Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Na met succes te hebben deelgenomen aan het vergelijkend onderzoek COM/B/362 voor de vorming van een aanwervingsreserve van assistenten van Griekse nationaliteit ( loopbaan B*3/B*2 ), werd verzoeker, Georgios Cladakis, bij besluit van 9*maart 1983 door de Commissie aangesteld als ambtenaar op proef in de rang B*3, derde salaristrap .
Genoemd vergelijkend onderzoek was gehouden overeenkomstig verordening nr.*662/82 van de Raad van 22*maart 1982 tot vaststelling van bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ingevolge de toetreding van de Helleense Republiek .
Op 18*november 1983 werd verzoeker op dezelfde post aangesteld als ambtenaar in vaste dienst .
Nadat hem ter ore was gekomen dat de indeling van een van zijn Griekse collega' s zou worden herzien, verzocht ook hij op 12*juli 1984 de voorzitter van het paritaire indelingscomité om herindeling overeenkomstig de bepalingen van het "besluit inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving ".
Volgens verzoeker was zijn beroepservaring van twintig jaar op het specifieke gebied van de boekhouding veel groter dan die welke volgens genoemd besluit vereist is voor indeling in de rang B*3 ( negen jaar ) en zelfs in de rang B*1 ( veertien jaar ) -*zo het vergelijkend onderzoek daarvoor bedoeld was geweest *-; hij had daarom, zo meende hij, bij zijn aanstelling in de rang B*2 moeten worden ingedeeld .
Het verzoek werd afgewezen bij nota van 30*oktober 1984 van de directeur Personeelszaken, bevestigd bij nota van 29*november daaraanvolgend, op grond dat het niet was ingediend binnen de termijn van drie maanden die voor verzoeken om herindeling was gesteld in de mededeling van 21*oktober 1983 van de directeur-generaal Personeelszaken, en voorts omdat verzoeker toch al in de volgens de indelingscriteria hoogst mogelijke rang was ingedeeld .
Bij de zojuist genoemde mededeling van 21*oktober 1983 waren de ambtenaren van de Commissie in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden een verzoek om herindeling in te dienen indien zij meenden dat hun indeling niet in overeenstemming was met het besluit van 6*juni 1973 inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving . Dit besluit was in maart*1981 gepubliceerd en in de mededeling van 21*oktober 1983 was niet enkel een nieuwe termijn voor verzoeken om herindeling geopend, maar was ook bekendgemaakt dat er een nieuw besluit was vastgesteld, dat per 1*september van dat jaar in de plaats was gekomen van het besluit van*1973 .
Op 15 januari*1985 diende verzoeker overeenkomstig artikel*90, lid*2, Ambtenarenstatuut een klacht in tegen de weigering om het besluit van juni*1973 inzake de indelingscriteria op zijn geval toe te passen, en verzocht hij om heroverweging in het licht van dat besluit en van verordening nr.*662/82 .
Deze klacht werd uitdrukkelijk afgewezen bij een besluit van 4*juni 1985, dat de dag daarop ter kennis van verzoeker werd gebracht .
Op 9*september*1985 heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld . Hij vordert nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 9*maart 1983, voor zover hij daarbij in de rang B*3, derde salaristrap, is aangesteld, en, subsidiair, nietigverklaring van de afwijzende besluiten van 30*oktober en 29*november 1984 en van 4*juni 1985 .
2 . Laten wij thans de rechtsvragen bezien die in deze zaak rijzen .
In haar verweerschrift stelt de Commissie, dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding, daar ook de administratieve klacht al te laat was ingediend .
Omdat die klacht gericht was tegen het besluit tot aanstelling van verzoeker, dat hem op 18*juni 1983 ter kennis was gebracht, had hij zoals artikel*90, lid*2, van het Statuut voorschrijft, binnen drie maanden nadien moeten klagen, wat echter niet is gebeurd .
Vaststaat dat de mededeling van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van 21*oktober*1985 een "laatste termijn van drie maanden" ( te rekenen vanaf die datum ) stelde voor eventuele herindelingsverzoeken .
Indien die mededeling, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft verklaard, bedoeld was om kennelijke indelingsfouten te kunnen rechtzetten, kan zij alleen maar zin hebben indien zij een heropening van de beroepstermijnen impliceert; anders zouden eventuele fouten deel uitmaken van het definitief geworden besluit en niet meer hersteld kunnen worden .
Het is echter op zijn minst twijfelachtig, dat termijnen van openbare orde, die bij een verordening van de Raad -*het Ambtenarenstatuut *- zijn vastgesteld, door een mededeling van de directeur-generaal Personeelszaken opnieuw zouden kunnen gaan lopen; men kan die mededeling dus hoogstens zo opvatten, dat zij de belanghebbenden vrijwillig de mogelijkheid bood hun situatie nog eens aan de administratie voor te leggen .
Of een dergelijke mogelijkheid om een door tijdsverloop definitief geworden indelingsbesluit alsnog te wijzigen, wel wettig is, is overigens zeer discutabel .
Zeker is echter, dat de oplossing van dit probleem voor het onderhavige beroep van geen belang is . Want zelfs als men aanneemt dat de mededeling impliciet nieuwe beroepstermijnen deed ingaan, heeft verzoeker zich niet aan de erin genoemde termijn van drie maanden gehouden : hij heeft zijn verzoek om herindeling immers pas op 12*juli 1984 ingediend .
Tot staving van de ontvankelijkheid van zijn beroep voert verzoeker subsidiair aan, dat de bijgewerkte tekst van het Statuut op het tijdstip van Griekenlands toetreding nog niet in het Grieks was vertaald . Dit argument lijkt ons echter volstrekt irrelevant .
Men kan toch moeilijk staande houden dat de betrokken ambtenaar voor een onoverkomelijke moeilijkheid stond en dat de Commissie haar zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden -*de eerste door zijn onbekendheid met en de tweede door zich te beroepen op de termijn van artikel*90 van het Statuut *- doordat de geldende tekst van het Statuut niet in Griekse vertaling beschikbaar was . Voor het door verzoeker beklede ambt was een voldoende kennis van een tweede gemeenschapstaal vereist ( punt*III,*B,*3 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/B/362 ). Waar artikel*90 met betrekking tot de beroepstermijnen van een in het oog springende duidelijkheid is, moet men met zo' n voldoende kennis toch wel in staat zijn om deze bepaling in een van de bestaande taalversies te begrijpen .
Maar afgezien daarvan was er niets wat verzoeker belette om, wanneer hij omtrent zijn rechten in twijfel verkeerde, zijn licht op te steken bij iemand die -*jurist of geen jurist *- een van de bestaande taalversies van het Statuut beter begreep en juiste informatie kon verschaffen over de exacte betekenis van de termijnen van artikel*90 .
Verzoeker heeft nog een ander argument voor de ontvankelijkheid van het beroep aangevoerd . Volgens hem is het herindelingsverzoek ingediend binnen drie maanden nadat zich een nieuw feit had voorgedaan, wat volgens 's*Hofs rechtspraak ( arrest van 15*mei 1985, zaak*127/84, Esly, Jurispr.*1985, blz.*1437 ) de indiening van een verzoek om een nieuwe beslissing zou rechtvaardigen . Dat nieuwe feit zou zijn, dat het verzoeker ter ore was gekomen dat een van zijn collega' s -*G.*Batras *- een nieuwe indeling zou krijgen .
Ik wil er meteen op wijzen, dat verzoeker de ontvankelijkheid van zijn herindelingsverzoek en dus de ontvankelijkheid van de op dat verzoek gevolgde klacht tracht te baseren op een "feit" ( de mogelijke herindeling van Batras ) dat toen nog toekomstig en onzeker was . In werkelijkheid vond de herindeling van Batras plaats op 19*september 1984, dus na de indiening van het herindelingsverzoek op 12*juli van dat jaar . Het is dus op zijn minst vreemd, dat verzoeker thans in het hem bezwarende besluit een discriminatie meent te bespeuren die op het moment waarop hij zijn herindelingsverzoek deed, nog niet bestond .
Op dat moment immers was het verzoek niet gebaseerd op een werkelijk bestaande discriminatie, maar op een die wellicht in de toekomst zou ontstaan; dus niet op een bepaald feit of een bepaalde gebeurtenis, maar louter op een veronderstelling of een vermoeden op grond van een informatie uit een ons niet nader genoemde bron . Daarom zou het verzoek als prematuur kunnen worden beschouwd, omdat het is ingediend vóór de gebeurtenis die -*als nieuw feit *- ter rechtvaardiging ervan zou kunnen dienen .
Maar zelfs indien Batras' latere herindeling het door verzoeker ingediende verzoek zou kunnen rechtvaardigen, dan nog blijft de vraag bestaan of dat feit wel voldoende wezenlijk en nieuw is om het verzoek ontvankelijk te maken .
Anders gezegd : was de herindeling van Batras gebaseerd op dezelfde bepalingen of criteria als aan de oorspronkelijke indeling van verzoeker ten grondslag lagen? Want enkel indien daarbij andere bepalingen of criteria zijn toegepast, hebben wij te doen met een nieuw feit van wezenlijk belang, namelijk de weigering van de administratie om op verzoeker dezelfde regels toe te passen als op andere ambtenaren in dezelfde situatie ( zie arrest-Esly, reeds aangehaald, r.o.*11 en*12 ).
Om het vraagstuk van de ontvankelijkheid van het beroep op te lossen, moeten wij ons dus verdiepen in de grond van de zaak en zullen wij moeten nagaan of Batras, anders dan verzoeker, is ingedeeld op basis van de bepalingen van verordening nr.*662/82 van 22*maart 1982 . Volgens verzoeker wordt door artikel*1, lid*2, van deze verordening artikel*3 van het besluit van 6*juni 1972, volgens hetwelk de hoogste rang van de loopbaan B*3/B*2 bestemd is voor bevorderingen binnen de loopbaan, buiten toepassing gesteld . Bijgevolg had hij, zijn beroepservaring in aanmerking genomen, op grond van de bepalingen van de artikelen 3 en 4 van dit besluit in de rang B*2 moeten worden aangesteld .
Het lijkt ons duidelijk, dat verzoeker ongelijk heeft .
Uit verordening nr.*662/82 vloeit immers niet de minste verplichting voort om welke kandidaat ook in een ambt van de rang B*2 aan te stellen .
Men herinnert zich dat verordening nr.*662/82 een zelfde soort afwijkingsregeling is als de verordeningen die bij de toetreding van andere nieuwe Lid-Staten zijn vastgesteld om bij de gemeenschapsadministratie een redelijk aantal plaatsen voor onderdanen van die staten vrij te maken .
Dit is gebeurd bij de eerste uitbreiding ( verordening nr.*2530/72 van de Raad van 4*december 1972 ) en recentelijk ook bij de toetreding van Spanje en Portugal ( verordening nr.*3517/85 van de Raad van 12*december*1985 ).
De bepalingen van die verschillende verordeningen zijn in principe hetzelfde; de verschillen in formulering vinden met name hun verklaring in de afwijkende statutaire context waarin zij zijn vastgesteld .
Wat haar artikel*1, lid*1, betreft, is de betekenis van verordening nr.*662/82 eenvoudig deze, dat wordt afgeweken van sommige, uitdrukkelijk genoemde bepalingen van het Statuut, teneinde in vacatures te kunnen voorzien door de aanstelling van onderdanen van de nieuwe Lid-Staat Griekenland . Lid*2, eerste alinea, van artikel*1 bepaalt enkel, dat bepaalde aanstellingen ( waaronder die in B*2 - en B*3-ambten ) steeds zullen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek op grond van schriftelijke bewijsstukken, dus met uitsluiting van de mogelijkheid om in die gevallen een vergelijkend onderzoek op grond van examens te organiseren, zoals voorzien in artikel*29, lid*1, en bijlage*III van het Statuut .
Verordening nr.*662/82 levert ons dus geen indelingscriteria voor de aanstelling van een kandidaat in deze of gene van de mogelijke rangen, met name niet voor indeling in de rang*B*2 in plaats van B*3 . Dit betekent dat verordening nr.*662/82 op zich niet volstaat om de indeling van een kandidaat te bepalen, en voor dit probleem zelfs geen begin van een oplossing biedt .
Zij doet dus niets toe of af aan de interne regelingen van de instellingen, zoals het besluit van 6*juni 1973, betreffende de criteria voor aanstelling in rang en indeling in salaristrap .
De uitlegging van verzoeker, die uit het besluit van*1973 de voor hem gunstige bepalingen peurt en de voor hem ongunstige doodzwijgt, is voor het overige volstrekt onhoudbaar . Volgens verzoeker immers zou op hem niet van toepassing zijn het gedeelte van artikel*3, waarin de hoogste rang van de loopbaan B*3/B*2 wordt gereserveerd voor bevorderingen binnen de loopbaan, maar de criteria inzake indeling op grond van beroepservaring, omschreven in artikel*2 en in het eerste gedeelte van artikel*3 .
Overeenkomstig de interne regeling van de Commissie, was in de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/B/362, voor de "vorming van een aanwervingsreserve van assistenten van Griekse nationaliteit, waarvan de loopbaan zich uitstrekt over de rangen 3 en 2 van categorie*B", niet de mogelijkheid voorzien van aanstelling in de rang B*2; punt*II (" Bezoldiging ") laat dienaangaande geen ruimte voor twijfel, gezien de informatie dat het salaris zo en zoveel bedraagt voor de rang B*3, eerste salaristrap, en zo en zoveel voor de rang B*3, derde salaristrap .
Vaststaat dat het besluit tot herindeling van Batras niet enkel uitdrukkelijk verwijst naar de na het vergelijkend onderzoek COM/B/362 door de jury vastgestelde lijst van geschikte kandidaten, maar ook naar verordening nr.*662/82, terwijl in het besluit tot aanstelling van verzoeker enkel wordt verwezen naar die zelfde lijst en naar mededeling COM/1720/82 .
In haar verweerschrift verklaart de Commissie, dat dit is omdat die mededeling is gepubliceerd voordat de post waarop verzoeker is aangesteld, vacant was verklaard, terwijl dat bij de aanstelling van Batras niet het geval was .
De mededeling COM/1720/82 bevindt zich niet in het dossier, maar leest men de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/B/362, dan is duidelijk dat het "in overeenstemming met verordening nr.*622/82" is georganiseerd . Daarom ook is de aanwerving beperkt tot assistenten van Griekse nationaliteit en is het een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, zonder examens ( er is enkel bepaald, dat de jury kan overgaan tot een aanvullend onderzoek van de diploma' s en andere referenties en de kandidaten kan oproepen voor een onderhoud ter verificatie van de beroepservaring ).
De verwijzing naar het vergelijkend onderzoek COM/B/362, zowel in het aanstellingsbesluit betreffende Cladakis als in het indelingsbesluit betreffende Batras, is dus een impliciete verwijzing naar verordening nr.*662/82, op basis waarvan het vergelijkend onderzoek was georganiseerd .
Wat echter op grond van die verordening alleen niet mogelijk is, is de bepaling van de indeling van de kandidaten volgens hun beroepservaring .
De Commissie heeft verscheidene malen gezegd, dat de aanstelling van verzoeker en de herindeling van Batras op dezelfde grondslag tot stand zijn gekomen, namelijk het besluit van juni*1973 betreffende de indelingscriteria .
Na alles wat wij hiervóór hebben gezegd, is het duidelijk dat verzoeker deze verklaring niet heeft weten te ontzenuwen .
Zouden wij ons overigens, zoals verzoeker lijkt te willen, letterlijk houden aan wat er uitdrukkelijk in het aanstellings - of indelingsbesluit wordt gezegd, dan zou hij ofwel niet overeenkomstig enig algemeen criterium zijn aangesteld, ofwel hij zou zijn aangesteld in de eenvoudige termen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, waarin als enige marge die tussen de salaristrappen*1*en*3 is voorzien . Geen van beide besluiten verwijst immers naar het besluit van 6*juni 1973 .
Dit laatste nu legt interne richtlijnen vast teneinde alle nieuw aangeworven ambtenaren, ongeacht hun nationaliteit, een gelijke behandeling te waarborgen, en de Commissie heeft artikel*3 juist toegepast door de rang B*2 voor bevorderingen binnen de loopbaan te reserveren .
Beide ambtenaren zijn derhalve in de rang B*3 aangesteld en de enige correctie in het aanstellingsbesluit van Batras betreft de verkeerde salaristrap die hem was toegekend : hij is van de eerste opgeschoven naar de derde . Daarmee kwam Batras in dezelfde categorie, rang en salaristrap als verzoeker, namelijk B*3, derde salaristrap, de hoogst mogelijke volgens de indelingscriteria van de Commissie . Dit zou op zich al voldoende zijn om de gestelde discriminatie van verzoeker, die in feite zelf een aanstelling in B*2 wenst, te weerleggen . Het betekent immers dat de Commissie aan een ander niet heeft toegestaan wat zij aan verzoeker heeft geweigerd .
Verzoekers verwijzing in zijn repliek naar de bij de eerste uitbreiding vastgestelde verordening nr.*2530/72 en naar de toen door de Commissie georganiseerde vergelijkende onderzoeken, is niet ter zake dienend : ik kan volstaan met op te merken, dat zowel die verordening als de door verzoeker genoemde aankondigingen van vergelijkende onderzoeken van vóór het besluit van 6*juni 1973 dateren .
Voor het overige heeft de Commissie ons ter terechtzitting erop opmerkzaam gemaakt, dat geen enkele Griekse ambtenaar is aangeworven in de rang waarop verzoeker aanspraak maakt; ook dit maakt ieder verwijt van discriminatie ongeloofwaardig en er blijkt uit, dat het besluit van 6*juni 1973 niet enkel op verzoeker en Batras is toegepast .
Al even weinig terzake is het argument van verzoeker, dat de Commissie voor de begrotingsjaren 1981 en 1982 vijf respectievelijk zeven nieuwe vaste B*2-ambten heeft gevraagd -*en ook van de Raad heeft gekregen . In dupliek heeft de Commissie verklaard, dat deze nieuwe ambten niet bedoeld waren om de aanwerving van Griekse onderdanen in de rang B*2 mogelijk te maken, maar om scheve verhoudingen in het organigram te voorkomen en de Griekse ambtenaren een normale loopbaanontwikkeling te verzekeren .
Zo gezien geloof ik niet, dat verzoeker op welke wijze ook is gediscrimineerd; de herindeling van Batras is dus geen nieuw feit dat een nieuwe klacht - en beroepstermijn kan doen ingaan .
Bijgevolg is het beroep niet-ontvankelijk als gevolg van het feit dat de klacht te laat is ingediend, en wij behoeven dus niet te onderzoeken of het beroep tijdig is ingesteld in de zin van artikel*91, lid*3, Ambtenarenstatuut .
Ik beperk mij tot de opmerking, dat het beroep mij ook in dat opzicht niet-ontvankelijk lijkt wegens termijnoverschrijding, wanneer wij deze termijn berekenen volgens het criterium dat advocaat-generaal Mancini heeft gehanteerd in zijn conclusie van 18*november 1986 in zaak 152/85 ( Misset, arrest van 15 januari 1987, Jurispr.*1987, blz . 0000 ), bij welke conclusie ik mij volledig aansluit .
De afwijzing van zijn klacht is verzoeker immers ter kennis gebracht op 5*juni 1985 en het verzoekschrift is eerst op 9*september ter griffie van het Hof ingeschreven . Daarmee heeft hij de termijn van drie maanden, plus de twee dagen wegens afstand waarop hij recht had, overschreden, daar die termijn volgens bovenbedoelde berekeningswijze op zaterdag 7*september verstreek .
Ik zou deze gelegenheid alleen willen aangrijpen om iets toe te voegen aan de door mijn geachte collega aangevoerde argumenten, namelijk het beeld van een kalender met een datumschuifje : als de "dies a quo" meetelt bij de termijnberekening, verstrijkt de termijn van één maand vanaf de kennisgeving op 1*november, aan het einde van de 30e van dezelfde maand; telt men de "dies a quo" niet mee, dan schuift het schuifje één dag verder en verstrijkt de termijn aan het einde van de 1e*december, dat wil zeggen de dag met dezelfde cijferaanduiding in de maand na de maand van kennisgeving .
3 . Gelet op het voorgaande, concludeer ik tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, met verwijzing van elk der partijen in de eigen kosten overeenkomstig artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering .
(*) Vertaald uit het Portugees .
Full & Egal Universal Law Academy