Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het door R.*Misset, vertaler in de rang*LA*7 bij het secretariaat-generaal van de Raad, ingestelde beroep stelt opnieuw de vraag aan de orde, of gemeenschapsambtenaren die een LA-ambt bij de groep voor de talendienst bekleden, zonder deelneming aan een vergelijkend onderzoek kunnen worden overgeplaatst naar een ambt van dezelfde rang in categorie*A .
Misset en de vijftien leden van de vertaaldienst van de Raad, die aan zijn zijde hebben geïntervenieerd, zijn met name van oordeel dat artikel*45, lid*2, Ambtenarenstatuut een dergelijke wijziging van tewerkstelling niet in de weg staat .
In mijn conclusie van 11*juni in de gevoegde zaken*269 en 292/84 ( Fabbro, Giuffrida, Herbin en Scharf/Commissie ( 1 )) heb ik reeds betoogd, dat het niet aan mij staat om positie te kiezen met betrekking tot de wenselijkheid om, ter bevordering van een grotere mobiliteit binnen de Europese instellingen, met name de overgang te vergemakkelijken van ambtenaren van de groep voor de talendienst naar functies met een niet-taalkundig karakter, en omgekeerd . Mijn rol beperkt zich ertoe, het Hof mijn mening te geven over de juridische mogelijkheid om, gelet op de huidige redactie van het Ambtenarenstatuut, dergelijke aanstellingen zonder vergelijkend onderzoek te verrichten .
Ik meen dat de argumenten van verzoeker en van interveniënten niets nieuws brengen ten opzichte van die welke de Commissie in de gevoegde zaken*269 en 292/84 ten gunste van dezelfde stelling heeft aangevoerd .
Interveniënten beschrijven gedetailleerd, onder welke omstandigheden de woorden "overgang naar een andere groep of categorie" in de tekst van artikel*45, lid*2, zijn opgenomen . Uit deze ontstaansgeschiedenis leiden zij af, dat de verplichting voor vertalers om aan een vergelijkend onderzoek deel te nemen ( welke verplichting, niet te vergeten, evenzeer geldt voor ambtenaren van de categorie*A die vertaler willen worden ), een praktijk zonder statutaire grondslag is en zelfs in strijd is met het Statuut .
Deze conclusie is echter in tegenspraak zowel met de redactie die artikel*45 uiteindelijk heeft gekregen, als met verschillende andere bepalingen van het Statuut betreffende de loopbaan en de stand van de ambtenaar, waarbij, aldus het arrest van het Hof van 21*oktober*1986 in bovengenoemde zaken, "duidelijk is uitgegaan van een systematisch onderscheid tussen categorie en groep ". Het Hof stelde in dat arrest ook vast, "dat het argument ... dat de gevolgen van het feit dat een ambtenaar tot een groep behoort, geneutraliseerd worden door de gevolgen die het Statuut verbindt aan zijn indeling in een categorie, geen steun vindt in het Statuut ".
Het Hof concludeerde ten slotte, dat artikel*45, lid*2, van het Statuut "de administratie niet de vrijheid geeft om een andere weg te volgen" dan die van een vergelijkend onderzoek .
Onder deze omstandigheden kan ik het Hof slechts in overweging geven, de in dat arrest gegeven uitlegging van het Statuut te bevestigen ( een uitlegging die in wezen overeenkomt met mijn conclusie van 11*juni*1986 ) en het onderhavige beroep als ongegrond te verwerpen .
Wat de kosten betreft, moet ingevolge artikel*69, paragraaf*2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen .
Volgens artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering blijven echter de kosten door de instellingen gemaakt ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen, te haren laste .
Bijgevolg zullen de partijen in deze zaak, met inbegrip van interveniënten, elk hun eigen kosten hebben te dragen .
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) Jurispr . 1986, blz.*2996 en volgende .
Full & Egal Universal Law Academy