Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij het Hof zijn vijf zaken aanhangig waarin in de ene of de andere vorm de vraag aan de orde komt, of met het gemeenschapsrecht verenigbaar is de heffing van schoolgeld van studenten uit een Lid - die onderwijs volgen in een andere Lid -, en of studenten recht hebben op terugbetaling van dat schoolgeld en op een beurs . Het leek mij op zijn minst voorzichtig met mijn conclusie te wachten tot na de mondelinge behandeling in alle vijf zaken . Drie ervan, de onderhavige zaak, zaak 309/85 ( Barra ) en zaak 24/86 ( Blaizot ) betreffen Belgisch recht .
De achtergrond ervan is de volgende . Vóór het collegejaar 1976/1977 mochten de Belgische universiteiten van hun studenten slechts een klein inschrijvingsgeld verlangen; het basis - en het voortgezet onderwijs waren kosteloos, zowel aan de rijksscholen als aan de gesubsidieerde vrije scholen . Vanaf genoemd collegejaar mocht een aanvullend inschrijvingsgeld worden ingevoerd voor buitenlandse studenten en leerlingen die onderwijs volgden aan bepaalde niet-universitaire instellingen en wier ouders niet in België woonden . Op grond van deze bepalingen betreffende niet-universitaire onderwijsinstellingen werden de instellingen voor kunstonderwijs gelast van hun studenten ( behalve degenen die vrijstelling genoten ) een inschrijvingsgeld te heffen . Een Franse studente, Françoise Gravier, kwam in rechte op tegen dit schoolgeld voor de jaren 1982-1983 en volgende . In zijn arrest van 13 februari 1985 ( zaak 293/83, Gravier, Jurispr . 1985, blz . 593 ) verklaarde het Hof voor recht :
"1 ) Het heffen van een vergoeding, inschrijvingsgeld of schoolgeld van studenten die onderdaan zijn van een andere Lid -, als voorwaarde voor toelating tot het beroepsonderwijs, terwijl een dergelijke last niet wordt opgelegd aan eigen onderdanen, vormt een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit .
2 ) Onder het begrip beroepsopleiding valt ook onderwijs ín het tekenen van strips, gegeven aan een inrichting voor hoger kunstonderwijs, wanneer dat onderwijs de student opleidt voor een specifiek beroep, vak of betrekking, of hem een bijzondere bekwaamheid verleent voor de uitoefening van een dergelijk beroep, vak of betrekking ."
De situatie van de universiteiten was anders . Ingevolge artikel 27, paragraaf 3, van de wet van 1971, zoals gewijzigd bij artikel 85 van de wet van 5 januari 1976 ( Belgisch staatsblad van 6.1.1976 ), worden slechts in aanmerking genomen voor de berekening van de financiële bijdrage die de overheid aan de universiteiten verleent, studenten van Belgische of Luxemburgse nationaliteit, studenten van vreemde nationaliteit wier ouders of voogd in België gevestigd zijn of er verblijven en er hun hoofdberoepsactiviteiten uitoefenen, studenten die op Belgisch grondgebied verblijven en wier ouders of wettelijke voogd in België tewerkgesteld zijn of waren en onderhorige zijn van een EG-Lid-Staat, en andere buitenlandse studenten dan die uit bepaalde ontwikkelingslanden en die genoemd in paragraaf 4 van dit artikel, tot maximum 2% van het totaal aantal Belgische studenten die voor het vorige collegejaar in aanmerking waren genomen .
Paragraaf 4, zoals gewijzigd, bepaalt, dat andere buitenlandse studenten dan die bedoeld in paragraaf 3, moeten bijdragen in de werkingsuitgaven van de universiteiten en slechts in aanmerking worden genomen voor het vaststellen van de formatie van bepaald universitair personeel, als zij een aanvullend inschrijvingsgeld hebben betaald dat ten minste 50% van de volgens de geldende regels vastgestelde kostprijs bedraagt . Indien dat inschrijvingsgeld niet wordt betaald, krijgen de universiteiten dus geen subsidies voor het salaris van bedoeld personeel . Bij Koninklijk Besluit van 30 december 1982 werden de universitaire instellingen gemachtigd, van andere buitenlandse studenten dan die bedoeld in artikel 27, paragraaf 3, van de wet van 1971, zoals gewijzigd, een aanvullend inschrijvingsgeld te vorderen, ten bedrage van maximum de helft van de volgens de geldende regels vastgestelde kostprijs .
Op 21 juni 1985 werd in België een onderwijswet uitgevaardigd waarvan de uitvoeringsregels zijn neergelegd in ministeriële circulaires van 20 augustus 1985 en in een Koninklijk Besluit van 30 augustus 1985 .
Het eerste hier relevante punt van de wet van 1985 betreft enkel de universiteitsstudenten . Bij artikel 16, sub 1, werden aan de lijst van studenten die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de financiële bijdrage van de overheid aan de universiteiten, toegevoegd de studenten, onderdaan van een EG-Lid-Staat, die op regelmatige wijze in België zijn gevestigd en er een beroepsactiviteit uitoefenen of hebben uitgeoefend, alsmede hun echtgeno(o)t(e ). Dit artikel was vastgesteld ter uitvoering van het arrest in zaak 152/82 ( Forcheri, Jurispr . 1983, blz . 2323 ), waarin het Hof had beslist dat het onrechtmatig was, van de echtgenote van een in België verblijvende gemeenschapsambtenaar een inschrijvingsgeld te vorderen dat niet werd verlangd van Belgische studenten . Deze bepaling zou krachtens artikel 69 in werking treden op 1 oktober 1983, dus kort na het arrest Forcheri . Zij gold evenwel niet voor andere aan een universiteit studerende onderdanen van een EG-Lid-Staat . Integendeel, ingevolge artikel 16, sub 2, konden de rectoren van de universitaire instellingen vanaf het collegejaar 1985/1986 de inschrijving weigeren van studenten die niet voor de financiering in aanmerking kwamen . Tegen de weigering van inschrijving werd beroep opengesteld, doch enkel voor zover die weigering uitging van een rijksuniversiteit, en niet van een vrije universiteit .
Het tweede punt betreft de andere onderwijstypes in België, namelijk het kleuter -, lager, secundair, buitengewoon en hoger niet-universitair onderwijs . Artikel 59, paragraaf 1, van de wet van 1985 bepaalt, dat van buitenlandse studenten die een van deze onderwijstypes volgen en wier ouders of voogd geen Belg zijn en niet in België verblijven, een inschrijvingsgeld wordt gevraagd . Ingevolge artikel 59, paragraaf 2, is de eerste paragraaf niet van toepassing op studenten die tot een verblijf van meer dan drie maanden zijn toegelaten of gemachtigd zijn zich in België te vestigen krachtens onder meer artikel 10 van de wet van 15 december 1980 ( hierna : de wet van 1980 ), zoals met name gewijzigd bij de wet van 28 juni 1984 ( hierna : de wet van 1984 ).
De wet van 1980 regelt de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen . Artikel 10 bepaalt, dat tot een verblijf van meer dan drie maanden in België wordt toegelaten "de vreemdeling wiens recht op verblijf erkend wordt door een internationaal verdrag, door de wet of door een Koninklijk Besluit ." Krachtens de artikelen 58 en 59 van de wet van 1980 moet degene die een dergelijke vergunning aanvraagt omdat hij in België wenst te studeren, tezamen met andere attesten het bewijs overleggen dat hij aan een Belgische onderwijsinstelling is ingeschreven en voldoende middelen van bestaan bezit .
Ingevolge artikel 71 van de wet van 1985 trad artikel 59, paragraaf 1, met terugwerkende kracht in werking op 1 september 1976 en artikel 59, paragraaf 2, op 1 januari 1985 .
Ten derde bepaalt artikel 63 van de wet van 1985, dat het tussen 1 september 1976 en 31 december 1984 geïnde inschrijvingsgeld in geen geval wordt terugbetaald, met een belangrijke uitzondering : inschrijvingsgelden "gevraagd aan de leerlingen en studenten onderdaan van een EG-Lid-Staat, en die een beroepsopleiding gevolgd hebben ( zullen ) worden terugbetaald op basis van rechterlijke beslissingen tengevolge van een vordering tot terugbetaling ingeleid voor de hoven en rechtbanken vóór 13 februari 1985", dat wil zeggen vóór de datum van het arrest Gravier .
Op 17 juli 1985 stuurde de Commissie de Belgische regering een brief en toen zij daarop geen ter zake dienend antwoord ontving, bracht zij krachtens artikel 169 EEG-Verdrag een met redenen omkleed advies uit . Omdat daarop niet werd gereageerd, heeft de Commissie op 2 oktober 1985 het onderhavige beroep ingesteld . Daarin vraagt zij het Hof vast te stellen, dat België door het treffen van bepaalde maatregelen de krachtens artikel 5 en 7 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen .
Volgens de Commissie maken deze bepalingen in vijf opzichten inbreuk op de artikelen 5 en 7 EEG-Verdrag . In de eerste plaats zouden onderdanen van de EG-Lid-Staten die enkel en alleen naar België komen om er aan Belgische universiteiten te studeren (" studenten uit de Gemeenschap "), moeten worden vrijgesteld van schoolgeld, doch met uitzondering van de Luxemburgers behoren zij niet tot de categorieën die artikel 16 van de wet van 1985 aan artikel 27, paragraaf 3, heeft toegevoegd . In de tweede plaats vormt de bevoegdheid van de rectoren om de inschrijving te weigeren van studenten uit de Gemeenschap die niet in aanmerking komen voor overheidsfinanciering, een ongeoorloofde beperking van de toegang van dergelijke studenten tot het universitair onderwijs . In de derde plaats verleent artikel 59 van de wet van 1985 studenten uit de Gemeenschap die enkel en alleen naar België komen om er hoger niet-universitair onderwijs te volgen, weliswaar vrijstelling van schoolgeld, doch kunnen die studenten in de praktijk onmogelijk vrijstelling krijgen, omdat de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 59, paragraaf 2, enkel kan worden verleend op overlegging van een bewijs van inschrijving voor dat onderwijs, welk bewijs op zijn beurt slechts wordt afgegeven na betaling van het schoolgeld . In de vierde plaats is het vereiste van artikel 58, sub 2, dat de student moet aantonen voldoende middelen van bestaan te bezitten, eveneens in strijd met die verdragsbepalingen . Ten slotte heeft België de artikelen 5 en 7 geschonden door het recht het schoolgeld terug te vorderen, te beperken . Deze beperking vloeit voort uit artikel 63, krachtens hetwelk de onderdanen van de EG-Lid-Staten hun vordering vóór 13 februari 1985 moesten hebben ingesteld, in samenhang met de artikelen 69 en 71, volgens welke de vrijstelling voor werknemers uit de Gemeenschap en hun echtgeno(o)t(e ) en voor studenten uit de Gemeenschap die enkel en alleen naar België komen om er het in artikel 59 genoemde onderwijs te volgen, respectievelijk vanaf 1 oktober 1983 en 1 januari 1985 gelden .
De Commissie liet haar beroep vergezeld gaan van een verzoek om voorlopige maatregelen, uiteindelijk enkel met betrekking tot de toegang tot het door de Belgische universiteiten verstrekte onderwijs voor beroepsopleiding . Op grond dat niet kon worden uitgesloten dat artikel 7 EEG-Verdrag van toepassing was op het door de universiteiten verstrekte onderwijs voor beroepsopleiding, en dat studenten onherstelbare schade zouden lijden indien zij werden uitgesloten omdat zij het inschrijvingsgeld niet konden betalen, werd België bij beschikking van de president van het Hof van 25 oktober 1985 gelast, te waarborgen dat studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen toegang krijgen tot het door de Belgische universitaire instellingen verstrekte onderwijs voor beroepsopleiding, voor zover zij de verbintenis aangaan om het bedrag van het schoolgeld te betalen indien het beroep in de hoofdzaak door het Hof zou worden verworpen .
Gelijk ter terechtzitting werd verklaard, gaat het in deze zaak niet om het lage inschrijvingsgeld dat alle studenten moeten betalen, maar enkel om het aanvullend inschrijvingsgeld dat van buitenlandse studenten wordt verlangd . Aan het Hof is meegedeeld dat dit gewoonlijk "schoolgeld voor buitenlandse studenten" wordt genoemd . Ik zal het hierna gewoon "het schoolgeld" noemen .
Het Koninkrijk België voert in de eerste plaats aan, dat het beroep van de Commissie niet-ontvankelijk is, omdat tijdens de procedure van artikel 169 de processuele waarborgen niet zijn geëerbiedigd .
Het verwijt de Commissie, de termijn voor antwoord op haar brief van 17 juli 1985 op acht dagen te hebben bepaald, niet te hebben geantwoord op Belgiës telexbericht van 2 augustus 1985 waarin om verlenging van die termijn werd verzocht, en zonder verder overleg een met redenen omkleed advies te hebben uitgebracht, waarin werd gevraagd de bekritiseerde maatregelen binnen veertien dagen in te trekken . Deze korte termijnen, aldus België, zijn volstrekt onaanvaardbaar wanneer men voor ogen houdt, dat het schoolgeld reeds verschillende jaren bestond, dat een volledige herziening van het Belgische onderwijsbeleid werd verlangd en dat het arrest Gravier een volledig nieuwe ontwikkeling in het gemeenschapsrecht inluidde, aangezien daarin rechten werden toegekend aan personen die niet als economisch actief konden worden aangemerkt .
Verder zou de Commissie in twee brieven van respectievelijk 19 april en 28 november 1984 de Belgische regeling volledig in overeenstemming met het gemeenschapsrecht hebben genoemd . Al zijn deze brieven niet geheel zonder betekenis, toch wordt er in dit betoog mijns inziens te veel belang aan gehecht . In de eerste brief ging het enkel over werknemers en maakte de Commissie voorbehoud met betrekking tot het feit dat de voorgestelde wijzigingen van de ministeriële circulaires niet golden voor het algemeen voortgezet onderwijs; in de tweede werd een voorbehoud gemaakt met betrekking tot het feit dat die regels kennelijk niet golden voor de familieleden van gemeenschapsambtenaren, en werd gewezen op de formaliteiten die vervuld moesten worden en die volgens de Commissie een belemmering konden vormen .
België beroept zich op de kritiek die het Hof in zijn arrest in zaak 74/82 ( Commissie/Ierland, Jurispr . 1984, blz . 317 ) heeft geleverd op het gedrag van de Commissie . In die zaak had de Commissie een zeer korte termijn gesteld zonder dat de zaak echt urgent was, want de Commissie verlangde dat een wetgeving die al meer dan veertig jaar bestond, binnen vijf dagen werd gewijzigd . Het Hof achtte het beroep ontvankelijk, omdat Ierland de gelegenheid had gekregen de situatie te verbeteren en verweer te voeren vóór de zaak bij het Hof aanhangig werd gemaakt . In het onderhavige geval zou België daartoe niet de gelegenheid hebben gehad .
Er valt ongetwijfeld iets te zeggen voor deze argumenten . Het is van wezenlijk belang, dat een Lid-Staat zowel voor als na de inleiding van een procedure krachtens artikel 169 voldoende gelegenheid krijgt om op kritiek te antwoorden .
Het Hof heeft de Commissie met name gevraagd, schriftelijk uit te leggen waarom zij zulke korte termijnen had gesteld, en toe te lichten wat zij daaromtrent in haar memories had verklaard .
Alle toelichtingen en alle aangevoerde omstandigheden in aanmerking genomen, ben ik persoonlijk van mening dat het beroep ontvankelijk moet worden geacht . De Commissie heeft de gestelde termijnen niet strikt toegepast en ik twijfel er niet aan, dat indien de Belgische regering enige verklaring had verstrekt vóór de Commissie haar met redenen omkleed advies uitbracht of het beroep instelde, deze verklaring in aanmerking zou zijn genomen . Nu iedere verklaring uitbleef, leken België en de Commissie op het eerste gezicht op een confrontatie aan te sturen en wees niets erop, dat een vergelijk mogelijk was . De Commissie vroeg in het onderhavige geval niet om herziening van een reeds lang geldende wettelijke regeling, maar om intrekking van sedert het arrest Gravier vastgestelde maatregelen waarvan de Commissie op het eerste gezicht de indruk had dat zij dat arrest opzettelijk negeerden . Bovendien waren de ministeriële circulaires van 20 augustus 1985 en het Koninklijk Besluit van 30 augustus 1985 van een latere datum dan de brief van de Commissie van 17 juli; het Koninklijk Besluit was zelfs na het met redenen omkleed advies vastgesteld .
Verder staat vast, dat tijdens de voorbereiding van de wet van 1985 was geopperd dat zij in strijd was met het gemeenschapsrecht, en de Raad van State zelf had tegen de achtergrond van het arrest Gravier kritiek geleverd op de terugwerkende kracht van de maatregel . Tijdens een bijeenkomst van de Commissie en Belgische ambtenaren op 25 juni 1985 gaf de Commissie als haar mening te kennen, dat beroepsopleiding ook universitair onderwijs kon omvatten, en leverde zij kritiek op de wet van 1985; tijdens de vergadering van het Onderwijscomité van de Raad van 27 en 28 juni 1985, waarop België vertegenwoordigd was, kwam het arrest Gravier ter sprake . Ofschoon de vertegenwoordiger van de Commissie verklaarde, dat de Commissie haar onderzoek naar de gevolgen van het arrest Gravier nog niet had afgerond, had België sedert de eerdere vergadering moeten weten, dat de Commissie van oordeel was, dat beroepsopleiding ook universitair onderwijs kon omvatten .
Het valt moeilijk aan te nemen, dat de Belgische regering verrast werd door de brief of door het met redenen omkleed advies . Bovendien was de zaak spoedeisend, daar het nieuwe collegejaar op het punt stond te beginnen, en waren er, zoals uit de gebeurtenissen is gebleken, goede gronden om snel te handelen ten einde voorlopige maatregelen te kunnen vragen .
Weliswaar is het van wezenlijk belang, dat de Commissie voldoende tijd geeft om verbetering in een situatie te brengen en om verweer te voeren, doch die termijnen moeten met inachtneming van alle omstandigheden worden beoordeeld . In de onderhavige omstandigheden acht ik het beroep ontvankelijk .
België hecht kennelijk groot belang aan de zaak; het is van oordeel, dat het een liberaal beleid voert met betrekking tot de toelating van studenten en de heffing van schoolgelden, en vergelijkt dit met andere universitaire stelsels, waar weliswaar zeer hoge beurzen worden verleend, maar het aantal studenten zeer gering is . De zaak is ook belangrijk voor de Commissie, daar, vrij naar Disraeli, "het lot van deze Gemeenschap afhangt van het onderwijs van haar bevolking ".
Wat de grond van de zaak betreft, komen de onderzochte geschilpunten in een wat meer concrete vorm aan de orde in de zaken Barra en Blaizot; ik neem de aldaar aangevoerde argumenten in aanmerking voor zover zij relevant zijn voor de in de onderhavige zaak te behandelen punten .
De eerste grief betreft het feit dat in artikel 16, sub 1, van de wet van 1985 geen vrijstelling van schoolgeld wordt verleend voor studenten die enkel en alleen naar België zijn gekomen om er aan de universiteit te studeren, terwijl studenten als bedoeld in de zaak Forcheri wel vrijstelling krijgen . Het geschilpunt betreft dus alleen de universiteiten, en heeft geen betrekking op studenten die als "werknemers" afzonderlijke rechten kunnen claimen; dit probleem komt aan de orde in de resterende twee van de vijf genoemde zaken, te weten de zaken 39/86 ( Lair ) en 197/86 ( Brown ). De eerste grief is weliswaar algemeen geformuleerd, doch de Commissie heeft te kennen gegeven, dat zij in deze zaken niet verder wenst te gaan dan de "beroepsopleiding"; zij suggereert niet, dat het Verdrag discriminatie van personen op grond van nationaliteit verbiedt voor alle onderwijs, inzonderheid voor het zogenoemde "algemeen onderwijs ". Ofschoon de Commissie in de zaak Gravier, onder verwijzing naar een aantal documenten die de Raad en de Commissie in de loop der jaren hadden opgesteld, voor een ruimere regel pleitte en ofschoon het Hof in de zaak Gravier overwoog, dat "de toegang tot en deelneming aan het onderwijs en het leerlingenstelsel, zeker wanneer het een beroepsopleiding betreft, niet buiten het gemeenschapsrecht vallen", en de in artikel 16, sub 1, verleende vrijstelling voor studenten als bedoeld in het arrest Forcheri niet beperkt is tot beroepsopleiding, lijkt het mij juist het beroep op die basis te onderzoeken, hoe wenselijk het ook moge zijn dat de toegang tot het onderwijs in het algemeen te zijner tijd communautair wordt geregeld .
Het gaat dus om de vraag of, en zo ja onder welke omstandigheden, beroepsopleiding als bedoeld in artikel 128 EEG-Verdrag in de uitlegging die in het arrest Gravier daaraan is gegeven, kan worden gevolgd aan de universiteiten, zodat de beperking van de toegang van studenten uit de Gemeenschap ( behalve de Luxemburgers en andere uitdrukkelijk vrijgestelde groepen ), die een onloochenbare discriminatie op grond van nationaliteit vormt, door artikel 7 EEG-Verdrag wordt verboden .
De discussie draaide vooral om de aard van het universitair onderwijs .
De standpunten van de Commissie en België ( hierin gesteund door de vier universiteiten die partij zijn in de zaak Blaizot ) staan lijnrecht tegenover elkaar . De Commissie betoogt dat universitair onderwijs steeds beroepsopleiding is, terwijl dit volgens België nooit het geval is . Het is echter niet zonder belang, dat de Commissie in haar beroepschrift verklaarde dat studenten "nagenoeg steeds" een universitaire opleiding volgen om de kennis en de technische vaardigheid te verkrijgen die nodig zijn voor de uitoefening van een bepaalde beroepsarbeid, terwijl België stelde dat universitaire studies in het algemeen gesproken, behalve een paar uitzonderingen die het Hof dient te specificeren, buiten de werkingssfeer van het EEG-Verdrag vallen .
Het uitgangspunt moet mijns inziens zijn artikel 128 EEG-Verdrag en het arrest Gravier . Het Verdrag beoogt een beleid met betrekking tot de beroepsopleiding, "dat kan bijdragen tot een harmonische ontwikkeling zowel van de nationale economieën als van de gemeenschappelijke markt ". In het arrest Gravier overwoog het Hof, dat "de inrichting van het onderwijs en het onderwijsbeleid als zodanig weliswaar niet behoren tot de onderwerpen die het Verdrag onder de bevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen heeft gebracht" ( een overweging gebaseerd op het arrest in zaak 9/74, Casagrande, Jurispr . 1974, blz . 773, 779 ), "doch dat de toegang tot en de deelneming aan het onderwijs en het leerlingenstelsel, zeker wanneer het een beroepsopleiding betreft, niet buiten het gemeenschapsrecht vallen" ( r.o . 19 ). Na te hebben herinnerd aan de ter uitvoering van artikel 128 getroffen communautaire maatregelen, concludeerde het Hof, dat "iedere onderwijsvorm die opleidt voor een specifiek beroep, vak of betrekking, of die bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep, vak of betrekking uit te oefenen, onder het begrip beroepsopleiding valt, ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van de leerlingen of studenten, en zelfs indien in het studieprogramma een aantal algemene vakken zijn opgenomen" ( r.o . 30 ).
Zowel artikel 128 als deze overwegingen van 's Hofs arrest leggen mijns inziens meer de nadruk op de aard van de opleiding of het onderwijs dan op het soort instelling dat ze verstrekt . Noch het artikel noch het arrest lijkt mij bij voorbaat te impliceren, dat een universiteit een bijzondere instelling is die buiten de werkingssfeer van het in het arrest Gravier geformuleerde beginsel moet worden gehouden . Middeleeuwse geleerden mogen de universiteit dan als een instelling sui generis hebben beschouwd, aan het einde van de twintigste eeuw gaat dat niet meer op voor zover het gaat om onderwijs ( in tegenstelling tot onderzoek ), vooral omdat thans vaak ook andere instellingen, gelijk de polytechnische scholen in het Verenigd Koninkrijk, in bepaalde vakken onderwijs op universitair niveau verstrekken . Het zou volstrekt onjuist zijn om bij voorbeeld een graad of een diploma in de architectuur niet als beroepsopleiding te beschouwen wanneer het is behaald aan een universiteit, doch wel wanneer het aan een gespecialiseerde school is verkregen, hoewel het in beide gevallen toegang geeft tot de uitoefening van het beroep . Verder is het mogelijk dat wat in sommige Lid-Staten enkel aan de universiteit wordt onderwezen, in andere Lid-Staten wordt onderwezen aan instellingen voor hoger onderwijs die strikt genomen niet tot de universiteiten kunnen worden gerekend . Een onderscheid dat meer op de instelling dan op de aard van het onderwijs is gebaseerd, lijkt mij dan ook onaanvaardbaar .
Deze benadering is aanvaard in het arrest Gravier, waarin het Hof als beroepsopleiding aanmerkte "iedere onderwijsvorm" waarmee een bepaald resultaat wordt bereikt, "ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van de leerlingen of studenten", zelfs indien in dat onderwijs "een aantal algemene vakken zijn opgenomen ".
Zij vindt mijns inziens ook steun in de geleidelijke erkenning door de gemeenschapsinstellingen van het belang van hoger onderwijs en van de mobiliteit van hen die dergelijk onderwijs volgen . België stelt terecht, dat vroeger vooral de nadruk werd gelegd op het bijbrengen van handvaardigheid en/of een lagere administratieve opleiding, doch reeds in besluit 63/266/EEG van de Raad van 2 april 1963 houdende vaststelling van de algemene beginselen voor de toepassing van een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de beroepsopleiding ( PB 1963, blz . 1338 ) werd erkend, dat het nodig was om "de kennis en de technische vaardigheid te verkrijgen, nodig voor de uitoefening van een bepaalde beroepsarbeid, en om het hoogst mogelijke opleidingsniveau te bereiken" ( tweede beginsel ), en de publikaties van het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding, opgericht bij verordening ( EEG ) nr . 337/75 ( PB 1975, L 39, blz . 1 ), sluiten universitair onderwijs als zodanig niet uit . Het Comett-programma 1986-1992 ( PB 1985, C 234, blz . 3 ) en het Erasmus-programma ( voorstel van de Commissie, PB 1986, C 73, blz . 4 ), vastgesteld bij besluit 87/327/EEG van de Raad ( PB 1987, L 166, blz . 20 ) en beide op artikel 128 EEG-Verdrag gebaseerd, bevatten voorstellen die veel verder gaan en uitdrukkelijk zien op universitair onderwijs .
Zij lijkt ook te zijn aanvaard door Belgische ministers tijdens het debat over de wet van 1985, die verklaarden dat beroepsopleiding ook universitair onderwijs omvatte .
Met de bewering van de Commissie, dat alle universitair onderwijs beroepsopleiding is, ben ik het evenwel niet eens . Het enkele feit dat werkgevers zowel in de particuliere als in de overheidssector werknemers met een hoger diploma vragen, betekent nog niet, dat elk onderwijs dat opleidt voor een bepaald diploma, noodzakelijkerwijs het karakter van beroepsopleiding heeft, te meer daar vaak een diploma in het algemeen en niet een diploma in een bepaalde studierichting wordt gevraagd . Het komt voor, dat het diploma enkel wordt gevraagd als bewijs dat de houder ervan een bepaald intelligentieniveau bezit en heeft aangetoond in staat te zijn een bepaalde materie op relatief hoog niveau te verwerken .
Deze conclusie - dat universitair onderwijs soms, doch niet steeds beroepsopleiding is - maakt het probleem uiteraard niet gemakkelijker, doch juist moeilijker voor de nationale rechter, die uiteindelijk zal moeten uitmaken of een bepaalde onderwijsvorm beroepsopleiding is .
In het arrest Gravier werd als maatstaf gehanteerd, of de onderwijsvorm, ongeacht de instelling die het onderwijs verstrekt, "opleidt voor een specifiek beroep, vak of betrekking, of bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep, vak of betrekking uit te oefenen ".
Mijns inziens is het van wezenlijk belang de studierichting in haar geheel te bekijken en in de eerste plaats na te gaan, of zij leidt tot een getuigschrift van vakbekwaamheid dat toegang geeft tot een specifiek beroep, vak of betrekking . Is dit het geval, dan gaat het om beroepsopleiding . Dat een Lid-Staat de houder van een diploma in de diergeneeskunde, de architectuur of de farmacie toestaat zijn beroep te gaan uitoefenen ( ook al is het duidelijk dat hij nog jaren zal moeten leren en vaardigheden zal moeten opdoen om een volslagen vakman te worden ), volstaat om van beroepopleiding te kunnen spreken .
Quid indien een universitair diploma een noodzakelijke, doch niet een toereikende voorwaarde is om een specifiek beroep te mogen uitoefenen? Het komt geregeld voor, dat de student naast een diploma nog een getuigschrift van vakbekwaamheid moet hebben, of hij moet een getuigschrift van vakbekwaamheid hebben, maar bij het examen daarvoor krijgt hij vrijstelling voor die vakken die hij al aan de universiteit heeft bestudeerd . In mijn conclusie in de zaak Gravier heb ik gesteld, dat beroepsopleiding mede omvat "onderwijs dat voorbereidt op en rechtstreeks leidt tot een diploma" ( cursivering toegevoegd ). In zijn arrest achtte het Hof het voldoende, dat "het onderwijs opleidt voor ( een specifiek beroep, vak of betrekking )". Op grond van deze overweging, waarbij ik mij aansluit, lijkt het voldoende te zijn dat het universitair diploma een integrerend en noodzakelijk onderdeel is van het getuigschrift van vakbekwaamheid of vrijstelling verleent voor bepaalde materies waarover anders door een beroepsorganisatie examen zou zijn afgenomen, ook al dekt dit diploma tevens een aantal niet vereiste materies .
Ik ben het niet eens met de stelling, dat universitair onderwijs slechts beroepsopleiding kan zijn indien het een essentiële voorwaarde is voor de toegang tot een bepaald beroep, ook al kan dit laatste erop wijzen dat het onderwijs inderdaad beroepsopleiding is . Mijns inziens kan ook als beroepsopleiding worden aangemerkt universitair onderwijs dat, al is het formeel geen bestanddeel van het getuigschrift van vakbekwaamheid, de student de nodige basiskennis bijbrengt om via examens een formeel getuigschrift van vakbekwaamheid te behalen . Verder ben ik van mening, dat universitair onderwijs dat een voorwaarde is voor toelating tot een beroepsorganisatie die na praktijkervaring een bijkomend getuigschrift afgeeft, als beroepsopleiding kan worden aangemerkt .
Deze opvatting is in overeenstemming met het tweede onderdeel van de door het Hof gegeven definitie, namelijk dat als beroepsopleiding is aan te merken iedere onderwijsvorm die bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep, vak of betrekking uit te oefenen . De toepassing van dit tweede onderdeel levert de meeste moeilijkheden op . De vraag is immers, wanneer een onderwijsvorm "bijzondere bekwaamheid" verleent om "een specifiek beroep, vak of betrekking uit te oefenen ". Het is niet omdat men voor de meeste banen moet kunnen lezen, schrijven en rekenen ( voor zover dit in het wiskunde-onderwijs nog aan bod komt ), dat het onderwijs daarvan als beroepsopleiding moet worden beschouwd . Er moet een voldoende nauwe band bestaan tussen de opleiding en het beroep of het vak . Onderwijs dat in wezen erop is gericht de algemene kennis of ontwikkeling te verhogen of "de geest te ontwikkelen", dient normaliter dus te worden uitgesloten . Een cursus literatuur, middeleeuwse geschiedenis of oude talen kan van onschatbaar belang zijn voor een succesvolle carrière als diplomaat, politicus of geestelijke, doch heeft geen voldoende rechtstreekse band met de bijzondere bekwaamheid die voor die specifieke beroepen nodig is .
De vraag is gerezen, of dergelijke cursussen beschouwd kunnen worden als beroepsopleiding voor leerkrachten, met name wanneer ze aan een universiteit worden gegeven . Het is mogelijk dat er cursussen bestaan die specifiek bedoeld zijn als voorbereiding op een onderwijsbevoegdheid of om de studenten de bijzondere bekwaamheid bij te brengen om die materie aan anderen te onderwijzen . Als dat zo is, dan kan een dergelijke cursus als beroepsopleiding worden aangemerkt . Als het niet speciaal daarop is afgestemd, dan is het veeleer als algemeen onderwijs te beschouwen .
In dit verband mag geen onderscheid worden gemaakt tussen vrije beroepen en andere vakken of betrekkingen, en evenmin tussen onderwijs dat doorgaans leidt tot een dienstbetrekking, en onderwijs dat de studenten opleidt voor het als zelfstandige uitoefenen van zogenoemde vrije beroepen . Het onderscheid tussen vrije en andere beroepen beantwoordt niet aan de werkelijkheid, daar tal van artsen, apothekers, architecten en juristen net als andere werknemers in dienstverband werken .
Het communautaire discriminatieverbod geldt ook niet uitsluitend voor degenen die reeds een beroepswerkzaamheid uitoefenen en een bijkomende opleiding volgen, of voor degenen die als werknemer in het bedrijfsleven een opleiding volgen . Ik ben het niet eens met de opvatting, dat beroepsopleiding enkel in het kader van een beroep kan plaatsvinden en niet om een beroep verder te kunnen uitoefenen of om het te kunnen gaan uitoefenen . Al wie dit soort onderwijs volgt, geniet beroepsopleiding .
Ik heb steeds verwezen naar de aard van het onderwijs, omdat die van doorslaggevend belang is . De bedoeling van de individuele student is mijns inziens geen geschikt criterium . Een student die hetzelfde onderwijs volgt als mevrouw Gravier, volgt ook dan een beroepsopleiding wanneer hij, ofschoon bestemd of gedoemd om een rol te spelen in een familiebedrijf, enkel maar vier jaar onderwijs zoekt dat hem meer aanspreekt dan latijn of filosofie . Studenten weten soms wel en soms niet wat zij nadien willen doen, en na een bepaalde studierichting te hebben aangevat, veranderen zij soms van idee . Of wat zij volgen, een beroepsopleiding is, hangt niet af van hun bedoeling .
Indien deze zienswijze de juiste is - zoals ik meen -, zullen er moeilijke problemen rijzen, te meer daar de studenten zeer uiteenlopende studierichtingen kunnen combineren . Maar aangezien er mijns inziens geen onderscheid kan worden gemaakt naar gelang van de instelling ( in casu universiteiten en andere gespecialiseerde instellingen voor hoger onderwijs ), valt aan die problemen niet te ontkomen en zal men het globale belang van het betrokken onderwijs voor een specifiek beroep, vak of betrekking moeten afwegen .
Bijgevolg mag België van studenten die enkel en alleen naar België zijn gekomen om er aan de universiteit een beroepsopleiding te volgen, geen hoger inschrijvingsgeld verlangen dan van zijn eigen onderdanen .
Daaruit volgt mijns inziens met betrekking tot de tweede grief, dat de inschrijving van studenten die geen schoolgeld betalen, niet mag worden geweigerd en dat artikel 16, sub 2, voor zover het een dergelijke weigering toelaat, in strijd is met het gemeenschapsrecht . Indien het schoolgeld echter wordt afgeschaft, verdwijnt de discriminatie ter zake van het schoolgeld waarover in de eerste en de tweede grief werd geklaagd . Waar de Commissie de tweede grief uiteindelijk trachtte uit te breiden tot afschaffing van elke discriminatie bij de financiering van studenten, kan ik haar niet volgen . In het arrest Gravier werd uitdrukkelijk verklaard, dat de aldaar aan de orde zijnde vragen "geen betrekking hadden op de inrichting noch op de financiering van het onderwijs, maar op de omstandigheid dat alleen voor buitenlandse studenten een financiële drempel voor de toegang tot het onderwijs wordt opgeworpen" ( r.o . 18 ): "De inrichting van het onderwijs en het onderwijsbeleid behoren als zodanig niet tot de onderwerpen die het Verdrag onder de bevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen heeft gebracht ." De overheidsfinanciering van het onderwijs in de Lid-Staten stelt in ieder geval veel ruimere problemen aan de orde . Met betrekking tot één bepaald punt blijf ik bij de mening die ik voorlopig had geformuleerd in mijn conclusie in de zaak Gravier, namelijk dat beurzen die aan studenten worden verleend om hen in staat te stellen tijdens hun studie in hun levensonderhoud te voorzien, iets anders zijn, zo de weigering van een dergelijke beurs al als een drempel voor de toegang tot de beroepsopleiding kan worden aangemerkt .
Gelet op wat met betrekking tot de eerste en de tweede grief is gezegd, behoeft niet nader te worden ingegaan op de door België aangevoerde stelling, dat het betoog van de Commissie over de financiering niet-ontvankelijk is ( ik ben het daarmee niet eens, daar de Commissie het had over de gevolgen van de uitspraak die zij hoopte te bekomen, en het dus niet ging om een aparte grief ) en dat artikel 16, sub 2, van de wet van 1985 niet met name doelde op de studenten uit de Gemeenschap die geen inschrijvingsgeld wilden betalen, doch op alle studenten, Belgen zowel als buitenlanders, die een zelfde studiejaar voor de derde keer wilden volgen . Dit laatste kan ik evenmin aanvaarden : artikel 16, sub 2, betreft wel degelijk onder meer de studenten uit de Gemeenschap die weigeren schoolgeld te betalen voor het volgen van een beroepsopleiding aan Belgische universiteiten, en is in zoverre onverenigbaar met het gemeenschapsrecht .
De derde en de vierde grief betreffen artikel 59, paragraaf 2, van de wet van 1985 . Dit artikel is niet van toepassing op universiteitsstudenten, doch - voor zover ter zake dienend - op studenten van het buitengewoon en hoger niet-universitair onderwijs . Als derde grief wordt aangevoerd, dat studenten uit de Gemeenschap die in België een beroepsopleiding willen volgen, slechts een vergunning voor een verblijf van meer dan drie maanden krijgen indien zij voor een bepaalde studierichting zijn ingeschreven . Wanneer zij om inschrijving verzoeken, worden zij slechts vrijgesteld van het schoolgeld ( dat bij de inschrijving volledig moet worden betaald ), indien zij een verblijfsvergunning hebben, en daar zij geen verblijfsvergunning krijgen zonder voor een studierichting te zijn ingeschreven, moeten zij het schoolgeld wel betalen . Als vierde grief wordt aangevoerd, dat een buitenlandse student die een verblijfsvergunning aanvraagt, het bewijs moet leveren dat hij voldoende middelen van bestaan bezit ( bepaald op 12 000 BFR per maand ), terwijl dit van Belgische studenten niet wordt verlangd .
Bij artikel 59, paragraaf 2, van de wet van 1985 worden uitdrukkelijk van schoolgeld vrijgesteld studenten van vreemde nationaliteit die voor een verblijf van meer dan drie maanden zijn toegelaten of gemachtigd zijn zich in België te vestigen op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet van 1980, zoals gewijzigd bij de wet van 1984 . Ingevolge artikel 10 zijn voor een verblijf van meer dan drie maanden toegelaten vreemdelingen wier recht op verblijf erkend wordt door de wet of door een Koninklijk Besluit . Ingevolge de in artikel 58 van de wet van 1980 aangebrachte wijziging hebben enkel de studenten die in België hoger onderwijs of een voorbereidend jaar tot het hoger onderwijs wensen te volgen ( en niet zoals vroeger alle studenten, daaronder begrepen die in het voortgezet en technisch onderwijs ), het recht om meer dan drie maanden in België te verblijven en dan nog op voorwaarde, dat zij de vereiste documenten kunnen overleggen, bij voorbeeld het attest van inschrijving voor een studierichting . Zij kunnen enkel tot verblijf worden toegelaten, indien zij het bij de inschrijving verschuldigde inschrijvingsgeld hebben betaald .
Anderzijds lijkt het Koninklijk Besluit van 30 augustus 1985 ( Belgisch staatsblad van 12.9.1985 ) van schoolgeld vrij te stellen de studenten die door hun inschrijving aan een onderwijsinstelling toegang krijgen tot de beroepsopleiding .
Van het schoolgeld lijken dus te zijn vrijgesteld studenten van het als beroepsopleiding aan te merken niet-universitair hoger onderwijs, daaronder begrepen de studenten van instellingen voor technisch onderwijs, ofschoon deze laatsten geen verblijfsrecht hebben .
Volgens de Commissie kan een student slechts zonder betaling van het schoolgeld worden ingeschreven wanneer hij een verblijfsvergunning heeft, zodat de vicieuze cirkel eens te meer rond is . Daarop is geantwoord, dat een student uit de Gemeenschap gedurende drie maanden in België mag verblijven en zich in die periode kan inschrijven en een verblijfsvergunning voor langere duur kan krijgen .
Voor zover de inschrijving en het verblijfsrecht naar Belgisch recht afhankelijk zijn van betaling van het schoolgeld, lijken de Belgische bepalingen mij in strijd met het arrest Gravier . Indien het schoolgeld wegens strijdigheid met het gemeenschapsrecht wordt afgeschaft voor studenten die beroepsopleiding volgen aan instellingen voor niet-universitair hoger onderwijs, is dit probleem van de baan .
Verder stelt de Commissie dat, indien de onderwijsinstellingen geen hoger inschrijvingsgeld meer mogen heffen van universiteitsstudenten, zij de inschrijving van die studenten zullen weigeren, omdat zij voor dergelijke studenten geen overheidssubsidies ontvangen . De wijze van financiering van de universiteiten wordt in de zaak Gravier niet behandeld en lijkt mij op basis van wat tot dusver is gezegd, in principe buiten de werkingssfeer van het Verdrag te vallen . Al kan worden aangevoerd, dat de wijze van financiering door de overheid in sommige gevallen een beperking van de toegang tot gevolg kan hebben, toch lijkt het mij niet mogelijk op een dergelijke hypothetische basis daarover uitspraak te doen .
In deze zaak is de vraag gerezen, of studenten uit hoofde van een eigen recht kunnen gaan wonen in een Lid-Staat waarvan zij geen onderdaan zijn . België beweert dat zij dat niet kunnen, en beroept zich daartoe onder meer op de arresten in de zaken 66/77 ( Kuyken, Jurispr . 1977, blz . 2311 ) en 53/81 ( Levin, Jurispr . 1982, blz . 1035 ). Enkel de economisch actieven zouden dit recht hebben . Het komt mij voor, dat dit ruimere geschilpunt, dat niet volledig is belicht, buiten het bestek van het onderhavige beroep valt . In het arrest Kuyken werd in ieder geval gezegd, dat de uitspraak enkel gold voor welbepaalde artikelen van de daar aan de orde zijnde verordening .
Als vierde grief is aangevoerd, dat België de artikelen 5 en 7 EEG-Verdrag schendt, door de vrijstelling van schoolgeld voor buitenlandse studenten die hoger onderwijs wensen te volgen, te verbinden aan de voorwaarde dat die studenten voldoende middelen van bestaan bezitten . Dit is geen rechtstreeks vereiste van de vrijstellingsbepaling van artikel 59, paragraaf 2, van de wet van 1985, maar vloeit voort uit het samenspel van de artikelen 10, 58 en 60 van de wet van 1980, zoals gewijzigd .
Voor zover het bezit van bestaansmiddelen een voorwaarde is voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning, die op haar beurt een voorwaarde is voor vrijstelling van schoolgeld, is die voorwaarde mijns inziens even laakbaar als die betreffende de verblijfsvergunning . Een Lid-Staat heeft niet het recht schoolgeld te heffen van studenten die een beroepsopleiding volgen aan niet-universitaire instellingen, en dat blijft zo wanneer de student niet kan aantonen dat hij voldoende middelen van bestaan bezit .
De Commissie lijkt te suggereren, dat een student het recht heeft om een Lid-Staat binnen te komen zonder het bezit van voldoende bestaansmiddelen te moeten bewijzen, precies zoals een werkzoekende dit met beroep op het vrije verkeer zou kunnen doen . Volgens mij gaat die vergelijking niet op . Ook al heeft een werkzoekende dat recht, gelijk het Hof in zijn arrest van 18 juni 1987 ( zaak 316/85, Lebon, Jurispr . 1987, blz . 2811 ) lijkt aan te nemen, die man is ten minste daadwerkelijk beschikbaar voor echte beroepsarbeid en niet enkel voor een bijbaan . Bij iemand die al zijn tijd voor studie benut, is dat niet het geval . Het ligt anders wanneer hij de facto werknemer wordt .
Ook al staat dit punt mijns inziens in de onderhavige zaak niet ter discussie, toch ben ik er niet van overtuigd, dat het vereiste van voldoende bestaansmiddelen, bepaald op een bedrag dat niet overdreven beperkend lijkt, in strijd is met het EEG-Verdrag . Het is in die zin discriminerend, dat het niet geldt voor Belgen, maar deze bevinden zich in een andere situatie, daar de staat de behoeftigen bijspringt . De Commissie geeft toe, dat België niet verplicht is buitenlandse studenten met overheidsgeld te ondersteunen, en het vereiste van voldoende bestaansmiddelen lijkt mij niet in strijd met het Verdrag .
Wat de vijfde grief betreft, bepaalt artikel 63 van de wet van 1985, dat slechts buitenlandse studenten die een beroepsopleiding gevolgd hebben en vóór 13 februari 1985, de datum van het arrest Gravier, een rechtsvordering hadden ingesteld, het door hen betaalde schoolgeld kunnen terugkrijgen . Ingevolge artikel 69 genieten onderdanen van een Lid-Staat die op regelmatige wijze in België gevestigd zijn en er een beroepsactiviteit uitoefenen of hebben uitgeoefend, pas sedert 1 oktober 1983 vrijstelling van schoolgeld . Ingevolge artikel 71 gaat de verplichting tot betaling van schoolgeld in op 1 september 1976 en de vrijstelling van artikel 59, paragraaf 2, op 1 januari 1985 .
Het was duidelijk de bedoeling, het schoolgeld vanaf 1976 een wettelijke grondslag te geven - daar twijfel was gerezen over de geldigheid van de invoering bij ministeriële circulaire -, de periode waarvoor vrijstelling kan worden gekregen, te bekorten en het terugvorderingsrecht drastisch te beperken, zelfs voor de studenten die voór 1 januari 1985 aanspraak konden maken op vrijstelling .
Zowel in het arrest Forcheri als in het arrest Gravier heeft het Hof de heffing van het betrokken schoolgeld als discriminerend en in strijd met artikel 7 EEG-Verdrag aangemerkt . De heffing is derhalve steeds onrechtmatig geweest en had niet mogen worden ingevoerd .
Aangezien artikel 7 rechtstreekse werking heeft en dit door de nationale rechter moet worden erkend ( zie bij voorbeeld zaak 2/74, Reyners, Jurispr . 1974, blz . 631, en zaak 13/76, Donà, Jurispr . 1976, blz . 1333 ), hadden de betrokken studenten uit de Gemeenschap die een dergelijk schoolgeld hadden betaald, in beginsel sedert de arresten Forcheri en Gravier recht op teruggaaf ervan . Ofschoon het zaak van iedere Lid-Staat is "de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen ,... mogen die regels niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en mogen zij in geen geval dusdanig zijn, dat de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, praktisch onmogelijk wordt gemaakt" ( zaak 68/79, Just, Jurispr . 1980, blz . 501, r.o . 25 ).
Ingevolge artikel 63 kon het schoolgeld waarover het in de zaken Forcheri en Gravier ging, slechts worden teruggekregen indien vóór 13 februari 1985 een vordering in rechte was ingesteld, terwijl naar Belgisch gemeen recht onverschuldigd betaalde bedragen kunnen worden teruggevorderd en de verjaringstermijn voor dergelijke vorderingen veel langer is ( artikelen 1235, 1376, 1377 en 2260 e.v . van het Belgische Burgerlijk Wetboek ).
In de zaken Forcheri en Gravier heeft het Hof de gevolgen van zijn arresten niet in de tijd beperkt, ofschoon het die bevoegdheid had op grond van artikel 177, naar analogie met artikel 174 EEG-Verdrag ( zaak 43/75, Defrenne, Jurispr . 1976, Jurispr . 1976, blz . 455 ).
Artikel 63 is overduidelijk een poging om een dergelijke beperking in te voeren . Kan dit bij wet worden ingevoerd? Mijns inziens niet, evenmin als een nationale rechter dit kan bij de toepassing van een arrest van het Hof .
Gelijk het Hof overwoog in zijn arrest in zaak 811/79 ( Ariete, Jurispr . 1980, blz . 2545, r.o . 8 ) - en elders in overeenkomstige bewoordingen -, "impliceert het fundamentele vereiste van een eenvormige en algemene toepassing van het gemeenschapsrecht, dat enkel het Hof van Justitie heeft te beslissen over de beperking ratione temporis van de gevolgen van de door hem gegeven uitlegging ".
Bijgevolg is de Belgische wettelijke regeling in strijd met het Verdrag en ongeldig, voor zover zij met betrekking tot het schoolgeld beperkingen oplegt aan het terugvorderingsrecht van studenten die zich in dezelfde situatie bevonden als mevrouw Forcheri of een beroepsopleiding volgden aan instellingen voor hoger onderwijs .
België heeft aangevoerd dat het, nog afgezien van de werking van het arrest Gravier, het recht had om, inzonderheid van universiteitsstudenten, een schoolgeld te heffen, omdat het om een groot aantal buitenlandse studenten ging ( 4,2 tot 4,5% van het aantal studenten in België, een veel hoger percentage dan in andere Lid-Staten ), omdat het hoge kosten meebracht, omdat de ouders van dergelijke studenten geen belastingen betalen, omdat in de resolutie van de Raad van 27 juni 1980 werd aanvaard dat Lid-Staten passende maatregelen mogen treffen in het geval van aanzienlijke verstoringen in het evenwicht van de studentenstromen als gevolg van een numerus clausus of van andere factoren, en omdat in het Erasmus-programma wordt voorgesteld dat de Lid-Staten de buitenlandse studie van hun onderdanen zouden subsidiëren, zoals de Bondsrepubliek met betrekking tot het schoolgeld inderdaad van plan was .
België heeft mij op basis van de aangevoerde feiten niet kunnen overtuigen van het bestaan van een inherent recht om een schoolgeld te heffen als bescherming tegen een toevloed van buitenlandse studenten of als bijdrage in de kosten van de beroepsopleiding, welke bijdrage niet wordt verlangd van Belgische studenten . Een dergelijk recht wordt in ieder geval niet erkend of in aanmerking genomen in de arresten Forcheri en Gravier, die met betrekking tot het schoolgeld categorische uitspraken bevatten . Bovendien is er heel wat verschil van mening over het juiste aantal studenten uit de Gemeenschap in België . Er is bij voorbeeld gesproken van ongeveer 800 studenten, daaronder begrepen Luxemburgse, die op grond van een bijzondere bepaling van schoolgeld zijn vrijgesteld . Er is ook verschil van mening over het reële groeipercentage van het aantal van die studenten in België .
Ingevolge de wet van 1985 kunnen universiteitsstudenten het schoolgeld slechts terugkrijgen, indien zij vóór 13 februari 1985 een vordering in rechte hadden ingesteld . Zo het discriminatieverbod van toepassing is op de beroepsopleiding aan universiteiten, heeft dit mijns inziens de ongeldigheid tot gevolg van de Belgische wet waarbij het recht van studenten om onverschuldigd betaald schoolgeld terug te vorderen, wordt beperkt .
Verder wordt het Hof verzocht de gevolgen van zijn arrest in de onderhavige zaak te beperken, indien het van oordeel zou zijn dat aan de universiteit een beroepsopleiding kan worden gevolgd .
Het Verdrag verleent daartoe niet uitdrukkelijk de bevoegdheid voor beroepen krachtens artikel 169, zoals in artikel 174 gebeurt voor beroepen krachtens artikel 173 . Het Hof heeft geoordeeld, dat een dergelijke bevoegdheid naar analogie bestaat in het geval van verwijzingen krachtens artikel 177 . Een beroep tegen een Lid-Staat is in zoverre verschillend, dat het Hof daar moet uitmaken of een Lid-Staat een krachtens het Verdrag op hem rustende verplichting is nagekomen . Men kan stellen dat het Hof niet meer kan doen dan dat . Anderzijds komt het mij voor, gelet op het belang van een logische samenhang tussen de drie voornaamste wegen om dit soort problemen bij het Hof aanhangig te maken, dat het Hof naar analogie de bevoegdheid heeft om, na de niet-nakoming te hebben vastgesteld, de gevolgen van zijn arrest in de tijd te beperken .
Aangevoerd is, dat waar het arrest Gravier geen beperkingen bevat, deze thans niet meer kunnen worden ingevoerd voor instellingen van hoger onderwijs die een beroepsopleiding verstrekken, en dat het trouwens verkeerd zou zijn dit te doen, daar intussen in andere zaken een uitspraak kan zijn gedaan op basis van het arrest Gravier met betrekking tot vroegere jaren of voor ná 13 februari 1985 ingestelde rechtsvorderingen . Verder betoogt de Commissie, dat het Hof slechts in welbepaalde omstandigheden van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en dat zulks enkel mag gebeuren, indien is voldaan aan de voorwaarden van het arrest Defrenne, te weten : dat voor ernstige financiële gevolgen moet worden gevreesd, dat heel wat particulieren overeenkomsten hadden gesloten op basis van wat zij meenden dat de geldende regeling was en in overeenstemming met het nationale recht, en dat aan partijen niet was meegedeeld dat hun handelwijze onrechtmatig was, doch dat zij integendeel door de houding van de Commissie en van bepaalde Lid-Staten in de waan waren gebracht dat zij rechtmatig handelden .
Een aantal factoren lijkt mij hier van belang .
Het is juist dat vanaf 1963 het belang is erkend van algemene beginselen met betrekking tot de beroepsopleiding en dat in de algemene richtsnoeren die de Raad in 1971 heeft vastgesteld, een ruime grondslag werd gegeven aan het doel van de beroepsopleiding . Juist is ook, dat het Europees Parlement België had aangemaand het discriminerende schoolgeld af te schaffen .
Anderzijds betrof het besluit van 1963 vooral toezichthoudende en lagere posten en bleven de aanbevelingen van de Commissie daartoe beperkt . De Commissie geeft toe, dat haar eigen opvattingen en de algemene opvattingen over de werkingssfeer van de beroepsopleiding zijn geëvolueerd . Bovendien bevatten de brieven van 18 april en 28 november 1984 tot op zekere hoogte een goedkeuring van de door België aangebrachte wijzigingen . De beklemtoning van het hoger onderwijs in de Erasmus - en Comett-voorstellen en in het besluit van de Raad inzake de vergelijkbaarheid van de getuigschriften van vakbekwaamheid ( PB 1985, L 199, blz . 56 ) is vrij recent en dit is ter zake het eerste beroep krachtens artikel 169 dat de Commissie tegen België heeft ingesteld . Bovendien was vóór het arrest Forcheri en inzonderheid vóór het arrest Gravier nooit uitdrukkelijk gesteld dat de toegang tot het onderwijs en met name tot de beroepsopleiding binnen de werkingssfeer van het Verdrag viel .
Verder is aangevoerd, dat de verplichting tot terugbetaling van het sedert 1976 geïnde schoolgeld voor de universiteiten catastrofaal en voor de andere instellingen een zware last zou zijn . Men is het niet eens over de omvang van het bedrag; de meningen van partijen daarover lopen sterk uiteen en wie gelijk heeft, valt onmogelijk uit te maken . Het gaat in ieder geval om een aanzienlijk bedrag : al dit schoolgeld werd betaald op grond dat het wettelijk verschuldigd was, en het schijnt juridisch twijfelachtig te zijn of de universiteiten, indien zij het zouden terugbetalen, het op de staat kunnen verhalen . Ik zeg "juridisch twijfelachtig", want het is mogelijk dat politieke factoren een grotere rol spelen dan juridische wanneer het op terugbetalen aankomt .
Ik denk niet dat het in alle omstandigheden juist zou zijn, België te verplichten tot terugbetaling van al het schoolgeld waarvan de terugbetaling wordt gevorderd uit hoofde van de beroepsopleiding aan de universiteiten sedert 1976 . Het zou evenmin juist zijn de terugbetaling te beperken of, gezien de beschikking van de president waarin een schriftelijke verbintenis wordt verlangd, aan te nemen dat het schoolgeld vanaf de datum van het arrest in de onderhavige zaak niet meer moet worden betaald . Het arrest Gravier was voor België een duidelijke waarschuwing en vaststaat, dat een aantal parlementsleden en twee ministers van oordeel waren dat het universitair onderwijs de beroepsopleiding kon omvatten .
Mijns inziens zou het in ieder geval billijk en juist zijn om de gevolgen van Belgiës niet-nakoming met betrekking tot de beroepsopleiding aan universiteiten te beperken als volgt :
"Enkel studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat en een beroepsopleiding hebben gevolgd aan Belgische universiteiten en
a ) dat nog steeds deden op de datum van het arrest Gravier of er nadien mee zijn begonnen, of
b ) op de datum van de conclusie in deze zaak een rechtsvordering tot terugbetaling hebben ingesteld,
komen in aanmerking voor terugbetaling voor de volledige duur van hun studie, behalve indien er sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking, doordat zij dat bedrag reeds uit andere bron hebben ontvangen . "
Ik zeg "vanaf de datum van deze conclusie" en niet "vanaf de datum van het arrest van het Hof", om niet een groot aantal andere studenten aan te moedigen, vóór de uitspraak van het arrest nog snel beroep in te stellen .
Ik ben mij er wel van bewust, dat dit voorstel enig ongenoegen zal wekken bij studenten die hun studie vóór de datum van het arrest Gravier hadden beëindigd, doch geen van hen heeft de zaak aangebracht en de gekozen datum lijkt mij redelijk en haalbaar .
De situatie van niet-universitaire studenten levert meer moeilijkheden op . In het arrest Gravier heeft het Hof dergelijke beperkingen niet aangebracht en er valt heel wat te zeggen voor de stelling dat dit ook voor alle studenten aan vergelijkbare instellingen moet gelden . Anderzijds impliceert het arrest van het Hof mijns inziens niet, dat wanneer in een bepaalde zaak geen beperking is aangebracht, ook in latere zaken betreffende andere, zelfs vergelijkbare situaties, nooit een beperking kan worden aangebracht, met dien verstande evenwel dat het in elk geval verkeerd zou zijn de gevolgen van het arrest voor mevrouw Gravier te beperken .
Daar alle betrokken studenten per definitie een beroepsopleiding volgden en sommige studies aan de universiteiten vergelijkbaar zijn met die aan andere instellingen, lijkt het mij passend al deze studenten gelijk te behandelen . Het zou onbillijk zijn, de terugbetaling te beperken voor universiteitsstudenten doch niet voor studenten van andere instellingen, te meer daar het probleem van de beperking in de zaak Gravier niet te berde is gebracht .
Bijgevolg stel ik voor, Belgiës aansprakelijkheid voor de niet-nakoming met betrekking tot de niet-universitaire beroepsopleiding op dezelfde wijze te beperken als met betrekking tot de universitaire beroepsopleiding .
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het beroep ontvankelijk te verklaren en vast te stellen dat België de op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen voor zover de bepalingen van de wet van 1985, gelezen in samenhang met andere in België van kracht zijnde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen,
a ) de universiteiten machtigen :
i ) van studenten uit de Gemeenschap schoolgeld te heffen als voorwaarde voor de toegang tot de beroepsopleiding,
ii ) de inschrijving van dergelijke studenten voor de beroepsopleiding te weigeren wanneer zij het schoolgeld niet betalen, daar waar een dergelijk schoolgeld niet wordt verlangd van eigen onderdanen;
b ) tot gevolg hebben, dat schoolgeld wordt geheven van studenten uit de Gemeenschap die een beroepsopleiding wensen te volgen aan Belgische niet-universitaire onderwijsinstellingen;
c ) het recht op terugvordering van in het verleden geheven schoolgeld beperken, zowel met betrekking tot de categorieën gemeenschapsonderdanen die een dergelijke vordering kunnen instellen, als met betrekking tot het soort beroepsopleiding ter zake waarvan dergelijke vorderingen kunnen worden ingesteld .
Persoonlijk ben ik van mening, dat de gevolgen van het arrest aldus moeten worden beperkt, dat enkel studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat en in België aan de universiteit of aan een andere onderwijsinstelling een beroepsopleiding volgden en
a ) dat nog steeds deden op de datum van het arrest Gravier of er nadien mee begonnen zijn, of
b ) op de datum van de conclusie in deze zaak een rechtsvordering tot terugbetaling hebben ingesteld,
in aanmerking komen voor terugbetaling voor de volledige duur van hun studie, behalve indien er sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking, doordat zij dat bedrag reeds uit andere bron hebben ontvangen . Het spreekt vanzelf dat alle ten gunste van dergelijke studenten gewezen vonnissen in stand blijven .
Daar de Commissie op wezenlijke, doch niet op alle punten in het gelijk is gesteld, komt het mij passend voor, België te verwijzen in tweederde van de kosten die de Commissie zijn opgekomen .
(*) Vertaald uit het Engels
Full & Egal Universal Law Academy