Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . Verzoeker in de zaak waarin ik thans conclusie neem, is op grond van een overeenkomst van 12*januari 1982 als tijdelijk functionaris in dienst van de Rekenkamer getreden . Blijkens de overeenkomst werd hij tewerkgesteld op een administrateurspost en ingedeeld in de rang A*7, eerste salaristrap . Deze overeenkomst liep -*na verlenging *- tot en met 31 december*1983 .
2 . In december*1983 nam verzoeker deel aan een soort selectieprocedure (" screening ") voor de aanwerving van tijdelijke functionarissen voor A*7/A*6-posten . Volgens een rapport van het selectiecomité was verzoeker evenwel niet geschikt voor een A*7/A*6-post; derhalve werd hem een overeenkomst van twee jaar met indeling in de rang B*3, tweede salaristrap, voorgesteld .
3 . Dienovereenkomstig werd op 21*december 1983 een nieuwe aanstellingsovereenkomst gesloten, die gold tot en met 31*december 1985 . Volgens deze overeenkomst zou verzoeker de functie van assistent in de rang B*3, derde salaristrap, uitoefenen . Niet betwist wordt, dat verzoeker evenwel op een A*7-post werd tewerkgesteld, en volgens zijn eigen zeggen deed hij hetzelfde werk als onder de oude overeenkomst .
4 . Nadat zijn afdelingshoofd in een nota van november*1984 had verklaard, enerzijds dat verzoeker controles van de eigen middelen van de Gemeenschap uitvoerde en deelnam aan controlebezoeken bij de Commissie te Brussel en bij nationale administraties van de Lid-Staten, en anderzijds dat hij de facto "een vaste A*7-post bezette" ( dit laatste werd ook bevestigd in een nota die een lid van de Rekenkamer op 13*november 1984 aan de president van deze instelling heeft gericht ), wendde verzoeker zich op 14*januari 1985 tot de president van de Rekenkamer met een formeel verzoek in de zin van artikel*90 Ambtenarenstatuut . Daarin vroeg hij, zich beroepend op het feit dat hij op een vaste A*7-post was tewerkgesteld en ook de daarmee overeenkomende werkzaamheden verrichtte, om toekenning met terugwerkende kracht tot 1*januari 1984 van de aan de rang A*7 verbonden bezoldiging en betaling van de desbetreffende achterstallige bedragen, vermeerderd met rente tegen het gebruikelijke percentage . Hij beriep zich daartoe op artikel*10, derde alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, waarin is bepaald :
" Tewerkstelling van een tijdelijke functionaris in een ambt dat overeenkomt met een hogere rang dan die waarin hij is aangesteld, vereist een aanvullende overeenkomst",
alsmede op artikel*15, tweede alinea, van deze Regeling, krachtens hetwelk een functionaris die overeenkomstig artikel*10, derde alinea, in een met een hogere rang overeenkomend ambt wordt tewerkgesteld, wordt ingedeeld overeenkomstig artikel*46 van het Statuut ( dus met inachtneming van de regels inzake bevordering ).
5 . Dit verzoek bleef aanvankelijk vruchteloos . In een besluit van de president van de Rekenkamer van 7*februari*1985 ( waarin gesproken wordt van een "klacht" van verzoeker ) werd die "klacht" niet-ontvankelijk geacht ( omdat namelijk de termijn hiervoor reeds in maart*1984 was verstreken ). Verder werd de "klacht" ook ongegrond geacht, op grond dat verzoeker na 1*januari 1984 niet in een hogere rang was tewerkgesteld en -*ook al bezette hij een op de begroting als A*7 omschreven post *- uitsluitend was belast met werkzaamheden die tot de in zijn aanwervingsovereenkomst vermelde categorie behoorden .
6 . Daarop wendde verzoeker zich op 16*april 1985 tot de president van de Rekenkamer met een verzoek, dat hijzelf als klacht betitelde . Verwijzend naar een document waarvan hij slechts kort tevoren ( namelijk in januari*1985 ) kennis had gekregen ( het gaat om een stuk getiteld "Richtsnoeren voor het personeelsbeleid", handelend over indelingscriteria ) betoogde hij, dat de hem opgedragen taken die van een "auditeur/administrateur" van de loopbaan A*7/A*6 waren . Na zijn tewerkstelling in de rang B*3 had derhalve een besluit als bedoeld in de artikelen 10 en 15 van de Regeling andere personeelsleden moeten worden genomen en had hij vanaf dat ogenblik moeten worden ingedeeld overeenkomstig artikel*46 Ambtenarenstatuut . De Rekenkamer beriep zich zijns inziens ten onrechte op het verstrijken van de termijnen, nu zij zelf nog steeds in verzuim was .
7 . Op 18*juli*1985 volgde een nieuw besluit van de president van de Rekenkamer, waarbij het besluit van 7*februari 1985 werd ingetrokken en vervangen . In dit besluit werd evenals reeds in het besluit van 7*februari 1985 erkend, dat verzoeker sedert het sluiten van de overeenkomst een "op de begroting voorziene vaste A*7-post" bezette . Verder werd gezegd, dat een aanvullende overeenkomst zou worden gesloten, waarbij verzoeker vanaf 14*januari 1985 en tot en met 31*juli 1985 in de rang A*7, tweede salaristrap, zou worden ingedeeld; vanaf 1*augustus 1985 zou verzoeker een B-post bezetten . De klacht werd voor het overige afgewezen, op grond dat voor wat het tijdvak van 1*januari 1984 tot de indiening van het verzoek betreft de betrokken termijn op 31*maart 1984 was verstreken .
8 . Daarop stelde verzoeker op 8*oktober*1985 beroep in bij het Hof, waarin hij verzoekt :
- nietig te verklaren het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, voor zover daarin wordt gesteld dat het verzoek van 14*januari 1985 te laat is ingediend;
- te verklaren dat het door de Rekenkamer overigens erkende recht van verzoeker op het sluiten van een aanvullende overeenkomst in de zin van de Regeling welke van toepassing is op andere personeelsleden, door dit verzoek veilig is gesteld;
- bijgevolg de Rekenkamer te gelasten om te voldoen aan de bepalingen van het Statuut welke van toepassing zijn op de tijdelijke functionarissen;
- subsidiair, te verklaren dat de Rekenkamer een dienstfout heeft gemaakt, en haar bijgevolg te gelasten deze fout te herstellen door de toekenning van schadevergoeding ten belope van het verschil met de door de Rekenkamer toegekende bezoldiging, te weten het verschil tussen de rangen B*3/3 en A*7/2 voor de periode van 1*januari 1984 tot 14*januari*1985 .
9 . Daar de Rekenkamer volhoudt, dat verzoeker niet meer kan vorderen vanaf het sluiten van de overeenkomst in een hogere rang te worden ingedeeld, heeft zij overeenkomstig artikel*91 van het Reglement voor de procesvoering verzocht, vooraf uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van het beroep .
10 . Over dit geschilpunt is ter terechtzitting van 27*november 1986 gedebatteerd .
B - Standpuntbepaling
11 . Mijn standpunt in deze is als volgt .
12 . 1)*Uit zijn conclusies blijkt dat verzoeker, die van mening is dat zijn overeenkomst van 21*december 1983 overeenkomstig artikel*10, derde alinea, van de Regeling andere personeelsleden per 1*januari 1984 had moeten worden aangevuld, zijn rechtspositie met terugwerkende kracht gewijzigd wil zien; in feite wil hij van begin af een andere contractuele basis, in overeenstemming met de hem opgedragen taken .
13 . Daar ingevolge artikel*46 van de Regeling andere personeelsleden de bepalingen van titel*VII van het Statuut betreffende verzoeken en beroep van overeenkomstige toepassing zijn ( dus ook de termijnen van de artikelen 90 en 91 ), wekt de stelling van de Rekenkamer, dat meer dan een jaar na de feiten geen wijziging of aanvulling ex tunc van de met verzoeker gesloten overeenkomst meer kan worden gevorderd, geen verwondering . Dit had hoogstens kunnen gebeuren binnen de termijn van drie maanden bedoeld in artikel*90, hetzij door een klacht, hetzij om te beginnen door een verzoek . In casu heeft verzoeker de laatste mogelijkheid gekozen, naar hij zegt omdat het hem niet te doen was om de aanstellingsovereenkomst als zodanig, maar alleen om een aanvulling daarvan . Voor de stelling van verweerster pleit de vaste rechtspraak van het Hof, dat het in geval van niet-tijdige betwisting van een bezwarende handeling niet mogelijk is om door een later verzoek, waarmee in wezen om herziening van de bezwarende handeling wordt gevraagd, een nieuwe termijn te doen ingaan ( cf . bij voorbeeld de arresten in de zaken 127/84 ( 1 ), 191/84 ( 2 ), 231/84 ( 3 ) en 153/85 ( 4 )).
14 . Anderzijds kan niet worden gesteld -*gelijk verzoeker heeft gedaan *-, dat het eigenlijk gaat om een vordering tot betaling van achterstallige bedragen, terzake waarvan het Hof van Justitie volledige rechtsmacht heeft en de termijnen derhalve irrelevant zijn . Ook kan geen argument worden ontleend aan het feit, dat het Ambtenarenstatuut voor salarisvorderingen geen verjaringstermijn kent en dat, waar ingevolge artikel*85 Ambtenarenstatuut onverschuldigd betaalde bedragen zonder tijdsbeperking kunnen worden teruggevorderd, hetzelfde dient te gelden voor de door ambtenaren en andere personeelsleden ingestelde vorderingen tot betaling van achterstallige bedragen . Het systeem van het Ambtenarenstatuut is in dit opzicht volkomen duidelijk en verdient in het belang van de rechtsvrede en de rechtszekerheid alle goedkeuring . Wanneer men opheffing of wijziging van de rechtsgevolgen van een bezwarende overheidshandeling voor het verleden wenst, dan is dit alleen maar mogelijk door die handeling tijdig en niet op een willekeurig later tijdstip aan te vechten ( de vraag of bij een duurzame verbintenis op ieder tijdstip om een wijziging voor de toekomst kan worden gevraagd, kan hier onbesproken blijven, daar de Rekenkamer in casu feitelijk in deze zin heeft gehandeld ).
15 . 2)*In de rechtspraak is evenwel ook uitgemaakt, dat in geval van nieuwe feiten in de regel ook na het verstrijken van de genoemde termijnen tegen een bezwarende maatregel kan worden opgekomen, op voorwaarde dat na die nieuwe feiten tijdig een verzoek in de zin van artikel*90 Ambtenarenstatuut wordt ingediend ( cf . de arresten in de zaken 191/84, 231/84 en 153/85 ). Deze kwestie is nu juist aan de orde gekomen in geschillen over de indeling van ambtenaren . De behandeling van die geschillen werd niettegenstaande het verstrijken van de relevante termijnen gerechtvaardigd geacht, wanneer nadien een besluit met indelingscriteria was gepubliceerd of functie-omschrijvingen waren bekendgemaakt . Ik verwijs hiervoor naar de arresten in de zaken 28/64 ( 5 ), 9/81 ( 6 ), 190/82 ( 7 ) en 231/84 .
16 . Verzoeker was dan ook van mening, dat een dergelijke situatie zich bij hem voordeed . Hij beriep zich daartoe op de verklaring van zijn chef van november*1984, de nota van een lid van de Rekenkamer van 13*november 1984 ( waarin werd bevestigd, dat verzoeker op een vaste A*7-post was tewerkgesteld ) en op een document getiteld "Richtsnoeren voor het personeelsbeleid", dat hem in januari*1985 door het Personeelscomité was toegezonden ( uit de definitie sub*B*II, derde gedachtenstreepje, van dit document zou voortvloeien, dat verzoeker A*7-functies verrichtte ). Verder wees hij erop, dat het besluit van 7*februari 1985 houdende afwijzing van zijn verzoek was ingetrokken en vervangen door het besluit van 18*juli 1985, waarin de gegrondheid van zijn vordering werd erkend .
17 . Het lijdt geen twijfel, dat wanneer die omstandigheden of een daarvan als nieuwe feiten in de zin van de rechtspraak moeten worden aangemerkt, het beroep tijdig is ingesteld .
18 . Eveneens moet worden aangenomen, dat in dat geval niet enkel een herziening voor de toekomst kan worden verlangd, maar dat ook op de oorspronkelijke indeling kan worden teruggekomen . Dit blijkt mijns inziens duidelijk uit het arrest in zaak*231/84 .
19 . Doorslaggevend is derhalve de vraag of zich in verzoekers geval werkelijk nieuwe feiten hebben voorgedaan op grond waarvan de kwestie van de juiste indeling van verzoeker in januari*1985 aan de orde kon worden gebracht .
20 . a)*Hierop moet mijns inziens ontkennend worden geantwoord voor zover het gaat om het op verzoekers klacht genomen besluit van 18*juli*1985 . Uit dit besluit kan zeker worden opgemaakt, dat de Rekenkamer toegeeft dat verzoeker A*7-functies vervult, en wel van begin af aan, daar nergens wordt gezegd dat hierin vanaf een bepaald ogenblik wijziging zou zijn opgetreden . Het is dan ook volstrekt onbegrijpelijk, dat de vertegenwoordiger van de Rekenkamer dit feit tijdens de mondelinge behandeling heeft bestreden . Het was echter kennelijk niet dit besluit dat verzoeker tot zijn vordering heeft gebracht; dit besluit was veeleer een reactie op diens verzoek, zodat dit moeilijk kan worden gezien als een nieuw feit dat verzoekers vordering rechtvaardigt .
21 . b)*Na de mondelinge uiteenzetting van de Rekenkamer valt te betwijfelen, of het document "Richtsnoeren voor het personeelsbeleid" als "nieuw feit" in aanmerking komt . Het ziet er weliswaar naar uit, dat verzoeker in het besluit van 18*juli 1985 overeenkomstig dit document is behandeld ( aangenomen werd, dat hij een "auditeurs"-functie in de rang A*7 uitoefende, omdat hij "deelnam aan het onderzoek en aan het opstellen van het controlerappport "); eveneens van belang is, dat de Rekenkamer tijdens de mondelinge behandeling heeft toegegeven, dat dit document bij het personeel tot misverstanden over de indeling heeft kunnen leiden . Beslissend is evenwel, dat nadrukkelijk werd verzekerd dat dit document, waarin ideeën van de president van de Rekenkamer waren neergelegd, nooit door de Rekenkamer is goedgekeurd . Het zou derhalve geen rechtsgevolgen hebben gehad en bovendien zou er in de praktijk niet naar zijn gehandeld . Dit document kan dan ook moeilijk worden gelijkgesteld met de besluiten betreffende algemene indelingscriteria, welke in andere zaken een rol speelden en daar als relevante nieuwe feiten werden aangemerkt .
22 . c)*Verzoekers beoordeling van de twee documenten van november*1984 lijkt mij daarentegen wel verdedigbaar .
23 . Zeker, het mag worden aangenomen dat verzoeker, die beweert dezelfde functies te hebben verricht als onder zijn eerste overeenkomst, van het begin af de indruk moet hebben gehad dat hij te laag was ingedeeld . In zijn beroepschrift verklaart hij het gevoel te hebben gehad dat zijn indeling niet correct was . Ook is juist, dat in genoemde documenten niet uitdrukkelijk wordt gezegd dat verzoeker A*7-taken verricht . Mijns inziens kan evenwel in redelijkheid van niemand worden gevergd een formele procedure in te leiden op basis van een subjectieve indruk, die immers ook verkeerd kan blijken te zijn : gelet op de onduidelijk afgebakende functies had het kunnen zijn, dat de indeling bij de eerste overeenkomst onjuist was .
24 . Het was wijzer met het instellen van een vordering te wachten tot ondubbelzinnige bewijsstukken voorhanden waren . De twee genoemde documenten kunnen beslist als zodanig worden beschouwd, want in één ervan worden immers ook de taken van verzoeker omschreven (" controle van de eigen middelen van de Gemeenschap", deelneming aan talrijke controlebezoeken bij de Commissie ); bovendien vormt de uitdrukkelijke vermelding dat verzoeker een A*7-post bezette, een belangrijke aanwijzing dat hij ook de daarmee overeenkomende werkzaamheden verrichtte ( gelijk nadien in het besluit van 18*juli 1985 ondubbelzinnig werd erkend ).
25 . Indien de documenten van*1984 als nieuwe feiten moeten worden aangemerkt, dan heeft verzoeker met zijn verzoek van 14*januari*1985 tijdig binnen de klachttermijn gereageerd . Vaststaat eveneens, dat hij na de afwijzing van zijn verzoek tijdig een formele klacht heeft ingediend en dat hij, toen daarop afwijzend werd beslist, zich binnen de termijnen tot het Hof heeft gewend .
26 . 3)*Dit betekent, dat de door de Rekenkamer opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond en het beroep integendeel ontvankelijk moet worden verklaard .
C - Conclusie
27 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het krachtens artikel*91 van het Reglement voor de procesvoering ingediende verzoek van de Rekenkamer af te wijzen en uitdrukkelijk vast te stellen dat het door H.*Pressler-Hoeft ingestelde beroep ontvankelijk is . Aangezien de procedure daarmee nog niet is afgesloten, maar ter beoordeling van de gegrondheid van het beroep moet worden voortgezet, is een beslissing omtrent de kosten op dit ogenblik overbodig .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Arrest van 15*mei 1985, zaak*127/84, Esly, Jurispr.*1985, blz.*1437 .
( 2 ) Arrest van 7*mei*1986, zaak*191/84, Barcella e.a ., Jurispr.*1986, blz.*1541 .
( 3 ) Arrest van 26*september*1985, zaak*231/84, Valentini, Jurispr.*1985, blz.*3027 .
( 4 ) Arrest van 10*juli*1986, zaak*153/85, Trenti, Jurispr.*1986, blz.*2427 .
( 5 ) Arrest van 7*april*1965, zaak*28/64, Mueller, Jurispr.*1965, blz.*296 .
( 6 ) Arrest van 6*oktober*1982, zaal*9/81, Williams, Jurispr.*1982, blz.*3301 .
( 7 ) Arrest van 1*december*1983, zaak*190/82, Blomefield, Jurispr.*1983, blz.*3981 .
Full & Egal Universal Law Academy