Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Verzoeker, Yves Bouteiller, sedert 1959 ambtenaar van de Europese Gemeenschappen, vordert nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 19*december 1984, waarbij J.*Mensching is aangesteld als hoofd van de afdeling "Energie ( behalve kolen ), chemie, landbouwprodukten en voedingsmiddelen" van het directoraat-generaal "Concurrentie ".
Die aanstelling volgde op de bekendmaking, op 26*oktober*1984, van kennisgeving van vacature COM/1421/84, waarop negentien ambtenaren, onder wie verzoeker, hadden gereageerd .
Na onderzoek van die sollicitaties adviseerde het raadgevend comité voor aanstellingen in de rangen A*2 en A*3 (" groep Noël ") op 17*december 1984 om vijf sollicitanten, onder wie Mensching, maar niet verzoeker, in het bijzonder in aanmerking te nemen .
Op 19*december onderzocht de Commissie de sollicitaties en besloot zij Mensching als afdelingshoofd aan te stellen .
Dat besluit werd genomen op een tijdstip waarop de twee Franse leden van de Commissie, F.-X.*Ortoli en E.*Pisani, ontslag hadden genomen en geen deel van de Commissie meer uitmaakten .
De Raad had in zijn vergaderingen van 6*november en 11*december 1984 besloten die twee leden niet te vervangen, aangezien op 5*januari 1985 een nieuwe Commissie in functie zou treden .
De klacht en het beroep werden tijdig, binnen de in de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut gestelde termijnen, ingesteld .
2 . Ik zal thans ingaan op de diverse middelen die verzoeker tot staving van zijn beroep heeft aangevoerd .
Het eerste door verzoeker in zijn verzoekschrift aangevoerde middel is, dat de Commissie toen zij haar besluit nam, niet regelmatig was samengesteld in de zin van artikel*10, lid*1, vierde alinea, van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben ( Fusieverdrag van 8*april*1965 ).
Dit argument faalt .
Volgens artikel*12 van genoemd Verdrag kan de Raad besluiten om leden van de Commissie, die hun functie voor het einde van hun mandaat neerleggen, niet te vervangen . Met betrekking tot de heren Ortoli en Pisani heeft de Raad dat inderdaad besloten wegens de korte tijd die nog restte tot het einde van hun mandaat .
Overigens kan de regel van artikel*10 Fusieverdrag, zoals de Commissie in haar verweerschrift opmerkt, op zichzelf het functioneren van de Commissie niet verhinderen, zulks gezien het algemene beginsel inzake de continuïteit van de openbare dienst .
Dat is ook het geval in andere gevallen van overmacht, zoals het overlijden van een lid van de Commissie, die de enige van zijn nationaliteit is .
Daar voorts vaststaat dat het door artikel*17 vereiste quorum voor de besluitvaardigheid van de Commissie was bereikt, moet worden geconcludeerd dat het besluit tot aanstelling van Mensching, voor zover het gaat om de bevoegdheid van het orgaan dat het heeft genomen, onaantastbaar is .
Dat was ook de opvatting van de Commissie en de Raad in hun antwoorden op de schriftelijke vragen nrs.*1941/84 en 1942/84 van het Europees Parlement, waarin zij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud als hun mening gaven dat de Commissie, aangezien haar samenstelling nog steeds in overeenstemming was met de regels, haar taak in volle omvang kon uitoefenen en dat de in het betrokken tijdvak genomen besluiten volstrekt geldig waren .
Dit gold voor diverse andere aanstellingen en besluiten van andere aard die, zoals ter terechtzitting werd opgemerkt, de Commissie tijdens die periode van twee maanden heeft vastgesteld; er is geen enkele steun te vinden voor verzoekers stelling, dat de bevoegdheid van de Commissie zich beperkte tot dringende gevallen, waarin ieder uitstel de belangen van de Gemeenschap kon schaden .
Ter terechtzitting heeft verzoeker ten slotte toegegeven, dat de Commissie niet onregelmatig was samengesteld en dat zij derhalve geldige besluiten kon nemen .
Verzoeker heeft overigens het zelfstandige karakter van dit middel afgezwakt, eerst tijdens de schriftelijke behandeling en later heel duidelijk ter terechtzitting, door het argument betreffende de onregelmatigheid te koppelen aan de bewering, dat de Commissie overhaast had gehandeld, hetgeen misbruik van bevoegdheid zou opleveren .
Het eerste door verzoeker aangevoerde middel valt uiteindelijk dus samen met het vierde, om welke reden ik de andere aspecten ervan bij dit laatste middel zal behandelen .
Trouwens, ook verzoekers overige argumenten vallen ten slotte in wezen samen met het laatste middel, daar zij alle neerkomen op door verzoeker aan de Commissie verweten misbruik van bevoegdheid .
Ik zal ze echter, voor zover zij een bijzonder en zelfstandig karakter hebben, een voor een behandelen .
2 . 1 . Volgens verzoeker heeft de Commissie op de betrokken post een kandidaat benoemd die, anders dan verzoeker, noch de ervaring noch de kwalificaties had die door de kennisgeving van vacature werden verlangd .
Zij zou derhalve in strijd hebben gehandeld met artikel*7, lid*1, van het Statuut, dat bepaalt dat de ambtenaar "uitsluitend in het belang van de dienst en ongeacht zijn nationaliteit ... overeenkomstig zijn rang ... in een tot zijn categorie of groep behorend ambt" wordt tewerkgesteld .
Volgens verzoeker heeft dit middel een zelfstandig karakter en moet het worden onderscheiden van het volgende, dat gebaseerd is op artikel*45, lid*1, van het Statuut, dat betrekking heeft op bevorderingen .
Erkend moet worden, dat het in de gegeven omstandigheden moeilijk is van schending van artikel*7 een zelfstandig middel tot nietigverklaring te maken, te onderscheiden van misbruik van bevoegdheid of van een ander aan artikel*45, lid*1, ontleend argument .
Maar aangenomen dat het mogelijk is, wil ik nagaan of verzoekers argument geldig is .
De Commissie weerlegt verzoekers stelling met een beschrijving van de loopbaan van Mensching .
Als kabinetsmedewerker van het lid van de Commissie Haferkamp van 1970 tot 1975, assistent van de directeur-generaal Concurrentie van augustus 1975 tot april*1981, adjunct-kabinetschef en vervolgens kabinetschef van de heer Haferkamp zou Mensching, die een universitaire opleiding had, de kennis en ervaring hebben opgedaan om aan alle specifieke vereisten van de kennisgeving van vacature te voldoen, zowel wat de aard van het te vervullen ambt als wat de uitdrukkelijk verlangde kwalificaties betreft .
Zijn taak als assistent van de directeur-generaal Concurrentie strekte zich uit tot alle aspecten van het communautaire mededingingsbeleid en mededingingsrecht . Niet alleen bleek uit zijn werkzaamheden in het kabinet van een lid van de Commissie, dat hij leiding wist te geven aan personeel, maar die werkzaamheden verplichtten hem ook zich vertrouwd te maken met alle aspecten van de activiteit van de Gemeenschap en deze te volgen, en dit naast bepaalde specifieke sectoren overeenkomstig de verdeling van bevoegdheden tussen de leden van de Commissie en het collegiale karakter van hun verantwoordelijkheden, waardoor de medewerkers van de kabinetten op de hoogte moeten zijn van alles wat er binnen de instelling omgaat .
Bovendien was Mensching in het kabinet Haferkamp in zijn hoedanigheid van adjunct-kabinetschef gedurende bijna vier jaar belast geweest met het mededingingsbeleid ( DG*IV ) en volgens de Commissie vermelden zijn beoordelingsrapporten zijn werkzaamheden als adviseur in alle sectoren van het mededingingsbeleid tussen 1971 en 1981 .
Ter terechtzitting heeft verzoeker meer in het bijzonder het feit beklemtoond, dat Mensching niet de vereiste kwalificaties bezat, te weten "kennis van een of meer van de desbetreffende sectoren", die hij in zijn loopbaan niet kon hebben verworven .
Ik geloof niet, dat dit zo is .
Anders dan bij de overige vereisten, verlangde de kennisgeving van vacature geen grondige kennis; kennis zonder meer van een of meer tot DG*IV behorende sectoren was voldoende .
Onder deze omstandigheden meen ik niet, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zich heeft vergist -*laat staan zich kennelijk heeft vergist *- door aan te nemen dat Mensching, gezien de functies die hij had uitgeoefend, die kennis had verworven . Het tegendeel zou verwonderlijk zijn bij een ambtenaar die volgens verzoeker zelf "een bijzonder bekwaam man" is .
De Commissie wijst er overigens op, dat Menschings beoordelingsrapporten gedurende zijn gehele diensttijd zeer lovend waren en hem schetsten als een ambtenaar van buitengewone bekwaamheid en kwaliteiten .
Zeker is dat, zoals de Commissie in haar verweerschrift erkent, op grond van de loopbaan van verzoeker, sedert 1959 ambtenaar van het directoraat-generaal Concurrentie, mag worden aangenomen dat ook deze aan de voorwaarden van de kennisgeving van vacature voldeed .
Maar nog steeds volgens de Commissie waren de beoordelingsrapporten van verzoeker uitsluitend tussen 1959 en 1978 volstrekt positief .
In die omstandigheden stond het aan het tot aanstelling bevoegd gezag om bij het onderzoek van de bekwaamheden van de kandidaten voor het uitoefenen van een nieuwe functie, haar beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen in het belang van de dienst .
Dit heeft het gedaan in het kader van het advies van het raadgevend comité voor aanstellingen, dat uit degenen die hadden gesolliciteerd, vijf kandidaten van verschillende nationaliteit had geselecteerd, die het het meest geschikt achtte om de betrokken functie uit te oefenen . Onder die kandidaten bevond zich wel Mensching, maar niet verzoeker .
Het Hof nu heeft herhaaldelijk overwogen, "dat het aan de administratie staat de capaciteiten van een ambtenaar te beoordelen" ( 1 ), aangezien "het tot aanstelling bevoegd gezag bij de beoordeling van het dienstbelang en van de in aanmerking te nemen verdiensten in het kader van een besluit ( tot bevordering ) over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt ". ( 2 )
Op dit gebied moet het Hof zich beperken tot de vraag "of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar oordeel konden brengen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet een kennelijk onjuist gebruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt ".
"Het Hof kan zijn beoordeling van de verdiensten en kwalificaties van de kandidaten niet in de plaats stellen van de beoordeling van het tot aanstelling bevoegd gezag, wanneer het dossier geen steun biedt aan de bewering, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij de beoordeling van de verdiensten en kwalificaties van de kandidaten een kennelijke fout heeft gemaakt ." ( 3 )
Dit is het geval in de onderhavige zaak . Uit niets blijkt dat het tot aanstelling bevoegd gezag, door Mensching en niet verzoeker of een andere kandidaat te bevorderen, de grenzen van de door het Hof erkende discretionaire bevoegdheid heeft overschreden of de kwalificaties van de kandidaten kennelijk verkeerd heeft beoordeeld .
Het Hof overwoog overigens, "dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet is gehouden bevorderingsbesluiten te motiveren jegens de niet-bevorderde kandidaten, daar de overwegingen van een dergelijke motivering hen -*althans een aantal hunner *- mogelijk kunnen schaden ". ( 4 )
Het is duidelijk dat, zoals het Hof eveneens overwoog, de uitoefening van de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag "een nauwgezet onderzoek van de stukken en een zorgvuldige inachtneming van de in de aankondiging van vacature vervatte voorwaarden doet veronderstellen ". ( 5 )
Uit dit alles volgt dat bij de aanstelling van Mensching, gelet op zijn persoonsdossier, aan de in de kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden volledig is voldaan .
Dit middel moet mijns inziens derhalve worden verworpen .
2 . 2 . Verzoeker stelt, dat de Commissie de verdiensten van de kandidaten en de over hen uitgebrachte beoordelingsrapporten niet heeft vergeleken en aldus in strijd heeft gehandeld met artikel*45 van het Statuut .
De sollicitaties zouden niet door de Commissie zelf zijn onderzocht; zij zou zich integendeel hebben verlaten op de verificatie ervan door het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer en op het advies van het raadgevend comité voor aanstellingen in de rangen A*2 en A*3 .
Uit de notulen van de vergadering van de Commissie van 19*december*1984 blijkt :
a ) de sollicitaties van de betrokkenen zijn verspreid in document PERS(84 ) 204;
b ) zij zijn onderzocht door het directoraat-generaal Personeelszaken, te zamen met de bewijsstukken die zich in het persoonsdossier van betrokkenen bevonden;
c ) het raadgevend comité voor aanstellingen heeft op 17*december*1984 advies uitgebracht en de Commissie heeft daarvan kennis genomen . Het advies was gebaseerd op het onderzoek van het sollicitatieformulier en het persoonsdossier van iedere ambtenaar afzonderlijk en het hield rekening met de opvatting van de directeur-generaal Concurrentie, die door het comité was gehoord;
d ) de Commissie heeft de verdiensten van de sollicitanten onderling vergeleken, daarbij rekening houdend met de kenmerken van het te vervullen ambt, en zij heeft de rapporten betreffende de bekwaamheid, het rendement en het gedrag in de dienst van iedere kandidaat onderzocht .
Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de zaken zich niet zo hebben toegedragen, en verzoeker levert in ieder geval niet het bewijs van het tegendeel, te weten dat de Commissie niet daadwerkelijk de verdiensten van de sollicitanten onderling heeft vergeleken .
Hieraan zij toegevoegd dat, gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 1*juli 1976 ( 6 ), het tot aanstelling bevoegd gezag "statutair bevoegd is bij bevorderingen een keuze te maken aan de hand van de resultaten van een vergelijkend onderzoek -*volgens de methode die zij daartoe het meest geschikt acht *- van de verdiensten en beoordelingsrapporten der voor bevordering in aanmerking komende kandidaten ." Vele beoordelingsfactoren spelen daarbij een rol, daaronder begrepen de behaalde diploma' s, de bekwaamheid en de produktiviteit in het werk, alsmede het algemene niveau van de prestaties bij de uitvoering van het werk . ( 7 )
Na dit vergelijkend onderzoek kan, zoals het Hof overwoog ( 8 ), "wanneer een kandidaat aan alle voorwaarden van de kennisgeving van vacature voldoet, het tot aanstelling bevoegd gezag op aan het belang van de dienst ontleende gronden deze de voorkeur geven boven een andere, eveneens gekwalificeerde kandidaat, zonder dat die benoeming misbruik van bevoegdheid oplevert ."
Ten slotte moet ik ook hier wijzen op de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de instellingen bij bevorderingsbesluiten als bedoeld in artikel*45 van het Statuut beschikken, zoals door de in verband met het tweede middel aangehaalde rechtspraak wordt bevestigd; daarbij kan het Hof zijn beoordeling van de verdiensten en kwalificaties niet in de plaats stellen van de beoordeling van het tot aanstelling bevoegd gezag, behoudens in geval van een kennelijke vergissing . ( 9 )
Ook wat het vergelijkend onderzoek van de kandidaten betreft, moet dus worden geconcludeerd, dat uit het dossier niet blijkt dat het tot aanstelling bevoegd gezag zich heeft schuldig gemaakt aan een misbruik van bevoegdheid of aan een verkeerde beoordeling die door het Hof zou moeten worden afgekeurd .
In repliek betwijfelt verzoeker nog de regelmatigheid van de samenstelling en de werking van het raadgevend comité voor aanstellingen in de rangen A*2 en A*3; met name meent hij onmogelijk te kunnen bepalen of de formele wettigheid in acht is genomen, en hij vraagt zich af, of het comité artikel*45, lid*1, van het Statuut, "dat aan het tot aanstelling bevoegd gezag en uitsluitend aan hem de bevoegdheid verleent om over bevorderingen te beslissen", heeft geëerbiedigd .
Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het raadgevend comité voor aanstellingen is opgericht bij besluit van 23*juli 1980, dat de samenstelling, werkwijze en bevoegdheden ervan regelt .
Uit de bewoordingen van dat besluit blijkt duidelijk, dat het gaat om een orgaan met raadgevende bevoegdheden, waarvan de leden op persoonlijke titel zijn benoemd en dat de Commissie moet bijstaan in de uitoefening van haar functie als tot aanstelling bevoegd gezag voor ambtenaren van de rangen A*2 en A*3, en dat het zelf geen enkele beslissingsbevoegdheid heeft .
Gelijk het Hof overwoog in het arrest Vaysse ( 10 ), behoren "beslissingen inzake bevordering, overplaatsing en overgang tot de uitsluitende verantwoordelijkheid van het tot aanstelling bevoegd gezag . Wanneer dat derhalve op eigen initiatief en zonder daartoe krachtens het Statuut verplicht te zijn, tijdens de voorbereidende fase van sommige van zijn beslissingen een raadgevende instantie als de 'groep Noël' inschakelt, mag het de samenstelling en de taak daarvan naar eigen goeddunken regelen ."
Met betrekking tot verzoekers argument, dat de Commissie in haar verweerschrift heeft verklaard, niet op de hoogte te zijn geweest van de nota van 1oktober 1984, waarbij hem ad interim de functie van afdelingshoofd was opgedragen, heeft de Commissie voldoende duidelijk gemaakt, dat het niet ging om een tewerkstelling ad interim zoals bedoeld in artikel*7, lid*2, van het Statuut -*waarvoor een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag nodig is, dat volgens artikel*26 in het persoonsdossier moet worden opgenomen *- maar slechts om een tijdelijke waarneming van de functie van afdelingshoofd, in verzoekers hoedanigheid van ambtenaar met de grootste anciënniteit in de hoogste rang, totdat de nieuwe functionaris zou zijn aangewezen . Het ging dus om een maatregel van interne organisatie van directoraat-generaal*IV, die ingevolge artikel*26 van het intern reglement van de Commissie in beginsel automatisch van toepassing is zonder dat de Commissie daarvan kennis behoeft te nemen . In ieder geval dwong het feit dat verzoeker die functie gedurende iets meer dan twee maanden had vervuld, de Commissie geenszins tot wijziging van haar oordeel over de verdiensten van de kandidaten .
Ten slotte geloof ik dat verzoeker zich evenmin bezwaard kan achten doordat de bestreden bevordering op 19*februari 1985 heeft plaatsgevonden, op welke datum de Commissie nog niet over de meest recente beoordelingsrapporten beschikte ( verzoekers beoordelingsrapport over de jaren 1983-1985 is eerst in februari 1986 opgesteld ).
Volgens de ons door de Commissie verstrekte inlichtingen beschikte zij bij haar besluit zowel wat verzoeker als wat Mensching betreft, over de meest recente beoordelingsrapporten, namelijk die over de periode 1981-1983, die in 1984 waren opgesteld . Het beoordelingsrapport van verzoeker over de periode 1983-1985 bevestigde overigens alleen maar wat er in het eerdere rapport stond .
Om al deze redenen moet worden geconcludeerd, dat dit middel van verzoeker evenmin kan slagen .
2 . 3 . Het laatste middel dat verzoeker tot staving van zijn beroep aanvoert, vormt, zoals gezegd, als het ware een overkoepeling van de andere middelen . Volgens verzoeker heeft de Commissie misbruik van bevoegdheid ( en/of misbruik van procedure ) gemaakt, door een medewerker van een lid van de Commissie te verkiezen boven een ambtenaar die een normale loopbaan heeft gevolgd .
Ik zal eerst ingaan op de argumenten van verzoeker die ik nog niet heb behandeld of ongegrond heb geacht .
Verzoeker ontleent een argument aan de zijns inziens ongebruikelijke haast waarmee de Commissie heeft besloten Mensching aan te stellen . Deze omstandigheid, die volgens hem een geheel vormt met de overige vermoedens waaruit misbruik van bevoegdheid zou blijken, zou een gevolg zijn van het feit dat al bij voorbaat was besloten om Mensching te benoemen .
Het dossier echter bevat echter niets waaraan een dergelijke conclusie kan worden verbonden .
De Commissie heeft er ter terechtzitting op gewezen, zonder door verzoeker te worden weersproken, dat er tussen de indiening van de sollicitaties en het besluit van de Commissie normaal twee à drie weken liggen . In casu is bijna een maand verstreken, zodat de procedure past in de normale gang van zaken; de bewering dat er met overhaaste spoed te werk zou zijn gegaan, mist dan ook elke geloofwaardigheid .
Overigens was het betrokken ambt pas kort tevoren ingesteld en het is niet verwonderlijk, dat men toen dan ook snel in de vacature heeft willen voorzien .
In repliek beweerde verzoeker dat men een ambtenaar van Duitse nationaliteit wenste te bevoordelen, in het kader van het streven van de Commissie naar evenwicht binnen de instelling . Dit zou in het bijzonder blijken uit het bestaan van een raadgevend comité, enig in zijn soort, voor de rangen A*2 en A*3 .
Volgens de Commissie is dat comité ingesteld omdat het tot aanstelling bevoegd gezag, te weten de Commissie, voor de twee rangen hetzelfde was; overigens waren de Duitsers in DG*IV al oververtegenwoordigd, hetgeen verzoekers argument inzake het bewaren van evenwicht ongeloofwaardig maakt .
Ter terechtzitting heeft verzoeker dit argument aanzienlijk afgezwakt met de verklaring dat de nationaliteit van Mensching uiteindelijk van geen belang was in zijn beroep .
Verder heeft verzoeker ter terechtzitting ook toegegeven, dat de nationaliteit van de afgetreden leden van de Commissie geen beslissend element was in zijn betoog en dat de onafhankelijkheid van de leden van de Commissie niet in het geding was .
Het argument ontleend aan de eventuele discriminatie naar nationaliteit, moet derhalve worden verworpen .
Tot staving van zijn argument dat Mensching lid was van een kabinet, beroept verzoeker zich nog op bepaalde omstandigheden van algemene aard : de beweerde "parachutage" van kabinetsmedewerkers van de leden van de Commissie, de standpunten van bepaalde vakorganisaties en de hierover door een lid van het Europees Parlement gestelde vragen .
De Commissie bestrijdt dat argument . Zij baseert zich daarbij op het antwoord op de vragen van dat parlementslid, waarin de juiste verhouding werd vermeld tussen de bevorderingen van ambtenaren van de kabinetten en het totaal van bevorderingen die tijdens het tweede halfjaar van 1984 hadden plaatsgehad .
Voorts zouden volgens de Commissie de standpunten van de vakbond de bedoeling hebben misbruik te voorkomen bij de reïntegratie van vroegere kabinetsmedewerkers, in het bijzonder wanneer het om tijdelijke functionarissen gaat, en bij de organisatie van de individuele vergelijkende onderzoeken; bij Mensching, die sedert 1*oktober 1973 ambtenaar in vaste dienst van de Commissie is, zou het niet om dergelijke situaties gaan .
Verzoekers argumenten berusten derhalve op algemene overwegingen, verband houdend met feiten die buiten de zaak staan en naar mijn mening geen grond bieden voor de bewering van misbruik van bevoegdheid .
Zoals het Hof overwoog ( 11 ), "kan ter zake van een besluit slechts worden gesproken van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd ".
Uit het hiervoor gezegde volgt, dat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat de Commissie haar discretionaire bevoegdheid heeft misbruikt door onwettige doeleinden na te streven, of dat zij zich kennelijk heeft vergist .
Om die redenen komt het mij voor, dat verzoekers middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid bij het besluit van de Commissie, evenmin kan worden aanvaard .
3 . Daar dus geen der door verzoeker aangevoerde middelen kan slagen, concludeer ik tot verwerping van het beroep, met verwijzing van beide partijen in de eigen kosten overeenkomstig artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering .
(*) Vertaald uit het Portugees .
( 1)*Arrest van 27*juni*1973, zaak 35/72, Kley, Jurispr.*1973, blz.*691, r.o.*29 .
( 2)*Zie bijv . de arresten van 30*oktober*1974, zaak 188/73, Grassi, Jurispr.*1974, blz.*1109, r.o.*26; 3*december*1981, zaak 280/80, Bakke d' Aloya, Jurispr.*1981, blz.*2887, r.o.*10; 21*april*1983, zaak 282/81, Ragusa, Jurispr.*1983, blz.*1245, r.o.*9 en 13; 14*juli*1983, zaak 176/82, Nebe, Jurispr.*1983, blz.*2475, r.o.*18; 23*oktober*1986, zaak 26/85, Vaysse, Jurispr.*1986, r.o.*26 en 27 .
( 3)*Zie het arrest van 21*april*1983, zaak 282/81, Ragusa, reeds aangehaald, samenvatting en r.o.*13 .
( 4)*Arrest Grassi, reeds aangehaald, r.o.*12 .
( 5)*Arrest Grassi, reeds aangehaald .
( 6)*Zaak 62/75, De Wind, Jurispr.*1976, blz.*1167, r.o.*17 .
( 7)*Vgl . bij voorbeeld de arresten van 17*maart*1983 ( zaak 280/81, Hoffmann, Jurispr.*1983, blz.*889, r.o.*9 ), 24*maart*1983 ( zaak 298/81, Colussi, Jurispr.*1983, blz.*1131, r.o.*22 ) en 14*juli*1983 ( zaak 9/82, OEhrgaard en Delvaux, Jurispr.*1983, blz.*2379, r.o.*17 ).
( 8)*Zie bij voorbeeld het arrest van 17*december*1981, zaak 151/80, De Hoe, Jurispr.*1981, blz.*3161, r.o.*16 .
( 9)*Zie het arrest Ragusa, reeds aangehaald .
( 10)*Reeds aangehaald, r.o.*15 .
( 11)*Zie bij voorbeeld het arrest van 21*juni*1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr.*1984, blz.*2447, r.o.*30 .
Full & Egal Universal Law Academy