CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 12 juni 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het geval, dat zojuist vanuit het gezichtspunt der ontvankelijkheid is behandeld, is na alles wat wij gehoord hebben zo duidelijk en eenvoudig, dat ik daarover nu direct mijn opvatting kan geven.
2.
U herinnert zich waarover het gaat, namelijk over de vraag of op tijd beroep in rechte is ingesteld tegen het besluit van de jury van 7 januari 1985 om verzoeker niet tot het examen van vergelijkend onderzoek CC/A/1/84 toe te laten.
3.
Deze vraag zou op het eerste gezicht ontkennend moeten worden beantwoord, indien men zich uitsluitend aan dat gedeelte van de rechtspraak zou dienen te houden, volgens hetwelk een klacht tegen een besluit van een jury geen zin heeft en het enige rechtsmiddel in een dergelijk geval gelegen is in een rechtstreeks beroep op het Hof (zie de arresten van 14 juni 1972, zaak 44/71, Marcato, Jurispr. 1972, blz. 427; 14 juli 1983, zaak 144/82, Detti, Jurispr. 1983, blz. 2421; en 7 mei 1986, zaak 52/85, Rihoux e. a., Jurispr. 1986, blz. 1555). Volgens artikel 91 Ambtenarenstatuut is voor beroep op het Hof immers een termijn van drie maanden voorzien, terwijl in casu pas op 16 augustus 1985 beroep is ingesteld, dus meer dan zeven maanden nadat het betwiste besluit was genomen.
4.
Om te beginnen moet echter worden opgemerkt dat deze rechtspraak, die ervan uitgaat dat het tot aanstelling bevoegd gezag volledig machteloos staat tegenover een jury, zeker niet in absolute zin kan worden opgevat. Men kan zich namelijk zonder meer situaties voorstellen waarin het beslist zin heeft zich wegens onregelmatig gedrag van een jury onmiddellijk tot het tot aanstelling bevoegd gezag te wenden met een verzoek om tussenkomst (bij voorbeeld wanneer procedurefouten aan de dag treden, wanneer er sprake is van niet-inachtneming van de voorwaarden omschreven in de aankondiging, voor zover zulks geen waardeoordeel over de kandidaten impliceert, of wanneer bij een afwijzend besluit de motivering ontbreekt die volgens de rechtspraak is vereist).
5.
Van belang is ook, dat in de rechtspraak herhaaldelijk is beklemtoond dat, wanneer er toch een klacht is ingediend, dit ten gunste van de verzoeker in aanmerking moet worden genomen, en dat met name ir zaak 144/82 duidelijk is gesteld, dat in een dergelijk geval de beroepstermijn pas ingaai op de dag van kennisgeving van het naai aanleiding van de klacht genomen besluit
6.
In het onderhavige geval is dus beslissend, hoe de aan verzoeker toegezonden brief van 28 februari 1985 moet worden beoordeeld. Moet hij, zoals de Rekenkamer meent, daadwerkelijk als een besluit op de klacht worden beschouwd, dan is het stellig ook juist dat de beroepstermijn — vanaf die dag gerekend — al in mei en niet pas in augustus 1985 is verstreken en dat derhalve te laat beroep is ingesteld bij het Hof.
7.
Het is denkbaar dat in dit verband zou worden aangevoerd, dat de brief buiten beschouwing moet worden gelaten omdat hij misschien wel aan de jury kon worden toegeschreven, doch in geen geval uitging van het tot aanstelling bevoegd gezag, ofschoon verzoekers klacht juist tot dit laatste was gericht. Dit argument zou echter van weinig nut zijn ten betoge dat op tijd beroep is ingesteld, omdat in dat geval zou moeten worden aangenomen dat de brief van de president van de Rekenkamer van februari 1985 (houdende mededeling dat de klacht met een verzoek om antwoord aan de voorzitter van de jury was doorgestuurd) ook de mededeling inhield dat het tot aanstelling bevoegd gezag geen verdere maatregelen zou treffen, noch de klacht in behandeling zou nemen. Dit zou echter betekenen, daţ de beroepstermijn reeds eerder in februari 1985 is ingegaan.
8.
Verzoeker valt de stelling van de Rekenkamer dan ook niet vanuit die hoek aan. Hij betoogt veeleer, dat het bericht van 28 februari 1985 niet in aanmerking mag worden genomen, omdat het slechts door de secretaresse van de jury is ondertekend. Hij betwijfelt in dit verband, of zijn klacht wel door de volledige jury is behandeld. In ieder geval maakt hij er bezwaar tegen, dat uit de brief niet bleek dat de secretaresse in opdracht van of namens de voorzitter van de jury handelde, en dat (gelijk hij althans tijdens de schriftelijke behandeling heeft aangevoerd) geen schriftelijke bewijzen zijn aangebracht dat er daartoe een volmacht bestond.
9.
Ik kan verzoeker evenwel moeilijk volgen in deze redenering, noch de conclusie aanvaarden die hij daaruit afleidt, namelijk dat zijn klacht moet worden geacht na vier maanden stilzwijgend te zijn afgewezen (van welk tijdstip af gerekend dus op tijd beroep zou zijn ingesteld).
10.
De Rekenkamer heeft intussen door overlegging van een uittreksel uit de notulen genoegzaam bewezen, dat de jury verzoekers klacht heeft behandeld en op grond daarvan bij haar standpunt is gebleven, dat zij hem niet tot het examen kon toelaten. Het is derhalve duidelijk, dat verzoekers twijfel ongegrond is.
11.
Allereerst zou — en daartoe neig ik — de opvatting kunnen worden verdedigd, dat in de aanstelling van mevrouw Thill-De Kant tot secretaresse van de jury, die door niemand in twijfel wordt getrokken, de volmacht lag besloten om de jurybesluiten niet alleen te notuleren, maar ook aan de betrokkenen mee te delen.
12.
In het onderhavige geval behoeven wij echter geen dergelijke redenering te volgen. De notulen van de jury bevatten namelijk de uitdrukkelijke vermelding, dat de secretaresse van de jury was gemachtigd om het besluit van de jury aan de klagers, dus ook aan verzoeker, mede te delen.
13.
Voorts is duidelijk, juist omdat wij weten dat de jury daadwerkelijk een besluit op de klacht heeft genomen, dat in casu geen beroep kan worden gedaan op bepaalde uitspraken van het Hof in gevallen waarin het om de vraag ging, of er een beschikking van de Hoge Autoriteit bestond. Zoals bekend geldt volgens die rechtspraak een mededeling slechts als een beschikking, wanneer aan de uiterlijke vorm kenbaar is dat het om een door het college van de Hoge Autoriteit genomen besluit gaat, hetgeen enkel het geval is wanneer zij de handtekening van een lid van de Hoge Autoriteit draagt, doch niet wanneer zij de vorm heeft van een brief die door een ambtenaar in eigen naam en dus niet namens en vanwege de Hoge Autoriteit is ontertekend (zie de arresten van 22 maart 1961, gevoegde zaken 42 en 49/59, Société nouvelle des usines de Pontlieue — Aciéries du Temple (SNUPAT)/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1961, blz. 103, blz. 142; 5 december 1963, gevoegde zaken 35/62 en 16/63, Leroy/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1963, blz. 417, blz. 432; zelfde datum, gevoegde zaken 23, 24 en 52/63, Usines Émile Henricot e. a./Hoge Autoriteit, ibid., blz. 461, blz. 476; en 16 juni 1966, zaak 54/65, Compagnie des Forges de Châtillon, Commentry et Neuves-Maisons/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1966, blz. 230, blz. 244).
14.
In het onderhavige geval bleek uit de tekst van de brief, dat daarin de „opvatting van de jury” werd meegedeeld en dat de jury „haar besluit slechts [kon] bevestigen”.
15.
Daarom moet eerder worden gedacht aan een geval zoals beslist bij het arrest van 12 februari 1960 (gevoegde zaken 15 en 29/59, Société métallurgique de Knutange/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1960, blz. 11). In die zaak, waarin in antwoord op een verzoek om vrijstelling in het kader van de schrootvereveningsregcling in een door een ambtenaar van de Hoge Autoriteit ondertekende brief aan de betrokken onderneming was meegedeeld, dat de Hoge Autoriteit had vastgesteld dat geen vrijstelling kon worden verleend, leidde het Hof uit die omstandigheid af, dat „de Hoge Autoriteit een beschikking had gegeven, welke door middel van deze brief [was] betekend” (blz. 24). Of men zou kunnen denken aan de mededingingszaak behandeld in het arrest van 14 juli 1972 (zaak 48/69, Imperial Chemical Industries, Jurispr. 1972, blz. 619), waarin geen bezwaar werd gemaakt tegen de omstandigheid dat de mededeling van de punten van bezwaar door een ambtenaar van de Commissie was ondertekend. Beslissend daarbij was, dat vaststond dat die mededeling tevoren door het voor mededingingsvraagstukken bevoegde lid van de Commissie was goedgekeurd, zodat het slechts om een delegatie van de tekeningsbevoegdheid ging, die als maatregel betreffende de interne organisatie van de diensten niet mocht worden gekritiseerd.
16.
Niet in de laatste plaats mag in dit verband, namelijk met betrekking tot de vraag of op tijd beroep is ingesteld bij het Hof, niet uit het oog worden verloren dat volgens het stelsel van het Ambtenarenstatuut voor het verloop van peremptoire termijnen niet van belang is, of de betrokkene een regelmatig afschrift van het bezwarend besluit .in handen krijgt; het kan ook voldoende zijn, dat hij van een feitelijk bestaand besluit nauwkeurig kennis heeft gekregen (vgl. artikel 90, lid 2).
17.
Daar het echter buiten twijfel staat, dat verzoeker door de brief van 28 februari 1985 nauwkeurig kennis heeft gekregen van het besluit van de jury op zijn klacht, en ook vaststaat, dat in verband met de mededeling van een groot aantal beslissingen op correcte wijze tekeningsbevoegdheid is verleend aan de secretaresse van de jury, kan slechts worden geconcludeerd, dat de beroepstermijn is ingegaan door de toezending van het bericht van 28 februari 1985 en dat derhalve, wat het besluit van 7 januari 1985 betreft, te laat beroep bij het Hof is ingesteld.
18.
Tegelijk brengt dit de niet-ontvankelijkheid van het gehele beroep mee, omdat blijkbaar voor alle drie vorderingen van verzoeker het beslissende aanknopingspunt zijn niet-toelating tot het examen is. Bijgevolg behoeft ook niet te worden onderzocht, of een verzoek om een declaratoire uitspraak, zoals bedoeld in het eerste punt van verzoekers conclusies, volgens's Hofs procesrecht mogelijk is, noch of het Hof een bevel kan geven zoals bedoeld in het derde punt van die conclusies, dan wel of de beoordelingsvrijheid waarover de jury beschikt daaraan in de weg staat.
19.
Mitsdien kan ik het Hof slechts in overweging geven, het beroep met-ontvankelijk te verklaren. Wat de proceskosten betreft, kan in geen geval gevolg worden gegeven aan het verzoek van de Rekenkamer, maar moet ook in het onderhavige geval artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering worden toegepast, aangezien de situatie (die afdoende is verduidelijkt door de overlegging door de Rekenkamer van het uittreksel uit de notulen) niet van dien aard was, dat kan worden gesteld dat verzoeker door het instellen van beroep bij het Hof misbruik van procesrecht heeft gepleegd.
( *1 ) Vertaald uit hei Duits.
Full & Egal Universal Law Academy