CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
van 8 oktober 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Zoals bekend heeft de ambtenaar die de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, ingevolge artikel 4, lid 1, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut recht op een ontheemdingstoelage van 16% van zijn salaris, wanneer hij aantoont dat hij gedurende ten minste tien jaren vóór zijn indiensttreding buiten het grondgebied van die staat woonachtig is geweest.
Op 16 april 1984 werd C. Richter, van Luxemburgse nationaliteit, door de Commissie als vertaler aangeworven en tewerkgesteld bij DG IX, dat in het Groothertogdom is gevestigd. Hij verzocht onmiddellijk om toepassing van de hierboven vermelde bepaling, wat door de administratie is geweigerd. Dat is de oorsprong van het geschil waarover het Hof, aangezien tijdens de precontentieuze fase geen oplossing is gevonden, thans heeft te oordelen. Daartoe moet het Hof in hoofdzaak nagaan, of Richter gedurende de periode van tien jaren tussen 15 april 1974 en 15 april 1984 regelmatig woonachtig is geweest buiten Luxemburg.
Tot staving van zijn verzoek geeft verzoeker de volgende reconstructie van de betrokken periode. Hij is in 1953 in Luxemburg geboren en woonde aldaar bij zijn ouders tot 15 oktober 1973. Daarna ging hij naar Straatsburg om er aan de universiteit te studeren. Hij verliet deze stad op 1 oktober 1977, vestigde zich te Germersheim (Bondsrepubliek Duitsland) en behaalde aan de universiteit van de nabijgelegen stad Mainz (maart 1981) een vertalersdiploma. In september 1981 keerde hij terug naar Luxemburg, waar hij tot eind februari 1982 „stage” liep bij het Bureau voor de Terminologie van de Commissie. Na dit korte intermezzo keerde hij terug naar Germersheim; hij verliet die stad definitief op 16 april 1984, toen hij bij de Commissie in dienst trad.
Dat deze reconstructie juist is, zou worden aangetoond door een certificaat van de stad Germersheim, volgens hetwelk Richter heeft verklaard, dat hij van 4 oktober 1977 tot 1 mei 1984„ononderbroken” in die stad heeft verbleven. Wanneer nu deze periode wordt bijgeteld bij de tijd die hij in Straatsburg heeft doorgebracht, komt men tot een periode van nagenoeg elf jaar gedurende welke hij buiten zijn land van herkomst woonde. Het zou dan ook onrechtmatig zijn hem de ontheemdingstoelage te weigeren.
2.
Dit argument is ongegrond. Om te beginnen zij opgemerkt, dat de ontheemdingstoelage is bedoeld „om de bijzondere lasten en nadelen te compenseren, die aan de indiensttreding bij de Gemeenschappen zijn verbonden voor ambtenaren die uit dien hoofde gedwongen zijn van woonplaats te veranderen (arrest van 16 oktober 1980, zaak 147/79, Hochstrass, Jurispr. 1980, blz. 3005, r. o. 12). De administratie behoeft haar dan ook slechts toe te kennen, wanneer de betrokken ambtenaar erin slaagt haar te overtuigen dat hij, ofschoon hij de nationaliteit bleef bezitten van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, hij deze heeft verlaten met de bedoeling gedurende langere tijd zijn normale sociale en/of professionele banden met deze laatste te verbreken.
In casu volstaat het vast te stellen, dat door verzoekers verblijf te Straatsburg, dat louter met zijn universitaire studie verband hield, die banden niet zijn verbroken. Hetzelfde dient te worden gezegd met betrekking tot de periode tijdens welke Richter naar eigen zeggen in de Bondsrepubliek Duitsland heeft gewoond : tegenover het certificaat van de gemeente Germersheim — dat een loutere vaststelling is — staat zijn sollicitatieformulier van 30 maart 1983, waarin hij zelf Luxemburg als verblijfplaats en correspondentieadres opgeeft. Bovendien komt in het uittreksel uit zijn strafregister van 31 maart 1983, de vermelding „woonachtig te Luxemburg” voor.
Uit deze gegevens blijkt mijns inziens, dat verzoeker ondanks het feit dat hij vaak omwille van studie of werk afwezig is geweest, zijn „belangensfeer permanent” op het grondgebied van het Groothertogdom heeft willen behouden (arrest van 9 oktober 1984, zaak 188/83, Witte, r. o. 11, Jurispr. 1984, blz. 3465).
3.
Mitsdien kan worden geconcludeerd, dat het verzoek van Richter niet op eenduidige en overeenstemmende bewijzen berust. Mitsdien geef ik in overweging om zijn beroep tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwerpen en om de kosten te compenseren op grond van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( *1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy