Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De Franse Cour de cassation heeft krachtens artikel*177 EEG-Verdrag in vier zaken een prejudiciële vraag gesteld over de omvang van de materiële werkingssfeer van verordening nr.*1408/71 van de Raad van 14*juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen . ( 1 )
2 . I . Deze vraag betreft de toepassing van sommige bepalingen inzake het "Fonds national de solidarité", dat bij wet nr.*56-639 van 30*juni 1956 in Frankrijk is opgericht "ter bevordering van een algemeen beleid om bejaarden meer bescherming te bieden, met name door de verbetering van pensioenen, renten en ouderdomsuitkeringen" ( het huidige artikel*815-1 van de Code de la sécurité sociale ). Dit Fonds kent aanvullende uitkeringen toe aan personen die al dan niet op bijdragebetaling berustende sociale uitkeringen ontvangen, aan een aantal voorwaarden voldoen en wier inkomsten onvoldoende worden geacht in verhouding tot de kosten van levensonderhoud in Frankrijk . Meer in het bijzonder bepaalt voornoemde wet, dat vreemdelingen voor de aanvullende uitkering slechts in aanmerking komen wanneer er met hun land van herkomst een wederkerigheidsovereenkomst bestaat ( artikel*815-11 ), en dat de gerechtigden op het Franse grondgebied moeten wonen ( artikel*815-2 ); de uitkering wordt stopgezet zodra zij hun woonplaats naar het buitenland verplaatsen ( artikel*815-11 ).
3 . II . De feiten die aan de hoofdgedingen ten grondslag liggen, houden geheel en al verband met deze laatste wettelijke bepalingen .
4 . Zo ontvangt de belanghebbende in zaak*379/85, A.*Giletti, van Italiaanse nationaliteit, een weduwenpensioen op grond van het feit dat haar eveneens Italiaanse echtgenoot van 1930 tot zijn overlijden in 1961 in Frankrijk in loondienst werkzaam is geweest . Sedert 1961 woont zij in Italië; op 9*juni 1981 verzocht zij de Caisse régionale d' assurance maladie Rhône-Alpes om toekenning van de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité . Haar verzoek is afgewezen op grond dat zij niet in Frankrijk woonde .
5 . In de zaken 380 en 381/85 gaat het om twee Italiaanse gastarbeiders in Frankrijk, die reeds met pensioen zijn en een ouderdomspensioen en de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité ontvangen .
6 . In eerstgenoemde zaak deelde de betrokkene, D.*Giardini, de Caisse régionale d' assurance maladie du Nord-Est in 1982 mee, dat hij voornemens was zijn vaste woonplaats in Italië te vestigen, waarop de Caisse hem liet weten, dat hij in dat geval automatisch de aanvullende uitkering zou verliezen .
7 . In de tweede zaak was betrokkene, F.*Tampan, al in Italië gaan wonen en had de Caisse régionale d' assurance maladie de Nord-Est hem om die reden de aanvullende uitkering ontnomen .
8 . In zaak*93/86 tenslotte gaat het eveneens om een naar Frankrijk geëmigreerde Italiaanse werknemer, S.*Severini, die sedert 1964 een invaliditeitspensioen en de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité ontving . Toen hij in 1982 naar Italië verhuisde, ontnam het bevoegde orgaan, de Caisse primaire centrale d' assurance des Bouches-du-Rhône, hem de aanvullende uitkering en vorderde zij terzelfder tijd terugbetaling van uitkeringen die hem ten onrechte zouden zijn uitbetaald .
9 . Tegen al deze beslissingen van de Franse sociale-zekerheidsorganen is beroep ingesteld en in hoogste instantie heeft de Cour de cassation, waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof*van*Justitie een prejudiciële vraag gesteld, omdat deze geschillen problemen van uitlegging van het gemeenschapsrecht deden rijzen .
10 . III . In de nationale procedures hebben de betrokkenen zich beroepen op artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1408/71, luidens hetwelk "uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen ... en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten, op generlei wijze kunnen worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken ... op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is ."
11 . De gedaagde sociale-zekerheidsorganen betoogden van hun kant, dat de bepaling van verordening nr.*1408/71 waarop een beroep werd gedaan, in casu niet van toepassing was, omdat de uitkering van het Fonds national de solidarité een bijstandsuitkering is, die ingevolge artikel*4, lid*4, van de verordening buiten de materiële werkingssfeer ervan valt .
12 . De Cour de cassation heeft het Hof de volgende, in alle zaken gelijkluidende prejudiciële vragen gesteld :
13 . "1 ) Valt een uitkering als de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité, bedoeld in boek*IX van de Code de la sécurité sociale, binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr.*1408/71 van 14*juni 1971?
14 . 2 ) Wat is de betekenis en draagwijdte van de term 'verkregen' in artikel*10, lid*1, van die verordening?"
15 . De Cour de cassation heeft bij haar prejudiciële vragen enkele aanwijzingen gevoegd, ten einde hun betekenis te verduidelijken .
16 . In de eerste plaats wenst zij te vernemen, "of een uit de belastingopbrengst gefinancierde solidariteitsuitkering, die bedoeld is om in het algemeen een bestaansminimum te verzekeren, die wordt toegekend ter aanvulling van een andere, al dan niet op betaling van bijdragen berustende uitkering, afhankelijk van de inkomsten van de aanvrager, maar zonder verband met zijn beroepsactiviteit, en die onder bepaalde voorwaarden kan worden teruggevorderd van de nalatenschap van de uitkeringsgerechtigde, binnen de in artikel*4 van verordening nr.*1408/71 omschreven materiële werkingssfeer valt ".
17 . Voor het bevestigende geval vraagt de Franse Cour de cassation het Hof of een dergelijke uitkering als "verkregen" in de zin van artikel*10 van verordening nr.*1408/71 is aan te merken, wanneer de betrokkene in een andere Lid-Staat woont of gaat wonen .
18 . IV . Laat ik eerst de schriftelijke opmerkingen die de verschillende partijen bij het Hof hebben ingediend, zakelijk samenvatten .
19 . De Franse sociale-zekerheidsorganen die partij zijn in de respectieve hoofdgedingen, en de Franse regering betogen, dat een uit de algemene middelen gefinancierde sociale uitkering, die wordt toegekend afhankelijk van de inkomsten van de betrokkene en die bedoeld is om in een situatie van behoeftigheid te voorzien, geen sociale-zekerheidsuitkering is, maar als bijstandsuitkering moet worden gekwalificeerd . De aanvullende uitkering zou hoe dan ook nooit een "verkregen" uitkering kunnen zijn in de zin van artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1408/71, omdat het recht erop geen verband houdt met de uitoefening van een beroepsactiviteit door de rechthebbende en omdat zij bovendien te allen tijde kan worden geschorst of herzien naargelang van de schommelingen in het inkomen van de betrokkene .
20 . De andere betrokken partijen -*zowel de uitkeringstrekkers als de Italiaanse en de Britse regering en de Commissie *- baseren zich op 's*Hofs rechtspraak en betogen, dat een uitkering als de onderhavige in beginsel tot het stelsel van de sociale zekerheid in de zin van artikel*51 EEG-Verdrag behoort . Zij moet dan ook binnen de in artikel*4, lid*4, omschreven materiële werkingssfeer van verordening nr.*1408/71 vallen, omdat zij zonder enige individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften aan de rechthebbenden een wettelijke omschreven positie verschaft en de ontvangers van de in artikel*4, lid*1, opgesomde sociale-zekerheidsuitkeringen een aanvullend inkomen beoogt te verzekeren . Dienvolgens zou de aanvullende uitkering op één lijn moeten worden gesteld met een sociale-zekerheidsuitkering en zouden de in artikel*10, lid*1, bedoelde voorwaarden betreffende de woonplaats er niet op van toepassing zijn .
21 . V . Zoals sommige partijen bij de procedure en in het bijzonder de Commissie beklemtonen, biedt 's*Hofs rechtspraak ons voldoende houvast om een duidelijk antwoord op de prejudiciële vragen van de Cour de cassation te kunnen geven .
22 . In het gevolg van het arrest-Frilli ( 2 ) heeft het Hof zich immers in verscheidene arresten uitgesproken over de vraag, hoe "niet op bijdragebetaling berustende prestaties van gemengd type" naar gemeenschapsrecht zijn te kwalificeren, en aan de hand daarvan kan het door de Cour de cassation opgeworpen probleem worden opgelost .
23 . In één geval ging het overigens juist om de toepassing van de Franse wetgeving inzake de aanvullende uitkeringen van het Fonds national de solidarité, in het kader van de voorgangster van verordening nr.*1408/71, namelijk verordening nr.*3 . ( 3 )
24 . In haar schriftelijke opmerkingen geeft de Commissie een gedetailleerde analyse van die rechtspraak, en ik zal mij hier daarom beperken tot de belangrijkste punten en deze in verband brengen met de gestelde vraag .
25 . Om te bepalen welke sociale uitkeringen binnen de werkingssfeer van verordening nr.*1408/71 vallen, is het vooral van belang "de constitutieve elementen van een prestatie, met name het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden voor haar toekenning", te omschrijven . ( 4 )
26 . Het gaat om een probleem van gemeenschapsrecht, dat moet worden opgelost overeenkomstig de vereisten van het gemeenschapsrecht, onverschillig hoe het nationale recht de uitkering kwalificeert en ongeacht de aard van de wettelijke regeling waartoe zij behoort . ( 5 )
27 . Nu is het niet steeds even gemakkelijk om, zelfs in het kader van het gemeenschapsrecht, een duidelijk onderscheid te maken tussen stelsels van sociale zekerheid en van sociale bijstand, want wegens de kring van personen waarop zij van toepassing zijn, hun doelstellingen en wijze van toepassing, zijn bepaalde wettelijke regelingen gelijktijdig verwant met elk van beide genoemde categorieën, zodat zij zich niet in een algemene indeling laten vatten . ( 6 )
28 . Een wettelijke regeling die de sociale bescherming dient, kan van gemengde aard zijn wanneer zij, "gezien de ruime omschrijving van de kring van begunstigden, in feite een tweeledige functie heeft, bestaande in het garanderen van een bestaansminimum aan personen die volledig buiten het stelsel van sociale zekerheid vallen enerzijds, en in het verzekeren van een aanvullend inkomen aan degenen die een ontoereikende uitkering van sociale zekerheid genieten anderzijds ".
29 . Bepaalde kenmerken van een dergelijke regeling wijzen in de richting van sociale bijstand, met name wanneer de behoefte als wezenlijk toepassingscriterium geldt en er geen enkele bijzondere eis bestaat met betrekking tot tijdvakken van beroepsarbeid, verzekering of bijdragebetaling . Anderzijds vertoont zo' n regeling meer verwantschap met de sociale zekerheid, doordat wordt afgezien "van een individuele beoordeling -*die kenmerkend is voor de bijstand *- en de begunstigde een wettelijk omschreven positie (( heeft ))", die hem recht geeft op een uitkering . ( 7 )
30 . Juist aan deze omstandigheid nu heeft het Hof een beslissende betekenis toegekend . Zoals duidelijk wordt gesteld in het arrest Fossi ( 8 ), "valt een wettelijke regeling waarbij los van enige individuele en discretionaire beoordeling van persoonlijke behoeften of omstandigheden een wettelijk omschreven rechtspositie aan de begunstigden wordt verschaft, in beginsel onder de sociale zekerheid in de zin van artikel*51 EEG-Verdrag en de verordeningen 3 en 1408/71 ". ( 9 )
31 . Wil een wettelijke regeling tot het in verordening nr.*1408/71 bedoelde gebied van de sociale zekerheid behoren, dan moet zij niettemin, zoals in enkele eerdere arresten impliciet en in de zaken Hoeckx en Scrivner uitdrukkelijk werd verklaard, "in elk geval verband houden met een van de in artikel*4, lid*1, van die verordening uitdrukkelijk opgesomde risico' s . Omdat het daar dus om een exhaustieve opsomming gaat, kan een daarin niet genoemde tak van sociale zekerheid niet als zodanig worden gekwalificeerd, zelfs indien zij de rechthebbenden een wettelijk omschreven positie toekent die recht geeft op een uitkering ". ( 10 )
32 . VI . Een sociale uitkering zoals die van het Fonds national de solidarité voldoet door haar kenmerken in beginsel aan de in 's*Hofs rechtspraak omschreven voorwaarden om binnen de werkingssfeer van verordening nr.*1408/71 te vallen .
33 . a)*De Franse Code de la sécurité sociale verleent de rechthebbenden op deze uitkering "een wettelijk omschreven positie", aangezien de sociale-zekerheidsorganen die bevoegd zijn om over de toekenning van de uitkering te beslissen, geen enkele discretionaire beoordelingsbevoegdheid hebben met betrekking tot de persoonlijke behoeften of situatie . Bij de uitvoering van hun taak beschikken deze organen enkel over een "gebonden" bevoegdheid : zij hebben uitsluitend te verifiëren of voldaan is aan de objectieve voorwaarden inzake leeftijd, inkomsten, positie ten aanzien van de sociale zekerheid, arbeidsongeschiktheid of andere wettelijke uitkeringsvoorwaarden . Stellen zij vast dat aan deze voorwaarden is voldaan, dan heeft de betrokkene recht op de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité en kan hij zich tot de inzake sociale zekerheid bevoegde rechtbanken wenden om dit recht af te dwingen .
34 . b)*De wettelijke regeling inzake het Fonds national de solidarité is van gemengde aard en kan de "tweeledige functie" hebben waarvan in de arresten-Frilli en Piscitello wordt gesproken .
35 . De aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité, die desgevallend kan worden toegekend aan personen die buiten het stelsel van de sociale zekerheid vallen ( volgens de Commissie is dat het geval wanneer zij wordt toegekend aan de ontvangers van de bijzondere ouderdomsrente, een uitkering die naar het schijnt, onder de sociale bijstand valt ), beoogt in*wezen een aanvullend inkomen te verzekeren aan degenen die een ontoereikende uitkering van sociale zekerheid ontvangen .
36 . In elk geval, aldus het arrest-Biason ( 11 ), "vermag het feit dat een zelfde wet tevens ziet op begunstigden ter zake van voordelen welke verwant kunnen zijn aan het begrip bijstand, uit het oogpunt der gemeenschapsverordeningen geen verandering te brengen in het eigenlijke sociale-zekerheidskarakter van een uitkering die is gekoppeld aan een invaliditeitspensioen, waarvan zij van rechtswege een bijkomend onderdeel vormt ".
37 . Aangezien de vier thans aanhangige procedures alle betrekking hebben op uitkeringen van het Fonds national de solidarité ter aanvulling van uitkeringen die onbetwistbaar onder de sociale zekerheid vallen, behoeven wij hier niet verder op dit probleem in te gaan .
38 . De Cour de cassation preciseert zelf, dat het gaat om een uitkering "die bedoeld is om in het algemeen een bestaansminimum te verzekeren, die wordt toegekend ter aanvulling van een andere, al dan niet op betaling van bijdragen berustende uitkering, afhankelijk van de inkomsten van de aanvrager, maar zonder verband met zijn beroepsactiviteit ".
39 . Bovengenoemde kenmerken doen zeer duidelijk de gemengde aard van deze wettelijke regeling uitkomen ( juist als van andere regelingen waarnaar het Hof heeft verwezen ), die, doordat zij de betrokkene een wettelijk omschreven positie verschaft, binnen de werkingssfeer van verordening nr.*1408/71 valt, welke uitdrukkelijk ook niet op bijdragebetaling berustende uitkeringen omvat; deze laatste worden gekenmerkt door een aantal elementen die in*casu voorhanden zijn ( de behoeftigheid en het feit dat er geen voorwaarden worden gesteld inzake tijdvakken van beroepsactiviteit, verzekering of bijdragebetaling ).
40 . c)*Het stelsel van de wettelijke regeling inzake het Fonds national de solidarité houdt verband met enkele van de in artikel*4, lid*1, van verordening nr.*1408/71 opgesomde risico' s .
41 . In de eerste plaats moeten de ontvangers van de aanvullende uitkering voldoen aan bepaalde voorwaarden inzake leeftijd of arbeidsongeschiktheid .
42 . In de tweede plaats hebben de hoofduitkeringen waarmee de solidariteitsuitkering verbonden is, betrekking op de in artikel*4, lid*1, opgesomde risico' s : het gaat immers om uitkeringen bij ouderdom, aan nagelaten betrekkingen en bij invaliditeit ( artikel*4, lid*1, sub*c, d en b, van de verordening ).
43 . In zoverre valt de solidariteitsuitkering ook onder de bepaling van artikel*1, sub*t, van verordening nr.*1408/71, die uitdrukkelijk "aanvullende uitkeringen" omvat, en is zij niet vergelijkbaar met de "sociale uitkering van algemene aard" die het Belgisch bestaansminimum is waarop de arresten-Hoeckx en Scrivner betrekking hebben .
44 . VII . Aan deze conclusie wordt evenmin afgedaan door bepaalde aspecten van de wettelijke regeling inzake het Fonds national de solidarité, die door de Cour de cassation worden genoemd in haar opmerkingen bij haar prejudiciële vragen .
45 . In de eerste plaats de wijze van financiering .
46 . Sedert zijn oprichting wordt het Fonds uitsluitend gefinancierd uit speciaal daarvoor bestemde fiscale ontvangsten .
47 . Tussen 1959 en 1979 werd het gefinancierd uit eigen inkomsten van het algemene stelsel van sociale zekerheid; de staat kende een subsidie toe die de kosten van de aanvullende uitkeringen slechts gedeeltelijk dekte .
48 . Thans neemt de staat kennelijk de gehele financiering van alle uitgaven van het Fonds national de solidarité voor zijn rekening .
49 . Wat er ook van zij, de betrokken uitkeringen zouden steeds binnen de werkingssfeer van verordening nr.*1408/71 vallen op grond van artikel*1, sub*t (" met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen "), dan*wel van artikel*4, lid*2 (" deze verordening is van toepassing op de ... stelsels van de sociale zekerheid, welke al dan niet op premie - of bijdragebetaling berusten ").
50 . Deze vaststelling geldt ook voor de uitkeringen ter aanvulling waarvan de solidariteitsuitkering wordt toegekend, wanneer het om niet op bijdragebetaling berustende uitkeringen gaat .
51.Hierbij zij evenwel opgemerkt, dat de vier aanhangige procedures alle situaties betreffen waarin de uitkering van het Fonds national de solidarité wordt betaald of is aangevraagd ter aanvulling van een hoofduitkering ten laste van een op bijdragebetaling berustend stelsel van sociale zekerheid .
52 . In de tweede plaats kan de aanvullende uitkering onder bepaalde voorwaarden worden teruggevorderd van de nalatenschap van de uitkeringstrekker . Ook dit verandert niets aan de aard van de uitkering wanneer het gaat om de vraag of zij onder het gemeenschapsrecht valt : de uitkering is aan de betrokkene betaald als een "verkregen" prestatie, en daarbij is niet van belang, dat derden ( de erfgenamen ) verplicht zijn het bedrag ervan na de dood van de rechthebbende uit diens nalatenschap terug te betalen . Waar het om gaat, is de rechtspositie van de uitkeringstrekker en, zoals de Commissie betoogt, sluit verordening nr.*1408/71 niet op bijdragebetaling berustende uitkeringen die niet definitief ten laste komen van het uitkeringsorgaan, niet van zijn werkingssfeer uit . Terugbetaling vindt overigens niet plaats wanneer er geen of onvoldoende baten in de nalatenschap zijn .
53 . Daarbij moet worden opgemerkt, dat een uitkering als die van het Fonds national de solidarité evenmin buiten de werkingssfeer van de gemeenschapsverordening valt omdat zij kan worden geschorst, herzien of ingetrokken in geval van veranderingen in de inkomenspositie van de rechthebbende . Het recht dat deze laatste uitoefende door de uitkering aan te vragen en te verkrijgen, is daarbij niet in geding; het gaat er dan uitsluitend om, de objectieve toelatingsvoorwaarden te toetsen ( bij voorbeeld in het geval van een werkloosheids - of ziekteuitkering, die wordt uitbetaald zolang de toestand op grond waarvan zij is toegekend, voortduurt ).
54 . Ten slotte valt op te merken, dat de Lid-Staten krachtens artikel*5 van verordening nr.*1408/71 een lijst moeten meedelen van de in artikel*4 bedoelde wettelijke regelingen en stelsels . De Franse Republiek nu heeft de bepalingen betreffende de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité niet in die lijst opgenomen .
55 . Hieraan moet echter geen belang worden gehecht . Zoals ik reeds zei, komt het aan op de intrinsieke aard van de uitkering; bovendien zijn de betrokken nationale bepalingen niet vermeld in een van de bijlagen bij de verordening en in die omstandigheden heeft het Hof reeds duidelijk gesteld, dat de toepassing van een gemeenschapsverordening op een bepaalde wettelijke regeling niet kan afhangen van de vraag of de betrokken Lid-Staat die regeling heeft meegedeeld, omdat anders de toepassing van het gemeenschapsrecht van een eenzijdige nationale handeling afhankelijk zou zijn, waardoor de Lid-Staten de werkingssfeer ervan op arbitraire wijze zouden kunnen bepalen . ( 12 )
56 . VIII . Neemt men aan, dat een wettelijke regeling als die inzake het Fonds national de solidarité binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr.*1408/71 valt, dan rijst de vraag of artikel*10 van die verordening van toepassing is en in het bijzonder of de betrokken uitkering als "verkregen" moet worden beschouwd en als dusdanig behouden blijft ingeval de rechthebbende in een andere Lid-Staat gaat wonen .
57 . In andere zaken is er reeds op gewezen ( 13 ), dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, het "exporteren" van een dergelijke uitkering aanzienlijke praktische moeilijkheden kan meebrengen, bij voorbeeld voor de constatering en de berekening van de inkomsten of de terugbetaling uit de nalatenschap .
58 . Men kan zelfs alleszins redelijke bedenkingen hebben in verband met het verschil tussen de kosten van levensonderhoud in de diverse Lid-Staten, en dus met betrekking tot de werkelijke waarde van de verschuldigde uitkeringen .
59 . Deze moeilijkheden en bedenkingen zijn zeker niet vreemd aan de systematische terughoudendheid van de Franse sociale-zekerheidsorganen wanneer het erom gaat de uitkering te betalen, en aan het herhaaldelijk geuite standpunt van de Franse regering, en dit ondanks de eerdere arresten van het Hof en de rechtspraak van de Cour de cassation en andere Franse rechters .
60 . Diezelfde moeilijkheden en bedenkingen zijn voor de Franse regering aanleiding geweest om een voorstel tot wijziging van verordening nr.*1408/71 in te dienen, en voor de Commissie om dat voorstel over te nemen .
61 . Niettemin, 's*Hofs rechtspraak, gezien in het licht van het geldende recht, is duidelijk ( 14 ): aangezien verordening nr.*1408/71 geen enkele specifieke bepaling bevat met betrekking tot de uitkering van het Fonds national de solidarité, moet worden aangenomen, dat de in artikel*10, lid*1, van de verordening bedoelde voorwaarden inzake woonplaats er niet voor gelden .
62 . Er rijst echter een bijkomende moeilijkheid, wanneer degene die aanspraak maakt op een uitkering zoals die van het Fonds national de solidarité, niet meer woont in het land dat die uitkering toekent ( in*casu Frankrijk ), of er nooit heeft gewoond, hetgeen het geval is in zaak*379/85 ( Giletti ).
63 . Ik geloof evenwel, dat het Hof deze moeilijkheid al eens expressis verbis heeft opgelost .
64 . Volgens het Hof ( 15 ) "heeft artikel*10 ten doel het vrije verkeer van werknemers te bevorderen door belanghebbenden te beschermen tegen de nadelen die uit verplaatsing van hun woonplaats van de ene Lid-Staat naar de andere kunnen voortvloeien", en op die manier bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van artikel*51 EEG-Verdrag . Gelijk wordt overwogen in de arresten-Caracciolo en Van*Roosmalen, "brengt dit beginsel niet alleen mee, dat de belanghebbende, zelfs na zijn woonplaats in een andere Lid-Staat te hebben gevestigd, zijn op grond van de wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten verkregen recht op pensioenen, renten en uitkeringen behoudt, maar ook dat dit recht hem niet kan worden ontzegd om de enkele reden dat hij niet woonachtig is op het grondgebied van de staat waar het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt ".
65 . Deze uitspraak van het Hof heeft weliswaar geen betrekking op een uitkering als die van het Fonds national de solidarité, maar zij is niettemin in algemene termen gesteld, omdat het voor het Hof ging om de uitlegging van een bepaling van een verordening ( namelijk artikel*10 van verordening nr.*1408/71 ), die zoals gezegd, van toepassing is op de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité .
66 . Deze op het algemene beginsel van het vrije verkeer van werknemers gebaseerde uitlegging wordt overigens bevestigd door de bewoordingen van artikel*10, dat spreekt over "het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is", en over het feit dat hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat gaat wonen of zijn woonplaats naar een andere Lid-Staat heeft overgebracht .
67 . Verder zou discriminatie van personen die recht op de uitkering verkrijgen wanneer zij op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, evenmin te rechtvaardigen zijn ( wegens gelijkheid van objectieve situaties ) als eventuele discriminatie van personen die op het ogenblik waarop zij voldoen aan de voorwaarden om dat recht te verkrijgen, in Frankrijk wonen, doch het pas doen gelden nadat zij hun woonplaats naar elders hebben overgebracht .
68 . Aangezien er niet de minste reden bestaat om deze laatsten anders te behandelen dan degenen die eenvoudig diligenter zijn geweest of beter geïnformeerd waren over hun rechten, mogen de eerstgenoemden evenmin op ongelijke wijze worden behandeld .
69 . Wanneer het ten slotte gaat om uitkeringen die verkregen zijn, zodat clausules inzake woonplaats niet toepasselijk zijn, is het duidelijk dat artikel*10 niet enkel de betaling van uitkeringen veilig wil stellen, maar ook het verwerven van het recht erop .
70 . IX . Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Cour de cassation te beantwoorden als volgt :
71 . "1 . Een sociale uitkering zoals de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité, die geheel of ten dele wordt gefinancierd uit belastingopbrengsten, die bedoeld is om de rechthebbenden een bestaansminimum te verschaffen onafhankelijk van hun beroepsactiviteit, en die onder bepaalde voorwaarden kan worden teruggevorderd van de nalatenschap van de uitkeringsgerechtigde, valt binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr.*1408/71, voor zover zij de rechthebbenden zonder enige individuele en discretionaire beoordeling van hun persoonlijke behoeften een wettelijk omschreven positie verschaft en bejaarden of invaliden die geen enkele der in artikel*4, lid*1, van die verordening bedoelde sociale-zekerheidsuitkeringen genieten, een aanvullend inkomen beoogt te verzekeren .
72 . 2 . De term 'verkregen' in artikel*10, lid*1, van verordening nr.*1408/71 houdt in, dat dit artikel van toepassing is op het verwerven of op het behoud van het recht op een uitkering als de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité, wanneer de betrokkene woont of gaat wonen op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die welke de uitkering verschuldigd is ."
73 . X . Deze antwoorden zijn in overeenstemming met de gevestigde rechtspraak van het Hof, zodat het probleeem van de al dan niet retroactieve werking, waarnaar de Franse regering in haar opmerkingen verwijst, niet aan de orde behoeft te komen .
(*) Vertaald uit het Portugees .
( 1)*PB*1971, L*149, blz.*2 .
( 2)*Arrest van 22*juni 1972, zaak*1/72, Frilli, Jurispr.*1972, blz.*457 .
( 3)*Arrest van 9*oktober 1974, zaak*24/74, Biason, Jurispr.*1974, blz.*999 .
( 4)*Arresten van 6*juli 1978, zaak*9/78, Gillard, Jurispr.*1978, blz.*1661, r.o.*12, en 5*mei 1983, zaak*139/82, Piscitello, Jurispr.*1983, blz.*1427, r.o.*10 .
( 5)*Arresten-Gillard en Piscitello, reeds aangehaald; arresten van 27*maart 1985, zaak*249/83, Hoeckx, Jurispr.*1985, blz.*982, r.o.*11, en zaak*122/84, Scrivner, ibid ., blz.*1029, r.o.*18 .
( 6)*Arrest-Frilli, reeds aangehaald, r.o.*13 .
( 7)*Zie de reeds aangehaalde arresten-Frilli*(r.o.*14 ), Biason ( r.o.*15-16 ) en Piscitello ( r.o.*11 en 13 ).
( 8)*Arrest van 31*maart 1977, zaak*79/76, Fossi, Jurispr.*1977, blz.*667, r.o.*6 .
( 9)*In dezelfde zin arrest-Biason, reeds aangehaald, r.o.*10 .
( 10)*Zie de reeds aangehaalde arresten-Hoeckx ( r.o.*12 ) en Scrivner ( r.o.*19 ), alsook de conclusie van advocaat-generaal Darmon in deze zaken .
( 11)*R.o.*12 .
( 12)*Arresten van 15*juli 1964, zaak*100/63, Van*der*Veen, Jurispr.*1964, blz.*1161, en 2*december 1964, zaak*24/64, Dingemans, ibid ., blz.*1321; zie ook conclusie van advocaat-generaal Reischl in zaak*187/73, Callemeyn, Jurispr.*1974, blz.*565 .
( 13)*Zie conclusie van advocaat-generaal Reischl in zaak-Biason en van advocaat-generaal Mancini in de zaak-Piscitello .
( 14)*Zie de arresten-Biason en Piscitello .
( 15)*Arresten van 7*november 1973, zaak*51/73, Smieja, Jurispr.*1973, blz.*1213, r.o.*20; 10*juni 1982, zaak*92/81, Camera-Caracciolo, Jurispr.*1982, blz.*2213, r.o.*14; 23*oktober 1986, zaak*300/84, Van Roosmalen, Jurispr.*1986, r.o.*39 .
Full & Egal Universal Law Academy