Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Verzoeksters in het onderhavige geding, de Duitse staalbedrijven Mannesmann-Roehrenwerke AG en Paderwerk Gebr . Benteler GmbH & Co ., vorderen nietigverklaring van verordening ( EEG ) nr . 2355/85 van de Raad van 6 augustus 1985, houdende aanvulling van verordening ( EEG ) nr . 60/85 van 9 januari 1985 .
I - 2 . Beide ondernemingen vervaardigen en verhandelen stalen buizen en pijpen . Deze produkten worden niet vermeld in bijlage I bij het EGKS-Verdrag en vallen bijgevolg onder het EEG-Verdrag .
3 . Gezamenlijk nemen verzoeksters ongeveer 70 % van de Duitse uitvoer van buizen en pijpen naar de Verenigde Staten van Amerika voor hun rekening .
4 . Bovendien bekleden zij topposities binnen de groep van zes Duitse ondernemingen die een bijzonder soort stalen buizen vervaardigen, de zogenaamde OCTG-buizen (" Oil Country Tubular Goods "), die in petroleumvelden worden gebruikt .
II - 5 . Naar aanleiding van de bedreigingen die op de staaluitvoer van de EEG naar de Verenigde Staten rustten, zag de Gemeenschap zich gedwongen met dit land onderhandelingen te voeren; dit leidde op 21 oktober 1982 tot het sluiten van een overeenkomst ( 1 ), die voorzag in de beperking van de communautaire uitvoer van een aantal staalprodukten . Stalen buizen en pijpen vielen hier niet onder .
6 . De overeenkomst was evenwel gekoppeld aan een briefwisseling van dezelfde datum, die tot doel had te verhinderen dat het handelsverkeer zou worden verlegd van de produkten die aan de overeenkomst waren onderworpen naar stalen buizen en pijpen, waarvoor toen geen beperkingen golden . In dit verband verklaarde de Gemeenschap, dat het niet te verwachten was dat gedurende de geldigheidsduur van de overeenkomst, dat wil zeggen tot einde 1985, haar jaarlijkse uitvoer van stalen buizen en pijpen naar de Verenigde Staten het gemiddelde aandeel van de communautaire verkoop op de Amerikaanse markt gedurende de periode 1979-1981 zou overschrijden, zodat geen verleggingen van het handelsverkeer zouden plaatsvinden . Mochten zich niettemin moeilijkheden voordoen op de Amerikaanse markt, dan zouden partijen met elkaar besprekingen kunnen voeren over de evolutie van de communautaire uitvoer van buizen en pijpen .
7 . Het staat vast, dat de exporten het geplande volume ruim overschreden, zodat de Noordamerikaanse autoriteiten met ingang van 29 november 1984 een volledig invoerverbod uitvaardigden voor stalen buizen en pijpen uit de Gemeenschap .
8 . Tussen de Amerikaanse autoriteiten en die van de Gemeenschap kwam het opnieuw tot onderhandelingen, die op 7 januari 1985 leidden tot het sluiten van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling inzake de handel in stalen buizen en pijpen . Deze werd goedgekeurd bij verordening ( EEG ) nr . 59/85 van 9 januari 1985 . ( 2 )
9 . Deze overeenkomst, die geldig was tot 31 december 1986, voorzag in wezen in het volgende :
10 . - De Gemeenschap zal de uitvoer van stalen buizen en pijpen naar de Verenigde Staten voor de jaren 1985 en 1986 beperken tot 7,6 % van het zichtbare verbruik in de Verenigde Staten . Gedurende deze periode zijn uitvoercertificaten vereist .
11 . - Binnen dit maximum van 7,6 % mag de uitvoer van OCTG-buizen niet hoger zijn dan 10 % van het zichtbare verbruik van deze buizen in de Verenigde Staten .
12 . Bij verordening nr . 60/85 van 9 januari 1985 ( 3 ) stelde de Raad verscheidene voorschriften ter uitvoering van deze overeenkomst vast .
13 . In bijlage III bij de verordening werd het communautaire uitvoerquotum voor de meeste betrokken produkten over de Lid-Staten verdeeld, met het verzoek aan deze laatste om de aldus toegekende hoeveelheden aan de hand van objectieve criteria aan de ondernemingen toe te wijzen ( derde overweging van de verordening ).
14 . Met betrekking tot OCTG-buizen bepaalde de verordening in bijlage III echter alleen, dat de verdeling van het betrokken communautaire "subquotum" over de Lid-Staten zou worden vastgelegd in een latere beslissing, die vóór 31 januari 1985 door de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moest worden genomen .
15 . Deze verdeling geschiedde eerst op 6 augustus 1985 bij verordening ( EEG ) nr . 2355/85 . ( 4 ) Op grond van de in deze verordening vervatte verdeelsleutel, werd aan de Bondsrepubliek Duitsland 43,8 % toegekend van het totaal van het communautaire quotum voor OCTG-buizen ( 4,38 % van het zichtbare verbruik in de Verenigde Staten ).
III - 16 . Verzoeksters vorderen nietigverklaring van verordening nr . 2355/85 . Daartoe betogen zij, dat de daarin voorziene verdeling van het communautaire quotum voor de uitvoer van OCTG-buizen naar de Verenigde Staten in nationale subquota de Duitse staalindustrie benadeelt en hun belangen schaadt .
IV - 17 . De Raad betwist in de eerste plaats de ontvankelijkheid van het beroep . Uiteraard is dit het eerste probleem dat bij het onderzoek van de onderhavige zaak moet worden opgelost .
18 . De Raad betwijfelt, of verzoeksters een rechtens relevant belang hebben bij het beroep . Hij ziet niet in, hoe verzoeksters zouden kunnen optreden namens alle Duitse staaluitvoerders, laat staan namens de Bondsrepubliek Duitsland, de echte begunstigde van de in verordening nr . 2355/85 voorziene verdeling .
19 . Na onderzoek van de in artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag gestelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een natuurlijke of rechtspersoon, komt de Raad tot de conclusie dat, nog afgezien van de vraag of verordening nr . 2355/85 een echte verordening is of veeleer een tot de Lid-Staten gerichte beschikking, verzoeksters niet kunnen doen gelden dat zij er rechtstreeks en individueel door worden geraakt .
20 . Volgens de Raad is de beroepsmogelijkheid die voor Duitse ondernemingen openstaat derhalve niet die van artikel 173 EEG-Verdrag, maar kunnen zij voor de nationale rechter opkomen tegen de beslissingen van de nationale instanties die bevoegd zijn om, ter uitvoering van de verordeningen nrs . 60/85 en 2355/85, de respectieve nationale quota over de ondernemingen te verdelen .
21 . De vraag naar de geldigheid van verordening nr . 2355/85 zou dan krachtens artikel 177 EEG-Verdrag aan het Hof kunnen worden voorgelegd .
22 . Ik zal derhalve beginnen met het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep .
V - 23 . Luidens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag kan "iedere natuurlijke of rechtspersoon ... beroep instellen tegen ... beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken ".
24 . De ontvankelijkheid van het beroep is dus van de volgende voorwaarden afhankelijk :
25 . - Het moet gaan om een beschikking,
26 . - die de uitdrukkelijke kenmerken of de vorm van een verordening ( of van een beschikking gericht tot een andere persoon ) heeft,
27 . - en die de verzoeker rechtstreeks
28 . - en individueel raakt .
29 . Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat het beroep niet-ontvankelijk is wanneer aan één ervan niet is voldaan .
30 . Verzoeksters zijn evenwel van mening, dat niet behoeft te worden onderzocht of de bestreden communautaire rechtshandeling een "echte" verordening is, en dat kan worden volstaan met aan te tonen dat deze hen rechtstreeks en individueel raakt om te kunnen concluderen dat het beroep ontvankelijk is .
31 . Deze benaderingswijze is mijns inziens niet erg correct . Bovendien getuigt zij van een kennelijk onjuist inzicht in de rechtspraak van het Hof .
32 . Het Hof verklaart een beroep steeds niet-ontvankelijk wanneer het van oordeel is, dat één van de voorwaarden van artikel 173 EEG-Verdrag niet is vervuld; het onderzoekt dan niet, of aan de overige voorwaarden is voldaan .
33 . Zo heeft het Hof reeds zeer duidelijk gesteld, dat "beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, indien blijkt dat de bestreden handeling een verordening is ". ( 5 )
34 . Vandaar dat het Hof reeds meerdere malen is begonnen met een onderzoek naar de aard van de handeling; wanneer daarbij bleek dat deze het karakter had van een verordening, werd het beroep afgewezen zonder onderzoek van de vraag of de verzoeker er rechtstreeks en individueel door werd geraakt . ( 6 )
35 . In andere gevallen heeft het Hof er de voorkeur aan gegeven, zich niet uit te spreken over de vraag, of de omstreden handeling een echte verordening was, en enkel vastgesteld dat deze de verzoeker niet rechtstreeks en individueel raakte . ( 7 )
36 . De voorwaarde dat de bestreden handeling de verzoeker individueel moet raken, hangt stellig nauw samen met de voorwaarde, dat deze handeling naar haar aard een beschikking moet zijn . Het is immers veeleer uitzondering, dat een handeling de verzoeker rechtstreeks en individueel raakt zonder tevens het karakter van een beschikking te hebben .
37 . Dit moet evenwel in ieder concreet geval worden aangetoond . En, gelijk advocaat-generaal Warner in zijn conclusie in bovengenoemde zaak-Calpak opmerkt, toont de omvangrijke rechtspraak van het Hof terzake aan, "dat de eis dat een handeling naar haar aard een beschikking en geen legislatieve handeling is, losstaat van de verlangde rechstreekse en individuele 'geraaktheid' van de verzoeker ".
38 . Voor het onderzoek naar de ontvankelijkheid zal ik derhalve eerst de aard van de rechtshandeling bepalen .
VI - 39 . Artikel 173, tweede alinea, heeft, voor zover hier relevant, tot doel te verhinderen dat een instelling de vorm van een verordening kiest enkel om een tot een particulier gerichte beschikking te maskeren en die particulier aldus te beletten gebruik te maken van het vorderingsrecht dat hem in artikel 173, tweede alinea, eerste zinsdeel, is toegekend . De gekozen vorm kan de aard van de handeling niet wijzigen . ( 8 )
40 . Bovendien is niet de "officiële benaming van de handeling" van belang, maar het doel en de inhoud ervan . Volgens artikel 189 EEG-Verdrag heeft een verordening een algemene strekking en is zij rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat . Mitsdien draagt zij in de eerste plaats een normatief karakter, is zij van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft zij - gelijk het Hof reeds heeft geoordeeld ( 9 ) - onmiddellijk rechtsgevolgen voor in het algemeen en in abstracto omschreven categorieën personen .
41 . De in geding zijnde handeling heeft ondubbelzinnig de vorm van een verordening - verordening nr . 2355/85 - en dient ter aanvulling van een bepaling die in een andere verordening - nr . 60/85, bijlage III, kolom OCTG-buizen - werd opengelaten . Het onderzoek naar het rechtskarakter van eerstgenoemde handeling kan dus niet losstaan van de voorafgaande handeling, waarvan zij een bestanddeel is geworden .
42 . Het is onbetwistbaar, dat verordening nr . 60/85 grotendeels bepalingen van normatieve aard bevat, die ertoe strekken de voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van de in januari 1985 met de Verenigde Staten overeengekomen zelfbeperkingsregeling .
43 . Rest evenwel de vraag, of dit normenstelsel geen bepalingen voor individuele gevallen bevat, die naar hun aard aan de classificatie van het gehele complex ontsnappen .
44 . Het Hof heeft reeds gesteld, dat een handeling die door haar auteur als verordening is omschreven, bepalingen kan bevatten van individuele aard, die dus niet het karakter van een verordening hebben . ( 10 )
45 . Juist met betrekking tot bijlage III bij verordening nr . 60/85 kan het probleem rijzen; dit betogen verzoeksters in elk geval met betrekking tot verordening nr . 2355/85 . Ik zal mijn onderzoek derhalve toespitsen op deze omstreden verordening .
46 . Verzoeksters stellen dat verordening nr . 2355/85 een autonome handeling is ten opzichte van verordening nr . 60/85, zodat het voor de kwalificatie ervan niet van belang is, of deze laatste een "echte" of een "onechte" verordening is .
47 . Mijns inziens is deze zienswijze overdreven formalistisch . Zoals gezegd, en gelijk ook blijkt uit de titel ervan, dient verordening nr . 2355/85 ter aanvulling van verordening nr . 60/85 . De vaststelling van de nieuwe verordening, waarbij de nog ontbrekende tabel werd goedgekeurd, was enkel een gevolg van de omstandigheid dat de Raad een tijdlang geen akkoord kon bereiken . Niettemin kan die handeling niet anders worden behandeld dan het geval zou zijn geweest, indien de vastgestelde bepalingen vanaf het begin deel hadden uitgemaakt van bijlage III bij verordening nr . 60/85 .
48 . Hoe dit ook zij, verzoeksters zijn van mening dat verordening nr . 2355/85 geen normatief karakter heeft, maar veeleer het karakter van een beschikking, die gericht is tot de enige zes bedrijven in Duitsland die OCTG-buizen uitvoeren en waarvan de namen van begin af aan bekend waren .
49 . Deze omstandigheid volstaat mijns inziens echter niet om de betwiste handeling de hoedanigheid van een verordening te ontnemen .
50 . Gelijk het Hof herhaaldelijk heeft beklemtoond, "kan een handeling haar verordenend karakter niet verliezen door het enkele feit, dat het aantal - of zelfs de identiteit - der rechtssubjecten op wie zij op een gegeven ogenblik van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, zolang maar vaststaat, dat die toepassing voortvloeit uit de aanwezigheid van een objectieve feitelijke of rechtstoestand als in de handeling, gezien haar objectieve doelstelling, bedoeld ". ( 11 )
51 . Kennelijk is dit het geval met de bestreden verordening : evenals verordening nr . 60/85 is zij van toepassing op de uitvoer van bepaalde soorten buizen en pijpen van alle Lid-Staten van de Gemeenschap naar de Verenigde Staten en gedurende de vastgestelde geldigheidsduur zijn alle exporteurs uit de Lid-Staten, die algemeen en in abstracto zijn bepaald op grond van de objectieve feitelijke situatie waarin zij zich bevinden, eraan onderworpen .
52 . Uiteraard laat het rechtskarakter van de in verordening nr . 2355/85 opgenomen tabel ( zoals ook de tabel van het eerste deel van bijlage III bij verordening nr . 60/85 ) de veronderstelling toe, dat de daarin vervatte voorschriften zeer wel een beschikking kunnen zijn, en dat het niet noodzakelijk was om ze bij verordening te bekrachtigen .
53 . Volgens mij is de context waarin zij zijn geplaatst, echter maar voor één uitleg vatbaar . Aangezien verordening nr . 60/85 de algemene regels bevat voor de uitvoering van de regeling inzake de zelfbeperking van de uitvoer van buizen en pijpen naar de Verenigde Staten, vormen de betrokken tabellen een natuurlijke aanvulling op artikel 3, lid 1, van verordening nr . 60/85, voor de uitvoering waarvan zij een noodzakelijk instrument zijn . Derhalve kan worden gesteld, dat zij de hoedanigheid van verordening delen met het normenstelsel waaraan zij zijn toegevoegd en waarvan zij een wezenlijk bestanddeel vormen . Met dit standpunt sluit ik mij slechts aan bij de opvatting die kan worden afgeleid uit verscheidene arresten van het Hof, waarin het juridisch kader van de voorschriften waarvan het rechtskarakter aan de orde is, als een belangrijk element voor de interpretatie wordt beschouwd . ( 12 )
54 . Verzoeksters zelf hebben uiteindelijk - stilzwijgend of uitdrukkelijk, in de loop van de schriftelijke behandeling of voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling - ten behoeve van hun argumentatie moeten toegeven, dat verordening nr . 2355/85 met verordening nr . 60/85 één normatief geheel vormt . Nadat zij op hun kennelijke contradictie waren gewezen, gaven zij ten slotte toe, dat verordening nr . 2355/85 een gemengd rechtskarakter heeft doordat zij deels voor het verleden en deels voor de toekomst geldt .
55 . Ik geef toe, dat deze omstandigheid het onderzoek van het probleem nog moeilijker maakt .
56 . Voor de eerste zeven maanden van 1985 stond het aantal en de identiteit van de ondernemingen die OCTG-buizen naar de Verenigde Staten exporteerden, inderdaad onherroepelijk vast, zodat de Raad die had kunnen kennen .
57 . Derhalve zou men met betrekking tot deze ondernemingen eenzelfde redenering kunnen volgen als die welke ten grondslag ligt aan het arrest-Alusuisse Italia ( 13 ), en aanvaarden dat de omstreden rechtshandeling voor deze ondernemingen geen normatief karakter bezit, maar moet worden beschouwd als een individuele beschikking of als een pakket van individuele beschikkingen .
58 . Ik zal op het onderzoek van dit probleem nog terugkomen bij de behandeling van het vereiste van de individuele betrokkenheid .
59 . Ik zou echter hier reeds willen opmerken, dat ik er ook voor het verleden niet van overtuigd ben, dat verordening nr . 2355/85 geen normatief karakter bezit .
60 . Allereerst had deze verordening nog een geldigheidsduur van bijna een jaar en vijf maanden en was de periode waarvoor de in de verordening vastgelegde percentages golden en waarin de af te geven vergunningen moesten worden toegekend, derhalve verre van verstreken .
61 . Daarom moet zelfs worden betwijfeld, of hier van een echte retroactiviteit kan worden gesproken : de situatie vertoont gelijkenis met het uitvaardigen van een belastingwet, die midden in het jaar het belastingtarief of de belastingvrije bedragen wijzigt voor alle inkomsten van dat jaar .
62 . Wel kan voor het verleden worden gesteld, dat de manier waarop de verordening op verzoeksters is toegepast enigszins verschilt van de wijze waarop zij in de toekomst zal gelden voor alle bestaande of nog op te richten ondernemingen .
63 . Het Hof heeft evenwel reeds verklaard "dat door de enkele omstandigheid dat een algemeen voorschrift de verschillende justitiabelen niet gelijkelijk treft, daaraan het verordenend karakter niet wordt ontnomen ". ( 14 )
64 . Evenwel moet ik toegeven, dat de zaak niet volledig duidelijk is en dat het verordenend karakter van de voorschriften in kwestie ondanks alles niet geheel van twijfel is ontbloot .
65 . Dit klinkt zelfs door in het verweerschrift van de Raad, waar deze toegeeft dat bijlage III als een afzonderlijk voorschrift, en de daarin voorziene verdeling over de Lid-Staten als een tot bepaalde adressaten gerichte beschikking kunnen worden beschouwd .
66 . De Raad is evenwel van mening, dat de echte adressaten in dat geval de Lid-Staten zijn, en niet verzoeksters .
67 . In het licht van bovenstaande uiteenzettingen over het karakter van de omstreden rechtsvoorschriften, acht ik het niet nodig om het probleem op deze manier te stellen .
68 . Mocht dit anders worden gezien, dan zouden wij te maken hebben met een in de vorm van een verordening gegeven "beschikking gericht tot een andere persoon", waarop mijns inziens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag kan worden toegepast, op grond waarvan de natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks en individueel wordt geraakt, beroep kan instellen .
69 . Volgens het Hof worden de Lid-Staten met de uitdrukking "tot een andere persoon gerichte beschikking" evenzeer bedoeld als iedere privaatrechtelijke persoon . ( 15 )
70 . Dan moet echter nog worden aangetoond, dat aan de beide andere ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 173, tweede alinea, is voldaan, te weten dat de beschikking, hoewel tot een andere persoon gericht, verzoeksters rechtstreeks en individueel raakt .
VII - 71 . Laten we eerst onderzoeken, of verzoeksters door de bestreden handeling al dan niet individueel worden geraakt .
72 . Het Hof heeft in het arrest-Plauman ( 16 ), in een formule die in zijn verdere rechtspraak steeds opnieuw is aangewend ( 17 ), het algemene begrip individueel geraakt zijn aldus gedefinieerd dat : "zij, die niet zijn de adressaten ener beschikking slechts zouden kunnen stellen dat zij individueel worden geraakt, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat ".
73 . Zoals gezegd, zijn verzoeksters van mening dat zij individueel geraakt zijn doordat de verordening van de Raad in de grond een collectieve beschikking is voor zes ondernemingen waarvan de namen vanaf het begin bekend waren . Het zou niet gaan om een algemene en abstracte regeling, die de exporten van alle ondernemingen van een bepaalde bedrijfstak van de Gemeenschap volgens objectieve criteria beperkt .
74 . Het komt mij voor, dat op deze manier niet kan worden geargumenteerd zonder nadere verduidelijking .
75 . Zoals bekend, werd verordening nr . 2355/85 op 6 augustus 1985 vastgesteld om te gelden voor een ( achteraf verlengde ) termijn die op 31 december 1986 zou verstrijken .
76 . Onder die omstandigheden was de verordening niet enkel van toepassing op de ondernemingen die bestonden en exporteerden op het ogenblik waarop zij werd vastgesteld, maar op alle ondernemingen die in de toekomst zouden kunnen worden opgericht en om de afgifte van uitvoercertificaten zouden kunnen verzoeken .
77 . De Raad is derhalve terecht van oordeel, dat in dit opzicht niets als definitief kan worden beschouwd en geen rechtssubject als een adressaat kan worden geïndividualiseerd .
78 . Verzoeksters voeren aan, dat het moeilijk is om nieuwe ondernemingen op te richten en hen toegang tot de markt te verschaffen, hetgeen deze mogelijkheid voor de Duitse markt zou uitsluiten .
79 . Verordening nr . 2355/85 geldt evenwel voor alle landen en alle gespecialiseerde fabrikanten in de Gemeenschap . Haar rechtskarakter verandert niet door de omstandigheid, dat de oprichting van nieuwe Duitse ondernemingen die OCTG-buizen vervaardigen en exporteren, weinig waarschijnlijk is .
80 . Overigens was het doel van die verordening niet, de produktie van OCTG-buizen te beperken; zij diende enkel de uitvoer naar de Verenigde Staten, en niet die naar andere landen, aan banden te leggen . ( 18 )
81 . Zoals gezegd hebben verzoeksters ter terechtzitting uiteindelijk toegegeven, dat aan verordening nr . 2355/85 voor de toekomst een algemeen en abstract rechtskarakter kan worden toegekend .
82 . Voor het tijdvak vóór de bekendmaking van de verordening maakten zij evenwel het voorbehoud, dat zij enkel het karakter kon hebben van een beschikking waardoor zes ondernemingen werden getroffen .
83 . Is deze benadering juist?
84 . Voor dit standpunt pleiten de arresten van het Hof waarin dit de ontvankelijkheid van een beroep, inzonderheid wanneer de bestreden handeling gold voor vroegere of bestaande situaties, heeft gebaseerd op omstandigheden als het ondubbelzinnig vaststaan van de identiteit of de kring van de adressaat of adressaten . ( 19 )
85 . Moet in deze optiek worden aangenomen dat aan het vereiste van het individueel geraakt zijn van verzoeksters is voldaan voor de periode tussen 1 januari en 20 augustus 1985, zodat althans voor dit gedeelte de gegrondheid van het beroep kan worden onderzocht, niettegenstaande de laattijdigheid van de door verzoeksters in repliek uitdrukkelijk gestelde subsidiaire vordering?
86 . Ik betwijfel of dit de beste oplossing is .
87 . Ik verwijs hier naar hetgeen ik eerder heb gezegd over het verordenend karakter van de omstreden handeling, ook met betrekking tot de periode vóór haar bekendmaking .
88 . Hieraan moet worden toegevoegd, dat de omstandigheid dat verordening nr . 2355/85 van toepassing werd verklaard vanaf een vóór haar bekendmaking liggend tijdstip, een objectief gezien niet te vermijden praktisch gevolg was van de laattijdige overeenstemming die de Raad inzake OCTG-buizen bereikte, en logisch verklaard wordt door het feit, dat vanaf 1 januari 1985 de regeling met de Verenigde Staten van toepassing werd, waarbij voor andere dan OCTG-buizen reeds de data van artikel 1 van verordening nr . 60/85 waren vastgesteld .
89 . De "retroactiviteit" van verordening nr . 2355/85 lijkt aldus objectief los te staan van de omstandigheid, dat er een bepaald aantal ondernemingen bestond die uitvoervergunningen voor de Verenigde Staten hadden gevraagd en ( voorlopig ) gekregen .
90 . Maar omdat de Commissie een uitvoerstop naar de Verenigde Staten wilde vermijden, besloot zij de Lid-Staten te machtigen om in de eerste twee kwartalen van 1985 voorlopige vergunningen af te geven .
91 . In de motivering van verordening nr . 2355/85 wordt niet ingegaan op de situatie van de ondernemingen die, zoals verzoeksters, die vergunningen hadden gekregen . Mocht het hier gaan om een factor die deze verordening heeft beïnvloed, dan was dit hooguit vergelijkbaar met alle overige factoren met betrekking tot de marktsituatie vóór en na 1 januari 1985 .
92 . Overigens geloof ik, dat het accentueren van dit aspect in overeenstemming is met drie aanwijzingen die uit de rechtspraak van het Hof kunnen worden afgeleid :
93 . - het belang dat aan het doel van een handeling wordt toegekend om een voorschrift met algemene draagwijdte te onderscheiden van een individuele beschikking ( 20 );
94 . - de aan artikel 173, tweede alinea, toegekende doelstelling, te verhinderen dat particulieren worden beroofd van hun mogelijkheden om zich te beschermen tegen een beschikking die hen rechtstreeks en individueel raakt, maar is gegeven in de vorm van een verordening of een tot een andere persoon gerichte beschikking;
95 . - de aanhaling van het begrip misbruik van bevoegdheid, waardoor een schijnbaar algemeen voorschrift een individueel karakter kan krijgen . ( 21 )
96 . Er is derhalve een bijkomend element dat een subjectief of causaliteitsverband legt tussen het feit, dat de instelling op de hoogte was van de specifieke gevallen waarop de handeling van toepassing was, en de uitgevaardigde maatregel . Dit element komt voor in een aantal zaken waarin het Hof uitspraak heeft gedaan, maar niet in de onderhavige .
97 . Onder die omstandigheden kan mijns inziens niet worden gesteld - ook niet voor de terugwerkende kracht van verordening nr . 2355/85 - dat deze verordening in werkelijkheid een beschikking is, die verzoeksters raakt als waren zij de adressaten ervan . Dit geldt te meer, nu het in de verordening vastgelegde Duitse quotum ten slotte hoger uitviel dan door de Commissie was voorgesteld en steeg van 3,77 % tot 4,38 % van het verbruik van de Verenigde Staten . Derhalve is het niet zeker, dat zij tot vermindering van de reeds aan verzoeksters afgegeven vergunningen heeft geleid .
98 . Aangezien over dit probleem evenwel nog betwisting bestaat, zal ik toch ingaan op het in artikel 173, tweede alinea, gestelde vereiste, dat verzoeksters rechtstreeks geraakt moeten zijn .
VIII - 99 . Om te achterhalen of aan dit vereiste is voldaan, moet vooreerst worden onderzocht of de bestreden communautaire handeling rechtstreeks uitvoerbaar is, dat wil zeggen of zij automatisch gevolgen in het leven roept voor particulieren of dat daarvoor de medewerking nodig is van een derde instantie - in het bijzonder de Lid-Staten - die over een beoordelingsmarge beschikt . ( 22 )
100 . Op het eerste gezicht is dit laatste hier het geval . Luidens artikel 3 van verordening nr . 60/85 verdeelt de Commissie de volgens artikel 2 vastgestelde communautaire uitvoerquota voor buizen over de Lid-Staten . Daarbij zal zij zich evenwel ertoe beperken, de percentages die zijn vermeld in de tabellen van bijlage III in de versie van verordening nr . 2355/85 om te zetten in hoeveelheden . Het gaat hier om een zuiver rekenkundige bewerking met objectief controleerbare resultaten, zonder dat de bevoegde instelling bij de uitvoering ervan over enige beoordelingsmarge beschikt .
101 . Het is vervolgens de taak van de Lid-Staten, de nationale quota te verdelen over de exporterende bedrijven en dienovereenkomstig de nodige vergunningen af te geven ( derde overweging en artikel 5 van verordening nr . 60/85 ). Hierbij beschikken de Lid-Staten over de beoordelingsmarge die hen in artikel 5 is toegekend .
102 . Het staat vast dat, gelijk uit de derde overweging van de verordening blijkt, de verdeling moet gebeuren aan de hand van objectieve criteria, die in artikel 5, lid 2, worden opgesomd .
103 . Het betreft hier evenwel criteria die een kader schetsen, en geen starre parameters waarvan de toepassing automatisch moet leiden tot één enkele en enig mogelijke oplossing . Dit volstaat om te beseffen, dat het optreden van de Lid-Staten verschillende beoordelingsmarges impliceert, die kunnen worden teruggevonden in enkele alinea' s van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 60/85 . Dit geldt voor de verwijzing naar de "traditionele uitvoerstromen", waarbij de keuze wordt gelaten tussen verschillende mogelijkheden, bijvoorbeeld met betrekking tot de referentieperiode, voor de noodzaak om rekening te houden met de aanwezigheid van "nieuwe producenten van buizen en pijpen", alsmede voor het streven naar "het optimale gebruik en het optimale beheer van de ... uitvoermogelijkheden" en "het optimale gebruik van eventuele nieuwe mogelijkheden waarin, in voorkomend geval, door deze verordening wordt voorzien ".
104 . Verzoeksters trachten evenwel aan te tonen dat zij rechtstreeks werden geraakt, door te stellen dat de vaststelling van de nationale quota een directe invloed heeft op hun uitvoermogelijkheden en hun verkopen naar de Verenigde Staten rechtstreeks beperkt . Iedere verdere verlaging van die quota zou onvermijdelijk leiden tot een bijkomende vermindering van de verkooprechten waarover de verschillende Duitse ondernemingen beschikken .
105 . Dit automatisme zou ook dan in werking treden, wanneer de nationale regeringen enige beoordelingsvrijheid werd toegekend bij de verdeling van hun respectieve quota, aangezien die vrijheid altijd moet worden uitgeoefend overeenkomstig de criteria van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 60/85 en met inachtneming van het grondbeginsel van gelijke behandeling . Daardoor zou het uitgesloten zijn dat, indien de nationale quota worden verlaagd maar de overige voorwaarden gelijk blijven, een onderneming zodanig wordt voorgetrokken dat zij, ten koste van haar concurrenten, hetzelfde aandeel behoudt als zij zou hebben gehad zonder een dergelijke ( verondersteld onwettige ) verlaging van de nationale quota . Vandaar het automatisme : de verlaging door de Raad van de Duitse quota zou onvermijdelijk negatieve gevolgen hebben voor de uitvoerquota van verzoeksters .
106 . Ik geloof niet dat hiermee afdoende is aangetoond, dat verzoeksters door de bestreden handeling rechtstreeks worden geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea . In het arrest-Eridania overwoog het Hof, "dat de enkele omstandigheid dat een besluit invloed kan uitoefenen op de mededingingsverhoudingen zoals die zich op de betrokken markt voordoen, niet reeds medebrengt dat iedere ondernemer die op enigerlei wijze in een concurrentieverhouding staat tot de adressaat van het besluit, als rechtstreeks en individueel door hetzelve geraakt is te beschouwen; dat er specifieke omstandigheden moeten bestaan" die meer inhouden dan de bewering dat de handeling inwerkt op de marktpositie van de verzoeker . ( 23 )
107 . Mutatis mutandis zijn gelijke overwegingen van toepassing op de onderhavige zaak .
108 . Voorts moet er nog op worden gewezen, dat verzoeksters in repliek een subtiele correctie hebben aangebracht in hun argumentatie . In hun verzoekschrift hadden zij namelijk aangevoerd dat de Lid-Staten niet over een beoordelingsmarge beschikken en de nationale quota moeten verdelen volgens objectieve, limitatief opgesomde criteria . Zij achtten dit toen voldoende tot staving van hun stelling dat de verdeling van de quota bijgevolg niet binnen de beoordelingsbevoegdheid van de Lid-Staten ligt .
109 . De "verbeterde" argumentatie van verzoeksters is schijnbaar overtuigender dan hun uitgangspositie .
110 . Zij kan mij evenwel niet overtuigen .
111 . Om de rechtspositie van de betrokken ondernemingen te raken, is een beslissing van de Lid-Staat vereist te vergelijken met het geval waarin een Lid-Staat wordt gemachtigd een tariefcontingent te openen .
112 . Stellig impliceert de aan de Lid-Staat verleende machtiging in dit laatste geval normalerwijs ( gelijk werd overwogen in bovengenoemd arrest-Alcan ) de erkenning van een loutere bevoegdheid, terwijl er in het onderhavige geval over kan worden geredetwist, of het de Lid-Staten vrijstaat de quota al dan niet toe te wijzen of dat zij daartoe verplicht zijn .
113 . Verzoeksters doen althans dit laatste gelden .
114 . Mijns inziens is dit niet noodzakelijk zo . Ik ga hier akkoord met de mening die de Raad in zijn verweerschrift aanvoert .
115 . Voor zover artikel 4 van verordening nr . 60/85 voorziet in de overdracht naar een communautaire reserve van het gedeelte van het quotum waarvoor geen vergunningen zijn afgegeven, moet immers worden verondersteld dat de Lid-Staten kunnen beslissen om de nationale quota niet volledig uit te putten door de afgifte van vergunningen .
116 . Men kan zeggen, dat het bepaalde in artikel 4 enkel een optimaal beheer van de regeling beoogt, voor gevallen waarin de uitvoercapaciteit van de ondernemingen van de verschillende landen onvoldoende zou blijken te zijn om het totaal van de nationale quota volledig te benutten; deze kwestie is op zich niet aan de vrije beoordeling van de Lid-Staten onderworpen .
117 . Het staat evenwel vast dat genoemd voorschrift geen onderscheid maakt tussen de verschillende mogelijke redenen voor het niet-afgeven van vergunningen; het spreekt enkel over "het gedeelte van het quotum ... waarvoor zij geen vergunningen hebben afgegeven", zonder bepaalde redenen wel en andere niet als legitiem aan te merken .
118 . Voor deze opvatting pleit ook nog de overweging, dat de overdracht van de niet afgegeven vergunningen aan de communautaire reserve elk kwartaal plaatsvindt, zodat de Lid-Staten ( die ingevolge artikel 5 van de verordening gehouden zijn, de exporten over het gehele jaar te spreiden ) het in de hand hebben om, door een doelmatige spreiding over de verschillende periodes, deze consequentie te vermijden .
119 . Overigens kunnen de Lid-Staten krachtens artikel 5, lid 1, derde alinea, binnen ruime grenzen "respectievelijk in 1985 en 1986 nieuwe vergunningen afgeven voor het niet benutte gedeelte van de vergunningen die in 1985 en 1986 werden afgegeven en aan de bevoegde autoriteiten werden teruggezonden ". De door de wetgever gebruikte formulering (" kunnen afgeven ") toont duidelijk aan, dat de Lid-Staten de mogelijkheid hebben, geen nieuwe vergunningen af te geven voor het niet benutte gedeelte .
120 . Gelijk het Hof in het arrest-Alcan heeft gedaan ( 24 ), kan het tegenbewijs voor de juistheid van de zienswijze die ik met de Raad deel worden geleverd door te veronderstellen, dat de bestreden handeling nietig is verklaard . Ter uitvoering van het arrest zou de Raad de nietigverklaarde verordening wijzigen en een nieuwe verdeelsleutel vaststellen, op grond waarvan de Commissie de hoeveelheden zou berekenen die de nationale quota vormen; deze laatste zouden krachtens artikel 5 van verordening nr . 60/85 door de Lid-Staten worden verdeeld .
121 . Onder die omstandigheden is het niet zeker dat de nietigverklaring van de bestreden handeling verzoeksters het gewenste voordeel oplevert en hen in de positie brengt waarop zij recht menen te hebben . Het nagestreefde doel zouden zij enkel kunnen bereiken via de verdeling van de nationale quota door de Lid-Staten en via de afgifte van de dienovereenkomstige uitvoervergunningen .
122 . Gelet op de criteria die huns inziens moeten worden aangewend, zouden zij hierbij kunnen worden benadeeld . Dan rest hun nog slechts de mogelijkheid om de beslissing van de nationale autoriteiten aan te vechten voor de nationale rechter .
123 . Ik geloof evenwel niet dat de omstreden handeling rechtstreekse werking heeft ten opzichte van particulieren . Deze kunnen haar dan ook niet voor het Hof van Justitie betwisten .
124 . Zo men aan de handeling evenmin het karakter van een verordening wil toekennen, kan slechts worden geconcludeerd dat het hier gaat om een tot de Lid-Staten gerichte beschikking, die de belangen van verzoeksters niet rechtstreeks raakt in de zin van artikel 173, tweede alinea .
125 . Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat de beoordelingsvrijheid waarover de Lid-Staten bij de verdeling van de nationale quota beschikken, grenzen heeft : iedere beoordelingsvrijheid is beperkt, hetzij door de toepasselijke algemene beginselen, hetzij door de criteria die de wetgever ad hoc vaststelt . Artikel 5 stelt enkel criteria of parameters vast voor de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid, maar heft deze niet op .
126 . Ter terechtzitting hebben verzoeksters voor het overige ook toegegeven, dat de Lid-Staten over een zekere beoordelingsvrijheid beschikken en daarover ook moeten beschikken, maar dat de Raad deze bevoegdheid onvoldoende zou hebben beperkt door de Lid-Staten geen voldoende objectieve beslissingscriteria te verschaffen .
127 . Evenwel kan niet tegelijkertijd of achtereenvolgens worden gesteld, dat de Lid-Staten zich ertoe beperken de objectieve en limitatieve criteria van artikel 5 toe te passen, en dat deze zelfde criteria niet voldoende objectief en limitatief zijn, zonder dat één van deze beweringen onjuist is .
128 . Indien de gevolgtrekking waartoe ik ben gekomen, inderdaad opgaat voor de periode na de vaststelling van de omstreden verordening, dan wijzigt zich mijns inziens ook niets voor de periode van haar terugwerkende kracht .
129 . De voorlopige vergunningen die de exporterende ondernemingen op grond van de machtiging van de Commissie en binnen de door haar aangegeven percentages tijdens die periode konden gebruiken, werden immers afgegeven door de bevoegde instanties van de Lid-Staten, die uiteraard verplicht waren om de toen reeds van kracht zijnde criteria van artikel 5 van verordening nr . 60/85 toe te passen .
130 . De Commissie beperkte zich ertoe, voorlopig te anticiperen op de percentages waarvan de definitieve vaststelling door de Raad moest geschieden .
131 . Het onderhavige beroep is niet gericht tegen deze voorlopige beschikking van de Commissie, maar tegen verordening nr . 2355/85, die - ook voor het verleden - de beoordelingsvrijheid waarvan de Lid-Staten gebruik hadden gemaakt, niet afschafte, maar hooguit de aanpassing daarvan voorschreef; blijkens mijn opmerkingen omtrent het vereiste van het individueel geraakt zijn, is wellicht zelfs dit laatste niet het geval .
132 . Het lijkt mij dat één zaak vaststaat : het rechtskarakter van de medewerking van de Lid-Staten ( die steeds gebeurde in het kader van verordening nr . 60/85 ) is na de vaststelling van verordening nr . 2355/85 niet veranderd .
IX - 133 . Op grond van het voorgaande concludeer ik, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, en geef ik het Hof in overweging, het verzoek om nietigverklaring van verordening nr . 2355/85 af te wijzen .
134 . Bijgevolg zal ik slechts subsidiair ingaan op de gegrondheid van het beroep .
X - 135 . Verzoeksters voeren twee gronden aan voor hun verzoek .
136 . In de eerste plaats zou verordening nr . 2355/85 inbreuk maken op wezenlijke vormvoorschriften; de vaststelling van de nationale quota in deze verordening zou niet met redenen zijn omkleed en derhalve in strijd zijn met artikel 190 EEG-Verdrag .
137 . In de tweede plaats zouden de algemene beginselen van non-discriminatie, evenredigheid en billijkheid zijn geschonden, hetgeen misbruik van bevoegdheid oplevert .
138 . Mijn standpunt hierover luidt samengevat als volgt .
I - 139 . Met betrekking tot het eerste middel behoef ik niets toe te voegen aan de overwegingen die ik in het eerste deel van mijn conclusie heb uiteengezet, voor de stelling dat de motivering van verordening nr . 60/85 ook geldt voor verordening nr . 2355/85 .
140 . In de overwegingen van eerstgenoemde verordening worden evenwel verschillende elementen genoemd ter motivering van de vastgestelde voorschriften : de "achtergrond" van de met de Verenigde Staten gesloten zelfbeperkingsregeling ( eerste overweging ); de verwijzing naar de praktische aspecten van een verdeling van het totale communautaire quotum over de Lid-Staten, waarbij het communautaire karakter van de beperkingen moet worden gewaarborgd ( derde en vierde overweging ); het hoofdcriterium (" rekening moet worden gehouden met ") voor de vaststelling van de verdeelsleutel, te weten de "traditionele handelsstromen" ( vijfde overweging ).
141 . Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( 25 ) kan voor de motivering van een verordening worden volstaan met een toelichting van "de essentie van de voorschriften", waarin "het geheel der omstandigheden" welke tot haar uitvaardiging hebben geleid en haar "algemene doelstellingen" worden vermeld; het Hof verlangt geen gedetailleerde uiteenzetting van de soms talrijke en ingewikkelde feiten met het oog waarop zij werd uitgevaardigd of van alle onderdelen van de regeling, in het bijzonder alle in aanmerking genomen technische mogelijkheden, "zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen ".
142 . Mijns inziens geldt dit te meer, wanneer het gaat om een beschikking waarvan de Lid-Staten die aan de voorbereiding en de vaststelling ervan hebben meegewerkt, de adressaten zijn .
143 . Motivering door verwijzing naar een vroegere regeling heeft het Hof eveneens uitdrukkelijk aanvaard . ( 26 )
144 . Het argument ontleend aan een eventuele motiveringsplicht in het kader van een quotastelsel op grond van artikel 58 EGKS-Verdrag, gaat niet op, aangezien het daar gaat om produktiequota en een meeromvattende en verderreikende interventieregeling, die een ander stelsel van bevoegdheden van de betrokken communautaire instelling veronderstelt .
XII - 145 . Verzoeksters voeren verder aan, dat door de in verordening nr . 2355/85 voorziene verdeling van de communautaire uitvoerquota het aan de Bondsrepubliek Duitsland toebedeelde percentage is gedaald tot onder het percentage dat haar toekwam . Daardoor zouden verzoeksters zijn benadeeld tegenover concurrenten uit andere landen .
146 . Bij verordening nr . 60/85 werd het communautaire uitvoerquotum voor stalen buizen en pijpen - in overeenstemming met de regeling die door middel van een briefwisseling in januari 1985 met de Verenigde Staten was gesloten - vastgesteld op 7,6 % van het zichtbare verbruik van de Verenigde Staten, en het subquotum voor de uitvoer van OCTG-buizen op 10 % van het zichtbare verbruik van dat land .
147 . Bij de verdeling van dit laatste subquotum in verordening nr . 2355/85 werd aan de Bondsrepubliek Duitsland 43,8 % van het totaal toegewezen .
148 . Volgens verzoeksters zou dit percentage hoger zijn geweest, indien de Raad bij de vaststelling van de desbetreffende verdeelsleutel op basis van de traditionele handelsstromen niet was uitgegaan van de referentieperiode 1979/1983, maar van de periode 1979/81, die in de briefwisseling over stalen buizen en pijpen van 21 oktober 1982 in aanmerking is genomen .
149 . De exporten van de andere Lid-Staten, zo betogen verzoeksters, waren in 1983 namelijk sterk gestegen, terwijl de Duitse producenten binnen de grenzen waren gebleven van het aandeel dat zij in de periode 1979/81 op de Amerikaanse markt voor OCTG-buizen bezaten .
150 . Door deze exporten van de andere producenten steeg het aandeel van de Gemeenschap in het verbruik van OCTG-buizen in de Verenigde Staten tot 20 %, vergeleken met 8,76 % in de periode 1979/81 . Dit leidde tot reacties van de Amerikaanse staalindustrie, waarop het Congres in oktober 1984 de "Trade and Tariff Act" uitvaardigde, waarbij een volledig invoerverbod voor stalen buizen en pijpen uit de Gemeenschap werd afgekondigd .
151 . In de periode 1979/81 bedroeg het aandeel van de Duitse ondernemingen 4,44 % van het verbruik aan OCTG-buizen, overeenkomend met 50,96 % van het totale communautaire quotum .
152 . Verzoeksters zijn van mening dat verordening nr . 2355/85 deze verhouding bij de verdeling van de quota had moeten handhaven op grond van de uit het systeem van het EGKS-Verdrag en de betrokken rechtspraak voortvloeiende beginselen van "bevriezing van de marktaandelen" en de mededingingsneutraliteit .
153 . Gezien de verhoging van het communautaire quotum van 8,76 % tot 10 % van het zichtbare verbruik van OCTG-buizen van de Verenigde Staten, had het quotum van de Duitse ondernemingen bijgevolg moeten zijn verhoogd van 4,44 % tot 5,07 % ( met andere woorden, in beide gevallen 50,59 % van de communautaire exporten ) in plaats van de in verordening nr . 2355/85 vastgestelde 4,38 %.
154 . Daar komt bij, aldus verzoeksters, dat een gedeelte van het nationale Duitse quotum voor OCTG-buizen bestemd was voor de onderneming Hoesch AG, ten einde deze in staat te stellen haar Texaanse dochteronderneming HTP te bevoorraden . Dit aandeel werd vastgesteld op 10 000 ton, die in mindering moesten worden gebracht op het aan de Duitse ondernemingen toegekende quotum van 4,38 %, waardoor dit quotum in feite werd verlaagd tot 3,95 %.
155 . De Raad zou zich overigens niet steeds hebben gehouden aan zijn basiscriterium en min of meer zijn afgeweken van de resultaten waartoe inachtneming van de referentieperiode 1979/83 zou hebben geleid .
156 . Het betoog van verzoeksters kan het beroep mijns inziens niet doen slagen .
157 . Om te beginnen was de Raad volgens mij niet verplicht om voor de berekening van de nationale quota het tijdvak 1979/81 als referentieperiode aan te houden .
158 . Ter rechtvaardiging van het door haar aan de Raad voorgestelde en door deze aanvaarde tijdvak 1979/81 voerde de Commissie aan, dat deze periode lang genoeg was om de traditionele handelsstromen tot uitdrukking te brengen .
159 . Deze periode kon natuurlijk niet in aanmerking worden genomen in 1982, toen de eerste zelfbeperkingsovereenkomst werd gesloten en de briefwisseling over stalen buizen en pijpen plaatsvond .
160 . De inhoud van deze briefwisseling is zo duidelijk, dat ik ervan overtuigd ben dat het hier niet gaat om een regeling met kwantitatieve beperkingen van de uitvoer der betrokken produkten naar de Verenigde Staten, waaruit dienovereenkomstige verplichtingen zouden zijn voortgevloeid voor de ondernemingen . Zij vormde bovendien geen wezenlijk bestanddeel van de staalovereenkomst, aangezien zij niet tegelijk met deze laatste werd gepubliceerd .
161 . Het ging hier veeleer om een document dat de Noordamerikaanse bezorgdheid moest sussen, door de prognoses van de Gemeenschap inzake de marktevolutie kenbaar te maken en een overlegprocedure in te leiden voor het geval de ontwikkeling van de communautaire exporten de handel tussen beide partijen zou verstoren .
162 . De overeenkomst van januari 1985 inzake de uitvoer van stalen buizen en pijpen naar de Verenigde Staten bepaalde niets omtrent een referentieperiode die de Raad bij de verdeling van het quotum over de Lid-Staten in acht moest nemen, zodat de keuze van de periode 1979/83 geen schending van een internationale overeenkomst vormt . In ieder geval hebben verzoeksters niet aangetoond, dat in de overeenkomst werd uitgegaan van de referentieperiode 1979/81 . De Raad heeft verklaard, dat de richtlijnen die hij de Commissie had gegeven voor de onderhandelingen, dienaangaande geen aanwijzingen gaven en dat de met betrekking tot de "subquota" voor de OCTG-buizen verkregen resultaten in overeenstemming waren met de aan die richtlijnen ten grondslag liggende koers .
163 . Het is overigens moeilijk te geloven, dat het volume van de communautaire exporten in de jaren 1972 en 1973 ( en zelfs 1974, in zoverre daarover statistische gegevens beschikbaar waren ) bij de vaststelling van het communautaire quotum van 7,6 % en het OCTG-subquotum van 10 % onbekend was en niet in aanmerking zou zijn genomen, daar juist de omvang van deze exporten onderhandelingen noodzakelijk maakte .
164 . Dit maakt het ook begrijpelijk, dat de Gemeenschap in vergelijking met de periode 1979/81 een verhoging van haar quota op de Amerikaanse markt kreeg toegewezen .
165 . Bij de keuze van de referentieperiode 1979/83 heeft de Raad bijgevolg gebruik gemaakt van de beoordelingsmarge waarover hij in het kader van het "gemeenschappelijk handelsbeleid" beschikt . De verordeningen nrs . 60/85 en 2355/85 werden trouwens vastgesteld krachtens artikel 113 EEG-Verdrag, aangezien het ging om middelen die noodzakelijk waren voor het voeren van een gemeenschappelijk handelsbeleid, meer in het bijzonder het exportbeleid .
166 . Stellig heeft de Raad uit "billijkheidsoverwegingen" correcties aangebracht in de waarden die zouden voortvloeien uit een verdeling van de quota, die enkel was gebaseerd op de traditionele handelsstromen gedurende de periode 1979/83 .
167 . Dit was nauwelijks te vermijden in een sector, waarin het buitengewoon moeilijk is om alle belangen met elkaar te verzoenen; bovendien waren de afwijkingen mijns inziens te klein om te kunnen spreken van schending van een hogere regel van gemeenschapsrecht, zoals het evenredigheidsbeginsel of het discriminatieverbod .
168 . Het staat buiten kijf, dat het aandeel van de Duitse ondernemingen in de communautaire exporten daalde van 50,69 % in de periode 1979/81 tot 43,8 %.
169 . De verlaging bedroeg derhalve 6,9 procentpunten ( 13,6 %) en niet 11,9, zoals verzoeksters in één van de tabellen in het verzoekschrift beweren . Bij de berekening van het Duitse quotum kan immers niet worden geabstraheerd van een subquotum, dat aan één bepaalde onderneming werd voorbehouden . De verordening verwijst daar niet naar, en slechts bij de verdeling van het nationale quotum door de Lid-Staat zou met dit quotum - het resultaat van een politiek vergelijk - rekening kunnen worden gehouden, zodat het enkel voor de nationale rechter zou kunnen worden aangevochten .
170 . In elk geval bedroeg de verlaging van het Duitse aandeel in het zichtbare verbruik van de Verenigde Staten in de jaren 1979/81 niet meer dan 0,06 %, aangezien het daalde van 4,44 % tot 4,38 %.
171 . Met betrekking tot de overige landen tonen de door verzoeksters overgelegde tabellen voor Italië een maximumafwijking aan van 4,2 % ten opzichte van het Italiaanse aandeel in de communautaire exporten in de jaren 1979/81 .
172 . Hoe het oordeel over deze afwijkingen ook moge luiden, mijns inziens zouden zij enkel nietig kunnen worden verklaard indien zij willekeurig waren . In casu is dit echter niet het geval, aangezien zij steunen op een objectieve referentieperiode ( de handelsstromen in de jaren 1979/83 ), die niet willekeurig werd gekozen maar in het kader van de beoordelingsmarge waarover de bevoegde instelling beschikte .
XIII - 173 . Gelet op het voorgaande ben ik van oordeel, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard .
174 . Zo u deze mening niet mocht delen, geef ik u in overweging, het ongegrond te verklaren .
175 . Overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering zullen verzoeksters in de kosten moeten worden verwezen .
( 2 ) PB 1985, L 9, blz . 1 .
( 3 ) PB 1985, L 9, blz . 13 .
( 4 ) PB 1985, L 222, blz . 1 .
( 5 ) Arrest van 14 december 1962, gevoegde zaken 16 en 17/62, Confédération Nationale des Producteurs de Fruits et Légumes, Jurispr . 1962, blz . 941; conclusie van advocaat-generaal Lagrange in bovengenoemde zaken, Jurispr . 1962, blz . 963; conclusie van advocaat-generaal Warner in zaak 113/77, Toyo Bearing Company, Jurispr . 1979, blz . 1243, en in de gevoegde zaken 789 en 790/79, Calpak, Jurispr . 1980, blz . 1970 .
( 6 ) Arresten van 13 maart 1968, zaak 30/67, Imolese, Jurispr . 1968, blz . 163; 11 juli 1968, zaak 6/68, Zuckerfabrik, Jurispr . 1968, blz . 569; 16 april 1970, zaken 63 en 64/69, Compagnie Française Commerciale et Financière, Jurispr . 1970, blz . 205 en blz . 221; 20 november 1979, zaak 162/78, Hans-Otto Wagner, Jurispr . 1979, blz . 3467 .
( 7 ) Arresten van 1 april 1965, zaak 40/64, Sgarlata, Jurispr . 1965, blz . 267; 16 maart 1978, zaak 123/77, UNICME, Jurispr . 1978, blz . 845 .
( 8 ) Arresten van 5 mei 1977, zaak 101/76, Koninklijke Scholten Honig, Jurispr . 1977, blz . 797; 20 november 1979, zaak 162/78, Wagner, l.c .; en van 17 juni 1980, gevoegde zaken 789 en 790/79, Calpak, l.c .
( 9 ) Arresten van 14 december 1962, gevoegde zaken 16 en 17/62, Confédération Nationale des Producteurs de Fruits et Légumes, l.c .; en van 11 juli 1968, zaak 6/68, Zuckerfabrik, l.c .
( 10 ) Arrest van 14 december 1962, gevoegde zaken 16 en 17/62, Confédération Nationale des Producteurs de Fruits et Légumes, l.c .
( 11 ) Arresten van 11 juli 1968, zaak 6/68, Zuckerfabrik, l.c .; 5 mei 1977, zaak 101/76, Koninklijke Scholten Honig, l.c .; 17 juni 1980, gevoegde zaken 789 en 790/79, Calpak, l.c .
( 12 ) Arresten van 16 april 1970, zaken 63 en 64/69, Compagnie Française Commerciale et Financière, Jurispr . 1970, l.c ., r.o . 12; 18 januari 1979, gevoegde zaken 103 tot en met 109/78, Société des Usines de Beauport, Jurispr . 1979, blz . 17; conclusie van advocaat-generaal Warner in de gevoegde zaken 789 en 790/79, Calpak, l.c .
( 13 ) Arrest van 6 oktober 1982, zaak 307/81, Alusuisse, Jurispr . 1982, blz . 3463 .
( 14 ) Arrest van 16 april 1970, zaak 63/69, Compagnie Française Commerciale et Financière, l.c ., r.o . 9 .
( 15 ) Arrest van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr . 1963, blz . 207 .
( 16 ) Arrest van 15 juli 1963, zaak 25/62, l.c .
( 17 ) Arresten van 2 juli 1964, zaak 1/64, Glucoseries Réunies, Jurispr . 1964, blz . 849; van 23 november 1971, zaak 62/70, Bock, Jurispr . 1971, blz . 897; en van 18 november 1975, zaak 100/74, CAM, Jurispr . 1975, blz . 1393 .
( 18 ) Arrest van 17 januari 1985, zaak 11/82, Piraiki-Patraiki, Jurispr . 1985, blz . 297 .
( 19 ) Arresten van 1 juli 1965, gevoegde zaken 106 en 107/63, Toepfer, Jurispr . 1965, blz . 507; 13 mei 1971, gevoegde zaken 41 tot en met 44/70, International Fruit Company, Jurispr . 1971, blz . 411; 23 november 1971, zaak 62/70, Bock, Jurispr . 1971, blz . 897; 18 november 1975, zaak 100/74, CAM, Jurispr . 1975, blz . 1393; 6 maart 1979, zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr . 1979, blz . 777 .
( 20 ) Zie de in noot 11 aangehaalde rechtspraak .
( 21 ) Arresten van 16 april 1970 in de zaken 63 en 64/69, Compagnie Française et Financière, l.c .
( 22 ) Arresten van 1 juli 1965, gevoegde zaken 106 en 107/63, Toepfer, Jurispr . 1965, blz . 507; 10 december 1969, gevoegde zaken 10 en 18/68, Eridania, Jurispr . 1969, blz . 459; 16 juni 1970, zaak 69/69, Alcan, Jurispr . 1970, blz . 385; 13 mei 1971, International Fruit Company, Jurispr . 1971, blz . 845 . Zie ook de baanbrekende conclusies van advocaat-generaal Roemer in zaak 25/62, Plaumann, Jurispr . 1963, blz . 237, en van advocaat-generaal Gand in zaak 38/64, Getreide-Import Gesellschaft, Jurispr . 1965, blz . 426 .
( 23 ) Arrest van 10 december 1969, Eridania, l.c ., r.o . 7 en 8 .
( 24 ) Arrest van 16 juni 1970, Alcan, l.c .
( 25 ) Arresten van 13 maart 1968, zaak 5/67, Beus, Jurispr . 1968, blz . 119; 20 juni 1973, zaak 80/72, Koninklijke Lassiefabrieken, Jurispr . 1973, blz . 635; 30 november 1978, Welding, Jurispr . 1978, blz . 2457; 12 juli 1979, zaak 166/78, Italië, Jurispr . 1979, blz . 2575; 28 oktober 1982, gevoegde zaken 292 en 293/81, Lion en Loiret, Jurispr . 1982, blz . 3887; 22 januari 1986, zaak 250/84, Eridania, Jurispr . 1985 .
( 26 ) Arrest van 1 december 1960, zaak 16/65, Schwarze, Jurispr . 1965, blz . 1152 .
Full & Egal Universal Law Academy