Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Aanzienlijke overschotten aan zuivelprodukten, die zware financiële lasten en afzetproblemen voor de Gemeenschap met zich meebrachten, waren in 1984 voor de Raad aanleiding om voor een proefperiode van vijf*jaar een extra heffing te leggen op de boven een garantiedrempel aangevoerde hoeveelheden melk . Doel van de Raad was, de toeneming van de zuivelproduktie onder controle te krijgen en de noodzakelijke aanpassingen om de markt te reguleren en te stabiliseren, mogelijk te maken .
De Raad stelde daartoe twee verordeningen vast . De eerste daarvan, nr.*856/84 ( PB*1984, L*90, blz.*10 ) wijzigde de basisverordening voor de gemeenschappelijke marktordening in de melk - en zuivelsector ( nr.*804/68, PB*1968, L*148, blz.*13 ); de tweede, nr.*857/84 ( PB*1984, L*90, blz.*13 ), bevatte de algemene regels voor de toepassing van de nieuwe heffing . Een verdere verordening van de Commissie ( nr.*1371/84, PB*1984, L*132, blz.*11 ) stelde gedetailleerde voorschriften vast inzake de wijze van toepassing van de heffing .
Het uitgangspunt was dat maximale produktiehoeveelheden werden bepaald en dat de Lid-Staten de regeling moesten uitvoeren . Zij konden daarbij kiezen tussen twee formules, formule*A, waarbij de heffing wordt betaald door de melkproducent, en formule*B, waarbij in de eerste plaats de kopers van de melk de heffing betalen . Ook hadden zij de keuze ten aanzien van het referentiejaar voor de bepaling van de individuele hoeveelheden : 1981, 1982 of 1983 .
De Lid-Staten hadden de bevoegdheid om voor bepaalde categorieën producenten de hoeveelheden aan te passen en een schadeloosstelling toe te kennen aan producenten die zich verbonden om de produktie definitief te staken . Ook was voorzien in de toekenning van aanvullende hoeveelheden binnen de grenzen gesteld door de eerste verordening .
De Lid-Staten moesten een systeem opzetten voor de inning van de heffing . De producenten moesten een register bijhouden en hun verkopen in het jaar 1981 opgeven; de kopers moesten opgeven met welke hoeveelheden zij hun referentiehoeveelheden hadden overschreden . Op bepaalde data in 1984 en 1985 moesten de verschillende maatregelen genomen zijn en aan de Commissie zijn meegedeeld .
Op 27*november 1984 deelde de Commissie de Italiaanse minister van Landbouw mee, dat zij had vastgesteld dat de maatregelen die Italië had moeten nemen, op dat moment nog niet tot stand waren gekomen . In ieder geval waren zij niet ter kennis van de Commissie gebracht . De minister gaf toe dat, afgezien van een ministerieel besluit van 8*november 1984 inzake compensatie voor producenten die hun produktie staken, er verder nog geen nationale maatregelen ter uitvoering van de regeling waren genomen . De Commissie bracht derhalve een met redenen omkleed advies uit overeenkomstig artikel*169 van het Verdrag en stelde op 2*december 1985 het onderhavige beroep in strekkende tot vaststelling dat Italië zijn Verdragsverplichtingen niet was nagekomen, aangezien op dat moment alle relevante data waren verstreken .
In tussentijd had Italië er bij de Raad en de Commissie op aangedrongen de regeling te wijzigen wegens de problemen die het ondervond bij de toepassing ervan . Enige wijzigingen werden aangebracht bij verordeningen van de Raad uit 1985 ( nrs.*590, 591 en 1305; PB*1985, L*68, blz.*1 en 5, en L*137, blz.*12 ). Laatstgenoemde verordening maakte het mogelijk producentenverenigingen te erkennen met het oog op de toewijzing van referentiehoeveelheden en maakte ook een specifieke uitzondering voor Italië in die zin, dat het de toepassing van artikel*3, lid*3, van verordening nr.*857/84, dat producenten het recht gaf om een ander referentiejaar te kiezen indien hun produktie was getroffen door buitengewone gebeurtenissen, drie jaar mocht uitstellen .
Het is duidelijk dat Italië bepaalde maatregelen heeft genomen . In het besluit van 8*november 1984 is voorzien in compensatie voor producenten die hun produktie staken . In een ander besluit van 30*september 1985 is voor formule*A gekozen en zijn bepaalde referentiehoeveelheden toegewezen aan producenten en aan verenigingen zodra deze als rechtspersoon waren erkend . Verder heeft het Hof vanmorgen vernomen dat bij een besluit van 22*december 1986 ( nog niet gepubliceerd ) een vereniging van producenten werd erkend met het oog op de uitvoering van de verordening . Ook zijn er enquêtes gehouden om de benodigde statistische gegevens te verzamelen .
Het is echter eveneens duidelijk, en dit wordt ook toegegeven, dat op het moment van instelling van het beroep en ook thans nog er geen andere dan de genoemde voorschriften zijn uitgevoerd en dat er in het bijzonder geen referentiehoeveelheden zijn toegekend aan die vereniging of aan producenten die geen lid zijn van een vereniging .
De regeling was onmiskenbaar zeer ingewikkeld en kon gemakkelijk aanleiding geven tot administratieve moeilijkheden . De Italiaanse regering heeft uiteengezet, hoezeer die moeilijkheden nog werden vergroot door de structuur van de bedrijfstak in Italië en in het bijzonder door het grote aantal producenten met een klein aantal koeien . Het was voor Italië, zeker zolang de betrokken groepen of verenigingen niet waren erkend, moeilijk om de statistieken voor de toewijzing van de hoeveelheden te verzamelen . De Italiaanse regering heeft ook gewezen op haar pogingen om de Raad en de Commissie te overreden de regeling te wijzigen, welke pogingen niet geheel met succes zijn bekroond, en op het feit dat in 1984 de geproduceerde hoeveelheden melk kleiner waren dan in 1983, zodat de gegarandeerde hoeveelheid niet zou zijn overschreden, iets wat de Commissie niet zonder meer aanvaardt .
Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat men zich in het kader van artikel*169 niet kan verweren met een beroep op administratieve problemen bij de uitvoering van verordeningen . Het lijkt mij voor het Hof niet mogelijk en ook onjuist om zich te mengen in de beoordeling van de meer of minder grote problemen waarop een beroep wordt gedaan om te verklaren waarom verordeningen niet zijn uitgevoerd . Dat kan eventueel voor de Commissie een factor zijn bij haar beslissing of en wanneer zij een procedure zal aanspannen, maar het Hof kan volstaan met vast te stellen dat zij niet zijn uitgevoerd .
Ik meen dan ook dat het Hof zijn eerdere rechtspraak moet volgen en moet vaststellen, dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet is nagekomen door - afgezien van de maatregelen vervat in de ministeriële besluiten van 8*november 1984 ( compensatie voor producenten die de produktie staken ), 30*september 1985 en 22*december 1986 - de verordeningen nrs.*856/84 en 857/84 van de Raad en verordening nr.*1371/84 van de Commissie ( zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs.*590/85, 591/85 en 1305/85 van de Raad ), niet uit te voeren .
De Commissie vraagt voorts om vast te stellen dat Italië, door niet de nodige maatregelen ter uitvoering van de verordeningen te nemen, ook artikel*5 van het Verdrag heeft geschonden . Gelet op hetgeen in deze zaak is gezegd, lijkt het mij niet dat deze vordering iets toevoegt aan de vordering om vast te stellen dat de verordeningen niet zijn uitgevoerd .
De kosten van de Commissie in dit geding dienen naar mijn mening door Italië te worden gedragen .
(*)* Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy