Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . In de onderhavige zaak, waaraan een verzoek van het Arbeidshof te Bergen ten grondslag ligt, gaat het om opheldering van de voor het gebied van het vrije verkeer van werknemers belangrijke begrippen "werknemer" en "ten laste komende bloedverwant in neergaande lijn ".
2 . Zoals men weet, bepaalt artikel*7, lid*2, van verordening ( EEG ) nr.*1612/68 ( 1 ) "betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap", dat een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld, "dezelfde sociale ... voordelen" geniet als de nationale werknemers . Tot die voordelen behoort volgens het arrest in zaak*249/83 ( 2 ) ook de door de Belgische wet van 7*augustus 1974 voorziene uitkering die het bestaansminimum waarborgt .
3 . Binnen de werkingssfeer van genoemde bepaling vallen - volgens het arrest in zaak*94/83 ( 3 ) - bovendien uitkeringen voor jeugdige werkzoekenden, voor zover het gaat om bloedverwanten in neergaande lijn die ten laste van een migrerend werknemer zijn, dus om personen die zich volgens artikel*10 van verordening nr.*1612/68 mogen vestigen bij een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld .
4 . Verordening nr.*1251/70 ( 4 ) "met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld", die luidens haar artikel*1 van toepassing is op de onderdanen van een Lid-Staat die als werknemer op het grondgebied van een andere Lid-Staat een betrekking hebben vervuld, alsook op hun familieleden als omschreven in artikel*10 van verordening nr.*1612/68, bepaalt in artikel*3, dat de familieleden van een werknemer als bedoeld in artikel*1, die bij hem op het grondgebied van een Lid-Staat woonachtig zijn, het recht hebben om aldaar duurzaam verblijf te houden, indien de werknemer het recht om verblijf te houden op het grondgebied van die Lid-Staat overeenkomstig artikel*2 heeft verkregen . Zij voorziet bovendien in artikel*7, dat het recht op gelijkheid van behandeling, erkend in verordening nr.*1612/68, wordt gehandhaafd ten behoeve van degenen, op wie deze verordening van toepassing is .
5 . Dit gezegd zijnde, wil ik de volgende feiten in het hoofdgeding in herinnering brengen .
6 . Verweerster in het hoofdgeding, op 1*juli 1958 in België geboren en van Franse nationaliteit, is de dochter van een Franse migrerende werknemer die in België heeft gewerkt, sinds oktober 1977 een rustpensioen geniet en - waarschijnlijk op grond van verordening nr.*1251/70 - te Courcelles ( België ) woont . Zij ging - na tot dan toe blijkbaar steeds bij haar ouders te hebben gewoond - van 1979 tot 1981 in Frankrijk werken en keerde in februari 1982 naar België terug . Daar woonde zij blijkbaar eerst weer enkele weken bij haar ouders, vanaf mei verbleef zij te Namen ( waar zij als werkzoekende was ingeschreven ), in december 1982 werd zij daar in een ziekenhuis opgenomen en van januari tot oktober 1983 werd zij - telkens van maandag tot vrijdag - verpleegd in een centrum voor dagverzorging te Luik ( waarbij zij gedurende de week in een opvangtehuis voor daklozen te Luik en tijdens het weekend bij haar ouders te Courcelles verbleef ).
7 . Vanaf mei 1982 ontving verweerster krachtens voormelde Belgische wet van 7*augustus 1974 het bestaansminimum van verzoekster in het hoofdgeding . Vanaf november 1982 werd het ingetrokken, omdat verweerster niet had bewezen dat zij als werkzoekende was ingeschreven en ook geen enkel document had overgelegd waaruit bleek dat zij werk zocht ( zoals voormelde Belgische wet blijkbaar voorschrijft ). In maart 1983 diende verweerster opnieuw een verzoek in om toekenning van het bestaansminimum . Dit werd door het OCMW te Courcelles afgewezen, op grond dat het onbevoegd was omdat verweerster te Luik in een opvangtehuis verbleef . De Arbeidsrechtbank te Charleroi, waarbij beroep was ingesteld, was het daarmee niet eens, en stelde bij vonnis van maart 1984 vast, dat het OCMW te Courcelles wel degelijk territoriaal bevoegd was, aangezien verweerster slechts voor verpleging te Luik verbleef en haar normale woonplaats te Courcelles had .
8 . Vervolgens kwam de zaak in hoger beroep voor het Arbeidshof te Bergen . In een arrest van 18*oktober*1985 stelde dit dan weer vast, dat niet het OCMW te Courcelles bevoegd was, maar dat te Luik, waar verzoekster ten tijde van haar verzoek om toekenning van het bestaansminimum haar gewone verblijfplaats had . Daar het OCMW te Courcelles het verzoek niet onverwijld naar Luik had doorgezonden ( volgens een koninklijk besluit van oktober 1974 is een OCMW dat zich niet bevoegd acht, gehouden een bij hem ingediend verzoek binnen drie dagen door te zenden ), rijst voor het Arbeidshof nu ook de vraag of daaruit een verplichting tot schadevergoeding voortvloeit . Daarvoor is dan weer bepalend, of het OCMW te Luik het bestaansminimum had moeten toekennen .
9 . Dit kan slechts het geval zijn, wanneer de door het nationale recht aan onderdanen van andere Lid-Staten opgelegde voorwaarde, dat zij ten minste gedurende de laatste vijf jaren in België hebben verbleven ( een voorwaarde die niet voor Belgische onderdanen geldt en waaraan verweerster in het hoofdgeding kennelijk niet voldoet ), als niet-toepasselijk is te beschouwen met het oog op een eventueel, uit het gemeenschapsrecht af te leiden beginsel van gelijke behandeling . Daartoe moet worden nagegaan of verzoekster binnen de werkingssfeer van verordening nr.*1612/68 en verordening nr.*1251/70 valt als werknemer of als bloedverwant in neergaande lijn ten laste van een werknemer .
10 . Mitsdien werd bij genoemd arrest de behandeling van de zaak geschorst en werden de navolgende prejudiciële vragen krachtens artikel*177 EEG-Verdrag aan het Hof van Justitie voorgelegd met het oog op een prejudiciële beslissing :
"1 ) Wanneer een onderdaan van een Lid-Staat van de Gemeenschap zich met zijn gezin op het grondgebied van een andere Lid-Staat heeft gevestigd en aldaar blijft wonen nadat hij in het genot van een rustpensioen is gekomen, behouden dan zijn bloedverwanten in neergaande lijn die bij hem hebben gewoond, het door verordening nr.*1612/68 erkende recht op gelijke behandeling, wanneer zij meerderjarig zijn geworden, niet langer te zijnen laste zijn en niet de hoedanigheid van werknemer hebben?
2 ) Zo ja, behouden zij dat recht ook wanneer zij niet langer bij de migrerende werknemer wonen en zijn teruggekeerd naar het land waarvan zij de nationaliteit hebben, en aldaar gedurende zekere tijd - meer dan een jaar, dan wel meer dan twee jaar ( zie artikel*5 van verordening nr.*1251/70 ) - zelfstandig hebben gewoond?
3 ) Zo neen, vloeit de hoedanigheid van "familielid ten laste" voort uit een feitelijke situatie die in concreto moet worden beoordeeld, dan wel uit objectieve en van de wil van de betrokkene onafhankelijke omstandigheden, op grond waarvan hij genoodzaakt is een beroep te doen op ondersteuning door de werknemer?
4 ) Eveneens bij een ontkennend antwoord op de eerste vraag : wanneer de onderdaan van een Lid-Staat met een beroep op zijn hoedanigheid van werknemer toegang wil krijgen tot en zich wil vestigen op het grondgebied van een andere Lid-Staat, is het dan voldoende dat hij zich beroept op zijn wil, zijn voornemen om deze hoedanigheid te verwerven? Dient hij van deze wil blijk te geven door enstig en oprecht te pogen werk te vinden, of moet hem een werkaanbod zijn gedaan?"
11 . De Belgische en de Nederlandse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend . Bovendien hebben de Commissie en de regering van de Bondsrepubliek Duitsland ter terechtzitting hun standpunt uiteengezet . Voor de precieze inhoud van die verklaringen verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
B - Bespreking
1 . 12 . De Belgische en de Nederlandse regering hebben het Hof in overweging gegeven, de opgeworpen problemen in een andere volgorde te behandelen en met name eerst de vierde vraag te onderzoeken . Dit kan op goede gronden worden overwogen, want het ligt in feite voor de hand, eerst na te gaan of verweerster in het hoofdgeding, meer bepaald als werknemer, een eigen recht op gelijke behandeling heeft .
13 . Daar ik echter in ieder geval op alle opgeworpen vragen inga - met name omdat ik niet inzie hoe het antwoord op de vierde vraag de behandeling van de andere problemen ( recht op gelijke behandeling van verweerster als bloedverwant in neergaande lijn van een gewezen werknemer ) zonder meer overbodig zou kunnen maken -, zal ik hierna de aan het Hof gestelde vragen in de door de verwijzende rechter gekozen volgorde onderzoeken .
2 . 14 . De eerste vraag kan overeenkomstig de opmerkingen van de Nederlandse regering en de Commissie, waarbij de vertegenwoordiger van de Bondsregering zich tijdens de mondelinge behandeling heeft aangesloten, en in de lijn van de bestaande rechtspraak, zonder moeite ontkennend worden beantwoord . Daarbij is niet van belang, dat in de vraag van meerderjarigheid wordt gesproken, terwijl artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 - dat hier kennelijk doorslaggevend is - "de leeftijd van 21*jaar" als criterium hanteert . Naar Belgisch recht wordt men immers meerderjarig op de leeftijd van 21*jaar en in ieder geval was verweerster in het hoofdgeding, toen zij haar verzoek om toekenning van het bestaansminimum indiende, meer dan 21 jaar oud .
15 . Terecht heeft de Nederlandse regering erop gewezen, dat in het stelsel van verordening nr.*1612/68 bloedverwanten in neergaande lijn van werknemers, die zelf geen werknemer zijn en zich slechts krachtens artikel*10 van de verordening bij de werknemer hebben gevestigd, geen recht hebben om op absoluut dezelfde voet te worden behandeld als de onderdanen van het gastland . In artikel*12 is enkel bepaald, dat de kinderen van een migrerend werknemer onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van het land van tewerkstelling worden toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding, en in artikel*11, dat de kinderen onder de 21*jaar of die te zijnen laste zijn het recht hebben in het land van tewerkstelling iedere arbeid in loondienst te aanvaarden .
16 . De in artikel*7 bedoelde gelijkheid van behandeling met betrekking tot sociale voordelen, die in het hoofdgeding een centrale rol speelt, komt vooral toe aan werknemers uit andere Lid-Staten ( gelijk het Hof in zaak*249/83 oordeelde voor het geval van een Nederlandse die in België woont, daar werkloosheidsuitkeringen ontving en om toekenning van het bestaansminimum krachtens de wet van 7*augustus 1974 verzocht ). De aanspraak op dergelijke uitkeringen door bloedverwanten van werknemers werd slechts gegrond geacht in het geval van bloedverwanten in opgaande en neergaande lijn aan wie artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 een verblijfsrecht toekent . Wat de familieleden in opgaande lijn betreft, kan hier worden verwezen naar het arrest in zaak*261/83 ( 5 ) ( betreffende de toekenning van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden naar Belgisch recht ); voor familieleden in neergaande lijn is er het reeds aangehaalde arrest in zaak*94/84 ( betreffende wachtuitkeringen voor jeugdige werknemers, die na beëindiging van hun studie of leertijd geen werk vinden ). Daarbij was kennelijk de gedachte doorslaggevend, dat het discrimineren van dergelijke verwanten van migrerende werknemers een duidelijke belemmering van het recht op vrij verkeer zou meebrengen, hetgeen niet het geval is met verdere verwanten die niet aan de voorwaarden van artikel*10, lid*1, voldoen .
17 . In een situatie als beschreven in de eerste vraag, dus in het geval van een persoon die zelf geen werknemer is, doch ouder dan 21*jaar en niet ten laste van een migrerend werknemer, bestaat derhalve, bij gebrek aan verblijfsrecht krachtens verordening nr.*1612/68, duidelijk geen recht op gelijke behandeling krachtens deze verordening .
18 . Iets anders kan ook niet worden afgeleid uit het aan het begin vermelde artikel*7 van verordening nr.*1251/70, dat spreekt van gelijke behandeling van degenen op wie deze verordening van toepassing is, een groep waartoe volgens artikel*1 alle familieleden als omschreven in artikel*10 van verordening nr.*1612/68 en dus niet enkel die bedoeld in het eerste lid van artikel*10 lijken te behoren . Het is immers niet aannemelijk, dat aldus aan gepensioneerde migrerende werknemers een verder gaand recht op familiehereniging zou zijn toegekend dan aan actieve werknemers . Er zijn derhalve termen aanwezig om - zoals de Nederlandse regering - ervan uit te gaan, dat voormeld artikel*7 naar de krachtens verordening nr.*1612/68 te verlenen gelijkheid van behandeling verwijst en dat de werkingssfeer ervan, wat de familieleden betreft, dus door verordening nr.*1612/68 wordt bepaald .
3 . 19 . Daar de tweede vraag slechts is gesteld voor het geval dat de eerste bevestigend wordt beantwoord, behoeft er eigenlijk -*gezien mijn bovenstaande bevindingen *- niet meer op te worden ingegaan . Men kan echter -*als men zich niet strikt aan de formulering ervan houdt *- de indruk hebben dat ten minste stilzwijgend ook het ruimere en voor het hoofdgeding zeker relevante probleem wordt aangesneden, of een bloedverwant in neergaande lijn die ten laste van een migrerend werknemer kwam ( en dus krachtens artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 het recht van verblijf en het recht op gelijke behandeling had ), na een tijdelijke onderbreking van de samenwoning ( tijdens welke hij in het buitenland verbleef en zelfstandig was ), de voor toepassing van artikel*10, lid*1, vereiste hoedanigheid opnieuw kan verwerven . Daarop moet in ieder geval worden ingegaan .
20 . Ik heb de indruk dat de Nederlandse regering aarzelt hier een bevestigend antwoord in overweging te geven . Dit kan worden afgeleid uit haar opmerking dat het verblijfsrecht krachtens artikel*3 van verordening nr.*1251/70 en daarmee ook het recht op gelijke behandeling krachtens deze verordening enkel toekomt aan personen die bij de migrerende werknemer wonen op het ogenblik dat verordening nr.*1251/70 op hem van toepassing wordt . Daartoe verwijst zij naar het erkende doel van verordening nr.*1251/70, namelijk het voortgezet verblijf te waarborgen van personen die reeds een verblijfsrecht hebben verkregen, en naar het feit dat verordening nr.*1251/70 spreekt van het recht om "verblijf te houden" en niet -*zoals verordening nr.*1612/68 *- van het recht om "zich te vestigen ". Voorts acht zij het van belang, dat artikel*5 van verordening nr.*1251/70 voor de uitoefening van het recht van verblijf voorziet in een termijn van twee jaar vanaf het tijdstip waarop dit recht werd verkregen .
21 . Volgens de Commissie daarentegen dient het antwoord bevestigend te luiden en moet dus worden aangenomen dat een bloedverwant in neergaande lijn van een migrerend werknemer, die na het bereiken van de leeftijd van 21*jaar ten laste is, na een periode van zelfstandigheid opnieuw het statuut van artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 kan verwerven, ook al leeft hij onder het dak van een gewezen migrerend werknemer, die van zijn verblijfsrecht krachtens verordening nr.*1251/70 gebruik heeft gemaakt . Al aanstonds zij gezegd, dat de Commissie mijns inziens voor dit standpunt goede gronden heeft aangevoerd, die het Hof dus best ook in zijn prejudiciële beslissing kan opnemen .
22 . Zo heeft de Commissie terecht beklemtoond, dat een beperkende uitlegging van artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 voor actieve werknemers, in die zin dat zij bloedverwanten in neergaande lijn, die tijdelijk zelfstandig waren maar nu te hunnen laste komen, geen onderdak meer zouden kunnen verlenen, zeker uitgesloten is . Een dergelijke uitlegging zou immers neerkomen op een beperking van het recht van vrij verkeer . Niet alleen vindt zij geen steun in de bewoordingen van artikel*10, maar bovendien kan worden verwezen naar het arrest in zaak*139/85 ( 6 ), volgens hetwelk de bepalingen betreffende het vrije verkeer ruim moeten worden uitgelegd, terwijl voor de uitzonderingen op en de afwijkingen van het beginsel een restrictieve uitlegging op haar plaats is .
23 . Voorts heeft de Commissie overtuigend betoogd, dat het verblijfsrecht van een gewezen migrerende werknemer, aangezien het in artikel*48, lid*3, sub*d, EEG-Verdrag uitdrukkelijk is vermeld, niet minder in rang is dan het recht van de werknemers op vrij verkeer . Derhalve moet worden aangenomen dat ook in dit verband - wat de mogelijkheid tot familiehereniging betreft - een restrictieve uitlegging niet op haar plaats is . Zij zou onbegrijpelijk zijn, indien zij zou berusten op het feit dat een verblijfsgerechtigd familielid een tijdlang van zijn recht van vrij verkeer gebruik maakt . Bovendien valt ook niet uit te sluiten, dat een beperkende uitlegging van het verblijfsrecht een ongunstige invloed heeft op het recht van vrij verkeer, want men kan ervan uitgaan dat werknemers vaak daar blijven wonen, waar zij het langst hebben gewerkt en dat zij - wanneer dit bij een werkzaamheid in het buitenland slechts met aanzienlijke beperkingen mogelijk is - afzien van de uitoefening van het recht van vrij verkeer .
24 . Dat daartegenover aan verordening nr.*1251/70 ( met name aan het in de vraag uitdrukkelijk vermelde artikel*5 ) geen beslissend argument kan worden ontleend, is eveneens duidelijk . Zo kan uit artikel*3 - bepalende dat de familieleden van een werknemer die bij hem woonachtig zijn, het recht hebben om aldaar duurzaam verblijf te houden - zeker niet worden afgeleid, dat van het recht op familiehereniging reeds krachtens artikel*10 van verordening nr.*1612/68 ( dus in de actieve periode van de werknemer ) gebruik moet zijn gemaakt, want dit zou onder meer tot gevolg hebben - hetgeen mij volkomen ondenkbaar voorkomt - dat de echtgenote van een gepensioneerde werknemer, die deze hoedanigheid eerst na de pensionering heeft verworven, niet het recht zou hebben om zich bij hem te voegen . Anderzijds kan bedoeld artikel*5 zonder meer aldus worden uitgelegd, dat de termijn van twee jaar voor familieleden die met de gewezen werknemer voor het eerst na zijn pensionering samenwonen, begint te lopen op het ogenblik waarop zij in het huisgezin worden opgenomen en - in voorkomend geval - ten laste komen; het heeft dus niet noodzakelijk tot gevolg, dat een familielid reeds bij het ontstaan van het verblijfsrecht van de werknemer bij hem moet hebben gewoond .
25 . Met betrekking tot de tweede vraag kan dus worden vastgesteld, dat het feit dat verweerster ( die trouwens kennelijk reeds bij de pensionering van haar vader met hem samenwoonde ) een tijdlang in België geen verblijfsrecht krachtens artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 bezat, niet betekent dat zij niet opnieuw een verblijfsrecht als familielid van een migrerend werknemer kan verwerven, wanneer zij na haar periode van zelfstandigheid weer aan de voorwaarden van artikel*10, lid*1, voldoet .
4 . 26 . De derde vraag, waarover ik het thans zal hebben, betreft juist deze voorwaarden, want zij strekt ertoe te vernemen, of voor de hoedanigheid van familielid "ten laste" enkel de daadwerkelijke ondersteuning van belang is, dan wel ook van de wil van de betrokkene onafhankelijke omstandigheden, op grond waarvan deze genoodzaakt is een beroep te doen op ondersteuning door de werknemer .
27 . Dienaangaande heeft de Nederlandse regering opgemerkt, dat het in beginsel doorslaggevend is, of geheel of grotendeels wordt voorzien in het onderhoud van de betrokkene . Zij meent echter ook, dat in casu juist uit het feit dat verweerster om toekenning van het bestaansminimum heeft verzocht, kan worden afgeleid dat zij niet ten laste van haar ouders komt .
28 . De Commissie neemt een vergelijkbaar uitgangspunt in, waar zij ten aanzien van artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 spreekt van het bestaan van een economische afhankelijkheid en van het feit dat iemand ten laste is, wanneer hij bij gebrek aan eigen middelen niet in zijn onderhoud kan voorzien . Voor het geval dat bovendien bij de "objectieve ... omstandigheden, op grond waarvan hij genoodzaakt is", waarvan sprake in de vraag, gedacht zou zijn aan situaties waarin iemand om gezondheidsredenen geen arbeid kan verrichten en geen sociale zekerheidsuitkeringen ontvangt of waarin iemand ondanks inspanningen geen werk kan vinden en hij geen andere inkomsten heeft, meent de Commissie echter, dat dergelijke criteria -*wegens de daaraan verbonden beoordelingsmoeilijkheden *- niet bruikbaar zijn en dat integendeel de "feitelijke situatie" beslissend is, zodat artikel*10, lid*1, ook van toepassing is op familieleden van een werknemer die hun tijd in ledigheid doorbrengen, wanneer in hun onderhoud wordt voorzien .
29 . De Bondsregering, die haar standpunt slechts mondeling heeft uiteengezet, ontkent dit ten stelligste . Volgens haar zijn vrijwillige betalingen niet voldoende en kan een louter feitelijke afhankelijkheid niet volstaan . Daar het anders moeilijk zou zijn om betrouwbare maatstaven aan te leggen ( bij voorbeeld met betrekking tot de duur en het bedrag van de onderhoudsuitkeringen ) en omdat daarnaast ook gevaar voor misbruik bestaat ( creëren van een verblijfsrecht door tijdelijke betalingen aan familieleden, die daardoor op slinkse wijze sociale bijstandsuitkeringen kunnen verkrijgen ), zijn de onderhoudsaanspraken en -verplichtingen beslissend en kan men met name niet zeggen dat iemand ten laste is, wanneer hij in staat is zich door arbeid inkomsten te verschaffen .
30 . a ) Te dezen acht ik -*om te beginnen *- het standpunt van de Bondsregering niet verdedigbaar, voor zover het berust op een verplichting om onderhoud te betalen .
31 . Ware dit de bedoeling geweest, dan zou men het immers gemakkelijk in de tekst van artikel*10 tot uitdrukking hebben kunnen brengen en zou men niet gewoonweg van personen ten laste hebben gesproken ( zoals overigens richtlijn*68/360 van 15*oktober*1968 met betrekking tot artikel*10 enkel voorziet in de overlegging van een door de bevoegde autoriteit van de staat van oorsprong afgegeven document, waarin wordt verklaard dat zij ten laste zijn ). Voorts mag niet over het hoofd worden gezien, dat bij de door de Bondsregering voorgestane uitlegging een beslissende rol zou worden toegekend aan het nationale recht, dat de persoonlijke betrekkingen van de werknemer tot de in artikel*10, lid*1, genoemde familieleden regelt . Niet alleen zou dit in bepaalde omstandigheden tot aanzienlijke moeilijkheden bij de toepassing van het recht kunnen leiden . Aangezien onderhoudsverplichtingen niet overal dezelfde inhoud hebben ( ter terechtzitting is bij voorbeeld gezegd, dat in Denemarken geen onderhoudsverplichting jegens de ouders bestaat en die van de ouders eindigt wanneer hun afstammelingen 24*jaar oud zijn geworden ), zou dit ook tot gevolg hebben, dat artikel*10, lid*1, in de Lid-Staten een verschillende draagwijdte zou hebben . Het is echter nauwelijks denkbaar dat dit, op een punt dat voor het vrije verkeer toch van aanzienlijk belang is, op de koop toe zou zijn genomen . Daaruit volgt, dat "de regeling in artikel*10 van verordening nr.*1612/68 voor personen die zich met een werknemer mogen vestigen, ... op eenvormige wijze en in gelijke mate in alle Lid-Staten" geldt . ( 7 )
32 . b ) Evenmin kan de Nederlandse regering worden gevolgd, waar zij concludeert dat reeds het feit dat verweerster een verzoek om toekenning van het bestaansminimum heeft ingediend, duidelijk maakt dat zij in werkelijkheid niet ten laste van haar ouders komt, zodat het niet nodig is dit begrip nader uit te leggen .
33 . Op dit punt heeft de Commissie in de eerste plaats erop gewezen, dat het bij uitkeringen tot waarborging van het bestaansminimum naar Belgisch recht in de regel om geringe bedragen gaat . Het zijn dus vaak slechts toeslagen, die een wezenlijke bijdrage vanwege verwanten niet overbodig maken, zodat men zeker niet kan zeggen dat wie dergelijke uitkeringen aanvraagt, daarnaast niet door een ander wordt onderhouden .
34 . Voorts kan worden verwezen naar de rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden, volgens welke sociale bijstandsuitkeringen ten bedrage van het bestaansminimum niet uitsluiten dat de rechthebbende als behoeftig in de zin van het onderhoudsrecht wordt beschouwd ( zie het arrest van 28*augustus*1939, N.J.*818, 819 ).
35 . Hoe onhoudbaar de Nederlandse gedachtengang is, wordt echter vooral duidelijk, wanneer men zich realiseert, dat hij in het geval van behoeftige familieleden van migrerende werknemers ertoe zou leiden, dat zij door hun aanspraak op sociale bijstandsuitkeringen hun verblijfsrecht zouden verliezen ( aangezien zij niet meer ten laste van de werknemer zouden komen ) of dat -*anders gezegd *- in een dergelijke situatie slechts een verblijfsrecht zou kunnen worden toegekend, wanneer zij afzien van wezenlijke uitkeringen die aan eigen onderdanen toekomen en dus een ernstige benadeling op de koop toe nemen .
36 . c ) De Bondsregering wijst in haar opmerkingen over de toepassing van artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 op het gevaar voor misbruik ( tijdelijke steun aan een familielid, om het aan sociale bijstandsuitkeringen te helpen ). Die vrees kan niet zonder meer als onterecht van de hand worden gewezen .
37 . Zij noopt echter - mijns inziens - niet noodzakelijk tot een restrictieve toepassing van het gemeenschapsrecht in de door de Bondsregering voorgestane zin . Het gevaar voor misbruik is veel reëler in het kader van de nationale sociale bijstandsregelingen, bij voorbeeld wanneer daar van belang is, of een aanvrager ook onderhoudsvorderingen jegens familieleden kan doen gelden, dan wel in staat is door het aanvaarden van passend werk in zijn onderhoud te voorzien . Dat schijnt met name het geval te zijn met het Belgische recht, waar het in artikel*6 van de wet van 7*augustus*1974 spreekt van het bewijs van de werkwilligheid en van het feit dat de betrokkene kan worden verplicht eventuele onderhoudsvorderingen jegens bepaalde verwanten geldend te maken .
38 . d ) Voor het overige kan, gelet op een en ander, ervan worden uitgegaan, dat het niet noodzakelijk is de gehele problematiek van artikel*10, lid*1, te behandelen en bij voorbeeld na te gaan wat er gebeurt in het geval van een migrerend werknemer die een meerderjarige bloedverwant in neergaande lijn bij zich opneemt en vrijwillig in zijn onderhoud voorziet, ofschoon deze bloedverwant over voldoende eigen inkomsten beschikt . Met een dergelijke situatie heeft de verwijzende rechter zeker niet te maken . Verweerster is integendeel een familielid dat niet over eigen middelen beschikt en behoeftig is ( en dus voldoet aan een criterium dat -*zoals uit de rechtsstelsels van de Lid-Staten blijkt *- inherent is aan het begrip persoon ten laste ).
39 . De enige vraag die met betrekking tot artikel*10, lid*1, in casu rijst, is eigenlijk, of het belangrijk is dat een familielid zich door eigen arbeid de nodige middelen zou kunnen verschaffen en of slechts van persoon ten laste in de zin van die bepaling kan worden gesproken, wanneer wordt bewezen dat het familielid ondanks ernstige pogingen geen werk kan vinden .
40 . Al aanstonds zij gezegd, dat deze vraag inderdaad bevestigend moet worden beantwoord en dat in het kader van artikel*10, lid*1, dus niet enkel de feitelijke ondersteuning ( bij voorbeeld ook van een familielid dat liever zijn tijd in ledigheid doorbrengt ) van belang is, maar dat er -*om aan te knopen bij de formulering van de gestelde vraag *- in zekere zin objectieve en van de wil van de betrokkene onafhankelijke omstandigheden moeten bestaan, op grond waarvan hij genoodzaakt is een beroep te doen op ondersteuning door de werknemer .
41 . Weliswaar wordt dit niet uitdrukkelijk in artikel*10, lid*1, gezegd ( ofschoon het zonder veel moeilijkheden mogelijk ware geweest ). Enerzijds moet echter worden erkend, dat dergelijke overwegingen zonder meer voor de hand liggen bij een regeling die het vrije verkeer van werknemers betreft en die het - blijkens artikel*11 - ook familieleden van werknemers mogelijk wil maken, in het land van tewerkstelling werk te aanvaarden .
42 . Anderzijds is genoemd element ook onafscheidelijk verbonden met het begrip "persoon ten laste"; het kan dus worden verduidelijkt door het begrip "persoon ten laste" uit te leggen aan de hand van het nationale recht of, zo men wil, door terug te grijpen op een algemeen rechtsbeginsel . Daartoe verwijs ik naar het Duitse, Franse, Spaanse, Nederlandse en Griekse recht, waarin bij het verlenen van onderhoud aan familieleden op diverse wijzen rekening wordt gehouden met de arbeidsgeschiktheid en met de vraag of er kans is op tewerkstelling . Ook kan worden verwezen naar het Italiaanse en het Portugese recht, waar een dergelijke gedachte tot uitdrukking komt in het criterium, of de betrokkene, gezien zijn fysieke en intellectuele bekwaamheden, de mogelijkheid heeft om zelf in zijn onderhoud te voorzien . Voorts kan nog ( over de rechtsstelsels van de overige Lid-Staten heb ik geen inlichtingen ontvangen ) worden verwezen naar het Deense sociale recht, dat eveneens het ongerechtvaardigd weigeren van werk relevant acht .
43 . e ) Naar mijn mening kan dus op de derde vraag slechts worden geantwoord, dat iemands hoedanigheid van familielid ten laste in de zin van artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 niet enkel voortvloeit uit louter feitelijke uitkeringen die een wezenlijk deel van zijn behoeften dekken, maar veeleer uit het feit dat hij die nodig heeft wegens een behoeftigheid die -*ondanks ernstige inspanningen *- niet door passende arbeid kan worden verholpen .
5 . 44 . De vierde vraag ten slotte betreft het probleem, of verweerster in het hoofdgeding een eigen recht op gelijke behandeling kan doen gelden, zoals werknemers krachtens het gemeenschapsrecht bezitten . Zij strekt ertoe te vernemen, aan welke voorwaarden moet zijn voldaan : volstaat het voornemen om de hoedanigheid van werknemer te verwerven, of moet ook worden bewezen, dat men ernstige en oprechte pogingen in die zin heeft gedaan of zelfs dat men over een tewerkstellingsaanbod beschikt?
45 . a ) Voor zover deze vraag het probleem van de toegang en vestiging ( in de zin van een tijdelijk verblijf om werk te zoeken ) betreft, doet zij - zoals de Commissie heeft aangetoond - geen bijzondere moeilijkheden rijzen .
46 . Enerzijds kan men duidelijk niet verlangen, dat de betrokkene over een tewerkstellingsaanbod beschikt . Op dit punt kan worden verwezen naar artikel*5 van verordening nr.*1612/68, bepalende dat een onderdaan van een Lid-Staat die op het grondgebied van een andere Lid-Staat werk zoekt, daar dezelfde bijstand ontvangt als die welke de arbeidsbureaus van deze staat verlenen aan hun eigen onderdanen die werk zoeken . Dat wil zeggen dat hij met dergelijke instanties persoonlijke contacten moet kunnen hebben, ook al beschikt hij nog niet over een aanbod . Daarbij is ook van belang, dat volgens artikel*3 van richtlijn*68/360 voor toegang de overlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort volstaat . Voorts is het belangrijk, dat de Lid-Staten tijdens de vergadering van de Raad, waarin verordening nr.*1612/68 en richtlijn*68/360 werden aangenomen, een interpretatieve verklaring hebben goedgekeurd, naar luid waarvan de onderdanen van een Lid-Staat die zich naar een andere Lid-Staat begeven om er werk te zoeken, hiervoor over een minimumtermijn van drie maanden beschikken ( zie het arrest in zaak*53/81 ( 8 )).
47 . Anderzijds zou het natuurlijk evenmin kunnen volstaan, eenvoudig het voornemen om te gaan werken te kennen te geven . Daarop lijkt het zoëven genoemde arrest te wijzen, waar het in rechtsoverweging*21 bepaalt, dat op de door het gemeenschapsrecht uit hoofde van het vrije verkeer toegekende voordelen slechts een beroep kan worden gedaan door personen die serieus arbeid in loondienst wensen te verrichten . Het is dus ongetwijfeld nodig, dat een dergelijk voornemen tot uiting komt in een bepaalde gedraging en dat het zoeken van werk dus wordt gestaafd door inschrijving bij het arbeidsbureau, aanmelding bij ondernemingen en plaatsing van kranteadvertenties .
48 . b ) Het is echter ook duidelijk -*gelijk de Nederlandse regering en de Bondsregering hebben beklemtoond en de Commissie tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend *- dat bovenstaande vaststellingen, waartoe de formulering van de vierde vraag aanleiding gaf, in de grond niets bijdragen tot de oplossing van het probleem dat in het hoofdgeding aan de orde is . Daarbij gaat het immers om de gelijkheid van behandeling met betrekking tot de toekenning van sociale voordelen en bij de vierde vraag met name hierom, of verweerster in het hoofdgeding ze rechtstreeks aan artikel*7 van verordening nr.*1612/68 kan ontlenen, en niet enkel via het aan haar vader als gewezen migrerend werknemer toegekende recht op gelijke behandeling .
49 . Hierbij is van belang, dat reeds de formulering van artikel*7 van verordening nr.*1612/68 op het daadwerkelijk verrichten van arbeid wijst . Het is althans tekenend, dat overal waar titel*I van deze verordening werkzoekenden op het oog heeft, een duidelijk afwijkende formulering wordt gebruikt en juist niet van werknemers wordt gesproken . Ook kan men - zoals de Nederlandse regering - erop wijzen, dat bij de karakterisering van het recht op vrij verkeer in artikel*48 EEG-Verdrag hooguit ( zoals in lid*3, sub*a ) van een aanbod tot tewerkstelling wordt gesproken, maar nergens wordt gezegd dat werkzoekenden als werknemers in de zin van die bepaling zijn te beschouwen .
50 . Voorts zij nogmaals verwezen naar het arrest in zaak*53/81, waar ( in rechtsoverweging*17 ) wordt beklemtoond dat de bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers slechts gelden voor het verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig blijken .
51 . Ten slotte mag men niet vergeten, dat in voormelde verklaring van de Raad juist met betrekking tot de sociale bijstand is bepaald, dat personen die gedurende drie maand geen werk hebben gevonden en een beroep doen op sociale bijstand van de staat waarin zij werk zoeken, kunnen worden verzocht het grondgebied van deze staat te verlaten . Hieruit blijkt, dat een werkzoekende die nog geen verblijfsrecht in de zin van artikel*4 van richtlijn*68/360 bezit, geen recht op gelijke behandeling met betrekking tot sociale voordelen kan doen gelden . Dit recht is voorbehouden aan personen die daadwerkelijk arbeid verrichten .
C - Conclusies
52 . Samenvattend geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Arbeidshof te Bergen te beantwoorden als volgt :
1 ) Wanneer een onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap zich met zijn familie op het grondgebied van een andere Lid-Staat heeft gevestigd en na het verkrijgen van een rustpensioen daar blijft wonen, behouden zijn bloedverwanten in neergaande lijn die met hem hebben samengewoond, het in verordening nr.*1612/68 bedoelde recht op gelijke behandeling slechts wanneer zij
- zelf werknemer zijn of
- na het bereiken van de leeftijd van 21*jaar, ten laste zijn .
2 ) Bloedverwanten in neergaande lijn, die met een gewezen migrerend werknemer hebben samengewoond, kunnen het recht op gelijke behandeling krachtens de verordeningen nrs.*1612/68 en 1251/70, dat zij door het beëindigen van de samenwoning ( gepaard gaande met een terugkeer naar hun land van oorsprong en een onafhankelijke leefwijze ) hebben verloren, opnieuw verwerven wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1612/68 ( ten laste zijn ) en van artikel*3 van verordening nr.*1251/70 ( woonachtig zijn bij de gewezen werknemer ).
3 ) Voor de hoedanigheid van "ten laste komende bloedverwant in neergaande lijn" volstaat het niet dat iemands behoeften feitelijk worden gedekt door een migrerend werknemer, maar is ook van belang of zijn behoeftigheid niet kan worden verholpen door ernstige pogingen om passend werk te vinden .
4 ) Om op het grondgebied van een andere Lid-Staat te worden toegelaten, behoeft een onderdaan van een Lid-Staat, die het voornemen heeft om de hoedanigheid van werknemer te verwerven, zich niet op het bestaan van een tewerkstellingsaanbod te beroepen; hij moet echter de ernst van zijn voornemen bewijzen . Als grondslag voor een verblijfsrecht waarmee een recht op gelijke behandeling als werknemer is verbonden, volstaan geen ernstige en oprechte pogingen om werk te vinden, maar is het verrichten van arbeid als werknemer vereist .
(*)* Procestaal : Frans .
( 1)*PB*1968, L 257, blz.*2 en volgende .
( 2)*Arrest van 27*maart*1985, zaak*249/83, Hoeckx, Jurispr.*1985, blz.*982 .
( 3)*Arrest van 20*juni*1985, zaak*94/84, Deak, Jurispr.*1985, blz.*1873, 1881 .
( 4)*PB*1970, L*142, blz.*24 en volgende .
( 5)*Arrest van 12 juli 1984, zaak 261/83, Castelli, Jurispr.*1984, blz.*3199 .
( 6)*Arrest van 3 juni 1986, zaak*139/85, Kempf, Jurispr.*1986, blz . 1741, 1746 .
( 7)*Zie mijn conclusie in zaak*59/85, Reed, Jurispr.*1986, blz.*1290 en volgende .
( 8)*Arrest van 23*maart*1982, zaak*53/81, Levin, Jurispr.*1982, blz.*1035, 1043 .
Full & Egal Universal Law Academy