Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Al deze gevoegde zaken zijn ambtenarenzaken en zijn een vervolg op een eerdere zaak, namelijk zaak 128/84 ( Van der Stijl, Jurispr . 1985, blz . 3281 ). De geschiedenis op zich is eenvoudig, al maken de diverse hoofdstukken ervan, uit elk waarvan een van deze zaken is voortgesproten, het verhaal wat gecompliceerd, en ik wil beginnen met een overzicht, ten einde alles in zijn context te situeren .
Samenvatting van de feiten
2 . Bij besluit van de voorzitter van de Commissie van 3 november 1983 was B . Math benoemd tot hoofd van de afdeling F1 ( Inspectie ) van het directoraat Veiligheidscontrole Euratom binnen het directoraat-generaal Energie van de Commissie . De benoeming ging in per 28 september 1983 . Math kwam van het Franse Commissariaat voor atoomenergie en was voordien geen ambtenaar van de Gemeenschappen geweest . Van der Stijl, die aan het hoofd van een van de twee secties van de betrokken afdeling stond, achtte zich door die benoeming benadeeld en stelde beroep in bij het Hof . Hij was afdelingshoofd ad interim geweest en had zich kandidaat
gesteld voor definitieve aanstelling op die post . Bij arrest van 7 oktober 1985 verklaarde het Hof Maths aanstelling alsmede de afwijzing van Van der Stijls sollicitatie nietig . Het Hof overwoog, dat er geen sprake was van een buitengewoon geval dat toepassing van de buitengewone aanwervingsprocedure van artikel 29, lid 2, Ambtenarenstatuut kon rechtvaardigen . Het achtte het niet noodzakelijk, zich uit te spreken over de andere grieven van Van der Stijl, die er in wezen op neerkwamen, dat de procedure een doorgestoken kaart was en dat de post - in strijd met de artikelen 7, lid 1, en 29, lid 2, van het Statuut - voor een Fransman "bestemd" was . Voor een nadere uiteenzetting van de voorgeschiedenis verwijs ik naar de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn in zaak 128/84, waaruit blijkt dat die grief niet geheel ongegrond was .
3 . In zaak 128/84 ging het grotendeels om de vraag, of Math de vereiste kwalificaties voor de betrokken post bezat, zoals die in de oorspronkelijke kennisgeving van vacature waren omschreven . In dit verband citeer ik de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn ( blz . 3285 ):
"Gesteld is dat de heer Math niet de ervaring en de talenkennis bezat die de kennisgeving van vacature verlangde . Het lijkt aannemelijk dat hij op het relevante tijdstip niet de nodige kennis had van een tweede taal . De schriftelijke memories lijken ook verzoekers stelling te bevestigen, dat de ervaring en kwalificaties van Math, hoewel van hoog niveau, niet beantwoordden aan de bijzondere, in de kennisgeving van vacature omschreven vereisten . Maar na de uiteenzetting van de heer Audland te hebben gehoord over wat voor het ambt was vereist, en over de ervaring van Math, zou ik niet de stelling willen aanvaarden, dat de heer Math de vereiste bijzondere kwalificaties miste ."
Audland was toentertijd directeur-generaal Energie bij de Commissie en had geantwoord op een aantal vragen die het Hof hem ter terechtzitting had gesteld .
4 . De Commissie reageerde snel op het arrest van 7 oktober 1985 waarbij Maths aanstelling was nietigverklaard . Op 16 oktober stelde zij Math op dezelfde post aan als tijdelijk functionaris . Bovendien ging de aanstelling volgens het nieuwe besluit in op de datum waarop Math voor het eerst bij de Commissie in dienst was getreden, namelijk 28 september 1983, en gold zij voor een periode van twee jaar; omdat deze periode op de datum van het besluit reeds was verstreken, werd zij bij hetzelfde besluit tot 31 december 1985 verlengd . Op 18 december 1985 besloot de Commissie een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren ten einde in de betrokken post te voorzien, en verlengde zij Maths aanstelling nogmaals met zes maanden . Het vergelijkend onderzoek vond medio 1986 plaats . Math werd samen met anderen op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst en vervolgens op de post aangesteld . Van der Stijl was niet op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst; Cullington - de andere verzoeker in de onderhavige zaken - wel, doch hij werd gepasseerd .
5 . Math heeft dus sedert 28 september 1983 hetzij als ambtenaar, hetzij als tijdelijk functionaris het betrokken ambt vervuld . Nadat het Hof in oktober 1985 op zijn beroep had beslist, achtte Van der Stijl zich benadeeld door het feit dat Math in zijn functie gehandhaafd bleef en vervolgens opnieuw werd aangesteld . Hij diende een reeks van zeven klachten in bij de Commissie, één met betrekking tot elke fase van de procedure die tot Maths hernieuwde aanstelling leidde . Nadat die klachten stuk voor stuk waren afgewezen, stelde hij zes beroepen in bij het Hof . De andere twee beroepen - zaken 259/86 en 222/87 - zijn ingesteld door Cullington, die aan het hoofd stond van de tweede van de twee secties van de betrokken afdeling . Evenals Van der Stijl vordert hij nietigverklaring van de aanstelling van Math, alsmede van het besluit van de jury om Math op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen .
De beroepen
6 . Elk van de beroepen heeft betrekking op een specifieke stap van de Commissie en zij volgen over het algemeen de chronologie daarvan . Het rapport ter terechtzitting geeft in detail de middelen en argumenten van partijen weer en in deze conclusie wil ik enkel blijven stilstaan bij die welke mij relevant lijken .
Zaak 341/85
7 . Zaak 341/85 betreft het besluit van 16 oktober 1985 om Math als tijdelijk functionaris aan te stellen . De Commissie betoogt, dat dit beroep niet-ontvankelijk is, daar het besluit slechts tot 31 december 1985 rechtsgevolgen sorteerde en een beroep ertegen derhalve zonder voorwerp is . Dit middel aanvaard ik niet . Het besluit was juist de eerste van een reeks stappen op de weg naar de wederaanstelling van Math . Was het niet genomen, dan had verzoeker - gelijk hij zegt - mogelijkerwijze de kans gehad om, ook al was het slechts tijdelijk, op de betrokken post te worden aangesteld . De vraag of dat inderdaad het geval is, betreft de grond van de zaak en niet de ontvankelijkheid, daar verzoeker niet behoeft aan te tonen dat hij de zaak zal winnen, wil het beroep ontvankelijk zijn . Voorts had verzoeker, toen hij het beroep instelde, als rechtstreeks betrokkene bij het arrest van het Hof een voldoende belang ( zaak 30/76, Kuester, Jurispr . 1976, blz . 1719 ). Het enkele feit dat een individueel besluit naderhand ophoudt gevolgen te sorteren wegens het verstrijken van de geldigheidsduur, betekent niet dat het niet meer kan worden bestreden .
8 . Ten gronde voert verzoeker een hele reeks middelen aan . In de eerste plaats betoogt hij, dat de Commissie geen uitvoering heeft gegeven aan 's Hofs arrest in zaak 128/84, daar de nieuwe aanstelling van Math op de betrokken post als tijdelijk functionaris neerkomt op de miskenning van dat arrest . Ik ben het daar niet mee eens . In zijn arrest in zaak 128/84 heeft het Hof Maths aanstelling nietigverklaard wegens onrechtmatige toepassing van artikel 29, lid 2, Ambtenarenstatuut . Het Hof heeft zich niet uitgesproken over de vraag, of Math de geschikte persoon was voor de post . Zaak 128/84 had tot resultaat, dat Math de hoedanigheid van ambtenaar verloor, doch de Commissie handelde niet in strijd met het arrest door Math als tijdelijk functionaris aan te stellen .
9 . Als tweede middel voert verzoeker aan, dat de Commissie zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procedure of misbruik van bevoegdheid, door de door het Hof onwettig verklaarde situatie langs administratieve weg te doen herleven . Hij betoogt, dat de terugwerkende kracht van Maths contract van tijdelijk functionaris in werkelijkheid ten doel had - en dit op onbehoorlijke wijze - hem in staat te stellen extra ervaring op het gebied van de nucleaire veiligheid te verwerven, hetgeen hij anders - wegens het arrest in zaak 128/84 - niet had gekund . In haar verweerschrift stelt de Commissie - zoals zij ook ter terechtzitting in kort geding had gedaan -, dat de positie van Math, die de betrokken functie daadwerkelijk gedurende twee jaar had vervuld, door de terugwerkende kracht eenvoudig was "regulariseerd ". Mijns inziens is het woord "regularisatie" een ongelukkige keuze van de Commissie, daar het suggereert dat zij inderdaad met terugwerkende kracht poogde te valideren hetgeen het Hof had nietigverklaard . Het optreden van de Commissie was niet wenselijk, omdat het de indruk kon wekken dat zij in strijd met artikel 176 EEG-Verdrag handelde, en omdat het andere procedures kon uitlokken, hetgeen dan ook gebeurd is . De Commissie handelde weliswaar niet verstandig, toen zij de aanstelling terugwerkende kracht verleende, maar deze constatering is geen antwoord op de vraag of zij onwettig handelde . In de regel wordt de terugwerkende kracht in alle rechtsstelsels als onwettig beschouwd, tenzij zij noodzakelijk is wegens dringende en dwingende redenen . Het feit dat Math ten gevolge van het arrest in zaak 128/84 gedurende twee jaar onrechtmatig aangesteld was buiten beschouwing gelaten, zie ik niet in, waarom de aanstelling terugwerkende kracht diende te hebben . In geen geval behoefde Math salaris terug te betalen, en het is duidelijk, alleen al op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat het arrest in zaak 128/84 de geldigheid van de besluiten die hij tevoren in de uitoefening van zijn functie had genomen, onverlet liet . Op 16 oktober 1985 waren er mogelijkerwijze dringende en dwingende redenen om de aanstelling terugwerkende kracht te verlenen tot 7 oktober 1985 - de datum van het arrest in zaak 128/84 - ( in de veronderstelling dat de Commissie Math in het belang van de dienst in zijn functie wenste te handhaven terwijl naar een oplossing werd gezocht ), ten einde na het arrest de continuïteit van de dienst ( en de betaling van Maths salaris ) te verzekeren . Daarentegen lijkt er geen enkele geldige reden te zijn om het contract terugwerkende kracht te verlenen tot een datum vóór 7 oktober 1985, en zeker niet tot meer dan twee volle jaren vóór die datum . Bijgevolg concludeer ik, dat het besluit om Math met terugwerkende kracht per 28 september 1983 als tijdelijk functionaris aan te stellen, moet worden nietigverklaard voor de periode van 28 september 1983 tot 7 oktober 1985 . De periode na deze laatste datum wil ik zo dadelijk liever in het kader van zaak 251/86 bekijken .
10 . Ik hoef dus slechts kort in te gaan op de overige middelen van verzoeker . Hij betoogt, dat het besluit van 16 oktober 1985 ertoe strekte, een contractuele band tussen de Commissie en Math te doen ontstaan voor een periode die reeds voorbij was ( twee jaar ingaande op 28 september 1983 ). Zijns inziens is dat juridisch onmogelijk, en bijgevolg is ook een eventuele verlenging van die periode onmogelijk . Dit middel lijkt logisch weliswaar aantrekkelijk, doch niettemin faalt het mijns inziens, daar anders de partijen bij een contract dat door omstandigheden ongeldig is geworden, hun contractuele regelingen voor het verleden niet zouden kunnen herstellen, terwijl er voor de periode na de beslissing geen reden bestaat om de geldigheid van latere regelingen te laten afhangen van de geldigheid van die voor het verleden . In ieder geval zal ik, zoals reeds gezegd, op de periode na 7 oktober 1985 terugkomen in het kader van zaak 251/86 .
11 . De overige middelen zijn ontleend aan schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut, dat voorschrijft wat de instellingen behoren te doen alvorens in een vacature te voorzien, en van artikel 12 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ( hierna : de Regeling ), dat aangeeft welke kwalificaties tijdelijke functionarissen dienen te bezitten . Met betrekking tot de gestelde schending van artikel 29, lid 1, ben ik van mening, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij de aanwerving van personeelsleden die tijdelijk een vast ambt moeten vervullen - waarbij het dus om een tijdelijke maatregel gaat -, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, zij het dat ik, zoals hoger gezegd, niet inzie waarom de aanstelling met terugwerkende kracht moest gebeuren . Het verlenen van terugwerkende kracht voor zulk een lange periode lijkt de grenzen van die beoordelingsbevoegdheid te overschrijden . Wat de kwalificaties van Math aangaat, deze moeten in het kader van het onderhavige beroep worden beoordeeld op de datum waarop zijn aanstelling inging, namelijk 28 september 1983 . Door die aanstelling terugwerkende kracht te willen verlenen, heeft de Commissie zelf het probleem doen ontstaan, dat de kwalificaties op die datum moeten worden beoordeeld . Ik refereer opnieuw aan wat advocaat-generaal Sir Gordon Slynn in zaak 128/84 met betrekking tot de ervaring, de kwalificaties en de talenkennis van Math heeft gezegd . Indien bij voorbeeld Maths kennis van een tweede taal op de aanstellingsdatum niet voldoende was, dan levert dat schending van artikel 12, lid 2, sub e, van de Regeling op en moet het besluit worden nietigverklaard . Ondanks de onzekerheid omtrent zijn kwalificaties ben ik echter, gelet op de voorgelegde bewijzen, niet van mening, dat het besluit op die grond moet worden nietigverklaard, ook al moet het om de redenen die ik hiervóór heb uiteengezet, in ieder geval worden nietigverklaard voor de periode vóór 7 oktober 1985 .
12 . In zaak 341/85 geef ik het Hof derhalve in overweging, het besluit van de Commissie van 16 oktober 1985 om Math per 28 september 1983 als tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen aan te stellen, nietig te verklaren voor de periode tussen 28 september 1983 en 7 oktober 1985 . Het probleem van de schadevergoeding en de kosten zal ik later behandelen .
Zaak 251/86
13 . In zaak 251/86 betwist verzoeker de wettigheid van het besluit van de Commissie om Math na 7 oktober 1985 ( datum van het arrest in zaak 128/84 ) in zijn functie te handhaven, alsmede van het besluit van 18 december 1985 tot "vernieuwing" van zijn contract als tijdelijk functionaris voor een nieuwe periode van zes maanden, tot 30 juni 1986 . Hij stelt dat de Commissie, door de facto een situatie te doen herleven die het Hof in zaak 128/84 onwettig had geoordeeld, artikel 176 EEG-Verdrag heeft geschonden . Dat middel kan ik niet aanvaarden . Het Hof had beslist, dat Math onrechtmatig als ambtenaar was aangesteld . Na die uitspraak diende de Commissie het arrest na te komen en de continuïteit van de dienst te verzekeren, met inachtneming van de door het arrest gestelde grenzen . Ter verzekering van die continuïteit beschikt zij over een ruime beoordelingsbevoegdheid . Ofschoon ik er niet helemaal van overtuigd ben dat de Commissie alle mogelijkheden heeft onderzocht die haar ter beschikking stonden ( hetgeen zij had moeten doen ), zoals de aanstelling van een plaatsvervanger of een aanstelling ad interim in afwachting van een algemeen vergelijkend onderzoek, was de tijdelijke aanstelling van Math - voor een korte periode - niettemin geen onredelijke maatregel, rekening houdend met het feit dat hij het ambt de facto gedurende de twee voorgaande jaren had bekleed . Ik concludeer derhalve dat de Commissie Math in zijn functie mocht handhaven voor een korte periode waarin zij naar een definitieve oplossing voor de vacature zocht .
14 . Met betrekking tot het tweede onderdeel van deze zaak, dat wil zeggen de verlenging van het contract bij het besluit van 18 december 1985, ben ik van mening, dat die verlenging onwettig was . Math was aangesteld in het kader van de Regeling, waarin de aanstelling van tijdelijke functionarissen is geregeld; hij was op grond van artikel 2, sub b, van de Regeling aangesteld als personeelslid om tijdelijk een vast ambt te vervullen . Artikel 8 van de Regeling bepaalt, dat de aanstelling van een functionaris, bedoeld in artikel 2, sub b, niet voor langer dan twee jaar kan gelden en slechts éénmaal, en wel met ten hoogste één jaar, kan worden verlengd . In het oorspronkelijke aanstellingsbesluit had de Commissie de twee jaar durende aanstelling met iets meer dan drie maanden verlengd . Lezing van artikel 8 leert onmiddellijk, dat de Commissie de aanstelling niet nogmaals mocht verlengen . Volgens de Commissie is die uitlegging te eng en moet de situatie in haar geheel worden beschouwd; volgens haar wil artikel 8 alleen maar voorkomen dat op grond van artikel 2, sub b, aangestelde tijdelijke functionarissen een bepaald ambt in totaal langer dan drie jaar bekleden . Ofschoon ik wel wat voor die ruime uitlegging voel, kan ik niet voorbijgaan aan de duidelijke en heldere bewoordingen van artikel 8 . Bovendien heeft de Commissie hier zichzelf moeilijkheden op de hals gehaald . Daar zij - volstrekt overbodig - had besloten om Maths aanstelling meer dan twee jaar terugwerkende kracht te verlenen, stuitte zij op het in artikel 8 voorziene maximum van twee jaar, zodat zij in hetzelfde besluit de aanstelling moest verlengen waardoor die termijn van twee jaar werd overschreden, een maatregel waarvan de wettigheid op zichzelf al kan worden betwijfeld . Door de aanstelling slechts tot 31 december 1985 te verlengen, heeft zij zichzelf geen manoeuvreerruimte gelaten . Verdere verlenging was onmogelijk . Bijgevolg concludeer ik, dat het besluit van de Commissie om de aanstelling tot 30 juni 1986 te verlengen, moet worden nietigverklaard .
Zaak 266/86
15 . Ik kom thans tot zaak 266/86, chronologisch gezien - doch niet qua volgnummer - de volgende zaak . In de eerste plaats vordert Van der Stijl de nietigverklaring van de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/A/477 en vervolgens van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek om een besluit over zijn eerste sollicitatie . Ik wil met dit laatste punt beginnen . Verzoeker stelt dat, nu het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie van 1983 naar de betrokken post door het Hof in zaak 128/84 is nietigverklaard, zijn sollicitatie nog geldig was en derhalve krachtens artikel 29, lid 1, in overweging had moeten worden genomen, alvorens een algemeen vergelijkend onderzoek kon worden georganiseerd . Hij betoogt dat de Commissie, indien zij zijn sollicitatie niet in overweging heeft genomen, zich niet aan het arrest in zaak 128/84 heeft geconformeerd, en indien zij dat wel heeft gedaan, artikel 25 Ambtenarenstatuut heeft geschonden door hem het desbetreffende besluit en de motivering ervan niet binnen een redelijke termijn schriftelijk mee te delen . De Commissie betoogt, dat zij blijkens het uittreksel van het proces-verbaal van haar vergadering van 18 december 1985 de juiste procedure heeft gevolgd . Uit dat - op dit punt zeer summiere - proces-verbaal blijkt, dat de Commissie de in artikel 29, lid 1, voorziene procedure stap voor stap naar behoren heeft gevolgd . Eerst besloot zij, dat in de betrokken post niet kon worden voorzien door toepassing van lid 1, sub a ( interne bevordering of overplaatsing ); vervolgens besloot zij geen intern vergelijkend onderzoek op basis van lid 1, sub b, te organiseren, en bijgevolg besloot zij een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren .
16 . Gelet op de aan het Hof overgelegde bewijsstukken, ben ik van mening, dat de Commissie de voorgeschreven procedure in acht heeft genomen . Verzoeker staat weliswaar vrij sterk met zijn argument, dat de Commissie in de aan hem gerichte brief van 25 juli 1986 verklaarde dat zij tijdens haar vergadering van 18 december de krachtens artikel 29, lid 1, ingediende sollicitaties ( in het meervoud ) - waaronder verzoekers sollicitatie - had onderzocht, terwijl er, daar er geen nieuwe kennisgeving van vacature was geweest, in feite slechts één sollicitatie was, namelijk de zijne, maar mijns inziens is het duidelijk, dat dat argument niet opweegt tegen hetgeen in het proces-verbaal van de Commissie is vermeld .
17 . Ik vind evenwel geen goede reden waarom de Commissie niets heeft laten weten over de weer actueel geworden sollicitatie van verzoeker en hem niet de redenen voor de afwijzing ervan heeft meegedeeld, ofschoon hij daar uitdrukkelijk om had verzocht . Pas toen hem op 25 juli 1986 werd meegedeeld dat zijn klachten waren afgewezen, vernam hij uiteindelijk dat ook zijn sollicitatie was afgewezen . In zaak 225/82 ( Verzyck, Jurispr . 1983, blz . 1991 ) overwoog het Hof, dat de redenen van de afwijzing van een sollicitatie summier mogen worden vermeld, tenzij de sollicitant uitdrukkelijk om een motivering vraagt . In zijn verzoek van 21 oktober 1985 ( bijlage VIII bij het verzoekschrift ) vroeg Van der Stijl uitdrukkelijk om een besluit over zijn weer actueel geworden sollicitatie, doch er volgde noch een besluit, noch een motivering voor de stilzwijgende afwijzing . In de gevoegde zaken 64, 71 tot en met 73 en 78/86 ( arrest van 8 maart 1988, Sergio e.a ., Jurispr . 1988, blz . 1399 ) overwoog het Hof, dat het motiveringsvereiste ten doel heeft, de sollicitant in staat te stellen te vernemen waarom een bepaald besluit is genomen, en rechterlijke toetsing mogelijk te maken; indien het Hof evenwel van oordeel is dat de procedure correct is gevolgd en rekening is gehouden met al wat relevant is, leidt het ontbreken van de motivering van een besluit niet automatisch tot de nietigverklaring ervan . Hierboven heb ik reeds gezegd, dat ik twijfels heb bij de door de Commissie gevolgde procedure, en de bewijselementen waarover ik beschik, kunnen mij er niet van overtuigen, dat alles is gedaan wat gedaan had moeten worden . Het gebrek aan motivering brengt mij derhalve tot de conclusie, dat het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie onwettig was; gelet evenwel op mijn standpunt ten aanzien van de overige vorderingen van verzoeker, lijkt het mij niet noodzakelijk dat besluit formeel nietig te verklaren .
18 . Voorts betoogt Van der Stijl, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/A/477 moet worden nietigverklaard, omdat de kwalificaties die in die aankondiging voor de post werden vereist, niet dezelfde waren als in de oorspronkelijke kennisgeving van vacature .
19 . In het hier relevante deel van de kennisgeving van vacature werd onder meer verlangd :
"...
2 ) Grondige kennis van de splijtstofcyclus en het beheer van kernmaterialen .
...
3 ) Kennis op het gebied van de veiligheidscontrole .
...
5 ) Grondige ervaring passend bij de functie ."
Volgens de hier relevante passage van de aankondiging van vergelijkend onderzoek moesten de sollicitanten :
"over een postuniversitaire beroepservaring beschikken van ten minste vijftien jaar waarvan ten minste verscheidene jaren in een soortgelijke functie ... Zij moeten eveneens aantonen over een grondige kennis van de splijtstofcyclus en het beheer van kernmaterialen te beschikken, alsmede over kennis op het gebied van de veiligheidscontrole ..."
20 . Van der Stijl betoogt, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek met betrekking tot de vereiste kennis minder streng was, en wijst erop, dat één van de wezenlijke punten die in zaak 128/84 aan de orde waren, de vraag was, of Math de voor de post vereiste kennis en beroepservaring bezat . Zijns inziens waren de wijzigingen dan ook met opzet aangebracht, ten einde latere betwisting op dat punt te voorkomen .
21 . Voorts stelt Van der Stijl, dat de wijzigingen waren aangebracht omdat Math geen vijftien jaar specifieke ervaring op het gebied van de splijtstofcyclus en het beheer van kernmaterialen had . Pas op 1 maart 1977 was hij bij het Franse Commissariaat voor atoomenergie benoemd op een post die verband hield met de veiligheid; tot dan vervulde hij administratieve functies . In zijn interventie betoogt Math, dat hij wel degelijk de vereiste beroepservaring had . Mijns inziens is het evenwel veelzeggend, dat de wijzigingen ten opzichte van de kennisgeving er ongetwijfeld toe hebben bijgedragen, dat Maths beroepservaring aan de vereisten van het vergelijkend onderzoek beantwoordde .
22 . Er zijn twee significante verschillen tussen de formulering van de kennisgeving en die van de aankondiging . De in de kennisgeving van vacature gebezigde formulering "grondige ervaring passend bij de functie" impliceert een grondige ervaring met betrekking tot alle aspecten van de betrokken functie . De formulering "ervaring ... waarvan ten minste verscheidene jaren in een soortgelijke functie" in de aankondiging van vergelijkend onderzoek is minder streng, daar geen "grondige ervaring" met betrekking tot alle aspecten van de betrokken functie wordt verlangd . Ik neem akte van het argument, dat in de aankondiging van vergelijkend onderzoek grondige kennis van de splijtstofcyclus en kennis op het gebied van de veiligheidscontrole werden verlangd ( juist als in de kennisgeving van vacature ), maar dat niet alleen die kennis en ervaring, ofschoon van wezenlijk belang voor de functie, was vereist .
23 . Het tweede verschil betreft de wijze waarop de vereiste kennis en beroepservaring moest zijn verkregen . In de Franse tekst van de kennisgeving van vacature is sprake van "expérience approfondie appropriée à la fonction"; de Franse tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek spreekt van "plusieurs années au moins ... en rapport avec la nature des fonctions ". Wellicht is het verschil tussen "appropriée" en "en rapport avec" niet groot, maar de eerste term is toch specifieker . In de Engelse vertaling wordt op beide plaatsen weliswaar hetzelfde woord gebruikt (" relevant "), maar ik ben van mening dat de Engelse tekst moet worden gelezen in het licht van de Franse .
24 . In zaak 188/73 ( Grassi, Jurispr . 1974, blz . 1099 ) overwoog het Hof, dat, wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag achteraf meent dat de in de kennisgeving van vacature gestelde eisen strenger zijn dan het dienstbelang verlangt, het een nieuwe procedure mag beginnen door de oorspronkelijke kennisgeving van vacature in te trekken en door een gewijzigde te vervangen . Daaruit volgt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de toelatingsvoorwaarden in de loop van de aanwervingsprocedure niet mag versoepelen . De bekendmaking van een aankondiging van vergelijkend onderzoek is een stap in de procedure die begint met de kennisgeving van vacature .
25 . In haar schriftelijke opmerkingen stelt de Commissie, dat het om eenvoudige redactionele wijzigingen ging, die enkel bedoeld waren om de aankondiging van vergelijkend onderzoek begrijpelijker te maken voor de sollicitanten van buiten de instellingen, die zij hoopte aan te trekken . Ik heb reeds gezegd, dat de wijzigingen mijns inziens meer waren dan een redactionele aanpassing . Maar zelfs als dat niet het geval zou zijn, geloof ik niet, dat zij de aankondiging leesbaarder maakten voor een deskundige op nucleair gebied met een universitair diploma en een beroepservaring van ten minste vijftien jaar .
26 . Desgevraagd heeft de Commissie ter terechtzitting voorts verklaard, dat de formulering was gewijzigd omdat de Commissie een ruimer aanbod van sollicitanten wilde, en dat zij daarom de toelatingsvoorwaarden had versoepeld . Zoals ik zojuist zei, indien het noodzakelijk is de vereisten te versoepelen, moet een nieuwe procedure worden ingeleid en een nieuwe kennisgeving van vacature worden bekendgemaakt . In casu is dat niet gebeurd en ik concludeer dan ook, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek moet worden nietigverklaard .
27 . Als dat het geval is, dan volgt daaruit dat al wat nadien is gebeurd, tot en met de aanstelling van Math, eveneens ongeldig is . Maar ik moet ook nagaan, of nadien nog stappen zijn ondernomen die op zichzelf onwettig waren, te meer daar het, zoals gezegd, in deze zaak van belang is, de situatie in haar geheel te bekijken .
Zaken 258 en 259/86
28 . Thans kom ik tot de behandeling van de beroepen die Van der Stijl en Cullington respectievelijk in de zaken 258 en 259/86 hebben ingesteld . Cullington stond aan het hoofd van de tweede van de twee secties van de betrokken afdeling . Beide verzoekers komen op tegen de besluiten van de jury van het algemeen vergelijkend onderzoek om Math tot het vergelijkend onderzoek en nadien tot de examens toe te laten en om hem op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen . De Commissie betwist de ontvankelijkheid van Cullingtons beroep, met het betoog dat hij niet was benadeeld, daar hijzelf ook op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst . Cullington wijst erop, dat die besluiten hem wel nadeel berokkenden, daar zij de jury een grotere keuzemogelijkheid boden .
29 . Verscheidene recente arresten van het Hof betreffen beroepen tegen jurybesluiten : zie bij voorbeeld de zaken 143/84 ( Vlachou, Jurispr . 1986, blz . 459 ), 293/84 ( Sorani e.a ., Jurispr . 1986, blz . 967 ), 294/84 ( Adams, Jurispr . 1986, blz . 977 ), 255/85 ( Pressler-Hoeft, Jurispr . 1986, blz . 2459 ), 321/85 ( Schwiering, Jurispr . 1986, blz . 3199 ) en de gevoegde zaken 322 en 323/85 ( Hoyer en Neumann, Jurispr . 1986, blz . 3215 ). Uit die rechtspraak blijkt, dat jurybesluiten weliswaar in zekere zin voorbereidende handelingen zijn, doch dat de betrokkene niettemin kan opkomen tegen het besluit van een jury om hem van verdere deelneming aan een vergelijkend onderzoek uit te sluiten . Die rechtspraak lijkt op de volgende beginselen te berusten . Een sollicitant die meent dat een ander ten onrechte tot een vergelijkend onderzoek is toegelaten of ten onrechte op de lijst van geschikte kandidaten is geplaatst, kan tegen dat besluit niet opkomen, indien hijzelf niet is uitgesloten . In dat stadium kan men niet spreken van een hem bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut, daar het mogelijk is dat hijzelf naderhand op de betrokken post wordt aangesteld . Wordt hij niet aangesteld, dan kan hij in dat stadium tegen de aanstelling opkomen . Daarbij kan hij onder meer aanvoeren, dat de aangestelde persoon niet aan het vergelijkend onderzoek had mogen deelnemen omdat hij niet de vereiste kwalificaties bezat, of dat hij niet op de lijst van geschikte kandidaten had mogen worden geplaatst . Indien daarentegen een sollicitant niet tot een vergelijkend onderzoek wordt toegelaten, dan betekent zulks, wat hem betreft, het einde van de procedure en heeft hij het recht op te komen tegen het besluit waarbij hij is uitgesloten . Bijgevolg is het bezwaar van de Commissie tegen de ontvankelijkheid van Cullingtons beroep gegrond . Ofschoon de Commissie dit middel niet heeft aangevoerd tegen het beroep van Van der Stijl, denk ik dat diens beroep wellicht eveneens niet-ontvankelijk is, daar hij in deze zaak niet opkomt tegen het besluit waarbij hij is uitgesloten - dat doet hij in zaak 262/86 -, maar tegen het besluit om Math tot het vergelijkend onderzoek toe te laten . Strikt gezien, kunnen de middelen betreffende Maths kwalificaties dus niet in het kader van deze zaken worden onderzocht . Zij moeten echter wel worden onderzocht in het kader van de navolgende zaken, waarin Maths aanstelling op de post wordt bestreden, en ik stel voor, ze in die samenhang te behandelen .
Zaak 262/86
30 . In zaak 262/86 komt Van der Stijl op tegen het besluit van de jury om hem niet op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen . Als voornaamste argument voert hij aan, dat zijn uitsluiting onvoldoende was gemotiveerd en dat de enige reden die in feite was genoemd, het feit was dat hij niet aan het "zeer bijzondere profiel van de vacature" beantwoordde . Opmerking verdient, dat Van der Stijl 9 op 20 punten had behaald, één punt minder dan voor plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten nodig was . Voorts wil ik opmerken, dat Cullington 12 punten had behaald ( evenveel als Math ) en een andere kandidaat 10 punten . De Commissie betoogt, dat de uitsluiting van Van der Stijl voldoende was gemotiveerd en dat het criterium betreffende het "zeer bijzondere profiel" impliciet was vervat in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, waarin een specialisatie op bepaalde gebieden werd gevraagd, ook al was het daar als zodanig niet uitdrukkelijk vermeld . Het zij gezegd, dat het proces-verbaal van de vergadering van de jury bitter weinig informatie verschaft over wat er is gebeurd . En ofschoon in sommige gevallen een summiere motivering van de afwijzing kan volstaan ( zie de zaak Verzyck, 225/82, reeds aangehaald ), meen ik dat Van der Stijl recht had op een nadere toelichting : zie zaak 316/82 ( Kohler, Jurispr . 1984, blz . 641 ). Op dat probleem ben ik uitvoeriger ingegaan in mijn conclusie van 20 januari 1989 ( gevoegde zaken 100, 146 en 153/87, Basch e.a .) en om niet in herhaling te vervallen, verwijs ik naar mijn uiteenzetting in die zaken ( punten 6-11 ). Het antwoord van de Commissie, dat een nadere motivering verzoekers toekomstige loopbaan - op dat ogenblik was hij immers nog ambtenaar bij de Commissie - had kunnen schaden, snijdt mijns inziens geen hout . Dat argument kan ook worden omgekeerd : een nadere toelichting had zijn toekomstige loopbaan ook ten goede kunnen komen, daar hij in dat geval had geweten op welke gebieden zijn kennis of beroepservaring, of beide, onvoldoende werden geacht, zodat hij het nodige had kunnen doen om zijn kennis op de betrokken gebieden aan te vullen . Het argument van de Commissie gaat in geen geval op, wanneer de kandidaat uitdrukkelijk om opgave van de redenen verzoekt; in dat geval moet worden aangenomen dat de kandidaat het mogelijke risico voor zijn loopbaan heeft ingecalculeerd . Bijgevolg concludeer ik, dat het besluit om verzoeker niet op de lijst van geschikte kandidaten op te nemen, moet worden nietigverklaard wegens onvoldoende motivering .
Zaken 222 en 232/87
31 . Thans kom ik tot de twee centrale zaken, 222 en 232/87, waarin Van der Stijl en Cullington elk afzonderlijk tegen de aanstelling van Math op de betrokken post opkomen .
32 . Eerst wil ik ingaan op de middelen die verzoekers in de eerdere zaken hebben aangevoerd en die zij hier opnieuw aanvoeren . In de eerste plaats betogen zij, dat de jury geen rekening had mogen houden met de beroepservaring die Math had opgedaan in de tijd dat hij de betrokken functie vervulde, daar hij die functie niet had mogen vervullen . Strikt juridisch is dat een logische stelling . Het is evenwel geen praktische stelling en het lijkt mij, dat ook de jury of het tot aanstelling bevoegd gezag er weinig baat bij kunnen vinden bij de vervulling van hun opdracht om de meest geschikte persoon voor de betrokken post te vinden . Het is een niet te loochenen feit, dat Math - al dan niet rechtmatig aangesteld - de betrokken functie heeft uitgeoefend, en ik meen dat de jury rekening mocht houden met de beroepservaring die hij daarbij heeft opgedaan . Wij behoeven dan ook niet te onderzoeken, of Math in 1983 al dan niet de vereiste beroepservaring had .
33 . Voorts betogen verzoekers, dat Math reeds op het eerste gezicht de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vastgestelde leeftijdsgrens overschreed . Hij is geboren op 30 november 1935, terwijl het vergelijkend onderzoek slechts openstond voor kandidaten geboren na 22 maart 1936 . Zoals gebruikelijk was in een aantal uitzonderingen voorzien, waaronder de vrijstelling van de leeftijdsgrens voor kandidaten die sedert ten minste één jaar bij de Gemeenschappen in dienst waren, alsmede de mogelijkheid van verhoging van de leeftijdsgrens wegens vervulling van militaire dienst .
34 . Volgens verzoekers kon de jury de uitsluiting van Math wegens overschrijding van de leeftijdsgrens enkel vermijden door de periode mee te tellen tijdens welke hij tijdelijk functionaris was . Aangezien die aanstelling zelf onwettig was, kon zij hem geen vrijstelling van de leeftijdsgrens verlenen . De Commissie antwoordt daarop, dat zij niet behoeft te preciseren, op welke gronden de jury oordeelde dat Math aan het leeftijdsvereiste voldeed, doch zij voegt daar wel aan toe, dat Math in ieder geval achttien maanden dienstplicht in Frankrijk had vervuld en dat dit volstond om hem binnen de leeftijdsgrens te brengen . Verzoekers repliceren, dat de jury kennelijk geen enkel bewijsstuk desbetreffend was overgelegd, hetgeen nochtans uitdrukkelijk vereist was, en dat de jury dus geen rekening met die militaire dienst had mogen houden .
35 . Het is goed mogelijk dat de jury Math op twijfelachtige gronden ( lees : zijn eerdere dienstperiode bij de Commissie ) tot het vergelijkend onderzoek heeft toegelaten . Als dat het geval is, kan dat feit op zichzelf tot de conclusie leiden, dat het besluit van de jury moet worden nietigverklaard . Men kan evenwel niet voorbijgaan aan het feit, dat Math achttien maanden dienstplicht heeft vervuld en dat dat hem binnen de leeftijdsgrens brengt . Aangezien het desbetreffende bewijsstuk aan het Hof is overgelegd, kan men aannemen dat deze formele onregelmatigheid tijdens de procedure in rechte is gedekt . Bijgevolg concludeer ik, dat het feit dat de jury Maths sollicitatie heeft aanvaard en hem op de lijst van geschikte kandidaten heeft geplaatst, niet onwettig was, en dat dat middel van verzoekers faalt . Niettemin moet nog worden geantwoord op de vraag, of meer fundamentele redenen tot nietigverklaring van de aanstelling nopen .
36 . Ik wil even herhalen, tot welke conclusies ik tot hiertoe in deze zaken ben gekomen . Ik ben tot de conclusie gekomen, dat het besluit van de Commissie om Maths aanstelling terugwerkende kracht te verlenen tot een datum vóór 7 oktober 1985, en de verlenging van het contract na 31 december 1985 onwettig waren; dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek moet worden nietigverklaard, en dat het besluit van de jury om Math op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, weliswaar niet onwettig was, maar dat haar besluit om Van der Stijl niet op de lijst te plaatsen, moet worden nietigverklaard wegens onvoldoende motivering .
37 . Zoals reeds gezegd, volgt uit de eventuele nietigverklaring van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, dat alle latere fasen van het vergelijkend onderzoek, waaronder de uiteindelijke aanstelling van Math, ongeldig zijn . In de thans besproken twee zaken berusten verzoekers' middelen ( behalve Cullingtons grief tegen de late bekendmaking van de resultaten van het vergelijkend onderzoek ) stellig nagenoeg volledig op hun grieven tegen de in de andere zaken bestreden handelingen van de Commissie . Ook hier moet evenwel elke stap in zijn context worden gezien, daar anders de tot nu toe vastgestelde gebreken, elk op zich beschouwd, onvoldoende ernstig zouden kunnen lijken om nietigverklaring van de benoeming te rechtvaardigen .
38 . Met mijn samenvatting van de feiten voor ogen en voorts rekening houdend met de antecedenten van de zaak, zoals beschreven in de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn in zaak 128/84, kan men niet anders dan versteld staan van het feit dat Math een ambt bekleedde en bleef bekleden waarin hij volgens 's Hofs arrest op onwettige wijze was aangesteld, dat de weg die tot dat resultaat leidde, in zekere zin speciaal daarvoor leek te zijn aangelegd, dat die weg door een reeks onwettige stappen wordt gekenmerkt, waaronder met name Maths aanstelling met terugwerkende kracht na het vorige arrest van het Hof, de in strijd met de duidelijke bewoordingen van het Statuut zijnde verlenging van dat contract en het opnemen in de aankondiging van vergelijkend onderzoek van voorwaarden die kennelijk aan de situatie van Math waren aangepast - en dat alles terwijl er onbetwistbaar andere kandidaten van binnen de instelling waren, die voldoende kwalificaties voor de betrokken post hadden . Op een aantal punten zijn de beroepen weliswaar ongegrond, maar op die welke mijns inziens doorslaggevend zijn, zijn zij gegrond . Wanneer ik deze laatste punten op een rij zet, kan ik niet anders dan tot de conclusie komen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag om een of andere reden vastbesloten was Math aan te stellen, en dat het de procedure met dat doel voor ogen heeft ingericht . Mijns inziens is dat een duidelijk geval van misbruik van procedure . Ik concludeer dan ook, dat het besluit om Math op de betrokken post aan te stellen, moet worden nietigverklaard . Om te vermijden dat sommige van mijn opmerkingen als kritiek op Math zelf zouden worden verstaan, wil ik daaraan toevoegen, dat hem persoonlijk voor deze ongelukkige omstandigheden geen blaam treft . Zoals namens hem ter terechtzitting is gezegd, heeft hij zijn eigen zaak nooit actief bij de Commissie bepleit en is de Commissie verantwoordelijk voor het gebeurde .
Schadevergoeding
39 . In zaak 341/85 vordert Van der Stijl Ecu 2 000 schadevergoeding . Ook in de zaken 251, 266/86 en 232/87 vordert hij schadevergoeding . Hij betoogt, dat in casu de nietigverklaring van de diverse besluiten alleen niet volstaat om de schade te vergoeden die zijn reputatie heeft geleden, noch als morele schadevergoeding, zoals in zaak 128/84 was geoordeeld . Thans is Van der Stijl echter met pensioen . Het enkele feit dat hij na zijn pensionering de onderhavige zaken heeft voortgezet ( waartoe hij stellig het recht had ), wijst erop, dat het hem er in hoofdzaak om te doen was, de aanstelling van Math te horen nietigverklaren . In ieder geval geloof ik niet, dat het noodzakelijk of wenselijk is verzoeker bovendien een financiële vergoeding tot welk bedrag ook toe te kennen . Evenals in zaak 128/84 en in de gevoegde zaken 59 en 129/80 ( Turner, Jurispr . 1981, blz . 1983 ) kan met nietigverklaring van de besluiten worden volstaan . Ook de vordering tot vergoeding van "morele" of immateriële schade, door Cullington in zaak 222/87 ingesteld, moet worden afgewezen .
Kosten
40 . Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement van de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Ofschoon de Commissie mijns inziens op bepaalde punten in het gelijk moet worden gesteld, winnen verzoekers ongetwijfeld het pleit wat de zaken in hun geheel betreft . Zelfs in de zaken waarin zij falen, kan met recht en reden worden gezegd, dat het de wijze is waarop de Commissie de aangelegenheid heeft behandeld, die hen ertoe heeft gebracht die beroepen in te stellen . Daarom meen ik, dat de Commissie in alle door verzoekers gemaakte kosten moet worden verwezen, daaronder begrepen die welke op het - afgewezen - verzoek in kort geding in zaak 341/85 zijn gevallen, en in ieder geval in de kosten die zijzelf heeft gemaakt in verband met de verworpen excepties van niet-ontvankelijkheid in de zaken 251, 258, 262 en 266/86 . Voorts ben ik van mening, dat interveniënt weliswaar in het ongelijk is gesteld, maar dat hem ter zake geen schuld treft en dat de Commissie verantwoordelijk is voor zijn situatie . Onder die omstandigheden meen ik, dat de Commissie ook in de door Math gemaakte kosten moet worden verwezen .
Conclusie
41 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging :
- in zaak 341/85, nietig te verklaren het besluit om Math als tijdelijk functionaris aan te stellen, voor wat de periode tussen 28 september 1983 en 7 oktober 1985 betreft;
- in zaak 251/86, nietig te verklaren het besluit houdende verlenging van Maths contract van tijdelijk functionaris na 31 december 1985;
- de beroepen in de zaken 258 en 259/86 te verwerpen;
- in zaak 262/86, nietig te verklaren het besluit van de jury om verzoeker niet op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen;
- in zaak 266/86, nietig te verklaren de aankondiging van vergelijkend onderzoek;
- in de zaken 222 en 232/87, nietig te verklaren het besluit waarbij Math is aangesteld ( zaak 222/87 ), alsmede het besluit tot afwijzing van Cullingtons sollicitatie .
De vorderingen tot schadevergoeding moeten worden afgewezen . De Commissie moet in alle zaken in de kosten van verzoekers worden verwezen, daaronder begrepen die welke op het verzoek in kort geding in zaak 341/85 zijn gevallen alsmede de kosten van interveniënt .
(*) Oorspronkelijke taal : Engels .
Full & Egal Universal Law Academy