CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. L. DA CRUZ VILAÇA
van 25 juni 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het tribunal de police te Chaumont vraagt het Hof om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 177 EEG-Verdrag over de uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit.
1.
Laat ik allereerst een overzicht geven van de belangrijkste feiten van de zaak die tot deze prejudiciële vraag heeft geleid.
Pierre Maniglier, een winkelier te Chaumont, kocht in het zuiden van Frankrijk rechtstreeks van de producent in de betrokken produktiezone verschillende kisten met fruit, te weten perziken, abrikozen en peren, en vervoerde deze in zijn eigen vrachtwagen naar zijn buiten die zone gelegen zaak. Tijdens het uitladen werd hij door de bevoegde nationale opsporingsdienst bekeurd omdat de produkten niet waren voorzien van de vereiste merken of etiketten en bijgevolg waren verhandeld zonder aan de toepasselijke communautaire kwaliteitsnormen te voldoen.
2.
In zijn vraag aan het Hof van Justitie verwijst de politierechter te Chaumont naar decreet nr. 80-20 van 7 januari 1980, dat volgens hem „in het nationale recht toepassing geeft aan bepaalde onderdelen van de gewijzigde verordening (EEG) nr. 1035/72”.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( 1 ) brengt de rechtstreekse werking van EEG-verordeningen niet alleen mee, dat nationale maatregelen voor de receptie van de bepalingen van een verordening overbodig zijn, maar zelfs dat zij laakbaar zijn.
Dit lijkt echter niet het doel te zijn van decreet nr. 80-20, dat blijkens zijn tekst gericht is op de verwezenlijking van een vereiste van nationaal recht.
3.
Laat ons thans, in navolging van de rechtspraak van het Hof ( 2 ), trachten de prejudiciële vraag van de Franse rechter in het licht van de gegevens van het geval precies af te bakenen.
Verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1382/84 van de Raad van 7 mei 1984, stelt een gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector groenten en fruit in.
Deze gemeenschappelijke marktordening voorziet onder meer in de vaststelling en uniforme toepassing van „kwaliteitsnormen” voor deze landbouwprodukten, wanneer zij in de Gemeenschap worden verhandeld of naar derde landen worden uitgevoerd.
In dit verband is de naleving van deze normen van groot belang voor de toepassing van de in de verschillende gemeenschappelijke marktordeningen voorziene interventiemaatregelen, die bedoeld zijn om produkten van onbevredigende kwaliteit uit de markt te nemen en buitensporige prijsdalingen te voorkomen.
Het is echter duidelijk, dat ook de bescherming van de consument en de bevrediging van zijn wensen behoort tot de wezenlijke doelstellingen van de marktordening en van de desbetreffende gemeenschappelijke bepalingen. Daarom bepaalt artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1035/72, dat wanneer er „kwaliteitsnormen” worden vastgesteld, dit gebeurt voor „produkten die zijn bestemd om in verse toestand aan de consument te worden geleverd”.
Tegen deze achtergrond dus moeten artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1035/72 en, a fortiori, de strekking van de verschillende uitzonderingen in de leden 2 en 3 van dit artikel worden verstaan.
Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1035/72 bepaalt: „Wanneer kwaliteitsnormen zijn vastgesteld, mogen de produkten waarop zij van toepassing zijn binnen de Gemeenschap alleen te koop uitgestald, te koop aangeboden, verkocht, geleverd of op enige andere wijze verhandeld worden, indien zij aan deze normen voldoen”.
Met het oog op deze bepaling vraagt de politierechter te Chaumont het Hof, of vervoer door een handelaar van rechtstreeks bij de producenten in een bepaald produktiegebied gekocht fruit naar zijn buiten dat gebied gelegen zaak moet worden aangemerkt als levering of verhandeling.
4.
Volgens de considerans van verordening nr. 1035/72 kan „de normalisatie slechts volledig effect sorteren indien zij wordt toegepast op alle stadia van de commercialisa-tie”.
Het is echter zonneklaar dat de onderhavige regeling inzake vaststelling van kwaliteitsnormen en de controle op de inachtneming daarvan, in wezen ziet op het moment waarop de produkten op de markt aan de consument worden aangeboden (met name wanneer het niet gaat om eenvoudige plaatselijke markten), en dat zij bepaalde initiële of voorbereidende handelingen waarbij de doelstellingen van de gemeenschapsregeling nog niet in gevaar komen, uitsluit.
Zo moet men mijns inziens de uitzonderingen op de algemene regel van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1035/72, opvatten die in de leden 2 en 3 van dat artikel zijn opgenomen.
Het gaat om uitzonderingen die vooral betrekking hebben op verrichtingen in de beginfase van de commercialisatie en/of de be- of verwerking van de produkten.
De verplichting om binnen een Lid-Staat aan de kwaliteitsnormen te voldoen, geldt ingevolge artikel 3, lid 2, sub a, met name niet voor „produkten die door de teler worden verkocht of geleverd aan sorteer- en pakstations of aan bewaarinrichtingen, of die van het bedrijf van de teler naar deze inrichtingen worden verzonden”.
5.
Voor de door Maniglier vervoerde soorten fruit waarom het in de onderhavige zaak gaat, gelden gemeenschappelijke kwaliteitsnormen. ( 3 ) Deze normen gelden dus ingevolge de algemene regel van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1035/72 in beginsel voor transacties met dergelijke vruchten. Deze voorwaarden zouden zelfs gelden voor de verkoop door de producent aan de handelaar Maniglier... indien de verordening desbetreffend geen uitzondering bevatte.
Maniglier stelt nu dat hij, nadat hij het fruit rechtstreeks bij de producenten had gekocht en voor eigen rekening naar zijn buiten de produktiezone gelegen zaak had vervoerd, nog de nodige maatregelen had willen nemen om het te sorteren, te etiketteren en te normeren, voordat hij het aan het publiek zou aanbieden en bijgevolg ook vóór elke latere verhandeling ervan.
Indien dit zo is, lijken alle betrokken verrichtingen — de verkoop door de producent aan de handelaar, het vervoer en het lossen van de waren bij de zaak van de koper — duidelijk onder de uitzondering van artikel 3, lid 2, sub a, van verordening nr. 1035/72 te kunnen vallen.
De waardering van het door verdachte in het hoofdgeding aangedragen bewijs betreffende de bestemming van de gekochte waren en de verrichtingen waaraan deze zouden worden onderworpen, staat uiteraard aan de nationale rechter.
6.
Op grond van het voorgaande geeft ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van het tribunal de police te Chaumont te beantwoorden als volgt:
„De rechtstreekse aankoop van fruit door een handelaar bij producenten in een bepaalde produktiezone en het vervoer daarvan naar zijn buiten deze zone gelegen zaak, zijn niet aan te merken als een levering of verhandeling waarvoor de verplichtingen van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1035/72 van de Raad gelden, indien deze verrichtingen kunnen worden gebracht onder een van de in lid 2 van dit artikel genoemde situaties.”
( *1 ) Vertaald uit het Portugees.
( 1 ) Zie bij voorbeeld de arresten van 7 februari 1973 (zaak 39/72, Commissie/Italië, Jurispr. 1973, blz. 101) en 10 oktober 1973 (zaak 34/73, Variola, Jurispr. 1973, blz. 981).
( 2 ) Zie bij voorbeeld arrest van 29 november 1978 (zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347).
( 3 ) Voor perziken en abrikozen: verordening nr. 23 (PB 1962, blz. 965) artikel 2, lid 3, en bijlage II/4 en II/7, die in punt VI de verplichting neerlegt om op de fruitkisten kwaliteitsmerken aan te brengen.
Voor peren: verordening nr. 1641/71 van 27 juli 1971 (PB 1971, L 172, blz. 1), die eveneens in punt VI van haar bijlage de verplichting'neerlegt om op dellisten kwaliteitsmerken aan te brengen.
Full & Egal Universal Law Academy