CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 26 juni 1986 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De heer Cognet is directeur van een Centre Leclerc. Hij wordt vervolgd ter zake van de verkoop van boeken met een korting van 20%, zulks in strijd met artikel 1 van de Franse wet nr. 81-766 van 10 augustus 1981, zoals gewijzigd.
Vóór de wijziging bepaalde deze wet, dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die boeken uitgaf of invoerde, gehouden was voor de uitgegeven of ingevoerde boeken een detailhandelsprijs vast te stellen. Detailhandelaren moesten een verkoopprijs toepassen die 95% tot 100% van de door de uitgever of de importeur vastgestelde prijs bedroeg. Volgens een bijzondere bepaling moest bij invoer van in Frankrijk uitgegeven boeken de door de importeur vastgestelde detailhandelsprijs ten minste gelijk zijn aan die welke door de uitgever was vastgesteld.
In het arrest van 10 januari 1985 (zaak 229/83, Association des Centres distributeurs Edouard Leclerc en anderen, Jurispr. 1985, blz. 1) besliste het Hof, dat sommige bepalingen van deze wet in strijd waren met artikel 30 EEG-Verdrag. Bijgevolg werd de basiswet bij de Franse wet nr. 85-500 van 13 mei 1985 gewijzigd. Zij bepaalt nu, dat de vijfde alinea van artikel 1 niet geldt voor uit een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap ingevoerde boeken, tenzij met name uit het feit dat zij in die staat niet daadwerkelijk in het verkeer zijn gebracht, blijkt dat met die verrichting werd beoogd de verkoop aan het publiek aan de werking van de vierde alinea te onttrekken.
Cognet erkent weliswaar dat hij in strijd met de wet bij de verkoop van boeken een korting heeft toegestaan, doch stelt dat de bepalingen van de betrokken wet in strijd zijn met het EEG-Verdrag. Hij voert als voornaamste argument aan, dat de wijzigingswet onderscheid maakt tussen ingevoerde boeken en Franse boeken, hetgeen nadelig zou zijn voor Franse distributeurs en kleinhandelaren die in Frankrijk uitgegeven en uitsluitend in dat land op de markt gebrachte boeken verkopen, en met name in strijd zou zijn met artikel 7 EEG-Verdrag. Hij betoogt, dat de prijs van in Frankrijk uitgegeven en uit een andere Lid-Staat wederingevoerde boeken vrij is, terwijl voor in Frankrijk uitgegeven boeken die niet buiten dat land in de handel zijn geweest, een stelsel van vaste prijzen geldt.
Bijgevolg werd voor het tribunal d'instance te Bressuire (Frankrijk), waar deze strafzaak dient, gesteld dat Franse distributeurs hebben te kampen met buitenlandse concurrentie waar zij machteloos tegenover staan. Zulks zou neerkomen op discriminatie tussen Franse handelaren en buitenlandse exporteurs.
De rechter heeft het Hof de volgende vraag gesteld :
„Staan de communautaire beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, zoals met name neergelegd in de artikelen 3, sub f, en 7 EEG-Verdrag, eraan in de weg, dat een Lid-Staat door middel van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen een tweeledige prijsregeling invoert voor de handel in boeken en voor identieke of gelijksoortige produkten, te weten:
—
vaste prijzen waarop tot 5% korting kan worden toegekend, voor in die staat uitgegeven en verkochte boeken die tijdens de verhandeling geen communautaire binnengrens hebben overschreden; en
—
prijzen die in beginsel onbeperkt vrij zijn, met name voor in Frankrijk uitgegeven en uit een Lid-Staat wederingevoerde boeken ?”
De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen — de enige die in de onderhavige zaak zijn ingediend — gesteld dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
Cognet heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat vaststaat dat de betrokken Franse wettelijke bepaling de mededinging belemmert. De boekenmarkt zou daardoor ten dele haar flexibiliteit verliezen en de Franse detailhandelaren zouden niet meer in staat zijn om in te spelen op de verlangens van de consument. Uit 's Hofs arrest van 16 november 1977 (zaak 13/77, GBINNOBM, Jurispr. 1977, blz. 2115) zou blijken, dat het hier om het soort mededingingsverstorende maatregelen gaat dat onder toepassing van het Verdrag kan vallen en ter beoordeling van het Hof staat.
In de tweede plaats betoogt Cognet, dat er naast het aangevoerde artikel 7 EEG-Verdrag een algemeen gelijkheidsbeginsel bestaat en dat, wanneer bepaalde maatregelen tot discriminatie van nationale producenten of nationale detailhandelaren leiden, niets in 's Hofs arresten van 13 maart 1979 (zaak 86/78, Peureux, Jurispr. 1979, blz. 897) en 14 december 1982 (gevoegde zaken 314 tot en met 316/81 en 83/82, strafzaak tegen A. Waterkeyn e. a., Jurispr. 1982, blz. 4337) eraan in de weg staat, dat het Hof zou beslissen dat hetgeen soms als „omgekeerde discriminatie” wordt bestempeld, onrechtmatig is.
Mijns inziens kan het antwoord op de vraag van de nationale rechter vrij kort zijn.
Het eerste probleem betreft de betekenis van artikel 3, sub f, EEG-Verdrag, dat bepaalt dat de activiteit van de Gemeenschap de invoering omvat van een regime waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst.
Het Hof heeft er, meen ik, in zijn uitspraak in de zaak-Leclerc geen twijfel over laten bestaan, dat artikel 3, sub f, EEG-Verdrag op zich geen rechtstreekse werking heeft noch kan hebben. Het heeft slechts gevolgen, voor zover het is geconcretiseerd in materiële mededingingsregels, zoals die van artikel 85.
Het Hof heeft ook duidelijk gesteld, dat artikel 85 niet toepasselijk is op situaties zoals die bedoeld in de onderhavige zaak, waarin een nationale wettelijke regeling in het geding is. Dit artikel betreft onderling afgestemde feitelijke gedragingen en overeenkomsten tussen ondernemingen, en daarom gaat het in casu niet. In weerwil van wat is opgemerkt omtrent de gevolgen voor de mededinging, meen ik derhalve, dat het beginsel van artikel 3, sub f, geen toepassing vindt in het onderhavige geval.
De tweede bepaling van het EEG-Verdrag waarop uitdrukkelijk een beroep wordt gedaan, is artikel 7, dat bepaalt dat binnen de werkingssfeer van het Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit is verboden.
Volgens mij gaat het hier in feite niet om discriminatie op grond van de nationaliteit, doch hierom, dat voor verschillende produkten verschillende prijsvoorschriften gelden. Van discriminatie van personen op grond van hun nationaliteit is geen sprake. Zo al enig onderscheid bestaat, is het tussen Franse handelaren die boeken verkopen die in Frankrijk zijn uitgegeven en dat land nooit hebben verlaten, en Franse handelaren die boeken wensen te verkopen die uit een ander land zijn wederingevoerd.
Wat de verwijzing naar het algemene gelijkheidsbeginsel betreft, heeft de discussie zich toegespitst op artikel 30 EEG-Verdrag. Het Hof heeft in vorenaangehaalde arresten duidelijk gemaakt, dat artikel 30 de afbraak tot doel heeft van de barrières die de invoer van goederen uit een Lid-Staat in een andere Lid-Staat bemoeilijken. Of er, gelijk de Commissie betoogt, een algemene regel bestaat op grond waarvan omgekeerde discriminatie buiten het toepassingsgebied van het Verdrag valt, kan mijns inziens in het midden worden gelaten. In ieder geval staat het buiten kijf, dat de nieuwe wettelijke bepaling een voordien aan de invoer van goederen in de weg staande hinderpaal uit de weg heeft geruimd. Worden Franse handelaren die in Frankrijk uitgegeven en niet-wederingevoerde boeken verkopen, daardoor inderdaad benadeeld, dan is zulks volgens mij uitsluitend een kwestie van nationaal recht. Van enige inbreuk op het gemeenschapsrecht is mijns inziens evenwel niet gebleken.
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging, de vraag van de nationale rechter in die zin te beantwoorden, dat de communautaire beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, zoals met name neergelegd in de artikelen 3, sub f, en 7 EEG-Verdrag, niet eraan in de weg staan, dat een Lid-Staat door middel van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen een tweeledige prijsregeling invoert voor de handel in boeken en voor identieke of gelijksoortige produkten, te weten:
—
vaste prijzen waarop tot 5% korting kan worden toegekend, voor in die staat uitgegeven en verkochte boeken die tijdens de verhandeling geen communautaire binnengrens hebben overschreden; en
—
prijzen die in beginsel onbeperkt vrij zijn, met name voor in Frankrijk uitgegeven en uit een Lid-Staat wederingevoerde boeken.
De door de Commissie in de onderhavige zaak gemaakte kosten kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding heeft de nationale rechterlijke instantie over de kosten te beslissen.
( *1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy