Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Op 20 oktober 1981 deed het Hof uitspraak op het beroep van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Koninkrijk België in zaak 137/80 . Het Hof oordeelde, dat "het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet ( was ) nagekomen door te weigeren de nodige maatregelen vast te stellen met het oog op de overschrijving, naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel, van de actuariële tegenwaarde of de afkoopsom van de onder het Belgische pensioenstelsel verworven pensioenrechten, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Gemeenschappen" ( Jurispr . 1981, blz . 2393, r.o . 20 ).
In het beroep van 28 november 1985 verzoekt dezelfde instelling het Hof vast te stellen, dat België geen uitvoering heeft gegeven aan dat arrest en daardoor de verplichting van artikel 171 EEG-Verdrag niet is nagekomen .
2 . De Belgische regering voert als verweer aan, dat deze niet-nakoming is te wijten aan het feit, dat bij de nationale wetgever gewettigde twijfel was gerezen over de uitlegging ( van die bepaling ). Zij merkt allereerst op, dat het Belgische sociale-zekerheidsstelsel de overschrijving van pensioenrechten niet kent . Om een overschrijving mogelijk te maken voor Belgische onderdanen die bij de Gemeenschappen werken, dient dus een ad hoc-regeling te worden vastgesteld waarin rekening moet worden gehouden met de verschillende pensioenregelingen die in België bestaan; daartoe diende de uitvoerende macht bij het parlement een wetsontwerp in ( juni 1985 ), waarvan de tekst voor eventuele opmerkingen aan de Commissie is voorgelegd .
Intussen had een Luxemburgse rechterlijke instantie het Hof evenwel verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag, of genoemd artikel 11 "Europese ambtenaren ook de mogelijkheid van vrije keuze tussen beide wijzen van overschrijving van krachtens nationale pensioenstelsels verworven rechten biedt, wanneer het door de ambtenaar gekozen alternatief hetzij onbekend is in de nationale wettelijke regeling waaraan het betrokken sociale-zekerheidsorgaan is onderworpen, hetzij onverenigbaar is met het financieringsstelsel van de ( betrokken ) pensioenfondsen" ( arrest van 4 mei 1988, zaak 64/85, Watgen, Jurispr . 1988, blz . 2435 ). De Belgische regering verklaart, dat het parlement onder die omstandigheden besloot, de goedkeuring van het ingediende wetsontwerp uit te stellen tot op het ogenblik waarop het in kennis werd gesteld van de definitieve uitspraak van het Hof .
3 . Dit betoog, dat de Belgische regering reeds ten dele in zaak 137/80 had gevoerd, kan niet worden aanvaard . Ik wijs erop, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof "een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit een gemeenschapsverordening voortvloeiende verplichtingen niet kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties" ( laatstelijk in het arrest van 20 maart 1986, zaak 72/85, Commissie/Nederland, Jurispr . 1986, blz . 1219, r.o . 19 ). Een Lid-Staat kan zich dus ook niet beroepen op twijfel betreffende de uitlegging; aangezien dergelijke twijfel een subjectief gegeven is, kan hij niet eens met evenveel succes als de door het Hof genoemde factoren tegen de gemeenschapsbepaling worden aangevoerd .
Het feit dat de twijfel - die onder meer betrekking heeft op een nationale wettelijke regeling die aanzienlijk verschilt van de Belgische - voor het Hof aan de orde is gesteld in een procedure op grond van artikel 177 EEG-Verdrag, kan evenmin tot een andersluidende conclusie leiden . Het is immers evident, dat een dergelijke procedure geen invloed heeft op het gewijsde, in die zin dat zij de rechtskracht van de uitspraak zou aantasten en/of de uitvoerbaarheid ervan zou opschorten . Met andere woorden, het antwoord van het Hof aan de Luxemburgse rechter als een "definitieve" en derhalve het eerder jegens België gewezen arrest als een "voorlopige" uitspraak aanmerken, is in strijd met een fundamenteel beginsel dat aan alle rechtsorden gemeen is .
Daaraan zij toegevoegd, dat er in het onderhavige geval geen plaats is voor enige onzekerheid over de draagwijdte van de litigieuze bepaling . Volgens het arrest van 20 oktober 1981 beoogt artikel 11 "te bewerkstelligen dat de door de gemeenschapsambtenaren in hun eigen staat verworven rechten ... ten gunste van die ambtenaren blijven bestaan en in aanmerking kunnen worden genomen door het pensioenstelsel waarbij de belanghebbende aan het eind van zijn loopbaan zal zijn aangesloten, in casu het gemeenschappelijk stelsel ". De betrokken bepaling beoogt de ambtenaren dus een recht te verlenen waarvan de uitoefening "op losse schroeven ( zou ) komen te staan indien, gelijk de Belgische regering betoogt, de Lid-Staten ervan zouden kunnen afzien de nodige maatregelen voor de toepassing van de bepaling te treffen ". Het Hof concludeerde derhalve, dat "de Belgische staat de concrete middelen ( heeft ) te kiezen en toe te passen om de ambtenaren in staat te stellen gebruik te maken van de mogelijkheid om in nationaal kader verworven rechten te doen overschrijven ..."
Deze overduidelijke uitspraak liet voor het Koninkrijk België slechts één weg open : zich onverwijld voegen naar het arrest van het Hof . Het Koninkrijk België heeft echter geen enkele maatregel van dien aard getroffen en bijgevolg heeft tot op heden geen enkele gemeenschapsambtenaar van Belgische nationaliteit het voordeel van bijlage VIII bij het Statuut kunnen genieten .
4 . Onder die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door zich niet te voegen naar het arrest van het Hof van 20 oktober 1981 in zaak 137/80, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het beroep van de Commissie van de Europese Gemeenschappen toe te wijzen en verweerder krachtens artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement van de procesvoering in de kosten te verwijzen .
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy