Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . A.*Huybrechts, ambtenaar van de Commissie, heeft van 1*september 1983 tot 31*december 1984, eerst als plaatsvervanger en daarna ad*interim, de functie van hoofd van de afdeling "Energie, mijnbouw, industrie" uitgeoefend en komt thans op tegen het besluit van 19*december 1984, waarbij de Commissie definitief in de vacature van dat ambt, waarnaar hij had gesolliciteerd, heeft voorzien door een van zijn collega' s, J.*Delorme, bij wege van bevordering aan te stellen . Laatstgenoemde was van 1*december 1982 tot eind 1984 in het kabinet van E.*Pisani, destijds lid van de Commissie bevoegd voor ontwikkeling, werkzaam geweest als kabinetsmedewerker, adjunct-kabinetschef en kabinetschef .
Verzoeker voert drie middelen aan :
2 . Vooreerst verwijt hij het tot aanstelling bevoegd gezag, geen voorafgaand vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de verschillende sollicitanten te hebben verricht .
Laat ik onmiddellijk zeggen dat het aan verzoeker stond te bewijzen dat het Statuut was geschonden, vooral door aan te tonen dat de persoonsdossiers van de sollicitanten, en met name alle beoordelingsrapporten, niet aan het tot aanstelling bevoegd gezag waren overgelegd . Het ontbreken van een formeel bewijs van de overlegging van de dossiers is daartoe geenszins van beslissend belang .
Van wezenlijk belang is, dat zowel uit advies nr.*48/84 van het raadgevend comité voor aanstellingen in de rangen A*2 en A*3 -*dat de eerste selectie heeft gemaakt *-, als uit de speciale notulen nr.*763 van de vergadering van 19*december 1984 tijdens welke het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit heeft genomen -*beide documenten zijn op verzoek van het Hof door de Commissie overgelegd *- overduidelijk blijkt, dat de ter zake dienende stukken uit de persoonsdossiers van alle sollicitanten, en met name hun beoordelingsrapporten, naar behoren zijn onderzocht .
Het eerste middel kan derhalve niet slagen .
3 . Het tweede middel is gebaseerd op het ontbreken van motivering . Volgens verzoeker zou de objectieve vergelijking van de verdiensten van de twee betrokken sollicitanten ontegenzeglijk in zijn voordeel uitvallen en bovendien doen blijken, dat hij meer belang had bij de bevordering . Het belang van de dienst en de zorgplicht zouden derhalve van het tot aanstelling bevoegd gezag een omstandige motivering van de aanstelling van J.*Delorme hebben geëist .
Vaststaat dat het bestreden besluit niet met redenen is omkleed . De administratie heeft verzoeker gewoon meegedeeld dat de keuze voor het te vervullen ambt niet op hem was gevallen .
Dit is niet ongewoon . Het Hof heeft immers overwogen "dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet is gehouden bevorderingsbesluiten te motiveren jegens de niet-bevorderde kandidaten, daar de overwegingen van een dergelijke motivering hen -*althans een aantal hunner *- mogelijk kunnen schaden ". ( 1 )
Met betrekking tot het besluit houdende afwijzing van de tegen de bevordering ingediende klacht, overwoog het Hof dat, "aangezien de bevorderingen ingevolge artikel*45 van het Statuut 'bij keuze' geschieden, de motivering zich slechts kan betrekken op de aanwezigheid van uitdrukkelijke voorwaarden, waarvan het Statuut de regelmatigheid der bevordering afhankelijk stelt ". ( 2 )
Deze rechtspraak is volledig gerechtvaardigd . Elke bevordering geschiedt "uitsluitend bij keuze", "na een onderzoek waarbij de verdiensten" en de beoordelingsrapporten van de sollicitanten "onderling worden vergeleken", zoals artikel*45, lid*1, letterlijk zegt . De bevordering berust dus op een waardeoordeel; wanneer dit in het aanstellingsbesluit wordt geëxpliciteerd, bestaat het gevaar dat aan het licht komt, om welke redenen het tot aanstelling bevoegd gezag de andere sollicitanten niet heeft gekozen, wat nadelig kan zijn voor de beroepstoekomst van deze laatsten .
In het besluit waarbij zij verzoekers klacht heeft afgewezen beperkt de Commissie zich niet tot verwijzing naar de uitdrukkelijke voorwaarden van artikel*45; een dergelijke verwijzing is volgens het Hof beknopt, doch voldoende . ( 3 ) Het afwijzingsbesluit is nauwkeuriger met redenen omkleed, daar het is genomen na een "nauwgezet nieuw onderzoek" van verzoekers situatie "vergeleken met die van de heer Delorme", waarbij "met name" de door verzoeker aangevoerde "feiten en omstandigheden" in aanmerking zijn genomen .
Een en ander is voldoende om het tweede middel af te wijzen, zonder dat behoeft te worden onderzocht of verzoeker, zoals hij beweert, eerder dan de aangestelde sollicitant voor bevordering in aanmerking kwam, daar dat betoog er alleen maar toe strekte een grondslag te geven aan het vereiste van een omstandige motivering, waartoe de Commissie niet was gehouden .
Toch is het nuttig er hier aan te herinneren, dat het Hof volgens vaste rechtspraak, in een soortgelijke zaak heeft overwogen dat
" het tot aanstelling bevoegd gezag bij de beoordeling van het dienstbelang en van de verdiensten waarmee in het kader van een besluit als bedoeld in artikel*45 van het Statuut rekening moet worden gehouden, over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt",
zodat
" de controle van het Hof ... zich moet beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wijze waarop zij tot haar oordeel heeft kunnen komen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet op kennelijk onjuiste wijze van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt ." ( 4 )
Het Hof heeft immers niet het recht zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratie en te bepalen of de keuze van deze laatste gerechtvaardigd is ( 5 ). Zelfs al zouden bij de vergelijking van de verdiensten van de twee betrokken sollicitanten bepaalde objectieve verschillen ten gunste van verzoeker aan het licht komen, dan nog dient daarover een waardeoordeel te worden gegeven, en dit behoort nu juist tot de uitsluitende bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag .
Gelet op de in de kennisgeving van vacature bedoelde kundigheden, blijkt de Commissie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet te hebben overschreden, door zowel de geschiktheid om leiding te geven aan een administratieve eenheid, als de beroepservaring of de wijze waarop de dienst werd vervuld in aanmerking te nemen . Ten*slotte zij eraan herinnerd, dat de discretionaire bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag gebaseerd is op het belang van de dienst, waartegen het belang van de sollicitanten het moet afleggen, zodat de verweten schending van de zorgplicht in*casu irrelevant is .
4 . Het laatste middel tot nietigverklaring is ontleend aan misbruik van bevoegdheid . Volgens verzoeker was het er de Commissie met het bestreden besluit immers niet om te doen, in het belang van de dienst de ambtenaar aan te stellen die het meest geschikt was om de functie van afdelingshoofd uit te oefenen, maar "een zachte landing" -*vandaar de door verzoeker gebruikte uitdrukking "parachutage "*- te bieden aan een medewerker van een lid van de Commissie, dat eind 1984 tot een ander ambt werd geroepen .
Tot staving van dit middel beroept verzoeker zich vooreerst op het ontbreken van motivering . Ik heb reeds gezegd dat dit middel niet kan slagen .
Vervolgens wijst hij op een rondschrijven van de vakbonden van 7*november 1984, waarin de op handen zijnde aanstelling werd aangekondigd van een sollicitant waarmee alleen J.*Delorme kon zijn bedoeld .
In dit laatste kan niet het bewijs worden gezien, dat het verwijt terecht gemaakt is . De juistheid van die voorspelling kan op toeval berusten of gewoon de bevestiging van een intuïtie zijn . Zij kan op zichzelf geen misbruik van bevoegdheid opleveren .
Ten slotte ziet verzoeker een andere aanwijzing in de vertraging waarmee de Commissie de kennisgeving van vacature heeft bekendgemaakt . Men zou aldus, vooruitlopend op het vertrek van E.*Pisani, geprobeerd hebben de post voor de uiteindelijk aangestelde sollicitant te reserveren .
Vaststaat, dat die kennisgeving van vacature is bekendgemaakt meer dan een jaar na het vertrek van degene die de post voordien bekleedde, namelijk tegen de tijd dat E.*Pisani zou vertrekken .
In dit verband kan, zoals verzoeker ter terechtzitting zelf heeft toegegeven, wanneer aan de uitdrukkelijke voorwaarden van artikel*45 van het Statuut is voldaan, het feit dat een van de sollicitanten uit het kabinet van een lid van de Commissie komt, op zichzelf niet op misbruik van bevoegdheid wijzen . Wanneer daarentegen zou blijken dat de Commissie de kennisgeving van vacature opzettelijk heeft uitgesteld om een bepaalde sollicitant te kunnen aanwerven, zou dat in aanmerking kunnen worden genomen ter ondersteuning van verzoekers grief .
Dit is echter niet het geval . De Commissie heeft immers gepreciseerd dat de betrokken post niet onmiddellijk vacant kon worden verklaard, omdat hij eerst enige tijd bij een andere afdeling was ondergebracht en de administratie, toen hij dan vervolgens per 1*april 1984 "weer beschikbaar" kwam, om begrotingsredenen eerst de kennisgevingen van de vacatures van de rangen A*3, die haars inziens voorrang hadden, diende bekend te maken .
Deze uitleg, die verzoeker overigens niet betwist, is afdoende . Uiteindelijk kan verzoeker daar enkel een samenval van data tegenover stellen .
Kortom, er bestaan geen "objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen ..." dat de betrokken bevordering heeft plaatsgehad "ter bereiking van andere doeleinden dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd ". ( 6 )
Dit laatste middel kan derhalve, evenals de vorige, niet slagen .
5 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging het beroep te verwerpen en te verstaan dat verzoeker overeenkomstig artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering zijn eigen kosten zal dragen .
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1)*Zaak*188/73, Grassi, Jurispr.*1974, blz.*1099, r.o.*12 .
( 2)*Genoemde zaak*188/73, r.o.*14 .
( 3)*Zaak*188/73, reeds aangehaald, r.o.*16 en 17 .
( 4)*Arrest van 23*oktober 1986, zaak*26/85, Vaysse, Jurispr.*1986, blz.*3131, r.o.*26 .
( 5)*Zaak*282/81, Ragusa, Jurispr.*1983, blz.*1245, r.o.*13 .
( 6)*Zaak*69/83, Lux, Jurispr.*1984, blz.*2447, r.o.*30 .
Full & Egal Universal Law Academy