CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. L. DA CRUZ VILAÇA
van 7 oktober 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Krachtens artikel 3, lid 1, van het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), heeft het Belgische Hof van Cassatie het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 17 van voornoemd Verdrag (hierna: Executieverdrag). Het heeft deze vraag gesteld in het kader van een geding over de tenuitvoerlegging van een overeenkomst die een forumclausule bevat waarbij de rechter van de plaats van vestiging van een der partijen bevoegd is verklaard.
Blijkens de processtukken liggen aan de onderhavige zaak de volgende feiten ten grondslag.
2.
Op 28 december 1956 sloten twee vennootschappen, Iveco Fiat SpA, gevestigd te Turijn (Italië), en NV Van Hooi, gevestigd te Koningshooikt-Lier (België), een overeenkomst voor de duur van één jaar, ingaande op 1 januari 1957, waarbij eerstgenoemde aan Van Hooi het exclusieve recht verleende om in de Benelux bepaalde Fiatvoertuigen en Fiatonderdelen te verkopen of te monteren.
Op 1 januari 1958 sloten partijen een nieuwe overeenkomst, waarbij de samenwerking tussen de twee vennootschappen werd uitgebreid met een andere categorie Fiatvoertuigen. Bij overeenkomst van 30 december 1961 werd de positie van Van Hooi in het kader van deze verhouding overgenomen door een nieuwe vennootschap, Catrabel; Van Hooi bleef echter de resterende uit de overeenkomst van december 1956 voortvloeiende exclusieve rechten uitoefenen.
Zowel de overeenkomst van 1956 (artikel 10) als die van 1958 (artikel 18) — zoals trouwens ook de overeenkomst van 1961 met Catrabel (artikel 14) — bevatten een forumclausule volgens welke alleen de rechter te Turijn bevoegd zou zijn ter zake van uit de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten voortvloeiende geschillen.
Luidens artikel 9 van de overeenkomst van 1956 — en hieruit zijn de problemen ontstaan — was bovendien voor de verlenging ervan na 31 december 1957 een schriftelijke bevestiging van Iveco Fiat vereist. Een gelijkluidend beding was opgenomen in artikel 16 van de overeenkomst van 1 januari 1958, die de nadien aan Catrabel overgedragen alleenverkoop regelde.
Per brief deelde Iveco Fiat aan Van Hooi nadien steeds de verlenging van de overeenkomst van 1956 voor één jaar mee, de eerste keer tot 31 december 1958 en de laatste keer tot 31 december 1961.
Vanaf 1962 gaf Iveco Fiat geen schriftelijke bevestiging meer van de jaarlijkse verlenging van de overeenkomst. Beide vennootschappen zetten hun handelsbetrekkingen evenwel voort tot einde 1981, kennelijk in het kader van de oorspronkelijke overeenkomst.
Nadat tussen de twee vennootschappen meningsverschillen waren gerezen, verbrak Iveco Fiat haar handelsbetrekkingen met Van Hooi per 1 januari 1982.
Wegens deze eenzijdige verbreking van de handelsbetrekkingen dagvaardde Van Hooi Iveco Fiat voor de Rechtbank van Koophandel te Mechelen (België). Iveco Fiat wierp evenwel een exceptie van onbevoegdheid op, stellende dat de clausule houdende bevoegdverklaring van de rechter te Turijn de contractuele betrekkingen van partijen ook na 31 december 1961 — het laatste jaar waarvoor de verlenging van de overeenkomst door Iveco Fiat schriftelijk was bevestigd — beheerste. De Rechtbank van Koophandel te Mechelen verklaarde zich echter bevoegd met de overweging, dat niet was voldaan aan de voorwaarden die artikel 17, eerste alinea, Executieverdrag voor de geldigheid van forumclausules stelt. Dit vonnis werd door het Hof van Beroep te Antwerpen bevestigd, waarop Iveco Fiat beroep tot cassatie instelde.
Het Hof van Cassatie heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Wordt aan artikel 17 van het Verdrag van 27 september 1968 voldaan door de schriftelijke overeenkomst die een forumclausule inhoudt, maar waarvan de termijn waarvoor ze gesloten werd verstreken is, doch die, hoewel de voorwaarde van het beding dat ze slechts schriftelijk kon worden vernieuwd, niet vervuld was, verder tot juridische grondslag heeft gediend voor de voortgezette contractuele relaties tussen de partijen ?”
3.
Artikel 17, eerste alinea, Executieverdrag bepaalt: „Indien... partijen... een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die staat bij uitsluiting bevoegd.”
Aanwijzing van de bevoegde rechter moet evenwel bij schriftelijke of schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst geschieden.
Gelijk Jenard opmerkt in zijn rapport over het Executieverdrag (PB 1979, C 59), is dit vormvoorschrift terug te voeren op het fundamenteel vereiste van „rechtszekerheid”.
In de rechtspraak van het Hof zijn de redenen en de betekenis van genoemd vereiste reeds meerdere malen uiteengezet: de voorwaarden die artikel 17 stelt voor de geldigheid van forumclausules, hebben tot doel te verzekeren, dat de wilsovereenstemming tussen partijen bij een beding waarbij wordt afgeweken van de algemene bevoegdheidsregels, „daadwerkelijk vaststaat en duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt” (arresten van 14 december 1976, zaken 24/76, Salotti, en 25/76, Segoura, Jurispr. 1976, blz. 1831 en 1851; 6 mei 1980, zaak 784/79, Porta Leasing, Jurispr. 1980, blz. 1517; 14 juli 1983, zaak 201/82, Gerling, Jurispr. 1983, blz. 2503; 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ, Jurispr. 1984, blz. 2417; 11 juli 1985, zaak 221/84, Berghoefer, Jurispr. 1985, blz. 2699).
In zijn conclusie in de zaak-Salotti (Jurispr. 1976, blz. 1846) drukte advocaatgeneraal Capotorti dit aldus uit, „dat een zeker bewijs wordt verlangd voor het bestaan van wilsovereenstemming tussen partijen over de clausule waarin de bevoegde rechter wordt aangewezen”.
Het Hof heeft dan ook steeds verklaard, dat de in artikel 17 gestelde voorwaarden voor de geldigheid van forumclausules „strikt moeten worden uitgelegd”.
Gelijk ook in het rapport-Jenard wordt opgemerkt, hebben de auteurs van het Executieverdrag „overdreven formalisme dat strijdig is met de handelspraktijken” willen vermijden.
Men kan dan ook zeggen dat artikel 17 op een compromis tussen de vereisten van rechtszekerheid en van commerciële flexibiliteit berust, hetgeen reden was om de eenvoudige schriftelijke bevestiging van een mondelinge overeenkomst als geldig te beschouwen.
In het systeem van het Executieverdrag wegen deze vereisten mijns inziens echter niet even zwaar. Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de afweging van beide belangen voorrang worden gegeven aan het vereiste van rechtszekerheid, in die zin dat de noodzaak van een snelle en eenvoudige afwikkeling van handelstransacties geen rechtvaardiging kan zijn voor het accepteren van twijfels of onduidelijkheden omtrent de wilsovereenstemming van partijen over een forumclausule waarbij wordt afgeweken van de algemene bevoegdheidsregels van de artikelen 2, 5 en 6 Executieverdrag. Advocaatgeneraal Mancini merkte in zijn conclusie in voormelde zaak-Gerling op, dat „het vereiste van schriftelijkheid de aandacht van partijen dient te vestigen op de risico's van de forumkeuze” (Jurispr. 1983, blz. 2521).
Wij hebben hier als het ware te maken met een probleem van lineaire programmering, waarbij één variabele — de rechtszekerheid — gemaximeerd moet worden in het kader van de diverse vereisten die gesteld moeten worden om een normaal verloop van de handel, volgens de criteria van de bestaande gebruiken en het beginsel van de goede trouw, te verzekeren.
Mijns inziens is dit de betekenis van artikel 17 in zijn huidige formulering, ook al zal het wellicht anders uitgelegd moeten worden, wanneer de nieuwe versie ervan, voortvloeiend uit het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding tot het Executieverdrag van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, van kracht is geworden. Volgens deze nieuwe versie kan de aanwijzing van een bevoegde rechter, behalve in een „schriftelijke” of „schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst”, in de internationale handel ook geschieden „in de vorm die wordt toegelaten door de gebruiken op dit gebied en die de partijen kennen of geacht worden te kennen”.
In die context zou men wellicht ook omgekeerd kunnen redeneren, namelijk dat de waarden en vereisten van de handelspraktijk de voornaamste variabele vormen, waarvan de invloed beperkt wordt door de noodzaak een voldoende mate van rechtszekerheid te waarborgen.
Zolang echter deze nieuwe versie niet in werking is getreden, lijkt het mij te vroeg om de bakens te verzetten.
Voor het overige komt het mij voor, dat de door mij voorgestane opvatting het best aansluit bij een uitlegging van het Executieverdrag die, overeenkomstig de aanbevelingen van het Hof (zaak 201/82, Gerling, jurispr. 1983, blz. 2515), rekening houdt met het systeem en het doel ervan.
Ik geloof voorts dat wanneer artikel 17 genoegen neemt met een schriftelijke bevestiging van een mondelinge overeenkomst, dit de wezenlijke concessie is die ten aanzien van forumclausules aan het vereiste van flexibiliteit van de handelspraktijken is gedaan, en dat men verder zeer strenge eisen zal stellen aan het bewijs van het bestaan van daadwerkelijke wilsovereenstemming tussen partijen.
4.
In de hiervoor aangehaalde rechtspraak heeft het Hof verscheidene malen de voorwaarden geformuleerd waaronder forumclausules met bepaalde kenmerken kunnen worden geacht aan artikel 17 Executieverdrag te voldoen.
Eén belangrijke omstandigheid onderscheidt de onderhavige zaak evenwel van eerdere zaken waarin forumclausules aan de orde kwamen, waardoor een vraag rijst die nog niet eerder is beantwoord.
Niettegenstaande de bewoordingen waarin zij is geformuleerd, heeft de vraag van het Belgische Hof van Cassatie betrekking op de geldigheid, in het licht van artikel 17, van een forumclausule in een schriftelijke overeenkomst waarvan de looptijd is verstreken en die — anders dan was voorzien — niet schriftelijk is verlengd, terwijl partijen intussen hun normale handelsbetrekkingen voortzetten.
Rijst derhalve het probleem van de geldigheid in de tijd van de overeenkomst waarin de forumclausule is opgenomen; dit is nog niet in de eerdere zaken aan de orde gekomen.
In die zaken ging het immers om documenten die geen problemen opleverden in verband met eventuele clausules die de geldigheid van de overeenkomst in de tijd beperkten.
Hoe moeten derhalve in het kader van de thans gestelde vraag de hiervoor genoemde algemene beginselen worden toegepast ?
5.
Vaststaat dat partijen in de onderhavige zaak in hun oorspronkelijke schriftelijke overeenkomst — zonder dat het risico bestond dat zij onopgemerkt zou blijven — een forumclausule hebben opgenomen die zonder meer aan de formele vereisten van artikel 17 Executieverdrag voldeed.
Indien deze oorspronkelijke overeenkomst was gesloten zonder beperking van de looptijd dan wel telkens tijdig was verlengd, zou er dus geen enkel probleem zijn gerezen.
De situatie zou ook geheel anders zijn, indien in de overeenkomst geen clausule inzake schriftelijke verlenging was opgenomen, dat wil zeggen indien stilzwijgende verlenging dan wel niets omtrent de wijze van verlenging was overeengekomen.
Evenmin hadden er problemen kunnen rijzen ter zake van een geschil dat was ontstaan gedurende de oorspronkelijke looptijd van de overeenkomst dan wel gedurende een van de schriftelijk bevestigde verlengingen.
Maar daarom gaat het thans niet: de geldigheid van de forumclausule is pas een probleem geworden toen de handelsbetrekkingen tussen partijen werden verbroken, twintig jaar na de laatste schriftelijke verlenging van de overeenkomst.
Er bestaat derhalve geen twijfel omtrent het bestaan tussen partijen van een regelmatig gesloten overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter; de twijfel betreft degeldigheid ervan op het moment waarop de partij die er gebruik van wil maken, zich er in rechte op beroept.
Was het probleem gerezen weliswaar na beëindiging van de contractuele betrekkingen (door verbreking gedurende de looptijd van de overeenkomst, beëindiging binnen de overeengekomen termijn of door enige andere oorzaak), maar in het kader van een geschil dat nog verband hield met de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijke overeenkomst, dan zouden zich in beginsel geen bijzondere moeilijkheden hebben voorgedaan. In dat geval zou de vraag welke rechter bevoegd was, uiteraard antwoord hebben gevonden in een forumclausule (indien geldig in de zin van artikel 17), die door partijen uitdrukkelijk was overeengekomen met het oog op alle geschillen in verband met de uitvoering van de overeenkomst waarin zij was vervat. De clausule overleeft dan uiteraard de overeenkomst, of anders gezegd, begeleidt deze post mortem. Deze situatie zou zich zelfs in de omstandigheden van het onderhavige geval kunnen voordoen; mijns inziens behoeft zij echter niet in aanmerking te worden genomen bij de beantwoording van de door het Hof van Cassatie gestelde vragen, omdat daarover geen geschil bestaat en wij ervan mogen uitgaan, dat de vraag van de verwijzende rechter enkel betrekking heeft op geschillen die ná het verstrijken van de schriftelijke overeenkomst zijn ontstaan.
Wat in de onderhavige zaak het meest opvalt, is ongetwijfeld de lange periode die is verstreken sedert de laatste schriftelijke verlenging van de oorspronkelijke overeenkomst en gedurende welke partijen hun handelsbetrekkingen „in het kader” van die overeenkomst hebben voortgezet.
Het probleem wordt nog ingewikkelder wanneer er — zoals in casu — tussen de bij de procedure betrokkenen in het geheel geen overeenstemming bestaat over de betekenis of de aard van het kader waarin de betrekkingen tussen partijen zijn voortgezet.
In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing overweegt het Hof van Cassatie weliswaar, dat de oorspronkelijke overeenkomst „verder tot jurìdische grondslag heeft gediend voor de voortgezette contractuele relaties tussen de partijen” (cursivering van mij), maar deze formulering is — zeker in haar context, want in dezelfde prejudiciële vraag wordt geconstateerd dat de looptijd van de overeenkomst is verstreken — niet vrij van ondubbelzinnigheid en voor meer dan één uitlegging vatbaar.
Iveco Fiat betoogt in haar schriftelijke opmerkingen, dat — ik cursiveer — „de handelsrelaties tussen de partijen altijd beheerst werden door gezegde samenwerkingsovereenkomst”, terwijl er volgens Van Hooi seden 31 december 1961 nog slechts een „feitelijke samenwerking” bestond, waarbij op verschillende punten werd afgeweken van de schriftelijke afspraken in de oorspronkelijke overeenkomsten (het concessiegebied, de bepaling van een jaarlijks afnamequotum, prijzen en betalingsvoorwaarden).
Uiteraard trachten beide partijen hun respectieve standpunt te staven met een beroep op gebeurtenissen en correspondentie uit de „grijze” periode tussen eind 1958 en eind 1981. Zo beroept Iveco Fiat zich op een schrijven van 5 november 1968, een document van 20 november 1968 en een nota van 7 september 1983 aan de door de Rechtbank van Koophandel te Mechelen aangewezen deskundigen, alle afkomstig van Van Hooi, alsmede op de overeenkomsten met Catrabel, die tot 1981 van kracht zijn gebleven. Van Hooi beroept zich op een schrijven van Iveco Fiat van 27 maart 1964.
6.
Het staat niet aan het Hof om zich in de plaats te stellen van de nationale rechter en, op basis van de door deze laatste vast te stellen feitelijke gegevens omtrent het gedrag van partijen, de periode van „juridisch schemerdonker” te kwalificeren tussen de laatste schriftelijke verlenging van de oorspronkelijke overeenkomst en de verbreking van de nadien nog jarenlang tussen partijen gehandhaafde handelsbetrekkingen.
Evenmin heeft het Hof zich uit te spreken over de algemene vraag inzake de geldigheid van de oorspronkelijke overeenkomst ná de laatste schriftelijke verlenging, zoals het ook niet behoeft te oordelen over de voorwaarden waaronder de overeenkomst al dan niet rechtsgeldig werd gesloten.
Gelijk de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen terecht naar voren brengen, vallen deze vragen buiten het toepassingsgebied van artikel 17 en kunnen zij derhalve niet door uitlegging daarvan worden beantwoord. Zij moeten worden opgelost door de nationale rechter, aan de hand van het recht dat volgens de nationale conflictenregels op de overeenkomst van toepassing is.
Het Hof dient evenwel voor iedere feitelijke situatie aan artikel 17 binnen het toepassingsgebied van deze bepaling een uitlegging te geven, inzonderheid met betrekking tot de vormvereisten inzake forumclausules, die het mogelijk maakt om de geldigheid van dergelijke clausules — en van geen andere — aan die vereisten te toetsen.
Maar wij moeten de dingen dan wel hun eigen plaats geven: wegens de bijzondere aard van de in artikel 17 vervatte vormvoorschriften dienen wij bij de beoordeling van de geldigheid van die forumclausules deze te onderzoeken los van de overige bepalingen van de overeenkomst waarvan zij deel uitmaken.
Het lot van forumclausules is dus niet noodzakelijkerwijs verbonden met dat van de overeenkomsten waarvan zij deel uitmaken. Dit volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof op dit gebied.
Ik zal derhalve niet zover gaan als de regering van het Verenigd Koninkrijk op een zeker moment in haar schriftelijke opmerkingen lijkt te doen: men mag de geldigheid in de tijd van een forumclausule niet zonder meer doen afhangen van het voortbestaan van de overeenkomst waarvan zij deel uitmaakt, en zeggen dat die vraag alleen in het kader van het toepasselijke nationale recht opgelost kan worden.
De bevoegde rechter zou bij voorbeeld kunnen beslissen, dat de oorspronkelijke overeenkomst na de laatste verlenging zonder meer geldig is gebleven als „juridische grondslag” van de handelsbetrekkingen tussen partijen; dit betekent echter niet, dat hij daaruit noodzakelijkerwijs moet afleiden, dat ook de forumclausule nog steeds voldoet aan de vereisten van artikel 17 zoals die door het Hof van Justitie zijn uitgelegd.
Gezien de aard van het Executieverdrag, een verdrag gebaseerd op het beginsel van rechtstreekse bevoegdheid, moeten immers de bepalingen ervan in de regel zelfstandig worden uitgelegd, daarbij gelet op de structuur en de context van het Verdrag. Gelijk advocaatgeneraal Capotorti reeds opmerkte in zijn conclusies in de zaken Salotti en Segoura (Jurispr. 1976, blz. 1845 en 1867), is dit overigens een voorwaarde voor de uniforme toepassing van het Executieverdrag in de verschillende verdragsluitende staten en daarmee voor de gelijke behandeling van de gemeenschapsonderdanen in de verschillende nationale rechtsordes.
De vraag of een forumclausule beantwoordt aan de formele vereisten van artikel 17 Executieverdrag, is derhalve „een vraag van gemeenschapsrecht, waarover het Hof van Justitie in laatste instantie dient te beslissen” (conclusie van advocaatgeneraal Slynn in de zaak-Tilly Russ, Jurispr. 1984, blz. 2438) en die overeenkomstig de eisen van een „communautaire uitlegging” moet worden opgelost.
7.
Alvorens mijn standpunt in deze te bepalen, wil ik nog snel de belangrijkste elementen van de onderhavige zaak in herinnering brengen, zoals die verspreid staan weergegeven in de verwijzingsbeschikking van het Belgische Hof van Cassatie.
Twee ondernemingen, gevestigd in twee verschillende Lid-Staten van de Europese Gemeenschap, sloten eind 1956 een schriftelijke overeenkomst met een looptijd van een jaar, die een clausule inzake schriftelijke verlenging alsmede een forumclausule bevatte.
De laatste schriftelijke verlenging vond plaats in 1961; partijen bleven echter normale handelsbetrekkingen onderhouden op de grondslag of in het kader (zij het blijkbaar gewijzigd) van de oorspronkelijke overeenkomst, totdat, in 1981, een der partijen besloot om die betrekkingen te verbreken, waarop de andere een rechtsgeding aanhangig maakte.
8.
Deze uiteenzetting van de voornaamste feiten — blijkend uit de processtukken, met name de beschikking van het Hof van Cassatie — laat, zoals gezegd, op verscheidene punten onzekerheden bestaan omtrent de feitelijke situatie. Het zij mij daarom toegestaan om in het licht van de voorgaande overwegingen twee hypothesen te formuleren en op basis daarvan tot twee symmetrische conclusies te komen.
Eerste hypothese: de oorspronkelijke overeenkomst wordt door de bevoegde rechter aangemerkt als rechtsgeldig en van kracht, ook al is zij niet schriftelijk verlengd, in die zin dat zij, zoals gesteld, nog steeds de „juridische grondslag” vormt van de handelsbetrekkingen tussen partijen.
Gelijk de Commissie opmerkt, zal deze situatie zich bij voorbeeld voordoen wanneer het op de overeenkomst toepasselijke nationale recht de geldigheid erkent van een louter mondelinge herroeping van de oorspronkelijke clausule inzake schriftelijke verlenging, en partijen vervolgens de oorspronkelijke overeenkomst — mondeling — verlengen of stilzwijgend voortzetten. Zoals de Commissie betoogt, kan in dit geval de in de oorspronkelijke overeenkomst vervatte forumclausule zonder meer volledig rechtsgeldig worden geacht, daar zulks in overeenstemming is met de vereisten van een flexibele handelspraktijk; bovendien omvat in dit geval de mondelinge verlenging, die betrekking heeft op de gehele schriftelijke overeenkomst, alle clausules daarvan, waaromtrent geen twijfels bestaan voor wat de instemming van partijen betreft. In geval van schriftelijke verlenging zou hetzelfde gelden, zonder dat een uitdrukkelijke en specifieke bevestiging van de forumclausule noodzakelijk was.
Ofschoon dit het eerste element is dat bij de beantwoording van de gestelde vraag in aanmerking moet worden genomen, is het niet het enige en dus ook niet het beslissende.
Wij dienen immers zorgvuldig te letten op de volgende omstandigheden — aangetoond of in casu eenvoudig aannemelijk — en daarmee, naast de zuiver juridische beoordeling van de situatie, rekening te houden: na een bepaalde datum is de oorspronkelijke overeenkomst niet meer schriftelijk verlengd; tussen de laatste schriftelijke verlenging en de verbreking van de door partijen in stand gehouden handelsbetrekkingen, liggen niet minder dan twintig jaar; het is niet duidelijk, in hoeverre partijen gedurende die periode aanknoopten bij de oorspronkelijke overeenkomst, of de bepalingen ervan tussen partijen of in rechte uitdrukkelijk zijn ingeroepen dan wel of die overeenkomst nog slechts een vaag en algemeen basisdocument vormde; indien men geloof hecht aan de beweringen van een der partijen, kan er dan tussen partijen wilsovereenstemming (mondeling of schriftelijk, en met welke waarde ?) over hebben bestaan om het vereiste van schriftelijke verlenging te vervangen door een systeem van stilzwijgende verlenging; het is mogelijk dat in de loop der tijd, en zonder dat duidelijk is in welke vorm (schriftelijk of mondeling, uitdrukkelijk of stilzwijgend), verschillende wijzigingen zijn opgetreden in de schriftelijk vastgelegde contractuele afspraken.
Er zijn dus omstandigheden die, ook al bestaat er juridische zekerheid over het voortbestaan van de oorspronkelijke overeenkomst, onzekerheid kunnen doen ontstaan over de wijze waarop deze verder tot „juridische grondslag” van de betrekkingen tussen partijen heeft ingediend.
Onder die omstandigheden biedt de vorm van de forumclausule, ongeacht de oorspronkelijke formulering ervan, onvoldoende zekerheid dat tussen partijen de in artikel 17 Executieverdrag vereiste overeenstemming bestaat. Ik wijs erop, dat het in de onderhavige situatie gaat om een dubbel vereiste van rechtszekerheid: artikel 17 Executieverdrag vereist een „schriftelijke” of „schriftelijk bevestigde mondelinge” overeenkomst die aan de strikte uitlegging van het Hof beantwoordt; de overeenkomst tussen partijen schrijft schriftelijke bevestiging van de verlenging voor. Onder die omstandigheden moet men wel zeer streng zijn bij de beoordeling van de vraag, of de forumclausule aan de formele geldigheidsvereisten voldoet.
Tweede hypothese: de bevoegde rechter oordeelt dat de oorspronkelijke overeenkomst volgens het toepasselijke nationale recht niet geldig en niet van kracht is (en derhalve niet tegen een der partijen kan worden ingeroepen), maar nog steeds het juridisch kader van de handelsbetrekkingen tussen partijen vormt; dan kan bij voorbeeld worden gesteld dat, onder voorbehoud van de bepalingen van het toepasselijke nationale recht, partijen die overeenkomst aanvaarden als een geheel van algemene voorwaarden waardoor hun lopende handelsbetrekkingen worden beheerst en waarvan alle mondelinge overeenkomsten die zij sluiten, onderworpen zijn.
Indien partijen in dat geval daadwerkelijk zijn teruggevallen op die overeenkomst, deze laatste in of buiten rechte hebben ingeroepen, zich hebben gehouden aan de clausules ervan, waarmee zij in het begin vrij en bewust schriftelijk hebben ingestemd in een zodanige vorm dat zij niet serieus kunnen aanvoeren de inhoud ervan niet te kennen, zou het in strijd zijn met de goede trouw wanneer een der partijen zich op de vereisten van artikel 17 kon beroepen om te ontkomen aan de toepassing van een forumclausule (voor het belang van de goede trouw op dit gebied, zie de aangehaalde rechtspraak).
Een volstrekt verschillende variant van deze tweede hypothese betreft het geval dat op grond van het nationale recht, zoals door de rechter uitgelegd en toegepast op het concrete geval, iedere gelding van de overeenkomst na de laatste schriftelijke verlenging wordt uitgesloten.
Wij zouden dan te maken hebben met een volledig van de vroegere overeenkomst te onderscheiden contract, dat op mondelinge of stilzwijgende overeenstemming berust en waaraan het nationale recht al dan niet belang toekent, maar dat in ieder geval niet kan voldoen aan de vereisten van artikel 17 Executieverdrag (zelfs indien de clausules van beide overeenkomsten inhoudelijk gelijk zouden zijn), omdat iedere schriftelijke vorm ontbreekt.
Anders zou men het risico lopen (zoals overigens ook in de eerste hypothese het geval is) dat men een louter stilzwijgende verwijzing naar een vroeger gesloten (en in dit geval verlopen) schriftelijke overeenkomst in overeenstemming met artikel 17 en dus geldig acht, wat het Hof in zijn rechtspraak, zij het in een andere context (Salotti, jurispr. 1976, blz. 1842), heeft uitgesloten.
9.
Concluderend geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van het Belgische Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
„Een forumclausule die rechtsgeldig is opgenomen in een schriftelijke overeenkomst die na haar afloop de juridische grondslag van de betrekkingen tussen partijen is blijven vormen, beantwoordt, wanneer niet werd voldaan aan de voorwaarde dat de overeenkomst alleen schriftelijk kon worden verlengd, aan de vereisten van artikel 17, eerste alinea, Executieverdrag van 27 september 1968, indien:
—
de oorspronkelijke overeenkomst volgens het toepasselijke nationale recht haar geldigheid heeft behouden, ook al is zij niet schriftelijk verlengd, en uit het gedrag van partijen niet kan worden afgeleid dat zij haar niet meer als referentiekader van hun handelsbetrekkingen beschouwen, in die zin dat de aanvankelijke waarborgen dat elk der partijen nog steeds instemt met genoemde clausule, niet meer zouden bestaan dan wel aanzienlijk zouden zijn verzwakt;
—
de oorspronkelijke overeenkomst, hoewel volgens het toepasselijke nationale recht verlopen, daadwerkelijk de algemene voorwaarden en het rechtskader voor de lopende handelsbetrekkingen tussen partijen is blijven vormen, in die zin dat het in strijd zou zijn met de goede trouw indien een der partijen zich aan de toepassing ervan zou willen onttrekken.”
( *1 ) Vertaald uil hei Portugees.
Full & Egal Universal Law Academy