CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 2 juli 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In 1985 organiseerde de Rekenkamer als tot aanstelling bevoegd gezag een intern vergelijkend onderzoek (CC/A/8/85) ter voorziening in een vast ambt van administrateur in de loopbaan A 7/A 6.
Veertien personeelsleden hebben gesolliciteerd. De jury was van oordeel, dat zij niet voldeden aan de in de aankondiging gestelde toelatingsvoorwaarden en wees hun sollicitaties derhalve alle af, ondanks het feit dat het tot aanstelling bevoegd gezag had laten weten dat sommige voorwaarden van de kennisgeving soepeler moesten worden uitgelegd.
Vier sollicitanten, de heren Maurissen, Schwiering, Hoyer en Neumann hebben de hen betreffende jurybesluiten aangevochten voor het Hof. In de zaak Maurissen is de mondelinge behandeling bepaald op 23 oktober 1986. In de zaak Schwiering zal ik dadelijk een aparte conclusie nemen.
2.
De zaken Hoyer en Neumann, die ik thans zal bespreken, zijn bij beschikking van 9 april 1986 wegens verknochtheid gevoegd.
De aankondiging van het vergelijkend onderzoek bevatte de volgende voorwaarden:„IV emdash;
Toelatingsvoorwaarden:
...
3.
—
kandidaten die grondige kennis hebben van één der officiële talen van de EG en voldoende kennis van een tweede officiële taal van de EG. Kennis van een derde taal wordt op prijs gesteld.
—
Om dienstredenen wordt kennis van de Franse taal vereist.
Na kennisneming van de dossiers stelt de jury de lijst vast van sollicitanten die aan voornoemde voorwaarden voldoen en dus tot deelneming aan het onderzoek worden toegelaten. V —
Procedure:
Het onderzoek zal worden gehouden op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen.
...
Β — Examen:
1. Aard van de examenonderdelen:
...
c)
een mondelinge test ter beoordeling van de in punt IV.3 aangegeven talenkennis.”
Op hun sollicitatieformulier hadden zowel Hoyer als Neumann met betrekking tot de kennis van de Franse taal ingevuld:
—
lezen: goed;
—
schrijven: redelijk (voldoende);
—
spreken: redelijk (voldoende).
Op grond hiervan en op grond van zijn uitlegging van de aankondiging heeft de jury verzoekers niet tot het vergelijkend onderzoek toegelaten. Hij was van mening:
—
dat de aard van de te bezetten post en het dienstbelang meebrachten dat de sollicitanten ten minste over een „goede” kennis van de Franse taal moesten beschikken voor wat het „lezen”, „schrijven” en „spreken” betreft — de op de sollicitatieformulieren in te vullen rubrieken —, en
—
dat hij ingevolge punt IV van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek verplicht was, in de toelatingsfase uit de sollicitanten diegenen te kiezen, die volgens hun eigen opgave over de vereiste talenkennis leken te beschikken, wat later tijdens het mondelinge examen kon worden getoetst. Dit zou een verantwoorde „benadering” zijn, omdat sollicitanten er geen belang bij hebben „hun kennis ongunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is” (verslag van de jury aan het tot aanstelling bevoegd gezag van 28 oktober 1985).
Op 2 augustus 1985 gaf de voorzitter van de jury Hoyer en Neumann kennis van het besluit, hen niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten. Zij werden in de gelegenheid gesteld, ter zake hun opmerkingen te maken. Van deze mogelijkheid gebruik makend, hebben zij het tot hun gerichte besluit gemotiveerd bestreden. Bij brieven van 28 oktober 1985 aan verzoekers hield de jury evenwel aan zijn standpunt vast.
Op 30 oktober 1985 liet het tot aanstelling bevoegd gezag alle sollicitanten weten, geen blanco lijst van geschikte kandidaten te willen publiceren en de procedure in afwachting van eventuele beroepen op te schorten.
3.
Verzoekers vragen om nietigverklaring van de betrokken besluiten op grond dat de jury:
—
met het vereiste omtrent het niveau van de kennis van het Frans een toelatingsvoorwaarde heeft gesteld, die niet in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek voorkomt;
—
geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om door middel van het daartoe voorziene mondelinge examen het subjectieve oordeel van de sollicitanten over hun eigen kennis van het Frans objectief te toetsen.
4.
De Rekenkamer, verweerster, acht deze beroepen gegrond.
Na te hebben gewezen op het slepende meningsverschil met de jury, merkt zij op dat volgens de rechtspraak van het Hof, inzonderheid het arrest van 14 juli 1983 (zaak 144/82, Detti, Jurispr. 1983, blz. 2421), het tot aanstelling bevoegd gezag helaas niet de mogelijkheid heeft om jurybesluiten te vernietigen of te wijzigen, zelfs als deze kennelijk fout zijn. Zij is evenwel van mening dat wanneer, zoals in de onderhavige zaak, tussen de procespartijen geen geschil bestaat, het tot aanstelling bevoegd gezag besluiten zelf moet kunnen herzien, maar daarvoor zou wel een wijziging in 's Hofs rechtspraak zijn vereist.
5.
De ontvankelijkheid van het beroep wordt niet betwist. Volgens de rechtspraak van het Hof kan tegen jurybesluiten omtrent de verdiensten van een sollicitant rechtstreeks beroep worden ingesteld (zaak 144/82, Detti, reeds aangehaald; arrest van 14 juli 1972, zaak 44/71, Marcato, Jurispr. 1972, blz. 427).
Wat de zaak zelf betreft, ben ik van mening dat de beroepen dienen te slagen.
Want ook al moet de jury onderzoeken of de sollicitanten aan de toelatingsvoorwaarden voldoen, hij mag deze bevoegdheid enkel uitoefenen op grond van objectieve criteria zoals universitaire diploma's of door een bevoegde instantie afgegeven attesten, waaruit blijkt van een beroepservaring die voldoet aan de in de kennisgeving van het vergelijkend onderzoek vereiste gelijkwaardigheid en duur.
Ten aanzien van de kennis van de Franse taal was geen bepaald niveau vereist. Sollicitanten die verklaard zouden hebben, helemaal geen Frans te kennen, had de jury in dit stadium dus zonder meer mogen afwijzen.
In alle andere gevallen behoorde het vereiste niveau van de kennis, dat de jury ontegenzeglijk moest beoordelen naar de aard van de te verrichten werkzaamheden, door middel van het daartoe voorziene mondelinge examen te worden onderzocht. Iedere andere, op de subjectieve beoordeling van de sollicitanten gebaseerde afwijzing vanuit de vooronderstelling — die echter zeker niet tot algemene regel mag worden verheven —, dat zij „veeleer geneigd zijn hun eigen bekwaamheden te flatteren” (aldus het reeds genoemde rapport van 28 oktober 1985), zou, zoals in casu, strijdig zijn met de verplichting tot een objectieve beoordeling en met het beginsel van gelijke behandeling van alle sollicitanten, waar elke jury zich aan moet houden.
6.
Ik zie dan ook geen enkel beletsel om de bestreden besluiten nietig te verklaren en zo een einde te maken aan niet zozeer een rechtsgeschil — tussen partijen bestaat immers geen verschil van mening — als wel een. juridische impasse. Hiervoor is geen wijziging in de rechtspraak nodig als waar verweerster op aanstuurt en waarvoor de voorwaarden rechtens, om maar iets te noemen, in casu mijns inziens niet zijn vervuld. De Rekenkamer heeft de bestreden besluiten immers niet zelf in haar hoedanigheid van tot aanstellling bevoegd gezag, in plaats van het Hof vernietigd. Het Hof hoeft derhalve niet te beslissen, of zij daartoe bevoegd zou zijn geweest.
Verweerster verklaart, deze mogelijkheid wel te hebben overwogen nadat zij kennis had genomen van mijn conclusie in zaak 257/83 (arrest van 16 oktober 1984, Williams, Jurispr. 1984, blz. 3547). Ik geloof dat zij daar terecht van heeft afgezien. Een dergelijke bevoegdheid zou immers afbreuk doen aan de onafhankelijkheid van de jury en daarmee aan de de sollicitanten gegarandeerde onpartijdigheid.
Ik geloof hier verkeerd te zijn begrepen. In mijn conclusie waarnaar de Rekenkamer verwijst, heb ik niet meer gezegd dan dat in artikel 5 van bijlage III bij het Statuut, dat de jury bevoegd verklaart om „de lijst vast te stellen van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek”, niet mag worden gelezen „dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet bevoegd en verplich zou zijn te- verifiëren of een bepaalde, door de jury op de lijst van de geschikte kandidaten geplaatste kandidaat wel voldoet aan de voorwaarden inzake diploma's en ervaring, die dat gezag zelf heeft vastgesteld.”
Dit betekent niet dat het tot aanstelling bevoegd gezag een onregelmatig jurybesluit zou kunnen vernietigen, maar dat het in de uitoefening van zijn eigen bevoegdheden geen onregelmatige benoemingen mag doen.
Ik concludeer derhalve tot nietigverklaring van de bestreden besluiten, met verwijzing van verweerster in alle kosten.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy