Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Ferriere San Carlo SpA verzoekt het Hof om nietigverklaring van de beschikking van 9 oktober 1985 waarmee de Commissie van de Europese Gemeenschappen haar een boete van 117*500*ecu heeft opgelegd wegens overschrijding van haar quotum voor betonstaal ( categorie*V ) dat zij gedurende het laatste kwartaal van 1983 op de gemeenschappelijke markt mocht leveren .
Het juridisch kader is bekend . Om het hoofd te bieden aan de ernstige crisis waarin de Europese staalindustrie nog steeds verkeerde, voerde de Commissie in juni*1981 een nieuw, op kwartaalquota gebaseerd stelsel in ter controle van de produktie ( basisbeschikking nr.*1831/81/EGKS van 24*juni 1981, PB*1981, L*180, blz.*1 ). Kort gezegd waren de ondernemingen verplicht, gedurende de periode van 1*juli 1981 tot 30*juni 1982 :
a ) voor bepaalde categorieën produkten de produktie - en leveringsquota in acht te nemen die de gemeenschapsautoriteiten aan het begin van elk kwartaal vaststelden;
b ) elke maand opgave te doen van hun produktie en leveringen .
De wetgever verwachtte, dat dit stelsel het voor de ondernemingen mogelijk zou maken hun produktieprogramma' s vast te stellen, terwijl de Commissie door het vaststellen van nieuwe quota voor het volgende kwartaal, rekening zou kunnen houden met de schommelingen in vraag en aanbod ( punt*4 van de considerans ).
Bij de latere beschikking nr.*1696/82/EGKS van 30*juni 1982 ( PB*1982, L*191, blz.*1 ) werd niet enkel de geldingsduur van dat stelsel voor een jaar verlengd . De ervaring had immers aangetoond, dat men voor een doeltreffend toezicht op het produktiequotastelsel moest kunnen beschikken over "nauwkeurige gegevens betreffende de bij het begin van de geldingsduur van de ... beschikking aanwezige voorraden" ( punt*3 van de considerans ). Met andere woorden, men had ontdekt dat de ondernemingen eventuele produktie-excedenten van een bepaald kwartaal hadden weten weg te moffelen door het voor te stellen alsof de boven het quotum geproduceerde hoeveelheden behoorden tot een voorraad die al vóór de wijziging bestond; zij werden daarom verplicht, eenmalig en enkel voor de onder het quotastelsel vallende produkten opgave te doen van de stand van hun op 30*juni 1982 aangehouden voorraden ( artikel*2, lid*1, tweede*alinea ).
Ten slotte werd bij beschikking nr.*2177/83/EGKS van 28*juli 1983 ( PB*1983, L*208, blz.*1 ), die ook op de onderhavige zaak van toepassing is, de geldingsduur van dit stelsel verlengd tot 31*januari*1984 . Bovendien werden ook de produkten van de categorieën*II en*III aan het quotastelsel onderworpen; voor deze staalsoorten moesten de betrokken ondernemingen dus opgave doen van hun voorraden op 30*juni*1983 .
2 . Dan kom ik nu tot de grond van de zaak . In wezen is de these van verzoekster zeer eenvoudig . De nieuwe regeling -*zo zegt zij *- bevat geen uitdrukkelijk verbod van de verkoop boven quota van in voorraad zijnde produkten, op voorwaarde evenwel dat die voorraden wettig zijn gevormd, dit wil zeggen, met inachtneming van de produktiequota . Dit nu zou het geval zijn met de partij betonstaal waarvoor de boete is opgelegd; deze partij behoorde immers tot een voorraad van 7*327*ton die op 30*juni 1983 aanwezig was en door verzoekster aan de controle-instanties was opgegeven . Die voorraad was ook op wettige wijze ontstaan, aangezien de onderneming zich in de periode van 1*juli 1982 tot 30*juni 1983 aan de haar toegekende produktiequota had gehouden .
Dit is nog niet alles . Ter rechtvaardiging van de overschrijding van het leveringsquotum voor het vierde kwartaal*1983 verwijst verzoekster voorts naar de soepelheid waarmee de gemeenschapsorganen al geruime tijd waren opgetreden . Vaststaat dat tal van ondernemingen hun onder het oude stelsel aangelegde voorraden hadden geliquideerd door ze buiten de op kwartaalbasis vastgestelde leveringsquota om te verkopen, zowel na beschikking nr.*1831/81 als in het jaar daarop, dit wil zeggen toen beschikking nr.*1696/82/EGKS van toepassing was . De Commissie nu heeft geen van die ondernemingen een boete opgelegd . In die omstandigheden, zo concludeert verzoekster, kan men niet anders dan erkennen, dat zij bij de haar verweten overschrijding te goeder trouw was . De boete van 9*oktober 1985 zou dan ook niet gerechtvaardigd zijn .
3 . Het beroep kan niet slagen . Met betrekking tot het eerste argument wijs ik erop, dat indien de ondernemingen inderdaad vrij waren geweest om zonder leveringsbeperkingen de binnen de produktiequota gevormde voorraden te verkopen -*wanneer zij dus met een deel van de hun voor elk kwartaal toegewezen produktie een voorraad hadden kunnen aanleggen om die vervolgens buiten de quotaregeling om op de aantrekkelijke gemeenschappelijke markt te verkopen *-, de gemeenschapsautoriteiten de ontwikkeling van vraag en aanbod niet hadden kunnen controleren . Ik wees er echter al op, dat die controle juist een van de voornaamste doelstellingen was van de hervorming van*1981 .
Zeker, er is geen enkele bepaling die een dergelijke handelwijze uitdrukkelijk verbiedt . Het waarom van dat stilzwijgen is evenwel duidelijk . Zoals gezegd, onder het nieuwe stelsel stelt de Commissie de quota per kwartaal vast en is elke onderneming verplicht maandelijks opgave te doen van haar produktie en leveringen; aangezien echter inachtneming van de quota als zodanig het aanleggen van voorraden uitsluit, is het logisch onmogelijk van "wettige" voorraden te spreken . Met andere woorden, sinds 1*juli 1981 waren de ondernemingen niet meer gerechtigd voorraden van onder het quotastelsel vallende produkten aan te leggen of te vergroten en ze te bestemmen voor de vrije verkoop op het grondgebied van de Gemeenschap . Een verbod om die produkten te verkopen, was dus overbodig .
De hervorming brengt overigens -*en zo kom ik tot verzoeksters tweede argument *- een probleem mee wat de overgangsregeling betreft, een probleem dat de Commissie pas na de vaststelling van de beschikking heeft onderkend en heeft trachten op te lossen . Op 1*juli 1981 immers konden de ondernemingen voorraden hebben van staal of betonstaal dat binnen de onder de oude regeling vastgestelde quota was geproduceerd . Om te vermijden dat ook deze onder de beperkingen van het nieuwe stelsel zouden vallen en om de producent dus geen twee keer te benadelen, werd besloten in de eerstkomende twaalf maanden niet op te treden tegen leveringen boven quotum . Zoals blijkt uit de considerans van de bestreden beschikking, is een overeenkomstig besluit om overtredingen niet te beboeten, vervolgens genomen voor de periode van 1*juli 1982 tot 30*juni 1983; tot dit laatste besluit was de Commissie evenwel gekomen omdat was gebleken dat tal van ondernemingen de verplichting om eenmalig opgave te doen van hun voorraden, ten onrechte zo hadden begrepen, dat de afzet van die voorraden op de gemeenschappelijke markt vrij was .
Er bestaat geen twijfel over dat, althans in het tweede geval, de controle-autoriteit heel "tolerant" is opgetreden; dit optreden kan verzoeksters handelwijze echter niet rechtvaardigen op basis van "goede trouw ". Ik wijs erop, dat het na de hervorming twee jaar lang praktijk is geweest om de liquidatie van oude voorraden -*dat wil zeggen voorraden aangelegd vóór 1*juli 1982 *- te gedogen, maar de ondernemingen mochten die voorraden niet vergroten of nieuwe voorraden aanleggen . Anderzijds blijkt uit het dossier, dat verzoekster gedurende de periode van 1*juli 1982 tot 30*juni 1983 niet enkel haar voorraden niet definitief heeft opgeruimd, maar deze verder heeft vergroot van 2*741 tot 7*327*ton . Haar bewering dat zij dit heeft gedaan zonder er zich rekenschap van te geven dat zij een overtreding beging, is dan ook ongegrond . Wat zij buiten quota heeft verkocht, kwam immers uit een te kwader trouw aangelegde voorraad .
Ter terechtzitting heeft verzoekster geantwoord, dat de betrokken 2*343*ton vóór 1*juli 1982 in voorraad waren en bijgevolg wettig buiten de leveringsquota om konden worden afgezet . Ik sluit niet uit, dat de aangevoerde omstandigheid juist is, maar ik zie niet, hoe dit de door mij voorgestelde oplossing kan beïnvloeden .
Ik herinner eraan, dat de bestreden verkoop eind*1983 heeft plaatsgevonden, dat wil zeggen op een moment waarop de verplichting om de kwartaalquota voor de levering van betonstaal na te leven, moest worden geacht absoluut te zijn, althans zich niet meer te verdragen met de afwijkende praktijk die tot juli van dat jaar was toegepast . Voor de produkten van categorie*V bevatte beschikking nr.*2177/83/EGKS -*die op het ogenblik van de levering van kracht was *- immers geen enkele nieuwe verplichting tot voorraadopgave; zij verlengde enkel het quotastelsel . Bijgevolg konden vanaf 1*juli 1983 de eventuele voorraden, zelfs indien zij vóór juli*1982 waren aangelegd, niet meer op de gemeenschappelijke markt worden verkocht zonder inbreuk te maken op de voor die categorie vastgestelde kwartaalbeperkingen .
Ten slotte, indien verzoekster inderdaad van mening was geweest, dat zij 2*343*ton betonstaal die zij vóór 1*juli 1983 had opgeslagen, in het laatste kwartaal van*1983 mocht verkopen, dan had zij de wettigheid van de voor die periode vastgestelde leveringsquota moeten betwisten . Zij heeft dat echter niet gedaan, en daar de beschikking waarmee de Commissie haar die beperking heeft meegedeeld, inmiddels definitief is geworden, kan zij dit thans niet meer doen in een beroep tot nietigverklaring van een boete ( zie het arrest van het Hof van 10*december 1986, zaak*41/85, Sideradria, Jurispr.*1986, blz.*3917, r.o.*10 ).
4 . Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, het op 15 november 1985 door Ferriere San Carlo SpA ingestelde beroep te verwerpen, met verwijzing van verzoekster in de kosten van het geding overeenkomstig artikel*69, paragraaf*2, van het Reglement voor de procesvoering .
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy