Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De vragen die de Pretore te Lucca heeft voorgelegd in het geschil tussen enerzijds de vennootschap Pardini en anderzijds de Italiaanse minister van Buitenlandse Handel en de Banca toscana, zijn toegespitst op twee thema' s waarvan het principiële belang u bekend is : de wettigheid van maatregelen die terugwerkende kracht hebben, en de betekenis en de draagwijdte van het vertrouwensbeginsel . Hoewel uit de rechtspraak van het Hof op dit punt wel enige richtlijnen zijn te destilleren, vertoont de onderhavige zaak niettemin bijzonderheden die de moeilijkheid ervan accentueren .
I - De bevoegdheid
2 . Alvorens aan de vragen toe te komen, moet ik op een processuele kwestie ingaan . Zoals u weet, heeft de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen aanvankelijk ernstige twijfels geuit over de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek en heeft het Hof het nodig geacht de Italiaanse regering vragen te stellen over bepaalde aspecten van de spoedprocedure van artikel 700 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in het kader waarvan de Pretore zich tot het Hof heeft gewend . Tezelfdertijd zijn de Italiaanse regering en verzoekster in het hoofdgeding om hun standpunt verzocht over de kern van het probleem, namelijk de bevoegdheid van het Hof - wat mij juister lijkt dan te spreken van de ontvankelijkheid van het verzoek - om op grond van artikel 177 EEG-Verdrag vragen van een nationale rechter te beantwoorden, wanneer deze laatste een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis noodzakelijk acht .
3 . Hoewel door het antwoord op de vragen van het Hof duidelijkheid is ontstaan over het processuele stadium waarin de hoofdzaak zich thans bevindt, alsook over het verloop van de spoedprocedure naar Italiaans recht, en hoewel de Commissie ter terechtzitting haar bezwaren in wezen heeft ingetrokken en zich aan het oordeel van het Hof heeft gerefereerd, moet ik zeggen dat mijn eigen twijfels niet geheel zijn weggenomen . De uiteenzetting van de hoofdtrekken van de nationale procedure waarin het Hof is geadieerd, laat nog enige onzekerheid bestaan over de bevoegdheid van het Hof .
4 . Het Hof heeft weliswaar meermaals gelegenheid gehad zich over de uitlegging van artikel 177 zelf te buigen, maar bij mijn weten heeft het zich nog niet beziggehouden met het bijzondere aspect dat thans aan de orde is . De tekst van dat artikel en ontegenzeglijk de geest ervan leiden er als vanzelfsprekend toe, dat vragen van een nationale rechter over de uitlegging en de geldigheid van het gemeenschapsrecht worden beantwoord, wanneer het antwoord de verwijzende rechter, die zelf in het geding moet beslissen, verder kan helpen . In de onderhavige zaak is de verwijzingsbeschikking echter een beschikking houdende voorlopige voorzieningen, die de verwijzende rechter inaudita altera parte op de uitdrukkelijke vordering van de vennootschap Pardini heeft gegeven, die haar vordering terzake baseerde op de noodzaak om de rechter ten principale - dit is niet de Pretore die de voorlopige voorzieningen treft en het is ook niet zeker dat een geding ten principale aanhangig wordt gemaakt - de gemeenschapsrechtelijke gegevens te verschaffen die zij voor de oplossing van het geschil noodzakelijk acht . Deze ongebruikelijke omstandigheid noopt mij om enkele algemene beschouwingen te wijden aan de toelaatbaarheid van een prejudicieel verzoek als het onderhavige .
5 . Een opmerking vooraf : de onderhavige verwijzingsbeschikking schijnt in strijd te zijn met het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, daar de Pretore een datum had moeten vaststellen voor een comparitie van partijen ten einde de eenzijdig getroffen spoedmaatregel op tegenspraak te bevestigen, te wijzigen of in te trekken . De Italiaanse Corte di Cassazione blijkt echter van oordeel te zijn, dat een dergelijke onregelmatigheid de beschikking niet aantast en dat de Pretore steeds het recht behoudt om partijen op te roepen zolang het geding ten principale nog niet aanhangig is .
6 . Maar de onregelmatigheid van de nationale procedure werkt niet door voor het Hof . In het arrest Reina ( 1 ) heeft het Hof beslist, dat het hem niet vrijstaat om na te gaan of de verwijzingsbeschikking voldoet aan de nationale regels betreffende de rechterlijke organisatie en de procesgang .
7 . Belangrijker is het volgende : de enige rechter die bevoegd is zich tot het Hof te wenden, is noodzakelijkerwijs de rechter die het geschil moet beslechten . Dit volgt in de eerste plaats uit de tekst van artikel 177 . Met betrekking tot rechterlijke instanties waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep wordt uitdrukkelijk bepaald, dat een dergelijke instantie zich voor het wijzen van haar vonnis tot het Hof kan wenden voor een prejudiciële beslissing . Dit is een uitvloeisel van de grote autonomie die aan de verwijzende rechter is toegekend . Afgezien van de beslissing over de opportuniteit van het verzoek, de keuze van het tijdstip, de relevantie en de formulering van de vraag, waartoe enkel de verwijzende rechter bevoegd is, bestaat deze autonomie niet alleen ten opzichte van partijen in het hoofdgeding maar ook ten opzichte van de hogere rechters . Dit komt in geen enkel arrest zo duidelijk naar voren als in het arrest Rheinmoehlen ( 2 ) waarin het Hof, na te hebben opgemerkt dat de nationale rechterlijke instanties bedoeld in artikel 177, tweede alinea,
" de meest uitgebreide bevoegdheid bezitten zich tot het Hof van Justitie te wenden, indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen opwerpt welke een uitlegging of een beoordeling van de geldigheid van bepalingen van gemeenschapsrecht verlangen en ter zake waarvan zij een beslissing moeten nemen",
verklaart
" dat uit deze beschouwingen volgt, dat een nationale rechtsregel welke de niet in hoogste ressort rechtsprekende instanties bindt aan rechtsoordelen van de hoogste rechter, die instanties niet de bevoegdheid vermag te ontnemen aan het Hof van Justitie vragen te stellen inzake de uitlegging van het gemeenschapsrecht waarop zodanig rechtsoordeel betrekking heeft" .
Met andere woorden een nationale rechterlijke instantie kan niet door een beslissing van een hogere rechterlijke instantie waarin haar verwijzingsbeschikking wordt vernietigd of gecasseerd, van het recht worden beroofd om zich tot het Hof te wenden .
8 . De autonomie van de nationale rechterlijke instanties heeft als tegenhanger, dat geen van hen een antwoord kan worden opgedrongen op een prejudiciële vraag die zij niet zelf hebben geformuleerd .
9 . Niemand betwist, dat de prejudiciële procedure verlangt dat met het arrest van het Hof rekening wordt gehouden, in de eerste plaats door de verwijzende rechter zelf . Dit idee bracht het Hof er bijvoorbeeld in de zaak Irish Creamery ( 3 ) toe, om naar aanleiding van een argument waarmee de ontvankelijkheid van een prejudicieel verzoek werd betwist op grond dat het te vroeg zou zijn gedaan, te verklaren dat, aangezien de verwijzende rechter "uitspraak zal moeten doen" het aan hem is om te beslissen wat het passende moment is waarop en het stadium van de procedure waarin het Hof moet worden ingeschakeld . Uitgaande van dezelfde gedachten heeft het Hof in de arresten Damiani ( 4 ) en Moser ( 5 ) gesteld, dat het daarom aan de nationale rechter is om te beoordelen of de opgeworpen rechtsvragen relevant zijn en of een prejudiciële uitspraak noodzakelijk is "om vonnis te kunnen wijzen ". ( 6 ) Het Hof heeft deze lijn nog onlangs herhaald in het arrest Pretore te Salo ( 7 ), waarin het Hof evenals overigens in de beschikking van 5 maart 1986 in de zaak Woensche ( 8 ) spreekt van "de nationale rechter tot wie ( het prejudiciële ) arrest is gericht ".
10 . Alles wijst er dus op, dat enkel de rechter die aansluitend aan de prejudiciële beslissing van het Hof vonnis moet wijzen, zich op grond van artikel 177 tot het Hof kan wenden . Hoofdpersonen in deze rechterlijke dialoog zijn een nationale rechterlijke instantie bij wie een conreet geding aanhangig is, en het Hof van Justitie aan wie in verband met dit geding wordt verzocht de voor de oplossing hiervan nodige gemeenschapsrechtelijke elementen te verschaffen, ook al kan de prejudiciële beslissing door het gezag van de arresten repercussies hebben buiten de zaak waarin zij is gegeven .
11 . Het gezag van prejudiciële arresten brengt weliswaar mee, dat rechters in hoger beroep en cassatie gebonden zijn aan de prejudiciële beslissingen die op verzoek van de rechter in eerste aanleg zijn gegeven, maar in een dergelijk geval zal de verwijzende rechter zijn vonnis hebben gewezen in aansluiting op en overeenkomstig het arrest van het Hof, waarmee de hogere rechters via de beroepswegen van het nationale recht te maken krijgen . In dit perspectief rijst de vraag naar het gezag van prejudiciële arresten, maar op een geheel andere wijze dan in het onderhavige geval . De nationale rechterlijke instanties kunnen zich overigens volgens de rechtspraak van het Hof opnieuw tot het Hof wenden . Toch heeft het Hof met betrekking tot de vraag hoever het gezag van een prejudicieel arrest reikt, nooit expliciet duidelijk gemaakt wat de positie is van nationale rechterlijke instanties bij wie een zaak aanhangig is die in eerste instantie aanleiding heeft gegeven tot een dergelijk arrest . In deze is niet zonder belang, dat het Hof in het dictum van prejudiciële arresten, in tegenstelling tot dat van arresten in contentieuze zaken waarin het de formule gebruikt "het Hof, rechtdoende ( verstaat )", de formule hanteert "het Hof verklaart voor recht", waarin een objectieve conceptie van de prejudiciële uitlegging tot uiting komt . Dit idee wordt bevestigd in het arrest Benedetti ( 9 ), waarin valt te lezen,
" dat in een prejudicieel arrest een rechtsvraag wordt uitgewezen ..." .
Dezelfde opvatting komt naar voren in het arrest Denkavit italiana ( 10 ):
" De uitlegging die het Hof van Justitie krachtens de hem bij artikel 177 verleende bevoegdheid geeft van een voorschrift van gemeenschapsrecht, verklaart en preciseert, wanneer daaraan behoefte bestaat, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast ."
12 . En in de beschikking in de reeds genoemde zaak Woensche verklaart het Hof ondubbelzinnig,
" dat in een prejudicieel arrest van het Hof over de uitlegging of de geldigheid van een handeling van een instelling van de Gemeenschap met kracht van gewijsde wordt beslist op een of meer vragen van gemeenschapsrecht ..." .
Volgens de heersende leer is in de eerste plaats de verwijzende rechter en verder elke andere nationale rechterlijke instantie die wordt geconfronteerd met het in het prejudiciële arrest besliste probleem, aan dit arrest gebonden, met behoud evenwel van de bevoegdheid om zich opnieuw tot het Hof te wenden, een bevoegdheid die het Hof steeds heeft erkend en waarvan het de voorwaarden voor de uitoefening nader heeft aangegeven in het arrest International Chemical Corporation ( 11 ) en in de beschikking in de zaak Woensche . Voorts heeft het Hof al in het arrest Da Costa ( 12 ) erkend, dat het gezag van de gegeven uitlegging de rechterlijke instanties bedoeld in artikel 177, derde alinea, kan ontheffen van de verplichting om zich tot het Hof te wenden . In het arrest Cilfit ( 13 ) is deze opvatting bevestigd en verfijnd .
13 . Rest de kwestie van de motivering van de verwijzingsbeschikking . In het arrest Foglia/Novello ( 14 ) heeft het Hof naar het lijkt voor het eerst verklaard, dat het :
" ten einde het Hof in staat te stellen zijn taak overeenkomstig het Verdrag te vervullen, ... onontbeerlijk is dat de nationale rechterlijke instanties uiteenzetten waarom - wanneer zulks niet ondubbelzinnig uit de stukken blijkt - zij van mening zijn dat een antwoord op hun vragen noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil" .
Deze motiveringsplicht, die is geformuleerd in een zeer ongewone zaak, werd opnieuw genoemd in het arrest Holdijk ( 15 ) met de aantekening, dat de motivering niet alleen nodig is om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen der Lid-Staten en de andere belanghebbenden bedoeld in artikel 20 van 's Hofs Statuut in staat te stellen om op zinvolle wijze opmerkingen te maken . Dezelfde motiveringsplicht wordt ten slotte vermeld in de arresten Haug-Adrion ( 16 ) en Bertini ( 17 ).
14 . Maar behalve in de zaak Foglia/Novello heeft het Hof zich nooit onbevoegd verklaard, wanneer de verwijzingsbeschikking geen motivering bevatte, en zelfs in de zaak Foglia berustte de onbevoegdverklaring op andere redenen dan het ontbreken van motivering . In de zaak Bertini betreurde het Hof weliswaar dit gebrek aan motivering, doch in de omstandigheden van het geval achtte het Hof het in strijd met de proceseconomie om uitsluitend om die reden niet te antwoorden . In de zaak Haug-Adrion kon het Hof door onderzoek van het dossier vaststellen wat het doel van de prejudiciële vraag was, hoewel de vraag zelf zeer algemeen en vaag was geformuleerd . De motivering is ongetwijfeld belangrijk; dit blijkt bij voorbeeld uit het arrest Tissier ( 18 ), waarin het Hof de prejudiciële vragen vooral uit de motivering van het verwijzingsvonnis heeft kunnen destilleren .
15 . De verwijzingsbeschikking van de Pretore te Lucca bevat geen enkele motivering en men zou zelfs geneigd kunnen zijn te denken dat hij tot verwijzing heeft besloten om de reden die door verzoekster in het hoofdgeding wordt aangevoerd, te weten de rechter ten principale in staat te stellen om te beslissen in het geding dat eventueel bij hem aanhangig zal worden gemaakt . Als dit inderdaad de enige reden was, zou ik het Hof zonder aarzeling voorstellen om zich onbevoegd te verklaren . Maar twijfel op dit punt is mogelijk . Bovendien blijft het geding blijkens de uiteenzettingen van de Italiaanse regering en van verzoekster in het hoofdgeding bij de verwijzende rechter aanhangig, zolang de zaak nog niet aan de rechter ten principale is voorgelegd, en kan hij de gegeven maatregelen nog op tegenspraak bevestigen, wijzigen of intrekken in het licht van de antwoorden van het Hof . Hoe weinig waarschijnlijk dit ook is, is deze - en alleen deze - eventualiteit voor mij toch aanleiding om het Hof voor te stellen, zich bevoegd te verklaren . Het lijkt mij echter van wezenlijk belang, dat het Hof bij die gelegenheid duidelijk verklaart, dat een rechter het Hof niet langs prejudiciële weg vragen kan stellen ten behoeve van een andere rechter .
II - Ten gronde
16 . Ik kom thans tot de zaak zelf . Deze zaak stelt ingewikkelde problemen aan de orde met betrekking tot de toepassing in de tijd van agromonetaire bepalingen . De vragen die het Hof aan de Commissie en de Italiaanse regering heeft gesteld, getuigen hiervan . Maar de bijzonderheden van het geval nog daargelaten, wordt het Hof met deze prejudiciële vragen verzocht om zich uit te spreken over beginselen van fundamentele betekenis .
A - De terugwerkende kracht
17 . Het vraagstuk van de terugwerkende kracht vormt de kern van de eerste twee vragen van de verwijzende rechter en rijst in verband met de uitlegging van artikel 7, lid 1, van verordening nr . 1160/82 van de Commissie van 14 mei 1982 tot invoering van de vaststelling vooraf van monetaire compenserende bedragen . ( 19 ) Deze bepaling luidt :
" Vooraf vastgestelde monetaire compenserende bedragen worden aangepast, indien een nieuwe representatieve koers van kracht wordt, waartoe reeds was besloten vóór het indienen van de aanvraag om vaststelling vooraf ."
Ik wijs erop, dat deze formulering praktisch identiek is aan die van artikel 7 van verordening nr . 243/78 van de Commissie, waarbij de vaststelling vooraf van monetair compenserende bedragen werd ingevoerd . ( 20 )
18 . Om uitlegging van dit artikel wordt verzocht, omdat de Raad bij verordening nr . 1223/83 van 20 mei 1983 inzake de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen ( 21 ) een nieuwe groene koers voor de Italiaanse Lire heeft vastgesteld en omdat de Commissie op diezelfde dag twee uitvoeringsverordeningen heeft vastgesteld, de nrs . 1244/83 ( 22 ) en 1245/83 ( 23 ) die in casu tweëerlei gevolgen hadden :
- in de eerste plaats werden de monetair compenserende bedragen, met inbegrip van de vooraf vastgestelde, afgeschaft voor de periode van 17 tot en met 23 mei 1983, en
- in de tweede plaats werd het in artikel 4, lid 1, laatste alinea, van verordening nr . 1134/68 van de Raad van 30 juli 1968 ( 24 ) aan alle betrokkenen toegekende recht om onder bepaalde omstandigheden annulering van de vaststelling vooraf en van het ten blijke daarvan opgestelde certificaat of stuk te verkrijgen, in de tijd beperkt . Over dit aspect gaat de vierde vraag en ik zal dit later behandelen .
19 . Verordening nr . 1223/83 is bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1983 en overeenkomstig artikel 8 daarvan op 23 mei 1983 in werking getreden . Op 20 mei 1983 heeft de Commissie echter bij de twee genoemde verordeningen, die zijn bekendgemaakt in het Publikatieblad van 23 mei 1983 en op dezelfde datum in werking zijn getreden, de monetair compenserende bedragen voor Italië met ingang van 17 mei 1983 afgeschaft, terwijl bijlage VII bij verordening nr . 1223/83 bepaalt, dat de nieuwe representatieve koers van de Italiaanse Lire, die de aanleiding vormde voor deze afschaffing, pas vanaf 23 mei gold . De vraag is met andere woorden, met ingang van welke datum de aanpassing van de vooraf vastgestelde monetair compenserende bedragen moest plaatsvinden .
20 . Op dit punt lopen de meningen van enerzijds de Commissie en anderzijds de Italiaanse regering en Pardini het sterkst uiteen . Volgens de Commissie vindt de aanpassing van vooraf vastgestelde monetair compenserende bedragen plaats op de dag waarop de Raad besluit de representatieve koersen te wijzigen . De verordening van de Raad zou dus vóór haar formele vaststelling, vóór haar bekendmaking in het Publikatieblad en vóór haar inwerkingtreding reeds effect sorteren, in casu door mededeling van de inhoud daarvan aan de pers . Volgens Pardini en de Italiaanse regering daarentegen moeten de vooraf vastgestelde monetair compenserende bedragen pas worden aangepast op de dag waarop de verordening over de wijziging van de representatieve koersen van kracht wordt .
21 . Wij moeten dus kijken naar vier data :
- 17 mei, de datum waarop de Raad zijn materiële beslissing heeft genomen en aan de pers heeft meegedeeld ( hoewel het voorbehoud van Italië nog niet was ingetrokken );
- 20 mei, de datum waarop de Raad de verordening vaststelde;
- 21 mei, de datum waarop zij in het Publikatieblad bekend werd gemaakt,
- en ten slotte 23 mei, de datum waarop zij in werking is getreden .
De eerste twee vragen hebben betrekking op de data 17, 20 en 21 mei . Maar de principiële vraag is, of verordening nr . 1223/83 van de Raad vóór 23 mei, de dag waarop zij in werking trad, effect kon sorteren .
22 . De algemene regel is :
"Verordeningen worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Gemeenschap . Zij treden in werking op de in de verordening bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking ."
In het arrest Neumann ( 25 ) overwoog het Hof, dat :
" de grote vrijheid welke ... aan de auteurs van een verordening wordt ingeruimd, niet geacht kan worden aan iedere rechtscontrole te zijn onttrokken, met name niet voor zoveel aan de inwerkingtreding der verordening terugwerkende kracht zou blijken toe te komen" .
23 . Ik voel veel voor de meest klassieke orthodoxe opvatting, dat een verordening vóór haar inwerkingtreding geen enkel rechtsgevolg kan hebben . De rechtszekerheid verlangt dit en non-retroactiviteit lijkt mij een fundamenteel beginsel . Maar op economisch terrein kennen rechtsbeginselen uitzonderingen en de rechtspraak van het Hof erkent deze mogelijkheid . Alvorens echter na te gaan, of er goede gronden zijn waarop een verordening van de Raad tot wijziging van de representatieve koersen van de groene valuta als rechtsgrondslag kan dienen voor een verordening van de Commissie, die in een geval als het onderhavige de vooraf vastgestelde monetair compenserende bedragen met terugwerkende kracht wijzigt, dienen wij te weten hoe de situatie precies ligt, afgaande op een letterlijke en redelijke lezing van de teksten .
24 . Mijns inziens vindt aanpassing van de vooraf vastgestelde monetair compenserende bedragen ingevolge artikel 7, lid 1, van verordening nr . 1160/82 pas plaats, nadat de nieuwe representatieve koersen van kracht zijn geworden . In casu wil dit zeggen, dat overeenkomstig artikel 8 en bijlage VII van verordening nr . 1223/83, die dit met zoveel woorden bepalen, de nieuwe representatieve koers met ingang van 23 mei 1983 geldt . Deze teksten zijn weliswaar betrekkelijk duidelijk, maar de betekenis ervan is niettemin voor verschillende uitlegging vatbaar .
25 . Voor haar stelling dat de toepassing met terugwerkende kracht van nieuwe coëfficiënten voor de compenserende bedragen wettig is, voert de Commissie een tekstueel argument aan in combinatie met overwegingen van systematische aard . Volgens haar kan de aanpassing van de vooraf vastgestelde compenserende bedragen plaatsvinden vanaf de datum waarop de Raad de materiële beslissing heeft genomen om de representatieve koersen te wijzigen, en wel in de eerste plaats omdat het woord "besloten" in artikel 7, lid 1, van verordening nr . 1160/82 enkel terug kan slaan op het moment waarop de Raad de beslissing neemt . Voor deze opvatting zou pleiten, dat de marktdeelnemers, vanaf het moment waarop tot wijziging van de representatieve koersen is besloten, niet meer kunnen beweren dat zij niet wisten dat er een verlaging van de monetair compenserende bedragen in de lucht hing .
26 . Was er op 17 mei 1983 een "besluit" van de Raad? Dit valt ernstig te betwijfelen . Het Italiaanse voorbehoud is pas drie dagen later ingetrokken en 20 mei is de datum waarop de verordening volgens de in het Publikatieblad bekendgemaakte tekst is aangenomen . Met nadruk moet erop worden gewezen, dat er, zolang de verordening niet officieel is vastgesteld, hooguit sprake kan zijn van een "voorbeslissing ". De vraag is dus niet, of het besluit op 17 mei is genomen, maar veeleer of de aankondiging van de op handen zijnde vaststelling van nieuwe representatieve koersen een wijziging van de vooraf vastgestelde compenserende bedragen kan rechtvaardigen vanaf die datum, dus nog voordat het besluit formeel is genomen .
27 . De tekst pleit niet voor een dergelijke uitlegging en wij zullen daarom aandacht moeten besteden aan de stelling van de Commissie, dat de marktdeelnemers na verschijning van het persbericht er niet meer op konden vertrouwen, dat de ten tijde van de vaststelling vooraf geldende koers inderdaad voor hen zou worden toegepast . Uiteraard ben ik bekend met verordening nr . 3152/85 van de Commissie van 11 november 1985 ( 26 ), die voor het Hof is geciteerd en volgens welke het besluit over de wijziging van de landbouwomrekenkoers bekend wordt verondersteld vanaf het moment van zijn publieke bekendmaking . Maar genoemde verordening betreft enkel het recht op annulering van bepaalde documenten en is hoe dan ook van latere datum dan die waarvan in casu uitlegging wordt verzocht . Zij is hier dus niet relevant . Wil men er niettemin iets uit afleiden, dan wordt het mijns inziens een conclusie die ingaat tegen het standpunt dat de Commissie verdedigt . Men zou immers kunnen stellen, dat de omstandigheid dat de Commissie heeft menen te moeten preciseren dat de wijziging bekend kan worden verondersteld vanaf "de publikatie van een persmededeling van de instantie die voor de wijziging van de betrokken landbouwomrekenkoers bevoegd is" ( 27 ), erop wijst dat deze vraag voordien niet was geregeld .
28 . De situatie is dus zo, dat uit de teksten lijkt te volgen, in de eerste plaats, dat het besluit over de wijziging van de representatieve koersen van de groene valuta moet zijn genomen vóór de indiening van het verzoek om vaststelling vooraf en, in de tweede plaats, dat de aanpassing van de vooraf vastgestelde monetair compenserende bedragen pas kan gebeuren nadat de nieuwe koersen van kracht zijn geworden . In het onderhavige geval stelt de Commissie, dat de aankondiging van een op handen zijnd besluit gelijk staat met het nemen van het besluit zelf en dat bijgevolg de aanpassing van de vooraf vastgestelde compenserende bedragen, wat gebeurt na het van kracht worden van nieuwe koersen, terug kan werken tot de dag van genoemde aankondiging .
29 . Gelet op de toepasselijke bepalingen kan ik het standpunt van de Commissie niet delen . Vóór de formele vaststelling is er juridisch geen enkel besluit en er kunnen geen monetair compenserende bedragen worden aangepast voordat de wijziging van de representatieve koersen van kracht is geworden .
30 . Als dit het antwoord is dat op grond van de betrokken bepalingen moet worden gegeven, kan er dan niettemin nog een geldige reden, een "beslissend algemeen belang", om de formulering van het arrest CNTA ( 28 ) te hanteren, zijn voor een andere uitlegging? Laat ik meteen opmerken, dat een uitleg waardoor terugwerkende kracht kan worden toegekend aan bepalingen van een verordening, enkel geboden is indien hiervoor zeer zwaarwegende argumenten bestaan en dwingende eisen van in casu economische aard .
31 . Volgens de rechtspraak van het Hof sluit het gemeenschapsrecht niet elke mogelijkheid van regelingen met terugwerkende kracht uit . ( 29 ) Maar het Hof heeft daarbij beklemtoond, dat aan een bepaling van een verordening enkel "bij wijze van uitzondering" terugwerkende kracht kan worden toegekend, "indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen ". ( 30 ) Wettigen de omstandigheden van de zaak Pardini de terugwerkende kracht en, zo ja, tot welke datum?
32 . Hoewel geen van de overwegingen van de verordening hierop zinspeelt, verklaart de Commissie, dat zij speculatie heeft willen vookomen . Ik merk in dit verband op, dat in verordening nr . 243/78 van de Commissie reeds maatregelen zijn getroffen tegen "het gevaar dat van de vaststelling vooraf ... inzonderheid van de monetaire compenserende bedragen ... misbruik wordt gemaakt voor speculatieve doeleinden" ( derde overweging ). Deze maatregelen zijn : de gelijktijdige vaststelling vooraf van de monetair compenserende bedragen en de heffingen of restituties; een gelijke geldigheidsduur van maximaal zes maanden voor de vaststelling vooraf van monetair compenserende bedragen en voor heffingen of restituties; de beperking van de geldigheid van het certificaat houdende vaststelling vooraf van monetair compenserende bedragen tot het grondgebied van de door de belanghebbende aangegeven Lid-Staat van invoer of van uitvoer . In deze zaak heeft de Commissie er in haar betoog voortdurend de nadruk op gelegd, dat rekening is gehouden met het gewettigd vertrouwen . Omdat degenen die op 17 mei 1983 verzoeken hadden ingediend voor invoercertificaten met vaststelling vooraf op die datum, konden voorzien dat een verlaging van de monetair compenserende bedragen op handen was, konden zij volgens de Commissie niet met een beroep op het gewettigd vertrouwen handhaving van de vooraf vastgestelde bedragen verlangen .
33 . Maar omdat er juridisch gezien van een besluit geen sprake was vóór 20 mei 1983, de datum waarop Italië zijn voorbehoud introk en die in de verordening zelf voorkomt, kan de intrekking van de vooraf vastgestelde compenserende bedragen mijns inziens, gelet op artikel 7, lid 1, van verordening nr . 1160/82, hooguit terugwerken tot de datum van de bekendmaking van de verordening, dat wil zeggen tot 21 mei 1983 . Dit zou zo zijn, indien zou moeten worden aangenomen dat dit voor het met de verordening te bereiken doel noodzakelijk was en dat de marktdeelnemers zelfs voordat de nieuwe representatieve koersen van kracht werden, er niet meer op mochten vertrouwen dat de vooraf vastgestelde bedragen op hun transacties zouden worden toegepast .
34 . Voor deze stelling moeten wij het beginsel van het gewettigd vertrouwen nader bezien, of preciezer de vraag, vanaf welk moment een marktdeelnemer daarop geen beroep meer kan doen . De bescherming van het gewettigd vertrouwen als rechtsbeginsel is vooral in het Duitse recht sterk ontwikkeld; deze Vertrauensschutz houdt in, "dat bepaalde verwachtingen die een rechtssubject door een bepaalde gedraging bij een ander rechtssubject of bij de rechtsgemeenschap in haar geheel heeft gewekt, rechtsgevolgen hebben ". ( 31 ) Het vertrouwensbeginsel, waarop dikwijls en in uiteenlopende casusposities een beroep wordt gedaan, duikt al in 1965 in de rechtspraak van het Hof op . ( 32 ) In het arrest Toepfer ( 33 ) heeft het Hof beslist, dat dit beginsel deel uitmaakt van de communautaire rechtsorde, "zodat miskenning ervan 'schending van het Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan' is in de zin van artikel 173 ".
35 . In casu stelt de Commissie, dat de marktdeelnemers vanaf het moment dat aan de pers was meegedeeld dat de omrekeningskoersen van de groene valuta zouden worden gewijzigd, geen beroep meer konden doen op het vertrouwensbeginsel ten einde de handhaving van de monetair compenserende bedragen te bewerkstelligen die vóór het van kracht worden van de nieuwe representatieve koersen, maar na deze mededeling waren vastgesteld . Als men deze redenering tot het uiterste doorvoert, zou men dan niet zo ver moeten gaan te zeggen, dat men met de algehele afschaffing van de monetair compenserende bedragen in het vooruitzicht en bijgevolg bij het continue streven om het verschil tussen de groene valuta en de reële valuta te verkleinen, altijd moet rekenen met een wijziging van de representatieve koersen die tot een verlaging van die bedragen leidt? Zou men, in dezelfde lijn doorredenerend, bij voorbeeld niet ook kunnen zeggen, dat de marktdeelnemers geen enkel gewettigd vertrouwen meer kunnen hebben vanaf het moment dat het voorstel van de Commissie in het Publikatieblad bekend is gemaakt, in dit geval dus vanaf 7 februari 1983? ( 34 ) De Commissie zegt zelf, dat de besluiten tot wijziging van de representatieve koers van de groene valuta maandenlang verwacht worden, dat te voorzien is in welke algemene richting ze gaan en dat haar voorstellen terzake in wijde kring bekend zijn . Volgens haar is het echter pas vanaf het moment waarop binnen de Raad een akkoord is bereikt, ook al is het nog onvolledig en nog niet geformaliseerd, en dit aan de pers is medegedeeld, dat de marktdeelnemers die op die dag een vaststelling vooraf hebben verkregen, geen beroep meer kunnen doen op een gewettigd vertrouwen in de handhaving van bedragen tegen de vooraf vastgestelde koersen .
36 . De Commissie meent dus, dat een perscommuniqué het gewettigd vertrouwen teniet doet . Zij lijkt hiermee te willen suggereren, dat terugwerkende kracht regel kan zijn wanneer het bolwerk van het gewettigd vertrouwen niet meer overeind staat . In deze opvatting wordt het beginsel van gewettigd vertrouwen en dat van de non-retroactiviteit op gelijke voet gesteld . Zij moet beslist van de hand worden gewezen . Non-retroactiviteit is de regel, terugwerkende kracht de uitzondering, die nooit het gewettigd vertrouwen mag aantasten, laat staan een verworven recht .
37 . Ik ben namelijk eigenlijk van mening, dat het bij vooraf vastgestelde bedragen de voorkeur verdient te spreken van verkregen rechten in plaats van van gewettigd vertrouwen .
38 . Weliswaar volgt uit de rechtspraak van het Hof, dat er geen enkel recht op compenserende bedragen bestaat voordat de handeling waarvoor zij zijn voorzien, daadwerkelijk is verricht ( 35 ), doch dit schijnt niet te gelden bij de vaststelling vooraf . Deze is juist ingevoerd om de marktdeelnemers de mogelijkheid te bieden zich tegen monetaire risico' s in te dekken . In de derde overweging van verordening nr . 243/78 houdende invoering van de vaststelling vooraf van de monetair compenserende bedragen staat, dat "de vaststelling vooraf uit economisch oogpunt ten doel heeft aan de handelsondernemingen de nodige zekerheid te geven ". Uit het arrest CNTA ( 36 ) valt impliciet af te leiden, dat een vaststelling vooraf de betrokkenen een recht verleent dat als verworven recht moet worden aangemerkt . In dit verband kan ook het arrest Merkur ( 37 ) worden genoemd, waarin het Hof heeft erkend dat het stelsel van vaststelling vooraf van compenserende bedragen "toetreding" ( Verenigd Koninkrijk ) aan verzoekster, die houdster was van een uitvoercertificaat met vooraf vastgestelde compenserende bedragen, recht gaf op die bedragen .
39 . Meer in het algemeen verklaarde het Hof in het arrest Groupement d' intérêt économique "Union Malt" ( 38 ), dat "de houder van een exportcertificaat met voorfixatie van de restitutie ... een verkregen recht heeft om bij uitvoer de voorgefixeerde restituties te ontvangen ...". De logica brengt mee, dat dit beginsel geldt voor alle gevallen van vaststelling vooraf .
40 . Wat ook de economische factoren mogen zijn die een regeling met terugwerkende kracht rechtvaardigen, de rechtszekerheid mag niet teloorgaan . Zoals advocaat-generaal Warner opmerkte, mag de terugwerkende kracht niet worden gebruikt "om het leven voor de executieve gemakkelijker te maken ". ( 39 ) Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de Commissie toegegeven, dat de Commissie om zuiver administratieve redenen bij compenserende bedragen voor de retroatieve methode heeft gekozen . Het zou rechtens juister zijn geweest om de nationale instanties die het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitvoeren, te gelasten om de afgifte van invoercertificaten met vaststelling vooraf te schorsen, een oplossing waarvan de Commissie ter terechtzitting heeft erkend dat de voorschriften deze zonder meer toelaten . Het wekt bevreemding, dat de Commissie vaststellingen vooraf heeft toegestaan, terwijl zij van plan was de monetair compenserende bedragen met terugwerkende kracht aan te passen, hetgeen - naar ons ter zitting is meegedeeld - haar vaste praktijk is . De vaststelling vooraf mag niet geheel worden uitgehold . Terwijl ze is gedacht ter bescherming van de marktdeelnemers tegen de monetaire instabiliteit, wordt zij, als men de redenering van de Commissie volgt, een tweesnijdend juridisch zwaard : want ofwel moet de voorgenomen transactie onder ongunstigere omstandigheden worden uitgevoerd of zelfs met verlies, ofwel wordt de waarborg die is gesteld tot zekerheid van de uitvoering onder de vooraf vastgestelde voorwaarden, verbeurd . Met een dergelijk alternatief kan men geen genoegen nemen .
41 . Hoewel "de aard van het stelsel" en "de eisen van het mechanisme", waarvan het Hof spreekt in een andere, echter ook op monetair compenserende bedragen betrekking hebbende context ( 40 ), bij uitzondering en onder de dubbele voorwaarde dat dit voor het te bereiken doel vereist is en dat op passende wijze rekening is gehouden met het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen ( 41 ), kunnen rechtvaardigen dat een gemeenschapshandeling in werking treedt op een datum vóór haar bekendmaking, toch neemt dit niet weg, dat, gelijk het Hof onder meer in de arresten Racke en Decker heeft overwogen,
" het beginsel van de rechtszekerheid zich in het algemeen ertegen verzet dat een gemeenschapsbesluit reeds vóór afkondiging van kracht is", ( 42 )
en dat
" het een fundamenteel beginsel van de communautaire rechtsorde is, dat een overheidsbesluit niet aan de justitiabelen kan worden tegengeworpen voordat dezen ervan kennis hebben kunnen nemen ." ( 43 )
42 . Mijns inziens moet artikel 7, lid 1, van verordening nr . 1160/82 in die zin worden verstaan, dat enkel de monetair compenserende bedragen waarvan de vaststelling vooraf heeft plaatsgevonden na de daadwerkelijke bekendmaking van de nieuwe representatieve koersen, mogen worden aangepast en dat deze aanpassing plaatsvindt na de inwerkingtreding van die nieuwe koersen en voor transacties die na die datum hebben plaatsgevonden . Dit betekent, dat de afschaffing van de monetair compenserende bedragen bij de verordeningen van de Commissie die sinds 23 mei van kracht zijn, enkel bedragen kon gelden waarvan prefixatie tussen 21 en 23 mei had plaatsgevonden . Dit antwoord en het daaraanvoorafgaande betoog brengt mij ertoe, de eerste vraag van de Pretore te Lucca bevestigend te beantwoorden, hetgeen een antwoord op de tweede vraag overbodig maakt .
B - De annulering
43 . De problematiek van de terugwerkende kracht wordt nog groter, wanneer men bij de laatste twee vragen van de verwijzende rechter komt, die in wezen gaan over het recht op annulering van de invoercertificaten met prefixatie .
44 . In essentie wil de Pretore een uitlegging van een aantal bepalingen uit verschillende verordeningen van de Raad en de Commissie om te kunnen uitmaken, of het een houder van een invoercertificaat waarin zowel de heffingen als de compenserende bedragen vooraf zijn vastgesteld, geoorloofd is onder bepaalde omstandigheden annulering hiervan te vragen .
45 . Voor het antwoord hierop moet worden gekeken naar de desbetreffende bepalingen . In de eerste plaats is dit artikel 4, lid 1, laatste alinea, van verordening nr . 1134/68 . Deze bepaalt :
" Elke belanghebbende die voor een bepaalde transactie een vaststelling vooraf heeft bewerkstelligd, verkrijgt ... door middel van een schriftelijk verzoek, dat binnen een termijn van dertig dagen volgende op dag van inwerkingtreding van de maatregelen waarbij de aangepaste bedragen worden vastgesteld in het bezit van het bevoegde orgaan moet komen, annulering van de vaststelling vooraf en van het ten blijke daarvan opgestelde certificaat of stuk ."
46 . Volgens de Commissie geldt deze bepaling enkel voor bedragen die in ecu' s luiden en in nationale valuta zijn uitgedrukt, en niet voor monetair compenserende bedragen die in nationale valuta zijn berekend en uitgedrukt . Bovendien betreft artikel 4, lid 1, van deze verordening enkel de "wijziging van de verhouding tussen de pariteit van de munteenheid van een Lid-Staat en de waarde van de rekeneenheid" ( thans de ecu ) en niet tussen de groene valuta en de werkelijke valuta .
47 . Verordening nr . 1223/83 die, zoals wij hebben gezien, gaat over de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen, bepaalt in artikel 4, lid 1, dat de in verordening nr . 1134/68 vastgestelde bepalingen van toepassing zijn op de in eerstgenoemde verordening geregelde materie . Lid 2 van dit artikel bepaalt, dat genoemde bepaling van verordening nr . 1134/68 "slechts van toepassing is indien de betrokkene door de toepassing van de nieuwe representatieve koersen nadeel ondervindt ". Een identieke bepaling is te vinden in artikel 4 van verordening nr . 878/77 van de Raad inzake de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen ( 44 ), die bij verordening nr . 1223/83 is ingetrokken . Artikel 2 van verordening nr . 1054/78 van de Commissie tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van verordening nr . 878/77 ( 45 ) voorziet onder bepaalde omstandigheden eveneens in de toepassing van artikel 4, lid 1, laatste alinea, van verordening nr . 1134/68 . De kwestie van de annulering van vooraf vastgestelde compenserende bedragen speelt eerst sinds de inwerkingtreding van verordening nr . 1054/78, die de voorwaarden vaststelt waaronder om annulering van de vaststelling vooraf kan worden verzocht, want pas sinds verordening nr . 243/78 van 1 februari 1978 kunnen monetair compenserende bedragen vooraf worden vastgesteld .
48 . In verordening nr . 1244/83, die is vastgesteld krachtens verordening nr . 1223/83 van de Raad, beperkte de Commissie evenwel de toepassing van artikel 4, lid 1, laatste alinea, van verordening nr . 1134/68 van de Raad en daarmee het recht om annulering van certificaten met prefixatie te verlangen, tot certificaten die vóór 17 mei 1983 waren afgegeven .
49 . De Commissie verklaart, dat er in geval van wijziging van de representatieve koersen van de groene valuta geen enkele behoefte bestaat aan een mogelijkheid tot annulering van de vooraf vastgestelde compenserende bedragen, omdat deze door de Commissie zelf worden aangepast met inachtneming van het gewettigd vertrouwen van de marktdeelnemers . De vooraf vastgestelde heffingen en restituties daarentegen worden automatisch door de Lid-Staten aangepast zonder rekening te houden met het gewettigd vertrouwen van genoemde marktdeelnemers; dit rechtvaardigt volgens de Commissie dat het recht op annulering in haar verordening enkel is voorzien ten behoeve van degenen die op het moment van de vaststelling vooraf erop mochten vertrouwen, dat de heffingen en/of restituties op het vooraf vastgestelde niveau zouden worden gehandhaafd, in casu de houders van certificaten die vóór 17 mei 1983 waren afgegeven .
50 . Ik zie geen goede gronden voor dit onderscheid tussen de vooraf vastgestelde compenserende bedragen en de vooraf vastgestelde heffingen en restituties . Men kan niet, gelijk de Commissie, volhouden, dat bij een wijziging van de verhouding tussen de pariteit van de munteenheid van een Lid-Staat en de ecu of van de representatieve groene koersen het gewettigd vertrouwen van de marktdeelnemers altijd wordt beschermd . Bij deze stelling rijst immers opnieuw de vraag, vanaf welk moment de marktdeelnemers moeten worden geacht niet meer te kunnen vertrouwen in de handhaving van de bedragen tegen de vooraf vastgestelde tarieven; ik heb reeds opgemerkt, dat het in deze context juridisch juister is om de situatie te bezien vanuit het oogpunt van een verkregen recht van de houder van een invoercertificaat met vaststelling vooraf . De uitsluiting van het recht op annulering van certificaten met voorgefixeerde compenserende bedragen op grond, dat die bedragen worden aangepast met inachtneming van het gewettigd vertrouwen van de certificaathouders, getuigt mijns inziens van willekeur, in zover de Commissie van oordeel is dat elke marktdeelnemer vanaf een bepaalde door haar vastgestelde datum ( in casu de aankondiging van een op handen zijnd besluit, waarvan de vaststelling door de Raad, zoals de Commissie zelf ter zitting heeft toegegeven, niet met zekerheid valt te voorspellen ) wordt geacht gewaarschuwd te zijn voor de verlaging van de monetair compenserende bedragen . Met andere woorden, de marktdeelnemers hebben volgens de Commissie de keuze, ofwel de aanvankelijk beoogde transactie uit te voeren onder andere omstandigheden dan deze waren toen zij, tegen het stellen van een bankgarantie, een certificaat met een vaststelling vooraf verkregen, ofwel hiervan af te zien en daarmee de waarborg te verbeuren . Noch de teksten noch de eisen van het mechanisme verlangen een dergelijke, met de billijkheid strijdige oplossing . De mogelijkheid tot annulering van certificaten met vaststellingen vooraf dient onder de in de gemeenschapsregeling neergelegde voorwaarden voor alle vooraf vastgestelde bedragen te gelden, of dit nu heffingen, restituties of monetair compenserende bedragen zijn .
51 . Die voorwaarden zijn, zoals bekend, geleidelijk nader uitgewerkt . De annulering van de vaststelling vooraf en van het ten blijke daarvan opgestelde certificaat of stuk, waarin voor het eerst is voorzien in artikel 4 van verordening nr . 1134/68, is volgens artikel 4, lid 2, van verordening nr . 878/77 enkel mogelijk, "indien de betrokkene door de toepassing van de nieuwe representatieve koersen nadeel ondervindt ".
52 . Luidens de tweede overweging van verordening nr . 1054/78 is de mogelijkheid tot annulering van vaststellingen vooraf, die vóór de wijziging van het betrokken bedrag zijn aangevraagd, beperkt tot aanvragen die zijn ingediend voordat die wijziging kon worden voorzien .
53 . Omwille van de volledigheid wijs ik op verordening nr . 3152/85 van de Commissie, die in deze zaak niet speelt, en waar in de tweede overweging wordt gezegd, dat "de belanghebbenden kunnen worden geacht het betrokken nadeel te hebben aanvaard, wanneer zij zich op een ogenblik waarop de wijziging van de landbouwomrekeningskoers bekend was, hebben verbonden tot een na die wijziging uit te voeren transactie", en "dat annulering in dat geval niet gerechtvaardigd is ".
54 . Blijkens de in casu toepasselijke bepalingen wordt annulering van certificaten met voorfixatie enkel toegestaan, wanneer de certificaathouders door de wijziging van de koers van de groene valuta nadeel ondervinden . Indien, zoals de Commissie verklaart, degenen die de monetair compenserende bedragen en de heffingen vooraf hebben laten vaststellen, geen nadeel ondervinden, omdat eerstgenoemde door de Commissie en laatstgenoemde door de Lid-Staten worden aangepast, dan is er geen reden om het recht om annulering te vragen op dit punt uit te sluiten . De Commissie heeft mij ook niet weten te overtuigen van de noodzaak en bijgevolg van de wettigheid van een op twee gedachten hinkend stelsel van voorfixatie .
55 . Bijgevolg geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren dat :
- artikel 7, lid 1, van verordening nr . 1160/82 van de Commissie moet in die zin worden uitgelegd, dat aanpassing van de vooraf vastgestelde compenserende bedragen niet mogelijk is voordat de nieuwe representatieve koersen van kracht zijn geworden, en dat deze zonder gevolgen blijft voor de vaststellingen vooraf die dateren van vóór de datum waarop de verordening tot vaststelling van de nieuwe representatieve koers in het Publikatieblad is verschenen;
- artikel 4, lid 1, laatste alinea, van verordening nr . 1134/68 van de Raad moet in die zin worden uitgelegd, dat elke marktdeelnemer die houder is van een invoercertificaat met vooraf vastgestelde heffingen en monetair compenserende bedragen, recht heeft op annulering bij een wijziging van de representatieve koersen waardoor hij nadeel ondervindt, mits het verzoek om vaststelling vooraf is ingediend voordat deze wijziging in het Publikatieblad is bekendgemaakt;
- artikel 1, laatste streepje, van verordening nr . 1244/83 geldt niet voor verzoeken om annulering van vóór 21 mei 1983 afgegeven certificaten met vaststelling vooraf .
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) Arrest van 14 januari 1982, zaak 65/81, Reina, Jurispr . 1982, blz . 33, in het bijzonder op blz . 42 en 43 .
( 2 ) Arrest van 16 januari 1974, zaak 166/73, Rheinmoehlen, Jurispr . 1974, blz . 33, in het bijzonder op blz . 38 en 39 .
( 3 ) Arrest van 10 maart 1981, gevoegde zaken 36 en 71/80, Jurispr . 1981, blz . 735 .
( 4 ) Arrest van 14 februari 1980, zaak 53/79, Damiani, Jurispr . 1980, blz . 273 .
( 5 ) Arrest van 28 juni 1984, zaak 180/83, Jurispr . 1984, blz . 2539 .
( 6 ) Damiani, reeds geciteerd, blz . 282, en Moser, reeds geciteerd, blz . 2545; zie eveneens arrest van 14 februari 1984, zaak 278/82, Rewe, Jurispr . 1984, blz . 721 .
( 7 ) Arrest van 11 juni 1987, zaak 14/86, Pretore te Salo, Jurispr . 1987, blz . 2545 .
( 8 ) Beschikking van 5 maart 1986, zaak 69/85, Woensche, Jurispr . 1986, blz . 947 .
( 9 ) Arrest van 3 februari 1977, zaak 52/76, Benedetti, Jurispr . 1977, blz . 163 en 183 .
( 10 ) Arrest van 27 maart 1980, zaak 61/79, Jurispr . 1980, blz . 1205 en 1223 .
( 11 ) Arrest van 13 mei 1981, zaak 66/80, International Chemical Corporation, Jurispr . 1981, blz . 1191 .
( 12 ) Arrest van 27 maart 1963, gevoegde zaken 28 en 30/62, Jurispr . 1963, blz . 63 .
( 13 ) Arrest van 6 oktober 1982, zaak 283/81, Cilfit, Jurispr . 1982, blz . 3415 .
( 14 ) Arrest van 16 december 1981, zaak 244/80, Foglia, Jurispr . 1981, blz . 3045, op blz . 3062 .
( 15 ) Arrest van 1 april 1982, gevoegde zaken 141-143/81, Holdijk, Jurispr . 1982, blz . 1299 .
( 16 ) Arrest van 13 december 1984, zaak 251/83, Haug-Adrion, Jurispr . 1984, blz . 4277 .
( 17 ) Arrest van 12 juni 1986, gevoegde zaken 98, 162 en 258/85, Jurispr . 1986, blz . 1885 .
( 18 ) Arrest van 20 maart 1986, zaak 35/85, Tissier, Jurispr . 1986 . blz . 1207 .
( 19 ) PB 1982, L 134, blz . 22
( 20 ) PB 1978, L 37, blz . 5, ingetrokken bij artikel 11 van verordening nr . 1160/82, PB 1982, L 134, blz . 22 .
( 21 ) PB 1983, L 132, blz . 33, ingetrokken bij verordening nr . 1678/85 van de Raad van 11 juni 1985, PB 1985, L 164, blz . 11 .
( 22 ) PB 1983, L 135, blz . 1 .
( 23 ) PB 1983, L 135, blz . 3 .
( 24 ) PB 1968, L 188, blz . 1 .
( 25 ) Arrest van 13 december 1967, zaak 17/67, Neumann, Jurispr . 1967, blz . 556, 576 .
( 26 ) PB 1985, L 310, blz . 1 .
( 27 ) Artikel 1, lid 2, van verordening nr . 3152/85 .
( 28 ) Arrest van 14 mei 1975, zaak 74/74, CNTA, Jurispr . 1975, blz . 533, 550 .
( 29 ) Arrest van 21 maart 1977, zaak 88/76, Société pour l' exportation des sucres SA, Jurispr . 1977, blz . 709 .
( 30 ) Arrest van 25 januari 1979, zaak 98/78, Racke, Jurispr . 1979, blz . 69 .
( 31 ) Joerg P . Moeller, Vertrauensschutz im Voelkerrecht, Keulen, Berlijn, 1971, aangehaald door P . Tavernier, "Le juge communautaire et l' application dans le temps des règlements CEE", Annuaire français de droit international, 1976, blz . 169, op blz . 195 .
( 32 ) Arrest van 17 november 1965, zaak 111/63, Lemmerz-Werke GmbH, Jurispr . 1965, blz . 936 .
( 33 ) Arrest van 3 mei 1978, zaak 112/77, Toepfer, Jurispr . 1978, blz . 1019 .
( 34 ) PB 1983, C 32, blz . 73 .
( 35 ) Zie bij voorbeeld arrest van 10 december 1975, gevoegde zaken 95-98/74, 15 en 100/75, Union Nationale des Coopératives agricoles de Céréales, Jurispr . 1975, blz . 1615 .
( 36 ) Arrest van 14 mei 1975, zaak 74/74, Jurispr . 1975, blz . 533, 539 .
( 37 ) Arrest van 8 juni 1977, zaak 97/76, Jurispr . 1977, blz . 1063 .
( 38 ) Arrest van 26 januari 1978, gevoegde zaken 44-51/77, Union Malt, Jurispr . 1978, blz . 57, 79 .
( 39 ) Zaak 7/76, IRCA, conclusie bij het arrest van 7 juli 1976, Jurispr . 1976, op blz . 1240 .
( 40 ) Arrest van 7 juli 1976, zaak 7/76, IRCA, Jurispr . 1976, blz . 1213, 1240 .
( 41 ) Zaak 98/78, reeds geciteerd; arrest van 25 januari 1979, zaak 99/78, Decker, Jurispr . 1979, blz . 101 .
( 42 ) Reeds geciteerd, op resp . blz . 86 en blz . 111 .
( 43 ) Ibid ., op resp . blz . 84 en 109 .
( 44 ) PB 1977, L 106, blz . 27 .
( 45 ) PB 1978, L 134, blz . 40 .
Full & Egal Universal Law Academy