Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Bepalend voor de uitspraak in deze inbreukprocedure is het antwoord van het Hof op de volgende vraag : Is de betrokken bepaling van de Italiaanse wet, waarvan buiten kijf staat dat zij onverenigbaar is met artikel*19 van richtlijn nr.*82/57 van de Commissie van 17*december 1981 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van richtlijn nr.*79/695 van de Raad ( hierna : de Tweede richtlijn van de Raad ), niettemin toch verenigbaar te achten met het gemeenschapsrecht, en wel gezien artikel*4 van de eerdere richtlijn nr.*78/453 van de Raad ( hierna : de Eerste richtlijn van de Raad )?
2 . Voordat goederen uit een derde land in de Gemeenschap in het vrije verkeer kunnen worden gebracht, moeten zij door de douane van de Lid-Staat van invoer worden vrijgegeven . Vrijgave betekent, dat de importeur de goederen mag wegvoeren .
Voor het geval van definitieve invoer in Italië voorziet artikel*80, tweede*alinea, van de Testo unico delle disposizioni legislative in materia doganale ( eenvormige douanewet; hierna : TULD ), dat goederen waarvoor één enkele aangifte is gedaan, in gedeelten kunnen worden vrijgegeven . Voormeld artikel*19 daarentegen bepaalt, dat in zodanig geval de vrijgave van de goederen "in één keer (( wordt )) verleend voor alle goederen" die in de aangifte zijn vermeld ( cursivering van mij ). Artikel*4 van de Eerste richtlijn van de Raad nu betreft een bijzonder aspect van het uitstel van betaling van douanerechten "voor goederen waarvoor in de loop van een bepaalde periode ... toestemming tot wegvoering werd gegeven ...."
In wezen komt het standpunt van de verwerende Lid-Staat hierop neer, dat laatstbedoelde bepaling
- de vrijgave in gedeelten toestaat, en
- niet opzij kon worden gezet door een bepaling van de Commissie, ook al was deze op een latere richtlijn van de Raad gebaseerd, aangezien op dit punt voor deze bepaling geen grondslag te vinden is in laatstbedoelde richtlijn .
3 . De oplossing van het aldus gestelde probleem moet worden gezocht in de opzet van de in de drie richtlijnen neergelegde regeling .
De Tweede richtlijn van de Raad en de ter uitvoering daarvan vastgestelde richtlijn van de Commissie betreffen "de harmonisatie van de procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen ". De Eerste richtlijn van de Raad heeft in het bijzonder betrekking op de harmonisatie van de nationale bepalingen inzake "uitstel van betaling" van de diverse rechten die bij in - of uitvoer naar derde landen moeten worden betaald . Deze richtlijn en de twee andere vormen dus twee onderscheiden regelingen, die evenwel onderling in verband staan . De betaling van de douanerechten, waarop ook de Eerste richtlijn betrekking heeft, is immers maar één aspect van het in het verkeer brengen, zodat de regeling van de wijze van betaling bij de algemenere regeling behoort aan te sluiten . Anders gezegd, de Eerste richtlijn van de Raad moet worden toegepast en uitgelegd tegen de achtergrond van de regeling die in de twee latere richtlijnen is neergelegd .
Het probleem zou moeilijk op te lossen zijn geweest indien, zoals Italië meent, de Eerste richtlijn van de Raad had bepaald, dat goederen waarvoor één aangifte was gedaan, in gedeelten konden worden vrijgegeven . Dit is evenwel niet het geval . Artikel*4 is in dit opzicht volstrekt neutraal, aangezien daarin enkel als regel wordt gesteld, dat de rechten die betrekking hebben op vrijgegeven goederen als één enkele post worden geboekt . Zolang de procedures voor het in het vrije verkeer brengen nog niet in algemene zin ware geharmoniseerd, werd de in artikel*80, tweede*alinea, van de TULD geregelde mogelijkheid dus door dat artikel gedekt . Sedert de inwerkingtreding van de gemeenschapsregeling ter zake is dit gezien artikel*19 echter niet meer zo, en wel ongeacht of voor deze bepaling een specifieke grondslag is te vinden in de Tweede richtlijn van de Raad .
Overigens past dit artikel in de opzet van de richtlijn ter uitvoering waarvan het is vastgesteld . In de considerans van die richtlijn wordt namelijk gewezen op het "specifiek communautaire karakter" van het in het vrije verkeer brengen en daarmee op de noodzaak om door harmonisatie de verschillen tussen de nationale regelingen weg te werken, waaruit voor de importeurs van de Gemeenschap "verschillen in behandeling ... voortvloeien naar gelang van de Lid-Staat waar de inklaringsformaliteiten plaatsvinden ..." Voorts wordt gezegd, dat deze gemeenschappelijke regels ervoor moeten zorgen dat bij het in het vrije verkeer brengen iedere overbodige formaliteit achterwege blijft ( 5e,*7e*en*10e overweging van de considerans van de Tweede richtlijn van de Raad ).
De vrijgave in één keer vormt het schoolvoorbeeld van een maatregel die door administratieve vereenvoudiging een einde maakt aan verschillen in behandeling tussen importeurs van de Gemeenschap . De ratio legis van artikel*19 lijkt mij dus niet zozeer de weerslag op de financiële middelen van de Gemeenschap te zijn, als wel de gelijkheid van behandeling .
4 . Bijgevolg moet het beroep van de Commissie worden toegewezen en moet de Italiaanse Republiek worden verwezen in de kosten van de procedure .
(*) Vertaald uit het Frans .
Full & Egal Universal Law Academy