Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verordening nr.*441/69 van de Raad ( PB*1969, L*59, blz.*1 ) voorziet in de mogelijkheid om de uitvoerrestitutie voor bepaalde landbouwprodukten vooruit te betalen . Wanneer produkten die onder deze regeling vallen, bestemd zijn om in verwerkte vorm te worden uitgevoerd, wordt de restitutie betaald zodra het basisprodukt onder een stelsel van douanecontrole is gebracht, dit om te verzekeren dat het produkt, behoudens overmacht, na verwerking uit de Gemeenschap wordt uitgevoerd . Deze verordening geldt onder andere voor de produkten die vallen onder verordening nr.*2727/75 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen ( PB*1975, L*281, blz.*1 ).
Verordening nr.*1957/69 van de Commissie ( PB*1969, L*250, blz.*1 ) bevat de uitvoeringsbepalingen van deze regeling . Uit artikel*3, lid*2, van deze verordening volgt duidelijk, dat op het tijdstip waarop het basisprodukt onder douanecontrole wordt geplaatst, de handelaar de precieze eigenschappen van de uit te voeren verwerkte produkten moet opgeven . Onverminderd de bijzondere bepalingen voor overmacht ( artikel*6, lid*2 ), legt artikel*6, lid*1, de handelaar de verplichting op een waarborg of een als gelijkwaardig beschouwde financiële garantie te stellen, die de terugbetaling verzekert van een bedrag gelijk aan dat van de betaalde restitutie, vermeerderd met 20%, ingeval binnen de gestelde termijn niet het bewijs wordt geleverd, dat bepaalde verplichtingen zijn nagekomen . Artikel*6 bepaalt voorts :
"3 ) De in lid*1 bedoelde terugbetaling is slechts verschuldigd naar rato van de hoeveelheden van de produkten of goederen waarvoor de in lid*1 bedoelde bewijzen niet zijn geleverd ."
"5 ) Het betaalde bedrag van de restitutie, in voorkomend geval verhoogd, wordt terugbetaald overeenkomstig de bepalingen van het onderhavige artikel, wanneer de in lid*1 bedoelde bewijzen niet binnen de gestelde termijnen worden geleverd . Indien dit bedrag ondanks het desbetreffende verzoek niet wordt terugbetaald, is de vooraf gestelde waarborg in dit geval verbeurd ."
Bij de verordeningen nrs . 1136/77 en 1441/77 van de Commissie ( PB*1977, L*135, blz.*14, en L*161, blz.*23 ) werd de uitvoerrestitutie voor bepaalde soorten veevoeder van post*23.07*B*I van het GDT vastgesteld op 38,98 RE/ton bij een gehalte aan graanprodukten van meer dan 65 gewichtspercenten, en op 31,19*RE/ton bij een gehalte aan graanprodukten van meer dan 50*gewichtspercenten en minder dan of gelijk aan 65*gewichtspercenten .
In zijn onderhavige prejudiciële verzoek krachtens artikel*177 EEG-Verdrag zet het Bundesfinanzhof uiteen, dat de vennootschap Plange, gerequireerde in cassatie (" Revision "), in 1977 schapevoer heeft geleverd aan Libië . In juni en juli van dat jaar had Plange om vooruitbetaling van uitvoerrestituties en monetair compenserende bedragen gevraagd en verkregen, waarbij ervan werd uitgegaan dat de onder douanecontrole geplaatste gerst en mais zou worden gebruikt voor de produktie van "graanmengvoeder met een gehalte aan zetmeel van meer dan 30 gewichtspercenten, geen zuivelprodukten bevattend, met een gehalte aan graanprodukten van meer dan 65*gewichtspercenten ." Plange heeft de douaneformaliteiten binnen de gestelde termijnen afgehandeld : na overlegging van de controle-exemplaren en de certificaten van bemonstering gaf het Hauptzollamt de door Plange gestelde waarborg vrij .
In het voorjaar van 1978 bracht een controle van de Duitse douane evenwel aan het licht, dat een deel van het veevoeder voor maar 63,9 gewichtspercenten uit graanprodukten bestond . Tussen partijen in het hoofdgeding is in confesso, dat Plange geen schuld daaraan had, hoewel deze het Hof niet heeft kunnen verklaren waaraan het lagere graangehalte was te wijten . Evemin is gesteld, dat het om een geval van overmacht zou gaan .
Nadat het Hauptzollamt had vastgesteld dat Plange haar verbintenissen in feite niet was nagekomen, sprak het Plange aan tot terugbetaling van 1*066*739,05*DM . Dit bedrag was verkregen door : a)*van het vooruit betaalde bedrag, vermeerderd met 20% overeenkomstig artikel*6, lid*1, van verordening nr.*1957/69, b)*het restitutiebedrag af te trekken dat volgens de verordeningen nrs.*1136/77 en 1441/77 van de Commissie gold voor veevoeder met een gehalte aan graanprodukten van meer dan 50*gewichtspercenten en minder dan of gelijk aan 65*gewichtspercenten .
Na zonder resultaat tegen de terugvordering van deze som bezwaar te hebben gemaakt, daagde Plange het Hauptzollamt voor het Finanzgericht . Haar vordering werd gedeeltelijk toegewezen : het Finanzgericht was van oordeel dat het Hauptzollamt het te veel betaalde mocht terugvorderen, maar dat de verhoging van 20% in strijd was met het evenredigheidsbeginsel .
Daarop stelde het Hauptzollamt beroep tot cassatie (" Revision ") in bij het Bundesfinanzhof, dat het Hof*van*Justitie krachtens artikel*177 de volgende vraag heeft gesteld :
" Was de ontvanger van restituties, die zich overeenkomstig artikel*3, lid*2, van verordening ( EEG ) nr.*1957/69 had verbonden om mengvoeders met een gehalte aan graanprodukten van meer dan 65*gewichtspercenten uit te voeren, doch die als gevolg van hem niet aan te rekenen omstandigheden in werkelijkheid mengvoeders met een gehalte aan graanprodukten van slechts 50 tot 65 gewichtspercenten heeft uitgevoerd, in 1978 ingevolge artikel*6, leden 1 en 5, van verordening nr.*1957/69 ook na vrijgifte van de waarborg verplicht, het gehele vooruit betaalde restitutiebedrag, vermeerderd met een toeslag van 20%, terug te betalen?"
Partijen in het hoofdgeding en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend .
In haar opmerkingen ontkent Plange, in haar uitvoerverklaringen te hebben verwezen naar artikel*3, lid*2, van verordening nr.*1957/69 of te hebben opgegeven dat het mengvoeder meer dan 65*gewichtspercenten aan graanprodukten zou bevatten . Zij zou enkel hebben verklaard, dat het mengvoeder aan de voorwaarden voor toekenning van een restitutie voldeed en voor uitvoer was bestemd, en zou later binnen de gestelde termijnen de nodige bijzonderheden hebben meegedeeld . Welke dit waren, heeft zij niet vermeld . Mogelijk moet de verwijzende rechter deze bewering nog nader onderzoeken, maar mijns inziens dient in deze procedure te worden uitgegaan van de door het Bundesfinanzhof genoemde feiten . Als Plange zich inderdaad niet heeft verbonden om mengvoeder met een gehalte aan graanprodukten van meer dan 65*gewichtspercenten uit te voeren, komt de in de verwijzingsbeschikking aan de orde gestelde problematiek uiteraard anders te liggen .
De kernvraag is derhalve, of Plange het gehele vooruit betaalde bedrag plus een toeslag van 20% moet terugbetalen, ook wanneer a)*de waarborg reeds is vrijgegeven en b)*Plange geen verwijt treft ter zake van de uitvoer van mengvoeder met een lager gehalte aan graanprodukten dan was opgegeven .
Volgens het Bundesfinanzhof doet het feit dat de waarborg reeds was vrijgegeven, niet ter zake . Hoewel de mogelijkheid om in zulk een geval terugbetaling te vorderen in de verordening niet uitdrukkelijk is voorzien, zou echter ook nergens uit blijken dat dit uitgesloten zou zijn . Indien terugvordering niet mogelijk zou zijn, zou de ontvanger van een dergelijke restitutie ongerechtvaardigd verrijkt worden . Een analoge situatie deed zich voor in zaak*124/83, Direktoratet for Markedsordningerne/Corman ( arrest van 5*december 1985, Jurispr.*1985, blz.*3777 ), waarin het Hof onder meer besliste, dat "de koper van boter, die zich heeft verbonden tot nakoming van de voorwaarden" van de toepasselijke gemeenschapsregeling, "niet van zijn verplichtingen (( is )) bevrijd door het enkele feit dat de verwerkingswaarborg" conform deze wetgeving "is vrijgegeven ". Het standpunt van het Bundesfinanzhof in dezen is mijns inziens dan ook juist .
Vervolgens onderzoekt het Bundesfinanzhof de vraag, of terugvordering van een hoger bedrag dan het restitutiebedrag, zoals artikel*6, lid*1, van verordening nr.*1957/69 bepaalt, rechtmatig is . Het beantwoordt deze vraag bevestigend en mijns inziens terecht, omdat volgens artikel*2, lid*5, van verordening nr.*441/69 een bedrag dat "ten*minste gelijk is aan dat van de uitgekeerde restitutie" moet worden terugbetaald . Het heeft ook terecht geconcludeerd, dat niettegenstaande de zesde overweging van de considerans van verordening nr.*441/69, een dergelijke verhoging eveneens geldt wanneer geen sprake is van fraude; in deze overweging wordt mijns inziens enkel verklaard waarom een terugvorderingsregeling noodzakelijk was, maar worden niet de omstandigheden beperkt waaronder terugvordering kan worden verlangd .
Afgezien van deze problemen, twisten partijen in het hoofdgeding erover of de verhoging van 20% ( aangenomen dat deze wettig is ) verschuldigd is over het gehele vooruit betaalde bedrag of enkel over het verschil tussen dit bedrag en de restituties die worden toegekend voor veevoeder van de werkelijk uitgevoerde kwaliteit . Het Hauptzollamt kiest voor de eerste oplossing, Plange voor de tweede . De Commissie heeft zich in haar schriftelijke opmerkingen aangesloten bij het standpunt van het Hauptzollamt en gesteld, dat de verordening er geen twijfel over laat bestaan dat de gehele restitutie, vermeerderd met 20%, moet worden terugbetaald; het feit dat voor het daadwerkelijk uitgevoerde produkt een uitvoerrestitutie verschuldigd was, zou irrelevant en toevallig zijn . Ter terechtzitting lijkt de Commissie evenwel op dit standpunt te zijn teruggekomen .
Blijkens de bewoordingen van artikel*6, lid*1, van verordening nr.*1957/69 is het stellen van een waarborg inderdaad enkel vereist met het oog op "de terugbetaling van een bedrag gelijk aan dat van de betaalde restitutie, vermeerderd met 20%", wanneer de nodige bewijzen niet worden geleverd . Over wat er met de waarborg moet gebeuren in een geval als het onderhavige, zegt het niets . Het betreft hier geen geval van overmacht in de zin van artikel*6, lid*2, noch een geval als bedoeld in artikel*6, lid*3, waarin de waarborg slechts wordt verbeurd naar rato van de hoeveelheden produkten waarvoor de nodige bewijzen niet zijn geleverd . Anderzijds blijkt duidelijk uit de vijfde overweging van de considerans van de verordening, dat deze wil verhinderen dat iemand ten onrechte krediet zou genieten . Wanneer Plange -*wat in confesso is *- voor de werkelijk uitgevoerde goederen recht had op toekenning van een lagere restitutie, kan niet worden gezegd dat zij in zoverre ten onrechte krediet heeft genoten, ook al was het totale bedrag op een verkeerde grondslag betaald . Behalve dat de goederen in een andere categorie vielen, voldeed de transactie aan alle voorwaarden; de situatie zou anders zijn geweest, indien Plange een schuldvordering met betrekking tot een andere transactie in compensatie had willen brengen . Gelet op het doel en de strekking van de verordening in haar geheel, interpreteer ik haar zo, dat enkel het verschil tussen de twee bedragen, vermeerderd met 20% ( aangenomen dat dit een aanvaardbaar percentage is ) van dat verschil, mag worden terruggevorderd . Dat bepaalde uitzonderingen enkel zijn voorzien voor de in de leden 2 en 3 van artikel*6 beschreven situaties, doet mijns inziens aan deze slotsom niet af .
Als ik niet door interpretatie van de verordening tot deze slotsom was gekomen, dan zou ik de verplichting om het gehele bedrag plus 20% van dat bedrag terug te betalen, onverenigbaar met het -*hogere *- evenredigheidsbeginsel hebben geacht . Om te verhinderen dat handelaren een krediet wordt verleend waar zij geen recht op hebben, is het nodig noch gerechtvaardigd dat zij een toeslag zouden moeten betalen over dat gedeelte van het bedrag, waarop zij voor precies dezelfde transactie wèl aanspraak hadden . De betaling van deze toeslag is niet als straf of boete bedoeld, ook al worden de handelaars erdoor gestimuleerd de verordening na te leven . Als de verordening derhalve toch aldus zou moeten worden uitgelegd, dat de verhoging over het gehele bedrag moet worden betaald, hoewel bij dezelfde transactie op een deel van dit bedrag aanspraak bestond op grond van een andere kwaliteitscategorie, dan is de bepaling mijns inziens nietig, voor zover de verhoging over een hoger bedrag moet worden betaald dan het verschil tussen het betaalde bedrag en het bedrag waarop in werkelijkheid aanspraak bestond . Ook hier doet mijns inziens niet af, dat de leden 2 en 3 van artikel*6 beperkte uitzonderingen voorzien .
In beide benaderingen behoeft Plange enkel het verschil plus een over dat verschil berekende verhoging te betalen .
De verwijzende rechter vraagt niet met zoveel woorden, of een verhoging van 20% gerechtvaardigd is . Ik geloof echter dat dit tussen de regels van de verwijzingsbeschikking door moet worden gelezen . De partijen zijn er trouwens uitgebreid op ingegaan . Plange stelt, dat met name voor een handelaar in de Bondsrepubliek Duitsland 20% onredelijk is, omdat de interestvoeten daar destijds beduidend lager waren .
Twee punten lijken mij van belang . In de eerste plaats gaat het bij deze 20% niet om een jaarlijks, maar om een forfaitair percentage . De bedragen kunnen eerst worden teruggevorderd na het verstrijken van de termijnen voor de verwerking onder douanecontrole en voor het leveren van het bewijs van uitvoer . Uit artikel*3, lid*3, juncto artikel*6 blijkt dat de totale periode 9 tot 18 maanden kan belopen . Het onderzoek van het dossier en de terugvordering met aansluitende terugbetaling kan ook nog wel enige tijd vergen, zoals uit de onderhavige zaak blijkt, waarin de waarborg weliswaar tussen augustus en september 1977 werd vrijgegeven en op 21*november 1978 terugbetaling werd gevorderd, maar terugbetaling blijkbaar eerst heeft plaatsgevonden in 1982, als toen al het gehele bedrag is terugbetaald .
In de tweede plaats is het Hof meegedeeld, dat de rentepercentages voor leningen in de betrokken periode in sommige Lid-Staten -*bij een inflatie van 15 %*- ongeveer 18% op jaarbasis bedroegen . Dit in aanmerking nemend, was een forfaitair percentage van 20% niet onredelijk . Ik vind het evenmin onredelijk of ongerijmd om voor de gehele Gemeenschap een uniform percentage te hanteren, dat losstaat van veranderlijke wisselkoersen en van de situatie in bepaalde Lid-Staten . Het thans geldende percentage kan mogelijk diegenen afschrikken, die zonder rechtsgrond aanspraak op vooruitbetaling zouden proberen te maken; in de terugbetaling van het desbetreffende bedrag plus een verhoging van 20% voor wat in het kader van de verordening een schending van een hoofdverplichting oplevert, schuilt mijns inziens niets onredelijks en evenmin een sanctie .
De conclusie waartoe ik gekomen ben, verschilt dus van de opvatting van het Hauptzollamt, dat eerst de vooruit betaalde restitutie met 20% heeft vermeerderd ( 2*535*999,89*DM + 507*198,98*DM ) en vervolgens de verschuldigde restitutie ( 1*976*454,82*DM ) afgetrokken, zodat een bedrag van 1*066*739,05*DM moest worden terugbetaald . De juiste berekening is deze, dat van de vooruit betaalde restitutie de verschuldigde restitutie wordt afgetrokken ( saldo 559*540,07*DM ) en dit bedrag met 20% wordt vermeerderd, waardoor het totale terug te betalen bedrag komt op 671*448,08*DM .
Mitsdien geef ik in overweging, de vraag te beantwoorden als volgt :
Wanneer een handelaar zich overeenkomstig artikel*3, lid*2, van verordening nr.*1957/69 heeft verbonden om mengvoeders van post*23.07*B*I van het GDT met een gehalte aan graanprodukten van meer dan 65*gewichtspercenten uit te voeren, maar als gevolg van hem niet aan te rekenen omstandigheden in feite mengvoeders heeft uitgevoerd die slechts voor 50 tot 65 gewichtspercenten uit graanprodukten bestaan, is hij op grond van artikel*6, leden 1 en 5, van genoemde verordening ( ook na vrijgifte van de voor de uitvoer gestelde waarborg ) enkel verplicht het verschil tussen het werkelijk vooruit betaalde bedrag en het bedrag dat hij voor de feitelijk uitgevoerde produkten had moeten ontvangen, terug te betalen, vermeerderd met 20% van dat verschil .
De kosten van de Commissie komen niet voor vergoeding in aanmerking . Over de kosten van de partijen in het hoofdgeding heeft de nationale rechterlijke instantie te beslissen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy