Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het juridisch kader en het procesverloop
Voor het juridisch kader en het procesverloop in deze zaak verwijs ik naar mijn conclusie in de gevoegde zaken 260/85 en 106/86, Tokyo Electric Company ( TEC ).
Silver Seiko Ltd ( hierna : Silver Seiko ) is een Japanse onderneming, die schrijfmachines vervaardigt . In 1981 begon zij met de produktie en de verkoop van elektronische schrijfmachines . Silver Reed ( UK ) Ltd ( hierna : Silver Reed UK ) en Silver Reed International GmbH ( hierna : Silver Reed Germany ) zijn dochterondernemingen van Silver Seiko, die zich bezighouden met de verkoop en distributie in de Gemeenschap van door Silver Seiko in Japan vervaardigde elektronische schrijfmachines . Op de binnenlandse markt in Japan verkoopt Silver Seiko de elektronische schrijfmachines via haar dochteronderneming Silver Business Machines .
Bij de verordening houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht werd op de door Silver Seiko in Japan vervaardigde elektronische schrijfmachines een voorlopig
anti-dumpingrecht gelegd van 26,6 %. Bij de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht werd een definitief recht van 21 % opgelegd en werd bepaald, dat het voorlopig recht moest worden geïnd voor hetzelfde percentage .
Bij verzoekschrift, neergelegd op 6 september 1985, stelden Silver Seiko, Silver Reed UK en Silver Reed Germany ( hierna gezamenlijk Silver Seiko te noemen, tenzij de context een nadere precisering vereist ), beroep in tegen de Raad van de Europese Gemeenschappen ( zaak 273/85 ), waarin zij het Hof verzochten :
1 ) de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht in haar geheel of althans voor zover zij Silver Seiko betreft, nietig te verklaren;
2 ) subsidiair, de artikelen 1 en 2 van bedoelde verordening nietig te verklaren; meer subsidiair, artikel 1 van bedoelde verordening nietig te verklaren, voor zover daarbij een definitief anti-dumpingrecht wordt ingesteld op de elektronische schrijfmachines die Silver Seiko uitvoert naar en verkoopt in de Gemeenschap; meer subsidiair artikel 2 van bedoelde verordening nietig te verklaren, voor zover het bepaalt, dat de ingevolge de verordening over het voorlopig anti-dumpingrecht tot zekerheid gestelde bedragen definitief worden geïnd;
3 ) in elk geval de Raad te verwijzen in de kosten van Silver Seiko;
4 ) zulke andere maatregelen te gelasten als het Hof in goede justitie noodzakelijk acht .
Bij een tweede verzoekschrift van dezelfde datum ( zaak 273/85 R ) verzocht Silver Seiko in kort geding om de toepassing van de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht op te schorten . De president van het Hof heeft dit verzoek bij beschikking van 18 oktober 1985 afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden ( Jurispr . 1985, blz . 3475 ).
Vervolgens werd in januari 1986 het definitieve recht - en het bedrag voor de inning van het voorlopig recht -, dat op Silver Seiko van toepassing was, bij verordening nr . 113/86 verhoogd van 21 % naar 23 %. Bij verzoekschrift, neergelegd op 5 mei 1986, stelde Silver Seiko beroep in tot nietigverklaring van verordening nr . 113/86 . De middelen in deze nieuwe zaak ( zaak 107/86 ) zijn in wezen identiek aan die in zaak 273/85 . Beide zaken werden door het Hof bij beschikking van 25 februari 1987 gevoegd .
De Commissie en Cetma hebben geïntervenieerd aan de zijde van de Raad .
Tot staving van haar beroepen voert Silver Seiko een aantal middelen aan, onderverdeeld in de volgende rubrieken : 1 ) normale waarde, 2 ) uitvoerprijs, 3 ) vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, 4 ) schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap, 5 ) oplegging van definitieve anti-dumpingrechten, 6 ) definitieve inning van de voorlopige rechten, en 7 ) procedurefouten .
1 . Normale waarde
Met betrekking tot de normale waarde stelt Silver Seiko het volgende : 1 ) De wijze waarop de prijzen op de Japanse binnenlandse markt zijn vastgesteld in het kader van de bepaling van de normale waarde is onwettig en onjuist, omdat de binnenlandse prijzen van Silver Seiko geen prijzen waren "in het kader van normale handelstransacties", zoals omschreven in de basisverordening, en omdat de gebruikte binnenlandse prijzen geen "vergelijkbare prijzen" waren, zoals voorgeschreven in diezelfde verordening . 2 ) De aangenomen waarde is op onjuiste grondslag berekend . 3 ) De methode van winstberekening voor de samenstelling van de aangenomen waarde is onwettig, discriminerend en onjuist, omdat deze methode strijdig is met de basisverordening, omdat Silver Seiko is gediscrimineerd ten opzichte van andere Japanse ondernemingen en omdat voor de berekening van Silver Seiko' s winst onjuiste cijfers zijn gebruikt .
Naar mijn mening mochten de instellingen als regel aannemen ( vgl . de vierde overweging van de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht ), dat de normale waarde op grond van de binnenlandse verkoopprijzen moet worden bepaald, indien de verkopen op de binnenlandse markt meer dan 5 % van de omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap bedragen . Met toepassing van die regel baseerden zij de normale waarde van sommige modellen van Silver Seiko op de binnenlandse prijs . Zij gebruikten daarvoor niet de binnenlandse prijs van Silver Seiko Ltd, maar die van haar verkoopmaatschappij Silver Business Machines, omdat dit de prijs was waartegen voor de eerste maal aan een onafhankelijke afnemer werd doorverkocht . Om de redenen die ik reeds heb genoemd in mijn conclusies in de zaak TEC en in de gevoegde zaken 277 en 300/85 ( Canon ), is deze benadering naar mijn mening in overeenstemming met artikel 2, leden 3, sub a, en 7, van de basisverordening .
Het argument van Silver Seiko, dat haar verkoopmaatschappij in Japan en haar verkoopmaatschappijen in de Gemeenschap in verschillende handelsstadia verkochten, is ongegrond . In beide gevallen is de eerste verkoop aan een onafhankelijke afnemer genomen en uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt niets van een wezenlijk verschil tussen de categorieën kopers op beide markten . Silver Seiko zoekt steun bij het argument, dat er in Japan gemiddeld minder machines werden verkocht dan in de Gemeenschap . Gesteld al dat dit waar zou zijn, dan heeft dit niets te maken met de "vergelijkbaarheid" in de zin van artikel 2, lid 3, sub a, van de basisverordening, maar met verschillen in hoeveelheden, waarvoor op grond van artikel 2, leden 9 en 10, correcties mogelijk zijn . Om dergelijke correcties had Silver Seiko inderdaad verzocht, maar zij slaagde er niet in te voldoen aan de voorwaarden, die met name in artikel 2, lid 10, sub b, i, zijn genoemd; de gemeenschapsautoriteiten hadden derhalve mijns inziens het volste recht om dit verzoek af te wijzen .
Wat de modellen betreft, waarvoor de normale waarde werd samengesteld, bestrijdt Silver Seiko de in de vijftiende overweging van de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht beschreven methode, volgens welke het doel van de samenstelling van de normale waarde is "om tot een normale waarde te komen alsof de verkopen op de binnenlandse markt hadden plaatsgevonden ". Om de in mijn conclusie in de zaak TEC genoemde redenen, beschouw ik dit als een geoorloofde methode . Het argument van Silver Seiko, dat de gemeenschapsinstellingen met deze methode zijn afgeweken van een praktijk die zou zijn gevestigd in de verordeningen betreffende de invoer van bepaalde garens van katoen van oorsprong uit Turkije, moet worden verworpen om de redenen die ik in mijn conclusies in de zaken TEC en Canon heb uiteengezet . Silver Seiko' s argument, dat de gemeenschapsautoriteiten onjuist hebben gehandeld door de normale waarde samen te stellen aan de hand van de prijzen van de binnenlandse distributeur en daarbij diens verkoop - en administratiekosten en andere algemene uitgaven mee te rekenen, moet eveneens worden verworpen om de in mijn conclusie in de zaak TEC genoemde redenen .
De gemeenschapsautoriteiten moesten op grond van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening in de aangenomen waarde van de betrokken modellen een redelijk bedrag voor winst opnemen . Anders dan Silver Seiko beweert, mochten de gemeenschapsautoriteiten voor dit doel gebruik maken van de verkoopprijzen van Silver Bussiness Machines in plaats van die van Silver Seiko, en de gecombineerde winstmarges van deze twee maatschappijen nemen in plaats van enkel die van Silver Seiko . In mijn conclusies in de zaken Canon en TEC heb ik deze mening nader toegelicht . Zoals ik reeds zei, is Silver Seiko er volgens mij niet in geslaagd aan te tonen, dat de verkopen van Silver Business Machines in een ander handelsstadium plaatsvonden dan die van Silver Seiko' s dochterondernemingen in de Gemeenschap . Silver Seiko heeft dus niet bewezen, dat de gebruikte berekeningsmethode inderdaad onjuist was . Bovendien moet haar argument, dat het gebruik van die methode inbreuk maakt op het rechtszekerheidsbeginsel, worden verworpen om de redenen die in mijn conclusie in de zaak TEC zijn genoemd .
Voor drie van de betrokken exporteurs ( Silver Seiko, Canon en Brother ) werd vastgesteld, dat de afzet van bepaalde modellen op de binnenlandse markt te klein was om de normale waarde op de binnenlandse prijs te kunnen baseren, en in die gevallen werd de winstmarge, in verhouding tot de kosten, bepaald op 61,27 % voor Silver Seiko, op 47,92 % voor Canon en op 71,18 % voor Brother . De gemeenschapsautoriteiten gebruikten vervolgens deze respectieve winstmarges voor het samenstellen van de normale waarde van de overige modellen van die exporteurs . Het gebruik van deze winstmarges was naar mijn mening redelijk, - zoals de basisverordening vereist en zoals ook wordt gezegd in overweging 16 van de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht -, omdat de meest reële winstmarge op Silver Seiko' s modellen, waarvoor de normale waarde moest worden samengesteld, de marge was die Silver Seiko realiseerde op die modellen, die op de thuismarkt wél in voldoende aantallen werden verkocht om de normale waarde op de binnenlandse prijs te kunnen baseren . Voor exporteurs, die niet voldoende op de binnenlandse markt verkochten, zoals TEC en Sharp, hebben de gemeenschapsautoriteiten de laagste van de drie marges ( 47,92 %) als winstmarge genomen bij de samenstelling van de normale waarde . Dat is geen discriminatie, zoals Silver Seiko beweert, want de betrokken exporteurs verkeerden elk in een andere situatie : in het geval van Silver Seiko kon de eigen winstmarge van de groep worden gebruikt, terwijl exporteurs in de situatie van TEC en Sharp geen bruikbare respresentatieve winstmarge hadden . Bovendien meen ik, dat de gemeenschapsautoriteiten bevoegd waren om de laagste van de drie geconstateerde winstmarges te kiezen als "redelijk" bedrag voor winst in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de basisverordening . Zij waren naar mijn mening niet verplicht om, zoals Silver Seiko beweert, het gemiddelde van deze drie marges te gebruiken .
Silver Seiko voert aan, dat de gemeenschapsautoriteiten bij het berekenen van de winst voor de modellen waarvan de normale waarde moest worden samengesteld, geen algemene kosten van de distributeur Silver Business Machines hebben afgetrokken, maar enkel die van de moedermaatschappij Silver Seiko Ltd . Zouden die kosten evenwel van de winst zijn afgetrokken, dan hadden zij moeten worden toegevoegd aan de produktiekosten die in de aangenomen normale waarde zijn meegerekend, en zou het eindresultaat volgens mij niet anders zijn uitgevallen . Aangezien dit argument dus geen verandering van de aangenomen normale waarde meebrengt, kan het geen grond opleveren voor nietigverklaring .
Derhalve dienen alle middelen van Silver Seiko met betrekking tot de normale waarde te worden verworpen .
2 . De uitvoerprijs
Onder de rubriek uitvoerprijs voert Silver Seiko aan, 1 ) dat er van haar verkoopprijzen in de Gemeenschap buitensporig hoge winsten zijn afgetrokken en 2 ) dat de algemene kosten die van de verkoopprijzen in de Gemeenschap zijn afgetrokken, hoger zijn dan de werkelijke kosten .
In overweging 23 van de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht staat : "de prijzen bij uitvoer werden ten slotte gecorrigeerd met een winstmarge voor de verbonden importeur van 5 %, hetgeen redelijk werd geacht gezien de winstmarges die door onafhankelijke importeurs van het betrokken produkt worden gehanteerd ". Silver Seiko bestrijdt de voor onafhankelijke importeurs aangenomen winstmarge niet, maar stelt wel, dat in plaats van dat cijfer het winstpercentage van haar dochterondernemingen in de Gemeenschap had moeten worden gebruikt . Aangezien de prijs die de moedermaatschappij Silver Seiko aan haar dochterondernemingen in de Gemeenschap berekende, echter op grond van artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening buiten beschouwing dient te blijven, kan de winst, die deze dochteronderneming bij doorverkoop maakt eveneens ter zijde worden gelaten . Omdat de exporteur en de importeur geassocieerd waren, mochten de gemeenschapsautoriteiten op grond van die bepaling de uitvoerprijs samenstellen met inbegrip van een redelijk bedrag voor winst . Het lijkt mij, dat de winstmarge die voor onafhankelijke importeurs is vastgesteld, een voor dit doel redelijke is en dat het middel van Silver Seiko dus moet worden verworpen .
Wat de "redelijke marge voor algemene kosten" betreft, waarmee op grond van artikel 2, lid 8, sub b, bij het samenstellen van de uitvoerprijs rekening moet worden gehouden, voert Silver Seiko aan, dat de algemene kosten van haar Europese dochterondernemingen hadden moeten worden toegerekend zowel aan elektronische schrijfmachines als aan andere door deze ondernemingen verkochte typen kantoormachines, met als basis het aantal verkochte eenheden en niet de omzet . Artikel 2, lid 11, van de basisverordening bepaalt evenwel, dat over het algemeen "proportioneel" moet worden toegerekend "aan de omzet van elk betrokken produkt en van elke betrokken markt ". In casu hebben de gemeenschapsautoriteiten deze regel toegepast . De Raad heeft verklaard, dat de gemeenschapsautoriteiten van deze algemene regel mogen afwijken, wanneer zij ervan overtuigd zijn, dat een specifieke toerekening nauwkeuriger weergeeft welke kosten zijn gemaakt, maar dat zij daarvoor in dit geval geen aanleiding zagen . Silver Seiko' s voornaamste argument in dit verband is, dat de toepassing van de algemene regel voor haar minder voordelig is dan de toepassing van de door haar voorgestelde alternatieve methode, maar dit argument is niet sterk genoeg om afwijking van de algemene regel te rechtvaardigen . Voor het overige heeft Silver Seiko naar mijn mening niet aangetoond, dat een speciale toerekening noodzakelijk was; de gemeenschapsautoriteiten hadden derhalve het recht de algemene regel van artikel 2, lid 11, toe te passen . Het middel van Silver Seiko faalt dus .
3 . Vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs
In dit verband stelt Silver Seiko het volgende : 1 ) Correcties voor verschillen in handelsstadium werden ten onrechte geweigerd . 2 ) Correcties voor verschillen in hoeveelheden werden ten onrechte geweigerd . 3 ) Correcties voor verschillen in verkoopvoorwaarden werden ten onrechte geweigerd . 4 ) Bij de vergelijkingen werden verschillende methodes door elkaar gebruikt, de vergelijkingen werden niet voor hetzelfde tijdstip verricht en niet transactiegewijze .
Al het aangevoerde bewijsmateriaal overziende, ben ik van mening, dat Silver Seiko er niet in is geslaagd om de onjuistheid aan te tonen van de conclusie in de laatste alinea van overweging 25 van de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht, waarin staat dat "zowel de binnenlandse verkopen als de uitvoer op dezelfde categorieën klanten gericht zijn ". Om deze reden en om de redenen die ik in mijn conclusies in de zaken TEC en Canon heb genoemd, meen ik, dat het middel van Silver Seiko met betrekking tot het handelsstadium moet worden verworpen .
Wat de correcties voor verschillen in hoeveelheden betreft, bepaalt artikel 2, lid 10, sub b, i, onder meer het volgende : "Indien de uitvoerprijs en de normale waarde niet met elkaar vergelijkbaar zijn voor wat betreft ( onder meer hoeveelheden ), wordt voor elk geval, naar gelang van de bijzondere kenmerken ervan, naar behoren rekening gehouden met de verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen . Indien een belanghebbende partij verzoekt een dergelijk verschil in aanmerking te nemen, moet zij bewijzen dat dit verzoek gerechtvaardigd is .
De volgende richtlijnen gelden hierbij : verschillen in hoeveelheden : correcties worden toegepast wanneer een prijsverschil geheel of gedeeltelijk is toe te schrijven : i ) aan prijskortingen voor grote hoeveelheden die in het kader van normale handelstransacties gedurende een representatieve voorafgaande periode, gewoonlijk niet minder dan zes maanden, plachten te worden verleend voor een aanzienlijk deel, gewoonlijk niet minder dan 20 %, van de totale verkoop van het betreffende produkt op de binnenlandse markt ." Op grond van deze bepaling had Silver Seiko om dergelijke correcties moeten verzoeken en haar verzoek moeten funderen . Bovendien had zij moeten aantonen, dat de prijsverschillen waren "toe te schrijven" aan prijskortingen voor grote hoeveelheden . Wanneer een prijsverschil in feite aan dumping is toe te schrijven, ware het in strijd met het doel van de basisverordening om daarin dan prijskortingen voor grote hoeveelheden te zien en dat verschil daarom uit de elementen van de vergelijking te elimineren . De gedetailleerde richtlijnen in artikel 2, lid 10, sub b, i, zijn volgens mij bedoeld om te verzekeren, dat er alleen correcties kunnen worden aangebracht wanneer er werkelijk sprake is van prijskortingen voor grote hoeveelheden .
Silver Seiko beroept zich op prijskortingen die zij voor twee van haar modellen aan een speciale klant in Japan heeft gegeven . Noch gedurende het onderzoek, noch tijdens deze procedure heeft Silver Seiko evenwel daadwerkelijk kunnen bewijzen, dat die prijskortingen "in het kader van normale handelstransacties ... plachten te worden verleend", zoals artikel 2, lid 10, sub b, i, eist . Er is niet gebleken, dat er een systeem van prijskortingen voor grote hoeveelheden bestond of dat deze kortingen algemeen bekend waren en voor iedere potentiële koper golden . Silver Seiko heeft dus niet aan de in artikel 2, lid 10, sub b, i, genoemde voorwaarden voldaan en het middel betreffende correcties voor verschillen in hoeveelheden faalt derhalve .
Wat de verschillen in verkoopvoorwaarden betreft, stelt Silver Seiko, dat haar ten onrechte correcties zijn geweigerd voor 1 ) de financieringskosten van de "voorraden" van Silver Business Machines, en 2 ) de kosten van kredietverlening door Silver Business Machines aan kopers in Japan . De gemeenschapsautoriteiten hebben echter wel een correctie toegepast voor de kredietverlening aan kopers in Japan . Er is rekening gehouden met een tamelijk lange krediettermijn, maar deze had volgens Silver Seiko nog langer moeten zijn . ( De precieze cijfers zijn confidentieel ). De kosten van de resterende krediettermijn en van de voorraadfinanciering stonden niet aantoonbaar in rechtstreeks verband met de betrokken verkopen, zoals artikel 2, lid 10, sub c, van de basisverordening vereist, en zijn daarom terecht buiten beschouwing gelaten . Silver Seiko vindt, dat zij wel in aanmerking hadden moeten worden genomen, omdat soortgelijke uitgaven zijn afgetrokken bij de vaststelling van de prijs bij uitvoer naar de Gemeenschap . Deze gedachte gaat er echter van uit, dat de normale waarde en de uitvoerprijs op identieke wijze moeten worden berekend, wat niet het geval is, zoals blijkt uit de kogellagerarresten en uit mijn conclusies in de zaken TEC en Canon . Het middel van Silver Seiko betreffende correcties voor verschillen in verkoopvoorwaarden faalt derhalve .
Artikel 2, lid 13, sub b, bepaalt : "Wanneer de prijzen variëren, kan de marge van dumping worden vastgesteld per transactie of uitgaande van de meest toegepaste, representatieve of gewogen gemiddelde prijzen ". Er wordt dus duidelijk niet gesteld, dat de normale waarde en de uitvoerprijs uitsluitend op transactie-basis mogen worden vergeleken . Overweging 27 van de verordening over het definitieve recht zegt : "de normale waarde werd in het algemeen met de prijzen bij uitvoer per afzonderlijke transactie vergeleken ". Uit het gebruik van de woorden "in het algemeen" blijkt duidelijk, dat de Raad niet beweert, dat alle vergelijkingen transactiegewijze werden gemaakt . Voor Silver Seiko is dit niet gedaan, maar werd vergeleken op basis van gewogen gemiddelden . Naar mijn mening is die vergelijkingsmethode in overeenstemming met artikel 2, lid 13, sub b, van de basisverordening en, anders dan wat Silver beweert, wel degelijk aangegeven in overweging 27 van de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht .
Silver Seiko klaagt ook, dat voor de uitvoerprijzen het gewogen gemiddelde op maandbasis en voor de normale waarde op jaarbasis was berekend, wat in strijd is met de bepaling in artikel 2, lid 9, van de basisverordening, dat "de uitvoerprijs en de normale waarde normaliter worden ... vergeleken ... op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data ". Inderdaad schijnt één enkele normale waarde te zijn vastgesteld voor de gehele referentieperiode ( van één jaar ), terwijl de uitvoerprijzen over diezelfde periode per maand werden berekend . Elke maandelijkse uitvoerprijs werd echter met de normale waarde vergeleken, de verschillen werden gewogen naar de per maand verkochte hoeveelheden en er werd een jaargemiddelde verkregen . De uitvoerprijzen en de normale waarde betroffen derhalve dezelfde periode van twaalf maanden, zodat het middel van Silver ongegrond is .
Bijgevolg moeten alle middelen van Silver Seiko met betrekking tot de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs naar mijn mening worden verworpen .
4 . De schade aan de communautaire bedrijfstak
Dienaangaande betoogt Silver het volgende : 1 ) Het gehele onderzoek naar de schade is ongeldig, omdat bij de vaststelling van de schade niet de communautaire producenten buiten beschouwing zijn gelaten, die zelf zogenaamd gedumpte produkten hadden geïmporteerd . 2 ) Het onderzoek naar de schade is niet naar behoren verricht zoals de basisverordening verlangt, omdat de in artikel 4, lid 2, van de basisverordening aangegeven schadefactoren niet goed zijn geanalyseerd, omdat het door de Commissie en de Raad gebruikte stelsel van "streefprijzen" geen geschikte basis is om schade vast te stellen, en omdat de eventueel door de communautaire bedrijfstak geleden schade is veroorzaakt door andere factoren dan dumping door Silver Seiko; daarom is de beweerde schade ten onrechte aan Silver Seiko toegeschreven .
Ik verwerp al deze middelen betreffende de schade om de redenen die ik in mijn conclusies in de zaken Canon en TEC heb genoemd .
5 . Oplegging van definitieve anti-dumpingrechten
Silver Seiko stelt het volgende : 1 ) Door het bedrag van het definitieve recht vast te stellen op het volgens het zogenoemde stelsel van "streefprijzen" berekende niveau van de beweerde schade, zijn de rechten hoger uitgevallen dan op grond van de werkelijke dumpingmarge of schade gerechtvaardigd zou zijn geweest; bovendien is de hoogte van de rechten onvoldoende gemotiveerd . 2 ) Het feit dat definitieve rechten wél aan verzoeksters, maar niet aan Nakajima zijn opgelegd, vormt een onwettige discriminatie .
Beide middelen falen om de redenen die ik in mijn conclusies in de zaken Canon en TEC heb uiteengezet .
6 . Definitieve inning van de voorlopige rechten
Silver Seiko keert zich tegen de definitieve inning van de voorlopige rechten, op grond dat voorlopige rechten een maximale geldigheidsduur hebben van vier of zes maanden en dat zij vóór het verstrijken van de geldigheidsduur definitief moeten worden geïnd .
Artikel 11, lid 5, van de basisverordening bepaalt : "De voorlopige rechten hebben een maximale geldigheidsduur van vier maanden . Indien de exporteurs wier uitvoer een aanzienlijk percentage van de betrokken handel vertegenwoordigt daarom verzoeken of, nadat de Commissie het voornemen daartoe bekend heeft gemaakt, geen bezwaar maken, kan de geldigheidsduur van de voorlopige anti-dumpingrechten echter nog met twee maanden worden verlengd ." Artikel 11, lid 7, bepaalt : "Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorlopige rechten wordt de waarborg zo spoedig mogelijk vrijgegeven, voor zover de Raad niet heeft besloten tot definitieve inning ervan ." Silver Seiko stelt nu, dat de geldigheidsduur van de verordening over het voorlopige recht verstreek ofwel op 22 april 1985, zoals in de verordening zelf was bepaald, ofwel - ten gevolge van de verlenging bij verordening nr . 1015/85 ( PB 1985, L 108, blz . 18 ) - op 22 juni 1985 en dat, aangezien de verordening over het definitieve recht pas op 23 juni 1985 in werking trad, de voorlopige rechten niet meer rechtsgeldig konden worden geïnd, omdat de geldigheidsduur ervan was verstreken .
Dit argument ziet echter voorbij aan de werking van verordening nr . 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs - en vervaltijden ( PB 1971, L 124, blz . 1 ). Op grond van deze verordening, met name de artikelen 3 en 4 ervan, zijn de betrokken handelingen van de Raad en de Commissie in werking getreden als volgt : 1 ) de verordening over het voorlopige anti-dumpingrecht trad krachtens artikel 3 ervan in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad, dat wil zeggen op 23 december 1984 om 0.00 uur . Haar geldigheidsduur verstreek op 23 april 1985 om 24.00 uur ( dat wil zeggen bij het verstrijken van het laatste uur van de dag die op dezelfde datum viel als de dag van inwerkingtreding ). 2 ) Verordening nr . 1015/85 van de Raad ( met corrigendum in PB 1985, L 112, blz . 59 ) trad krachtens artikel 2 ervan in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad, dat wil zeggen op 21 april 1985 om 0.00 uur, en verlengde de geldigheidsduur van de voorlopige anti-dumpingrechten voor een tijdvak van twee maanden, te rekenen vanaf 23 april om 0.00 uur ( de datum genoemd in artikel 2 zoals gecorrigeerd ), tot 23 juni 1985 om 24.00 uur ( dat wil zeggen tot het einde van het laatste uur van de dag die op dezelfde datum viel als de dag waarop het tijdvak begon ). 3 ) De verordening over het definitieve anti-dumpingrecht trad krachtens artikel 3 ervan in werking op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad, dat wil zeggen op 23 juni 1985 om 0.00 uur . Op die datum en dat tijdstip trad dus het besluit van de Raad om de voorlopige rechten definitief te innen, in werking en op die datum en op dat tijdstip was de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht, anders dan Silver Seiko beweert, nog steeds van kracht .
In dit licht bezien kan in het midden blijven, of de woorden "heeft besloten tot definitieve inning ervan" in artikel 11, lid 7, van de basisverordening betrekking hebben op de datum waarop de Raad de beslissing neemt, dan wel op de datum waarop de handeling die de beslissing belichaamt in werking treedt . Hoewel voor beide opvattingen iets is te zeggen, lijkt mij op het eerste gezicht de eerste de meest waarschijnlijke .
Silver Seiko stelt ook, dat de Raad de geldigheidsduur van de voorlopige rechten niet op grond van artikel 11, lid 5, van de basisverordening had mogen verlengen, omdat zij daartegen bezwaar had gemaakt . Het blijkt echter, dat enkel Brother en Silver Seiko tegen de verlenging bezwaar maakten, terwijl de overige betrokken exporteurs dat niet deden of die verlenging zelfs goedkeurden . Die overige exporteurs vertegenwoordigen volgens mij onmiskenbaar "een aanzienlijk percentage van de betrokken handel", zodat de voorwaarde van artikel 11, lid 5, anders dan Silver Seiko beweert, in feite was vervuld .
Ik meen dan ook, dat Silver Seiko' s middelen betreffende de definitieve inning van de voorlopige rechten geen doel treffen .
7 . Procedurefouten
Ten slotte klaagt Silver Seiko erover, dat zij niet in dezelfde mate als andere betrokkenen toegang heeft gekregen tot informatie en evenmin dezelfde kansen om op - of aanmerkingen te maken, en dat de rechten van de verdediging zijn geschonden .
Bij deze argumenten moet worden bedacht, dat de procedure in anti-dumpingonderzoeken zeer gedetailleerd is geregeld in de artikelen 7 en 8 van de basisverordening . Artikel 7, lid 4, sub c, iii, van de basisverordening zegt : "De gegevens mogen normaliter niet later worden verstrekt dan vijftien dagen vóór de indiening door de Commissie van een voorstel voor definitieve maatregelen ingevolge artikel 12 . Op - of aanmerkingen die worden ingediend nadat de gegevens zijn verstrekt, worden alleen dan in aanmerking genomen wanneer zij worden ontvangen binnen een door de Commissie, met inachtneming van de urgentie van de zaak, per geval vast te stellen termijn die ten minste tien dagen bedraagt ." Het blijkt, dat in dit geval het bedrag van het recht aan alle exporteurs op dezelfde datum, namelijk op 6 mei 1985, per telex officieel is bekendgemaakt en dat voor iedereen dezelfde uiterste antwoorddatum was vastgesteld, namelijk 17 mei 1985, dus tien dagen later . Het voorstel voor de invoering van de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht is op 24 mei 1985 aan de Raad gestuurd . De exporteurs zijn dus achttien dagen vóór de indiening van het voorstel geïnformeerd . Daaruit volgt naar mijn mening, dat de Commissie in casu aan de in artikel 7, lid 4, sub c, iii, genoemde voorwaarden heeft voldaan .
Silver Seiko klaagt echter ook, dat een andere exporteur, namelijk Canon, vóór het telexbericht van 6 mei 1985 en zelfs nog vóór de informatiebijeenkomst van 25 april 1985 een aanzienlijke hoeveelheid gegevens had gekregen over dumpingberekeningen, dumpingmarges en de methode die de Commissie ter bepaling van de schade wilde gebruiken, terwijl Silver Seiko die informatie pas kreeg bij het telexbericht van 6 mei 1985 . Silver Seiko beweert, dat Canon door deze gang van zaken meer tijd had om haar reactie voor te bereiden, en dit acht zij in strijd met het gelijkheidsbeginsel .
Ik geef toe, dat in anti-dumpingzaken onder omstandigheden een beroep kan worden gedaan op de algemene beginselen van een eerlijke procedure, ook al zijn de uitdrukkelijke procedureregels van de basisverordening gerespecteerd, maar dan moet eerst worden aangetoond, in welk opzicht deze regels in het gewraakte geval tekortschieten . Daarin is Silver Seiko volgens mij niet geslaagd . Zij beaamt zelf, dat moeilijk valt te beoordelen in hoeverre de gewraakte handelingen haar ten opzichte van Canon hebben benadeeld en zegt daarover : "Dit gemis aan tijd en informatie valt niet te concretiseren ." Inderdaad! Bovendien moet naar de feitelijke context worden gekeken . Hoe gewenst het ook moge zijn, dat de gemeenschapsautoriteiten aan alle exporteurs gelijke kansen bieden om op de hun verstrekte gegevens te reageren, in de praktijk is het voor hen niet altijd mogelijk, - met name niet in een omvangrijke procedure als de onderhavige - alle betrokken partijen tegelijkertijd rond de tafel te krijgen of de gegevens op hetzelfde moment te verstrekken . Naar mijn mening heeft Silver Seiko niet aangetoond, dat de gewraakte gang van zaken een werkelijke schending van het gelijkheidsbeginsel - als dit het beginsel is, dat in deze context in aanmerking komt - of van een ander beginsel van eerlijke procedure oplevert .
Silver Seiko beklaagt zich erover, dat het voor haar moeilijk was geweest om geschikte data te vinden voor een afspraak met Commissieambtenaren . Deze grief is in zijn algemeenheid geen grond voor nietigverklaring . Silver Seiko haalt als voorbeeld een geval aan, waarin de Commissie haar raadsman zou hebben geweigerd het dossier in te zien . Het schijnt echter, dat zich in de Commissiearchieven geen verzoek bevindt, waarop niet is geantwoord, maar dat als een vertegenwoordiger van een van de exporteurs zich onverwacht ten kantore van de Commissie aandiende om een dossier te raadplegen, dit is geweigerd . Artikel 7, lid 4, sub c, i, van de basisverordening eist, dat dergelijke verzoeken schriftelijk worden gedaan, en het schijnt dan gebruikelijk om een wederzijds passende afspraak te maken . Ik ben dan ook van mening, dat de klacht van Silver Seiko ongegrond is .
Silver Seiko klaagt vervolgens, dat haar op een aantal punten met betrekking tot de vaststelling van de schade informatie is onthouden . Zij had namelijk verzocht om details over de omvang van de invoer in de Gemeenschap uit Zweden, Zwitserland, Singapore en de Verenigde Staten, maar kreeg slechts de cijfers voor de VS en Singapore en dan nog in zodanige vorm, dat geen onderscheid kon worden gemaakt tussen de omvang van de invoer uit Singapore en die uit de VS . De Raad stelt onweersproken, dat als Silver Seiko deze informatie had gebruikt en afgezet tegen de in de overwegingen 31 en 32 van de verordening over het voorlopige recht genoemde cijfers, zij het totaalcijfer van de invoer uit Zweden en Zwitserland zelf had kunnen uitrekenen . De klacht van Silver Seiko komt er dus op neer, dat zij geen aparte cijfers voor elk van de betrokken landen heeft gekregen . Het is duidelijk, dat zulke cijfers belangrijke commerciële informatie betreffen, zodat de gemeenschapsautoriteiten daarmee voorzichtig dienden om te gaan conform het in artikel 8 bepaalde omtrent de vertrouwelijkheid . Met de betrokken cijfers moest in het bijzonder vertrouwelijk worden omgegaan, omdat zij betrekking hadden op maar één onderneming in Zweden, één in Zwitserland, één in Singapore en op maar twee in de Verenigde Staten . Daarom werd deze informatie mijns inziens terecht op grond van artikel 8 van de basisverordening niet gegeven .
Silver Seiko voert ook aan, dat zij geen informatie heeft gekregen over eerdere en toekomstige investeringsplannen van de producenten in de Gemeenschap . Naar het schijnt, hebben de gemeenschapsautoriteiten Silver Seiko tijdens een bijeenkomst op 10 januari 1985 echter uitgelegd, dat de details over investeringen per sector van zeer gevoelige en vertrouwelijke aard waren en dat openbaarmaking daarvan de betrokken producenten schade zou kunnen berokkenen . Volgens mij was het volledig juist om die informatie op grond van artikel 8 van de basisverordening niet openbaar te maken .
In verband met de vaststelling van de streefprijzen voert Silver Seiko aan, dat haar is geweigerd om haar een per model, per onderneming en per land uitgewerkt overzicht te geven van de door de Commissie bij haar onderzoek verrichte vergelijkingen tussen de modellen van Silver Seiko en die van producenten in de Gemeenschap . Aan de hand van dergelijke informatie zou Silver Seiko echter de produktiekosten van iedere producent in de Gemeenschap hebben kunnen uitrekenen . Zulke informatie is duidelijk vertrouwelijk in de zin van artikel 8 van de basisverordening en is naar mijn mening op grond van die bepaling terecht niet gegeven .
Ten slotte klaagt Silver, dat is geweigerd om haar in te lichten over de methode waarop de streefprijzen voor elk van verzoeksters zijn berekend . Deze methode blijkt echter tijdens de informatiebijeenkomst van 25 april 1985 wel bekend te zijn gemaakt en er is toen op gewezen, dat de individuele kosten - en winstcijfers zeer vertrouwelijk waren en dat openbaarmaking daarvan schadelijk voor de producenten in de Gemeenschap zou kunnen zijn . Vervolgens vermeldden de gemeenschapsautoriteiten in hun telexbericht van 6 mei 1985 de algemene winstmarge die zij voor de berekening van de streefprijzen hadden gebruikt . Het lijkt mij, dat de gemeenschapsautoriteiten zodoende alle informatie hebben verstrekt, waartoe zij met in achtneming van artikel 8 van de basisverordening gerechtigd waren .
Bijgevolg acht ik alle grieven van Silver Seiko met betrekking tot de beweerde procedurefouten ongegrond .
Zaak 107/86
De Raad heeft aangevoerd, dat Silver Seiko' s tweede beroep ( zaak 107/86 ) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, of althans dat Silver Seiko in ieder geval in de kosten moet worden verwezen, omdat het beroep overbodig is . Om de redenen die ik in mijn conclusie in de zaak TEC heb gegeven met betrekking tot TEC' s tweede beroep ( zaak 106/86 ), meen ik daarentegen, dat Silver Seiko' s tweede beroep ( zaak 107/86 ) wel ontvankelijk moet worden geacht en dat op de kosten moet worden beslist zoals in zaak 273/85 .
Conclusie
Ik concludeer derhalve tot verwerping van de beroepen in de zaken 273/85 en 107/86 en tot verwijzing van verzoeksters in de kosten van de Raad, de Commissie en Cetma, de kosten van de procedure in kort geding daaronder begrepen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy