Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . In de onderhavige zaak gaat het om de post van hoofd van de Griekse vertaalafdeling bij het Economisch en Sociaal Comité . Aangezien deze post lange tijd vacant is gebleven, werd op initiatief van de administratie een regeling getroffen waarbij de directeur van de talendienst het werk van de Griekse afdeling organiseerde en superviseerde in samenwerking met verzoeker, die er sedert 1*februari 1982 als reviseur/hoofdvertaler in de rang*LA*5 werkzaam was, en met de heer Ts . ( die dezelfde functie had als verzoeker ). In de praktijk kwam dit blijkbaar hierop neer, dat verzoeker en Ts . om de beurt drie maanden lang de leiding van de Griekse afdeling waarnamen .
2 . De post van hoofd van de Griekse vertaalafdeling -*een LA*3-post *- was reeds in 1981 bij mededeling nr.*84/81 van de voorzitter van het ESC van 28*september 1981 vacant verklaard . In die mededeling werd onder het kopje "qualifications requises" onder meer verlangd "aptitude dans la direction d' une unité administrative et aptitude à exercer les fonctions selon les méthodes de travail propres à un organe consultatif des Communautés ".
3 . In 1982 werd een eerste algemeen vergelijkend onderzoek georganiseerd, waarbij als minimumleeftijd 40*jaar gold . Verzoeker nam daaraan deel, doch hij noch enige andere sollicitant werd op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst .
4 . In mei 1983 kondigde de secretaris-generaal van het ESC een tweede algemeen vergelijkend onderzoek aan, dat in 1984 plaatshad . Ditmaal was de minimumleeftijd slechts 35*jaar . Na afloop van het vergelijkend onderzoek stelde de jury een lijst van vijf geschikte kandidaten op, waarop Ts . als eerste en verzoeker als tweede waren geplaatst .
5 . Op grond van deze lijst van geschikte kandidaten besloot het ESC-bureau op 17*oktober 1984 om Ts . -*die op 1*november 1984 afdelingshoofd ad*interim werd *- bij de Raad voor de vacante post voor te dragen . In dit verband zij erop gewezen, dat ingevolge artikel*57 van het Reglement van orde van het ESC de aan het tot aanstelling bevoegd gezag toegekende bevoegdheden ten aanzien van onder meer LA*3-ambtenaren worden uitgeoefend op voorstel van het ESC-bureau, door de Raad met instemming van de Commissie, wat ( onder meer ) de artikelen 29 tot en met 32 Ambtenarenstatuut betreft . Nadat de Commissie op 3*december 1984 haar instemming met die voordracht had betuigd, stelde de Raad bij besluit van 29*januari 1985 Ts . per 1*februari 1985 aan als hoofd van de Griekse vertaalafdeling met indeling in de rang*LA*3, salaristrap*1 .
6 . Verzoeker is niet bereid zich daarbij neer te leggen . Reeds in september 1984 beklaagde hij zich schriftelijk bij de secretaris-generaal van het ESC over het feit, dat de directeur-generaal administratie al op 20*juli 1984 aan Ts . had meegedeeld dat deze hoofd zou worden van de Griekse afdeling, waarop Ts . zich in het bureau van het afdelingshoofd had geïnstalleerd . Bij nota van 10*oktober 1984 antwoordde de secretaris-generaal, dat de directeur-generaal geen enkele mededeling had gedaan waarmee vooruit werd gelopen op de keuze van het toekomstige hoofd van de Griekse afdeling .
7 . Nadat de aanstelling bekend was gemaakt, diende verzoeker op 31*maart 1985 een formele klacht in bij het tot aanstelling bevoegd gezag van het ESC . Daarin formuleerde hij een aantal grieven met betrekking tot het verloop van het vergelijkend onderzoek en zaken die in verband daarmee waren voorgevallen, en verlangde hij dat het besluit tot aanstelling van Ts . zou worden ingetrokken en dat het vergelijkend onderzoek geannuleerd en een nieuw vergelijkend onderzoek georganiseerd zou worden . Op 4*juli 1985 gaf de voorzitter van de jury als zijn mening te kennen, dat het vergelijkend onderzoek volgens de regels was verlopen en dat de jury zijn taak in alle objectiviteit had verricht, zodat er geen grond was om het vergelijkend onderzoek te annuleren . Dit was ook de strekking van de brief die verzoeker op 26*juli 1985 van de voorzitter van het ESC ontving .
8 . In die brief werd hem bovendien verzekerd, dat ook de aanstellingsprocedure een regelmatig verloop had gehad . Zo had het Bureau van het ESC zijn voordracht gedaan na een zorgvuldige vergelijking van de kandidaten en van de uitslagen van het vergelijkend onderzoek . Ten*slotte werd verzoeker erop attent gemaakt, dat het ESC niet bevoegd was om een besluit van de Raad ongedaan te maken, en werd hem voorgesteld dat het ESC, indien verzoeker dat wenste, de klacht zou doorzenden aan de Raad -*althans voor zover het daarin ging om intrekking van het aanstellingsbesluit . Op deze suggestie is verzoeker niet ingegaan .
9 . Verzoeker heeft vervolgens op 11*oktober 1985 beroep ingesteld tegen de Raad en het ESC . Daarin vraagt hij het Hof om :
- nietigverklaring van het vergelijkend onderzoek,
- vaststelling "dat de aanstelling van Ts . elke grondslag mist",
- subsidiair, vaststelling dat de selectiecriteria onwettig waren en op een onjuiste beoordeling waren gebaseerd .
10 . De Raad acht het beroep, voor zover tegen hem gericht, niet-ontvankelijk . Ook het ESC is van mening dat het beroep niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond is . Voor de argumenten van partijen verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
B - Bespreking
I - De ontvankelijkheid
1 . Het beroep tegen de Raad
11 . a)*Het hoofdargument ter zake is, dat het beroep niet tegen de Raad had mogen worden gericht, doch uitsluitend tegen het orgaan waaraan het bestreden aanstellingsbesluit toe te rekenen is . Dat zou onbetwistbaar het ESC zijn, waaraan niet zou afdoen dat in het geval van dit orgaan -*conform het overeenkomstig artikel*196 EEG-Verdrag vastgestelde Reglement van orde *- de Raad voor een deel ( voor de hogere rangen ) tot aanstelling bevoegd is; het tot aanstelling bevoegd gezag -*dat ingevolge artikel*2 Ambtenarenstatuut door iedere instelling wordt aangewezen *- zou namelijk uitsluitend optreden in naam van de betrokken instelling .
12 . Op dit punt biedt het Ambtenarenstatuut -*dat overeenkomstig artikel*179 EEG-Verdrag de voorwaarden bepaalt waaronder personeelsgeschillen aan het Hof kunnen worden voorgelegd *- geen duidelijke oplossing . Het Statuut spreekt namelijk enerzijds van "geschil(len ) tussen de Gemeenschappen en één van de in dit statuut bedoelde personen" ( artikel*91 ), en verlangt anderzijds dat men, alvorens beroep in te stellen, zich eerst met een klacht tot het tot aanstelling bevoegd gezag richt ( artikel*91, lid*2 ). Hieruit zou men kunnen afleiden, dat ook het beroep tegen het tot aanstelling bevoegd gezag moet worden gericht . Ten*slotte bepaalt artikel*1 van het Statuut, dat aanstellingen geschieden "bij één der instellingen van de Gemeenschappen ".
13 . De rechtspraak heeft evenwel al lang vastgesteld, dat beroepen niet tegen de Gemeenschappen in het algemeen en evenmin tegen het tot aanstelling bevoegd gezag moeten worden gericht, maar dat het in artikel*1 te vinden aanknopingspunt -*de instelling waarbij de betrokkene is aangesteld *- beslissend is ( zie de arresten in de zaken 18/63 ( 1 ) en 28/64 ( 2 ). Hier kan tevens worden verwezen naar het arrest in zaak*50/74 ( 3 ), waarin het gaat over de moeilijkheid om te achterhalen, welke instelling de betrokkene moet aanspreken ). Daarvan uitgaand, valt dan ook iets te zeggen voor de opvatting, dat de in*casu opgeworpen exceptie gegrond is en -*waar het om een aanstellingsprocedure bij het ESC gaat *- enkel het ESC als verweerder is aan te merken . In een geval als dit, waarin het gaat om een aanstellingsbesluit waarbij de Raad een wezenlijke rol heeft gespeeld, zou dit betekenen dat de Raad slechts bij de procedure kan worden betrokken via artikel*18, tweede alinea, van 's*Hofs Statuut-EEG ( betreffende de toezending van de processtukken aan de instellingen van de Gemeenschap wier beslissingen in geding zijn ) en, in aansluiting daarop, via interventie .
14 . Ik moet evenwel bekennen dat dit procédé mij allesbehalve passend en bevredigend lijkt . In dit verband verwijs ik naar het arrest in de gevoegde zaken 783 en 786/79 ( 4 ), waarin het heet dat een beroep slechts kan worden gericht tegen het tot aanstelling bevoegd gezag waarvan het bezwarende besluit is uitgegaan . Gelet op dit arrest en aangezien bij een regeling zoals die van artikel*57, eerste alinea, derde streepje, van het Reglement van orde van het ESC aanstellingsbesluiten in laatste instantie door de Raad worden genomen, moet ervan worden uitgegaan, dat bij een beroep tegen een dergelijk besluit ook de Raad zich heeft te verdedigen, en wel als partij . Ik ben dan ook van mening, dat het beroep terecht ook tegen de Raad is gericht .
15 . Op de andere vraag die in deze context is gerezen, namelijk of het wenselijk is ook de Commissie -*waaraan in artikel*57 van het Reglement van orde eveneens een rol is toebedeeld *- in het geding te roepen, behoeft daarentegen niet nader te worden ingegaan . Het antwoord daarop is immers irrelevant voor de vraag die ons thans bezighoudt, namelijk of terecht beroep is ingesteld tegen de Raad . Wel wil ik er terloops op wijzen, dat er met betrekking tot een instelling die enkel haar instemming moet geven, argumenten zijn voor de tegenovergestelde opvatting . In dit verband herinner ik aan beroepen tegen besluiten op grond van artikel*58 EGKS-Verdrag ( het met instemming van de Raad vastgestelde staalquotastelsel ), die uitsluitend tegen de Commissie zijn gericht .
16 . b)*Het beroep tegen de Raad zou in ieder geval niet-ontvankelijk zijn omdat niet vooraf, overeenkomstig artikel*91 Ambtenarenstatuut, een klacht is ingediend bij de Raad .
17 . Dit is in zoverre juist als blijkens de nota van 19*juli 1985 verzoekers klacht de Raad nooit bereikt heeft . Wij moeten echter wel vaststellen, dat zij duidelijk ( ook ) tot de Raad gericht was . Dit blijkt uit de adressering ervan (" autorité investie du pouvoir de nomination du CES "), maar ook uit de inhoud, want er is daarin sprake van de aanvaarding van de voordracht van het bureau van het ESC, en er wordt verlangd "que vous révoquiez votre décision du 29*janvier 1985" ( waarmee verwezen wordt naar handelingen van de Raad ). Deze omstandigheid is naar mijn gevoelen beslissend, dat wil zeggen het komt erop aan, dat de verzoeker van zijn kant al het nodige heeft gedaan om het tot aanstelling bevoegd gezag ( en het ESC, dat via de voorgeschreven hiërarchieke weg was benaderd, kon gemakkelijk vaststellen wie dat was ) in staat te stellen de bestreden handeling te toetsen . Wanneer zich dan "op de hiërarchieke weg" ( in de zin van artikel*90, lid*3, Ambtenarenstatuut ) onregelmatigheden voordoen die ertoe leiden dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn toetsingsplicht niet kan nakomen, mag dat voor de klagende ambtenaar stellig geen nadelige gevolgen hebben . Na de in artikel*90, lid*2, Ambtenarenstatuut bedoelde termijn van vier maanden mocht hij er integendeel van uitgaan, dat zijn klacht stilzwijgend was afgewezen . Ook behoefde hij niet in te gaan op het aanbod in de nota van 19*juli 1985, om zijn klacht aan de Raad door te zenden, aangezien van meet af aan duidelijk was dat hij dat wenste, en de termijn waarbinnen een klacht tegen het aanstellingsbesluit van 29*januari 1985 kon worden ingediend, toen reeds was verstreken .
18 . c)*Tegen de ontvankelijkheid van het beroep tegen de Raad kunnen dus geen ernstige bezwaren worden ingebracht .
2 . Het beroep tegen het ESC
19 . a)*Hierin wordt in de eerste plaats kritiek geuit op het hiervoor genoemde vergelijkend onderzoek . Het ESC verweert zich primair met te stellen dat verzoeker geen belang bij nietigverklaring van het vergelijkend onderzoek heeft, aangezien hij niet de nietigverklaring van het daarop gebaseerde aanstellingsbesluit heeft gevorderd, doch enkel de vaststelling dat die aanstelling "elke grondslag mist ".
20 . Dat zou ik zo niet willen zeggen . Wel geef ik toe dat verzoekers conclusie niet zo gelukkig is geformuleerd . Uit de strekking van het verzoekschrift volgt evenwel zonder*meer, dat verzoeker de nietigverklaring van het aanstellingsbesluit verlangt . Dienaangaande wijs ik op punt*26 van het verzoekschrift, waarin uitdrukkelijk wordt gezegd : "Il s' agit donc d' obtenir l' annulation du Concours LA/57/83 et en conséquence de la nomination de Monsieur*Ts ." Men kan dus niet zeggen dat verzoekers vordering tot nietigverklaring van het vergelijkend onderzoek als het ware in de lucht hangt .
21 . b)*Voor zover in de loop van de procedure kritiek is geformuleerd op het gedrag en de handelingen van de jury, werpt verweerster op, dat tegen handelingen van de jury enkel rechtstreeks beroep kan worden ingesteld, zodat het beroep -*omdat er een klachtprocedure aan is voorafgegaan *- op dit punt als tardief moet worden beschouwd .
22 . Ook dit argument kan niet worden aanvaard .
23 . In de eerste plaats : zoals ik in mijn conclusie in zaak*255/85*(5 heb uiteengezet, is het onjuist dat een klacht tegen jurybesluiten geen zin heeft . Bovendien is het vaste rechtspraak, dat in zodanig geval de beroepstermijn pas ingaat op de dag van kennisgeving van het op de klacht genomen besluit ( cfr . bij voorbeeld het arrest in zaak*144/82*(6 )). Het feit dat een klacht is ingediend, heeft dus niet tot gevolg dat het beroep te laat is ingesteld .
24 . In de tweede plaats is van belang dat in deze zaak tijdig beroep is ingesteld tegen het aanstellingsbesluit . Daarbij kan evenwel als ondergeschikt argument ook worden aangevoerd dat sommige jurybesluiten voor kritiek vatbaar zijn . Ook op dit punt is de rechtspraak duidelijk; men zie bij voorbeeld de arresten in de zaken 11/65 ( 7 ), 21/65 ( 8 ), 257/83*(9 ) en 143/84 ( 10 ).
25 . c)*Voor zover in het beroep de organisatie van het vergelijkend onderzoek en de uitslag ervan gekritiseerd worden, is verzoeker voorts het verwijt gemaakt dat hij niet tijdig heeft gereageerd, anders gezegd dat hij erin heeft "berust" en daarmee zijn recht om ertegen op te komen, heeft verwerkt .
26 . Dat dit niet juist is -*althans voor wat de uitslag van het vergelijkend onderzoek betreft, dat wil zeggen de vaststelling door de jury van de lijst van geschikte kandidaten *-, heb ik zojuist al aangetoond met een beroep op de desbetreffende rechtspraak .
27 . Ten aanzien van de handelingen die betrekking hebben op de organisatie van het vergelijkend onderzoek, zou men op basis van het arrest in zaak*294/84 ( 11 ) geneigd kunnen zijn een ander standpunt in te nemen; in dat arrest werd in een procedure betreffende niet-toelating tot een vergelijkend onderzoek, waarbij tevens bezwaar werd gemaakt tegen onregelmatigheden bij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, beslist dat dit laatste niet meer mogelijk was en dat daartegen tijdig beroep had moeten worden ingesteld .
28 . Hiermee kan ik het echter niet eens zijn, en ik heb ook de indruk, dat de rechtspraak in de regel een andere richting uitgaat en in zulke situaties, waarin tijdig wordt opgekomen tegen een aanstellingsbesluit, ook toelaat dat eerdere handelingen ( aankondigingen van vergelijkend onderzoek, handelingen in het kader van het vergelijkend onderzoek ) als voorbereidende handelingen in de procedure worden betrokken en incidenter worden bestreden . Te dezen verwijs ik naar de arresten in de zaken 11/65, 21/65, 37/72 ( 12 ) en 101/77 ( 13 ), en geef ik in overweging in*casu dezelfde lijn te volgen en de betrokken grieven dus niet af te wijzen op grond dat verzoeker ze tijdig in een apart beroep had moeten aanvoeren .
29 . d)*Wel zijn er twee andere aspecten die mij doen twijfelen aan de ontvankelijkheid van de grief betreffende de beslissing om het vergelijkend onderzoek te organiseren ( zoals bekend is verzoeker van mening, dat ingevolge artikel*57 van het Reglement van orde van het ESC deze bevoegdheid aan de Raad en niet aan de secretaris-generaal van het ESC toekwam ).
30 . aa)*Het beroep op het Hof moet worden voorafgegaan door een klacht . Volgens 's*Hofs rechtspraak mag het beroep qua voorwerp en rechtsgrondslag niet afwijken van de klacht ( zie de arresten in de zaken 75/82 ( 14 ), 173/84 ( 15 ), 270/84 ( 16 )); weliswaar kunnen in de procedure voor het Hof middelen en argumenten worden aangevoerd die in de klacht niet zijn uiteengezet, doch volgens rechtsoverweging*15 van het arrest in zaak*52/85 ( 17 ) mag het daarbij niet gaan om grieven waarvan de rechtsgrondslagen geen verband houden met die van de in de klacht geformuleerde bezwaren .
31 . Zoals gezegd, heeft verzoeker een klacht ingediend tegen het besluit tot aanstelling van Ts . en daarin ook grieven over het verloop van het vergelijkend onderzoek geformuleerd . In de klacht wordt evenwel niet gerept over de vraag, of de secretaris-generaal van het ESC tot een vergelijkend onderzoek kan besluiten -*zoals in*casu is gebeurd *-, dan*wel of deze beslissing voor LA*3-posten door de Raad, op voorstel van het Bureau van het ESC en met instemming van de Commissie moet worden genomen, nu artikel*57 van het Reglement van orde van het ESC naar artikel*29 Ambtenarenstatuut en dus indirect naar bijlage*III bij het Statuut verwijst . Men kan dus wel degelijk stellen dat de vraag inzake de bevoegdheid om tot het vergelijkend onderzoek te besluiten, in de klacht niet aan de orde is gesteld -*ook niet impliciet of wegens het logisch verband *-, en dat de desbetreffende bezwaren eerst in het verzoekschrift zijn geformuleerd . Aangezien die bezwaren voorts evenmin direct verband houden met andere in de klacht geuite grieven ( in de zin van het arrest in zaak*52/85 ), ligt de conclusie voor de hand dat dit punt niet voor het eerst in het stadium van het beroep aan de orde kan komen .
32 . bb)*In de tweede plaats herinner ik eraan, dat de verzoeker volgens de rechtspraak ook moet doen blijken van zijn belang bij bepaalde grieven, meer in het bijzonder dat hij, wanneer hij zich beklaagt over onregelmatigheden in de procedure, moet aantonen dat het betrokken besluit, ware de procedure correct verlopen, een andere inhoud had kunnen hebben ( zie het arrest in zaak*150/84 ( 18 )).
33 . Aan deze voorwaarden is in casu zeker niet voldaan . Een letterlijke toepassing van artikel*57 van het Reglement van orde van het ESC bij de organisatie van vergelijkende onderzoeken zou betekenen, dat het Bureau een voorstel moet doen, de Commissie met dat voorstel moet instemmen en de Raad -*en niet enkel de secretaris-generaal van de Raad *- een besluit moet nemen; bij de discussie over de grief waarom het thans gaat, is verklaard dat deze interpretatie kennelijk onzinnig en onpraktisch zou zijn en dat de betrokken instanties sedert lang en eensgezind de beslissing aan het ESC overlaten . Zou de procedure conform verzoekers opvattingen ter zake zijn verlopen, dan mag men er zonder meer van uitgaan, dat de Commissie en de Raad het voorstel van het ESC tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek zouden hebben goedgekeurd en dat het desbetreffende besluit identiek zou zijn geweest aan dat wat het ESC thans zelfstandig heeft genomen .
34 . Waar als bijkomend argument nog kan gelden dat de Raad en de Commissie in de context van het aanstellingsbesluit geen bezwaren kenbaar hebben gemaakt met betrekking tot de voorbereidende handelingen, betekent dit alles, dat verzoeker geen belang kan hebben bij zijn stelling dat artikel*57 van het Reglement van orde van het ESC bij de organisatie van het vergelijkend onderzoek is geschonden .
35 . e)*Bezwaren zijn er dus niet wat de ontvankelijkheid van het beroep als zodanig betreft . Wel kan verzoeker niet worden ontvangen in het zojuist besproken belangrijke middel .
II - Ten gronde
1 . Grieven betreffende de procedure van het vergelijkend onderzoek
36 . a)*In de eerste plaats, aldus verzoeker, is de omstandigheid dat het besluit om ter voorziening in de post van hoofd van de Griekse vertaalafdeling een vergelijkend onderzoek te organiseren, is uitgegaan van de secretaris-generaal van het ESC, een schending van artikel*57 van het ESC-Reglement van orde, naar luid waarvan onder*meer voor LA*3-ambtenaren de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag, met name voor wat de toepassing van artikel*30 van het Ambtenarenstatuut betreft, door de Raad, op voorstel van het Bureau en met instemming van de Commissie worden uitgeoefend . Voor zover men in deze materie een delegatie van bevoegdheden mogelijk acht, zou -*aldus verzoeker ter terechtzitting *- hoogstens het ESC-bureau daarvoor in aanmerking komen, maar zeker niet de secretaris-generaal van het ESC, die in dit verband niet eens wordt genoemd .
37 . Zoals bekend stelt het ESC zich op het standpunt, dat artikel*57 van het Reglement van orde niet aldus moet worden uitgelegd, dat het tot een onrealistisch en onpraktisch resultaat voert, maar zo dat het een "nuttig effect" heeft . Wanneer men bedenkt dat het personeel van het ESC steeds talrijker is geworden en dat bij de Raad zelf ( behalve voor A*1-ambtenaren ) de secretaris-generaal het tot aanstelling bevoegd gezag is, ligt de conclusie voor de hand dat voor de organisatie en het uitvoeren van een vergelijkend onderzoek ten behoeve van het ESC de medewerking van de Raad en van de Commissie niet vereist is . De praktijk die in*casu is gevolgd, is bovendien reeds sedert jaren ingeburgerd . Volgens het ESC zou men dus kunnen spreken van een soort gewoonterecht of althans -*zoals het ter terechtzitting wat minder sterk werd geformuleerd *- van de noodzaak om artikel*57 rationeel en conform de heersende praktijk uit te leggen ( wat het Hof ook in een andere context -*namelijk in het arrest in zaak*30/70 ( 19 )*- met betrekking tot de vaststelling van afgeleid gemeenschapsrecht door de Raad met toepassing van artikel*43 EEG-Verdrag, heeft gebillijkt ).
38 . Na wat ik over de ontvankelijkheid heb gezegd, behoef ik op dit punt eigenlijk niet verder in te gaan . Volledigheidshalve doe ik het toch, doch summier en enkel met de bedoeling de hoofdlijnen aan te geven .
39 . Naar mijn gevoelen valt er voor het standpunt van het ESC heel wat te zeggen . Wanneer men zich aan de tekst van artikel*57 houdt, lijkt -*omdat daarin zonder enige differentiatie naar artikel*29 Ambtenarenstatuut wordt verwezen *- voor de hand te liggen, dat ook voor het besluit om ter voorziening in een LA*3-post een vergelijkend onderzoek te organiseren, samenwerking van het ESC-bureau met de Commissie en de Raad vereist is . De regeling van artikel*57 is evenwel kennelijk alleen ingegeven om de Commissie en de Raad voor de hogere rangen enige zeggenschap in het personeelsbeleid van het ESC te verlenen . Het volstaat evenwel dat deze organen samenwerken bij de besluiten waarmee de procedures ter voorziening in de vacante posten worden afgesloten . Het zou mij evenwel verbazen indien het de bedoeling ware geweest, dat -*wanneer ter voorziening in een vacante post een vergelijkend onderzoek moet worden georganiseerd *- de Raad zich reeds met de inleidende voorbereidende handelingen zou hebben te bemoeien ( wat in de regel niet eens voor het personeel van de Raad zelf vereist is ). Onder verwijzing naar voormeld arrest zou ook kunnen worden gesteld, dat een jarenlange praktijk ( waarvan het bestaan niet wordt ontkend en die trouwens voor een deel -*voor wat bevorderingsbesluiten betreft *- is bewezen ) als het ware een authentieke interpretatie vormt van een door het ESC met instemming van de Raad vastgestelde tekst . Een laatste valabel argument ten slotte -*dat een nader onderzoek van de vraag, onder welke voorwaarden gewoonterecht voorrang kan hebben boven een uitdrukkelijke bepaling, overbodig maakt *-, is dat alle in artikel*57 genoemde organen hebben meegewerkt aan de beslissende laatste handeling van de procedure ter voorziening in de vacante post, waardoor een eventuele onregelmatigheid bij de aanvang van de procedure wordt gedekt ( wat eveneens geldt voor het optreden van de secretaris-generaal, waarvoor reeds de beraadslaging over de voordracht in het ESC-bureau van belang was ).
40 . Artikel*57 van het Reglement van orde van het ESC in samenhang met artikel*29 Ambtenarenstatuut levert dus in ieder geval geen grond op voor de opvatting, dat het besluit van de secretaris-generaal om een vergelijkend onderzoek te organiseren, onregelmatig was .
41 . b)*Voorts heeft verzoeker op een aantal punten bezwaar tegen de manier waarop het vergelijkend onderzoek is verlopen .
42 . aa)*In de eerste plaats beklaagt hij zich over ongelijke behandeling van de kandidaten, doordat hij in 1982 tijdens het eerste vergelijkend onderzoek niet als hoofd van de Griekse vertaalafdeling mocht optreden, terwijl Ts . dat tijdens het tweede vergelijkend onderzoek wel mocht .
43 . Mijns inziens verzet in*principe niets zich ertegen, dat tijdens een procedure ter voorziening in een vacante post een van de deelnemers de te begeven post waarneemt; ik zie dus niet in, op welk principe verzoekers bezwaar gebaseerd zou kunnen zijn . Anders zou men trouwens in tal van gevallen niemand kunnen vinden om een te begeven post waar te nemen, wat ongetwijfeld tot ernstige organisatorische problemen zou leiden dan*wel de werking van de administratie zou belemmeren .
44 . Verder zie ik niet in, hoe de omstandigheid waarover verzoeker zich beklaagt, de uitslag van het vergelijkend onderzoek had kunnen beïnvloeden, meer in het bijzonder hoe die omstandigheid, zoals verzoeker beweert, zijn prestaties bij het vergelijkend onderzoek negatief had kunnen beïnvloeden .
45 . Daarbij komt nog, dat enkel sprake kan zijn van discriminatie wanneer voor de kandidaten bij één en hetzelfde vergelijkend onderzoek verschillende voorwaarden gelden, doch niet wanneer anders tewerk is gegaan dan bij een eerder vergelijkend onderzoek . In*casu is evenwel geen sprake van discriminatie, aangezien -*indien ik het juist zie *- tijdens het tweede vergelijkend onderzoek verzoeker en Ts . zoals tevoren om de beurt als hoofd van de Griekse afdeling bleven optreden . Beide kandidaten konden dus hun bekwaamheid bewijzen, en ik zie dan ook niet in, in welk opzicht de kandidaat naar wie uiteindelijk de voorkeur is uitgegaan, bij de procedure zou zijn bevoordeeld .
46 . bb)*Wat de samenstelling van de jury betreft, beklaagt verzoeker zich in het algemeen erover, dat zij geen garantie bood voor objectiviteit, en meer in het bijzonder over het feit dat geen enkele Griek lid van de jury was, waarbij hij in repliek nog preciseerde dat geen enkel jurylid Grieks kende .
47 . Deze bezwaren zijn niet relevant; in de eerste plaats heeft verzoeker namelijk niet aangetoond dat de juryleden ( die in ieder geval bij de schriftelijke proeven de namen van de kandidaten niet kenden ) niet onpartijdig zijn geweest . Het enkele feit dat de jury voor een deel uit verzoekers superieuren bestond, is in dit opzicht niet toereikend . Anders zou het in vele gevallen niet mogelijk zijn bekwame juryleden te vinden .
48 . Wat verzoekers bijzondere kritiek betreft, is voorts van belang dat het ESC onweersproken heeft verklaard, dat één jurylid wel degelijk Grieks kende en dat de jury zich bovendien, zoals ingevolge artikel*3, tweede alinea, van bijlage*III bij het Ambtenarenstatuut mogelijk is, heeft doen bijstaan door twee Griekse bijzitters . Het staat dan ook buiten kijf dat de jury competent was om de bekwaamheid van de kandidaten naar behoren te toetsen .
49 . cc)*Wat ten*slotte de inhoud van de examens betreft, verwijt verzoeker de jury, dat deze haar bevoegdheid te buiten is gegaan door ook de persoonlijkheid en het karakter van de kandidaten te onderzoeken . Verder wijst hij er in repliek op, dat de kandidaten een vertaalde juridische tekst te reviseren hebben gekregen en niet -*zoals in de aankondiging van vergelijkend onderzoek was voorzien *- een tekst van algemene strekking .
50 . Met dit alles heeft hij evenwel niet bewezen dat de procedure door ernstige onregelmatigheden is aangetast .
51 . Het "onderzoek van de persoonlijkheid" of "preuves caractérielles" waarover verzoeker het heeft, betekent immers gewoon dat wordt nagegaan of de bekwaamheid en de karaktereigenschappen die voor de functie van afdelingshoofd vereist zijn, aanwezig zijn . Aangezien het volgens kennisgeving van vacature 84/81 evenwel gaat om een post waarbij de werkzaamheden van de Griekse afdeling moeten worden georganiseerd en gecontroleerd en waarvoor uitdrukkelijk een "aptitude dans la direction d' une unité administrative" wordt verlangd, kan, wanneer de jury bovenbedoelde aspecten onderzoekt, zeker niet worden gesteld dat zij buiten de grenzen van haar bevoegdheid is getreden .
52 . Wat nu het tweede punt betreft, blijkt uit de verklaringen van het ESC duidelijk dat verzoeker zich vergist . In punt*7, sub*a, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek is sprake van een "sujet de caractère général" met betrekking tot een "exposé en grec"; evenwel is nergens verduidelijkt welke de aard diende te zijn van de te reviseren vertaalde tekst, en gelet op de aard van het werk bij het ESC lijkt het mij geenszins onlogisch dat daarvoor een juridische tekst is gekozen .
53 . dd)*Mitsdien moet worden vastgesteld dat verzoekers bezwaren tegen het verloop van het vergelijkend onderzoek evenmin kunnen worden aanvaard .
2 . De voorbereiding van het aanstellingsbesluit
54 . Zoals gezegd, wordt ingevolge artikel*57 van het ESC-Reglement van orde in LA*3-posten voorzien door de Raad, op voorstel van het Bureau en met instemming van de Commissie . Verzoeker voert als middel aan, dat men zich niet aan de voorgeschreven procedure heeft gehouden . Op zijn vergadering van 17*oktober 1984 heeft het Bureau namelijk enkel kennis genomen van het voorstel van de secretaris-generaal om Ts . aan te stellen en heeft het dit meteen aangenomen . Enerzijds blijkt daaruit dat de secretaris-generaal bij de keuze uit de lijst van geschikte kandidaten zich een hem niet toekomende beslissingsbevoegdheid heeft aangematigd . Uit de omstandigheid dat de Bureauleden enkel de lijst van geschikte kandidaten hebben ontvangen ( en anders dan in een tweede geval waarover dezelfde dag moest worden beslist, niet de sollicitatiedossiers en de curricula vitae van de kandidaten ) en dat geen bespreking van de voordracht heeft plaatsgevonden, blijkt voorts ook dat de andere kandidaten niet ter*sprake zijn gekomen, met andere woorden dat geen vergelijking plaats heeft gevonden van de verdiensten van de verschillende kandidaten . Was zulks wel gebeurd, dan zou de beslissing in verzoekers voordeel zijn uitgevallen, aangezien hij -*hoewel bij het vergelijkend onderzoek nagenoeg ex aequo gerangschikt met Ts .*- ouder was ( wat in zulke gevallen doorgaans een rol speelt ) en meer beroepservaring en een betere talenkennis had .
55 . Dit middel levert mijns inziens evenmin grond op tot nietigverklaring .
56 . Verzoeker stelt ten onrechte dat, op basis van de uitslag van het vergelijkend onderzoek en van alle relevante gegevens, hij de beste kansen had moeten hebben . Het is namelijk onjuist dat hij als beter of minstens als even*goed als Ts . is beoordeeld . Weliswaar had hij bij het schriftelijke examen een lichte voorsprong van twee punten, vaststaat evenwel dat Ts . bij het mondeling examen betere resultaten heeft behaald en dus in totaal meer punten had . Dit komt doordat verzoeker minder punten kreeg voor zijn talenkennis ( voor wat zijn kennis van het Engels betreft, volgens verzoeker ten onrechte, wat ik bij gebreke van bewijsmateriaal niet kan verifiëren ), dat ook zijn algemene kennis en zijn kennis van de werking van de Gemeenschap minder gunstig werd beoordeeld en dat hij met betrekking tot de eigenschappen die nodig zijn om een administratieve dienst te leiden, nogal kritisch werd beoordeeld . In die situatie konden zijn leeftijd en langere beroepservaring dus niet beslissend zijn voor de keuze .
57 . Wat anderzijds de wijze betreft waarop de beslissing van het ESC-Bureau tot stand is gekomen, moet wel worden erkend dat geen discussie heeft plaats gevonden over het voorstel van de secretaris-generaal, en dat tijdens de vergadering zelf de verdiensten van de verschillende kandidaten niet zijn vergeleken . Dit betekent evenwel nog niet, dat de procedure gebreken vertoont .
58 . Verkeerd is hier meteen al het uitgangspunt van verzoeker . Hij baseert zich op de tekst van artikel*45 Ambtenarenstatuut (" onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren ... onderling worden vergeleken "). Dit artikel heeft echter betrekking op de bevorderingsprocedure . Bij een vergelijkend onderzoek daarentegen gaat het er enkel om, uit de door de jury opgestelde lijst de geschikte kandidaat te kiezen . In beginsel neemt men de eerste op de lijst en enkel wanneer hiervan wordt afgeweken, is een specifieke motivering vereist ( zie het arrest in zaak*62/65 ( 20 )); artikel*30 Ambtenarenstatuut verlangt echter niet, dat de verdiensten van alle op de lijst geplaatste kandidaten onderling worden vergeleken .
59 . Eveneens onjuist is de ( ter terechtzitting, en dus waarschijnlijk te laat geformuleerde ) stelling, dat de secretaris-generaal van het ESC een te grote rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van de voordracht . Bij mijn weten heeft hij enkel een naam gesuggereerd ( waartoe hij ongetwijfeld bevoegd is, aangezien hij ingevolge artikel*56 van het Reglement van orde het Bureau adviseert ), doch niets wijst erop dat hij aan de stemming over de voordracht heeft deelgenomen .
60 . Wat nu ten slotte de krachtens artikel*30 Ambtenarenstatuut te maken keuze betreft, kan niet worden betwijfeld dat zij op regelmatige wijze tot stand is gekomen; elk Bureaulid beschikte over een exemplaar van de lijst van geschikte kandidaten, aan de hand waarvan hij zijn keuze kon voorbereiden, terwijl het mogelijk was ter terechtzitting punten waarover twijfel zou bestaan, in bijzonderheden te bespreken ( naar men ons verzekerde, hield de secretaris-generaal alle noodzakelijke stukken ter beschikking ). Op dit punt kan worden verwezen naar een overeenkomstige gang van zaken, die in zaak*26/85 ( 21 ) een rol speelde ( zoals bekend, volstond het volgens het Hof, dat de leden van de Commissie en hun kabinetten de persoonsdossiers van de kandidaten voor bevordering hadden kunnen inzien, en dat de secretaris-generaal de dag van de vergadering zelf alle betrokken dossiers te hunner beschikking had gehouden ). Ook in zo' n situatie kan men terecht spreken van een zorgvuldig onderzoek van alle kandidaten ( zoals het in de notulen van de vergadering van 17*oktober 1984 was geformuleerd ). Was het in werkelijkheid anders gegaan, dan zouden de notulen waarschijnlijk niet zijn goedgekeurd, wat nu blijkens de notulen van de daarop volgende vergadering van 20*november 1984 wel is gebeurd .
61 . Het lijkt mij niet noodzakelijk nog in te gaan op de omstandigheid dat naar aanleiding van een ander punt op de agenda van de vergadering van 17*oktober 1984 ( dat geen verband houdt met een onderzoek door een jury ) sollicitaties en curricula werden rondgedeeld, en evenmin behoeven in verband met het verloop van de vergadering van 17*oktober 1984 de door verzoeker genoemde getuigen te worden gehoord; vastgesteld moet worden dat de beslissing over de voordracht van Ts . in de vergadering van het ESC-Bureau op regelmatige wijze tot stand is gekomen en geen wezenlijke gebreken vertoont op grond waarvan het aanstellingsbesluit nietig kan worden verklaard .
3 . Misbruik van bevoegdheid
62 . Tegen het aanstellingsbesluit voert verzoeker voorts nog aan, dat "les jeux étaient faits d' avance", anders gezegd dat vooraf vaststond dat de keuze op Ts . zou vallen en dat het vergelijkend onderzoek slechts voor de vorm is georganiseerd, dus eigenlijk een farce was .
63 . Dit zeer ernstige verwijt wordt door verzoeker gebaseerd op diverse aanwijzingen . Verzoeker wijst met name op de verlaging van de minimumleeftijd bij het tweede vergelijkend onderzoek ( volgens hem om Ts . te kunnen toelaten ), op de zoëven genoemde omstandigheid dat het ESC-Bureau zijn voordracht niet eens heeft besproken, en uit sommige andere feiten waaruit hij afleidt dat minstens voor de directeur-generaal administratie ( tevens voorzitter van de jury ) vaststond, dat Ts . zou worden benoemd ( te weten : op 19*juli 1984, nog voordat de jury zijn rapport had ingediend, heeft de voorzitter van de jury Ts . bij zich geroepen en hem meegedeeld dat de keuze op hem was gevallen; dezelfde dag nog organiseerde Ts . een receptie; een paar dagen later installeerde hij zich in het bureau van het hoofd van de Griekse afdeling, en nam hij de functie van afdelingshoofd op, terwijl verzoeker in 1984 door zijn chef niet meer werd geraadpleegd in verband met problemen van de Griekse afdeling ).
64 . Mijns inziens kunnen ook deze omstandigheden niet volstaan om het aanstellingsbesluit nietig te laten verklaren .
65 . Er zij aan herinnerd, dat in beginsel aanstellingsbesluiten zoals het onderhavige in laatste instantie door de Raad, met instemming van de Commissie, worden vastgesteld . Ik zie dan ook niet in, hoe feiten die zich voordoen in het kader van het ESC aanstellingsbesluiten zouden prejudiciëren, welke feiten hoogstens zijn directeur-generaal administratie betreffen, anders gezegd iemand die niet eens kan vooruitlopen op de door het Bureau te formuleren voordracht .
66 . Voorts heb ik met betrekking tot de door verzoeker genoemde "aanwijzingen" ( nog afgezien van de vraag of ze eigenlijk wel serieus te nemen zijn ) het volgende op te merken .
67 . Wat de verlaging van de minimumleeftijd bij het tweede vergelijkend onderzoek betreft, heeft het ESC het bewijs geleverd van de gegrondheid van deze maatregel : het aantal deelnemers nam immers toe ( het geringe aantal deelnemers was de reden voor het mislukken van het eerste vergelijkend onderzoek ), en -*zoals onweersproken werd verklaard *- de nieuwe leeftijdsgrens blijkt overeen te komen met die welke sedert kort gebruikelijk is .
68 . Voorts betwist het ESC dat de directeur-generaal administratie Ts . in juli 1984 zijn aanstelling in het vooruitzicht zou hebben gesteld, en dit lijkt ook aannemelijk, aangezien de directeur-generaal uiteraard bekend is met de voorgeschreven aanstellingsprocedure . Dienaangaande zij bovendien verwezen naar de schriftelijke mededeling van 22*augustus 1984 aan verzoeker die op 19*juli 1984 afwezig was ( en naar luid waarvan het Bureau een kandidaat zou voordragen ), alsook naar het antwoord van 10*oktober 1984 op verzoekers protestnota, waarin het heet dat de directeur-generaal administratie geen inlichtingen heeft gegeven die vooruitlopen op de keuze van het toekomstige hoofd van de Griekse afdeling, die uiteindelijk aan de Raad toekomt .
69 . Ook betwist het ESC dat verzoeker vanaf april 1984 niet meer zou zijn geraadpleegd in verband met aangelegenheden die de Griekse afdeling aanbelangen, en wijst het er met nadruk op, dat hij tot november 1984 regelmatig werd geraadpleegd . Het ESC verwijst op dit punt in het bijzonder naar een nota van 26*september 1984 van de directeur-generaal administratie aan het hoofd van de talendienst, waarin het heet dat de werkzaamheden van de Griekse afdeling verder in samenwerking met verzoeker en met Ts . moeten worden georganiseerd .
70 . Ten*slotte is ook voor het feit dat de ambtenaar die uiteindelijk zou worden aangesteld, zich reeds voordien in het bureau van het hoofd van de Griekse afdeling had geïnstalleerd, een aanvaardbare verklaring gegeven ( het bureau waarin Ts . tevoren werkte, moest hij namelijk afstaan aan een collega die van het Parlement naar het ESC was overgeplaatst ). Bovendien is er terecht op gewezen, dat zulk een interne regeling binnen de Griekse afdeling, waaraan de administratie heeft meegewerkt, vanzelfsprekend geen invloed kon hebben op de door het Bureau en het tot aanstelling bevoegd gezag te nemen beslissing .
71 . Het lijkt niet noodzakelijk gebruik te maken van het door verzoeker aangeboden getuigenbewijs; vastgesteld moet worden dat er geen ernstige aanwijzigingen zijn die een nader onderzoek van het verwijt van misbruik van bevoegdheid kunnen rechtvaardigen .
72 . 4.*Vastgesteld moet dus worden dat geen van verzoekers middelen kan slagen .
C - Conclusie
73 . Ik kan dan ook slechts concluderen tot verwerping van verzoekers beroep op alle punten en tot toepassing van artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering voor wat de kosten betreft .
(*)* Vertaald uit het Duits .
( 1)*Arrest van 19*maart 1964, zaak*18/63, Schmitz, Jurispr.*1964, blz.*173 .
( 2)*Arrest van 7*april 1965, zaak*28/64, Mueller, Jurispr.*1965, blz.*295 .
( 3)*Arrest van 30*september 1975, zaak*50/74, Asmussen, Jurispr.*1975, blz.*1003, 1013 .
( 4)*Arrest van 27*oktober 1981, gevoegde zaken 783 en 786/79, Venus en Obert, Jurispr.*1981, blz.*2445, r.o.*22 .
( 5)*Conclusie van 12*juni 1986 in zaak*255/86, Pressler-Hoeft, punten 4 en volgende, arrest vaan 10 juli 1986, Jurispr . 1986, blz.*2459 .
( 6)*Arrest van 14*juli 1983, zaak*144/82, Detti, Jurispr.*1983, blz.*2421 .
( 7)*Arrest van 14*december 1965, zaak*11/65, Morina, Jurispr.*1965, blz.*1311 .
( 8)*Arrest van 14*december 1965, zaak*21/65, Morina, Jurispr.*1965, blz.*1333 .
( 9)*Arrest van 16*oktober 1984, zaak*257/83, Williams, Jurispr.*1984, blz.*3547 .
( 10)*Arrest van 6*februari 1986, zaak*143/84, Vlachou, Jurispr . 1986, blz.*473 .
( 11)*Arrest van 11*maart 1986, zaak*294/84, Adams*en anderen, Jurispr . 1986, blz.*984 .
( 12)*Arrest van 15*maart 1973, zaak*37/72, Marcato, Jurispr.*1973, blz.*361 .
( 13)*Arrest van 13*april 1978, zaak*101/77, Ganzini, Jurispr.*1978, blz.*915 .
( 14)*Arrest van 20*maart 1984, gevoegde zaken 75 en 117/82, Razzouk en Beydoun, Jurispr.*1984, blz.*1509 .
( 15)*Arrest van 23*januari 1986, zaak*173/84, Rasmussen, Jurispr . 1986, blz.*204 .
( 16)*Arrest van 10*juli 1986, zaak*270/84, Licata, Jurispr . 1986, blz . 2312 .
( 17)*Arrest van 7*mei 1986, zaak*52/85, Rihoux en anderen, Jurispr . 1986, blz.*1564 .
( 18)*Arrest van 23*april 1986, zaak*150/84, Bernardi, Jurispr . 1986, blz.*1387 .
( 19)*Arrest van 17*december 1970, zaak*30/70, Scheer, Jurispr.*1970, blz.*1197 .
( 20)*Arrest van 15*december 1966, zaak*62/65, Serio, Jurispr.*1966, blz.*807, 821 .
( 21)*Arrest van 23*oktober 1986, zaak*26/85, Vaysse, Jurispr . 1986, blz . 3131 .
Full & Egal Universal Law Academy