of de goederen daadwerkelijk in de staat van invoer in het verkeer zijn gebracht, ook wanneer de douaneformaliteiten zijn vervuld, de T5-formulieren zijn overgelegd en de exporteur te goeder trouw heeft gehandeld.
2)
De last van het bewijs dat de uitvoerverrichtingen regelmatig zijn verlopen en dat de goederen daadwerkelijk voor verbruik zijn bestemd, rust op degene die de mcb's aanvraagt.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy