Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . In de onderhavige procedure, die voortspruit uit een verzoek van de cour d' appel te Versailles, is de uitlegging van de artikelen 30 en 36 respectievelijk 86 EEG-Verdrag aan de orde in verband met de omstandigheid, dat de Franse maatschappij voor het beheer van auteursrechten ( SACEM ) van discotheken in Frankrijk ook voor het gebruik van grammofoonplaten uit andere Lid-Staten een "aanvullend recht voor de mechanische verveelvoudiging" verlangt .
2 . Hierbij is het volgende van belang .
3 . Volgens de Franse wet van 11 maart 1957 inzake het auteursrecht omvat het exploitatierecht van de auteur het recht van uitvoering ( dit is de rechtstreekse openbaarmaking van het werk en - ingevolge rechtspraak en een wet van 3 juli 1985 - ook het in het openbaar ten gehore brengen van muziek die tevoren op een geluidsdrager is opgenomen ) alsmede het recht van verveelvoudiging ( dat wil zeggen de materiële vastlegging van het werk op een geluidsdrager, waardoor een indirecte openbaarmaking van het werk mogelijk wordt ). In genoemde wet wordt uitdrukkelijk bepaald, dat de overdracht van het uitvoeringsrecht niet die van het verveelvoudigingsrecht meebrengt ( en omgekeerd ). Ook wordt in artikel 31 van de wet uitdrukkelijk bepaald, dat bij overdracht van het auteursrecht de exploitatie van het overgedragen recht naar omvang en bestemming moet worden vastgelegd . Op grond hiervan wordt bij de cessie van het verveelvoudigingsrecht ( in de regel aan de producenten van geluidsdragers tegen een verveelvoudigingsvergoeding ) uitdrukkelijk bepaald, dat het produkt enkel met het oog op privégebruik in het verkeer mag worden gebracht . Worden dergelijke werken in het openbaar ten gehore gebracht door middel van geluidsdragers, dan is bijgevolg niet alleen een uitvoeringsrecht verschuldigd, maar bovendien het hierboven genoemde aanvullende verveelvoudigingsrecht .
4 . Een dergelijke juridische constructie komt in de Gemeenschap - op grond van de rechtspraak - enkel nog in België voor; volgens het recht van de andere Lid-Staten wordt het verveelvoudigingsrecht uitgeput door de overdracht aan een fabrikant van geluidsdragers en is voor het in het openbaar ten gehore brengen van het werk enkel een uitvoeringsrecht verschuldigd .
5 . De auteursrechten worden in Frankrijk beheerd door de reeds genoemde SACEM ( een maatschappij van auteurs, componisten, muziekuitgevers, producenten van geluidsdragers en kunstenaars ). Zij beheert de werken van haar leden en van buitenlandse beheersmaatschappijen ( waarmee wederzijdse, niet exclusieve vertegenwoordigingsovereenkomsten zijn gesloten ). De zorg voor de verveelvoudigingsrechten is overgedragen aan haar dochtermaatschappij SDRM ( Société pour l' administration du droit de reproduction méchanique des auteurs, compositeurs et editeurs ); het aanvullend verveelvoudigingsrecht voor het gebruik van geluidsdragers in het openbaar wordt echter op grond van een desbetreffende bepaling door SACEM geïnd .
6 . Met de gebruikers van muziekwerken ( onder meer discotheken ) sluit SACEM overeenkomsten die voorzien in de betaling van een vergoeding welke afhangt van de rol die de muziek bij die gebruikers speelt . Bij discotheken wordt 8,25 % van de recettes verlangd; hoewel dit niet uitdrukkelijk in de overeenkomsten wordt vermeld, bestaat deze vergoeding uit een recht voor de openbare uitvoering ( 6,6 %) en een aanvullend recht voor mechanische verveelvoudiging ( 1,65 %).
7 . Verzoeker in het hoofdgeding exploiteert sinds 1974 een discotheek in Fréjus, waar hij grammofoonplaten speelt waarvan SACEM de rechten beheert . Tussen partijen kwam het tot een geding dat na cassatie naar de cour d' appel te Versailles is verwezen . Deze legde het Hof de vraag voor, of de artikelen 30 en 36 dan wel artikel 86 EEG-Verdrag eraan in de weg staan, dat SACEM het hiervoor genoemde "aanvullend recht voor mechanische verveelvoudiging" int .
8 . Voor verdere details over de voorgeschiedenis van het hoofdgeding, de formulering en motivering van de prejudiciële vragen en de inhoud van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting . Op het behandelde ter terechtzitting zal ik, voor zover nodig, hieronder ingaan .
B - Standpunt
9 . Ten aanzien van het voorgelegde probleem is mijn standpunt als volgt .
I - De eerste vraag
1 - 10 . Zoals u zich herinnert, is in de procedure aangevoerd, dat artikel 30 EEG-Verdrag niet van toepassing is omdat de gewraakte Franse regeling - heffing van een recht voor de openbare uitvoering van op geluidsdragers opgenomen muziek - eigenlijk een dienst betreft . Tegen de toepassing van artikel 30 op een dergelijk situatie werd verder aangevoerd, dat de te beoordelen regeling niet het handelsverkeer en de import tot voorwerp heeft, dat zij met het vrije verkeer van goederen niets te maken heeft en dat met name de grensoverschrijding voor deze regeling van geen enkel belang is . Voorts werd nog de opvatting geuit, dat in elk geval de omstandigheid dat de vergoeding in kwestie bij gebruik van geïmporteerde geluidsdragers op gelijke wijze verschuldigd is als bij gebruik van binnenlandse produkten, pleitte tegen de toepassing van artikel 30 op een situatie als de onderhavige .
11 . Ik heb deze argumenten als eerste samengevat, omdat zij mijns inziens duidelijk uitgaan van een te enge opvatting van artikel 30 en omdat men op deze wijze moeilijk vat kan krijgen op het centrale probleem van het hoofdgeding .
12 . Zoals bekend, hanteert de rechtspraak de vaste formule, dat elke maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, onder het verbod van artikel 30 valt ( zie onder meer het arrest in zaak 229/83 ( 1 )). Het effect op het handelsverkeer is derhalve van centrale betekenis voor artikel 30 . Blijkens de rijk geschakeerde rechtspraak kunnen belemmerende effecten echter ook zonder meer optreden bij regelingen die over een ander onderwerp gaan dan het handelsverkeer en de import . Dergelijke belemmeringen zijn ook geenszins uit te sluiten bij regelingen betreffende het verrichten van diensten, en zeker niet wanneer geluidsdragers, dat wil zeggen goederen in de zin van het Verdrag, hierbij een wezenlijke rol spelen, hetgeen bij muziekuitvoeringen in discotheken het geval is .
13 . Anderzijds is ook duidelijk, dat het enkele feit dat een regeling zonder onderscheid van toepassing is op binnenlandse en op ingevoerde produkten, op zichzelf niet voldoende is om de toepassing van artikel 30 uit te sluiten . In dit verband kan worden verwezen naar het arrest van 19 februari 1981 ( 2 ) ( waarin het ging om een regeling van algemene strekking, op grond waarvan de hoeveelheid droge stof in brood tussen bepaalde waarden moest liggen ); ook kan worden verwezen naar de prijsregelingen waarover het Hof zich moest uitspreken in de arresten van 6 november 1979 ( 3 ) en van 29 januari 1985 ( 4 ); beslissend voor de beoordeling van deze prijsregelingen was, of de prijzen op een zodanig peil lagen, dat een voor ingevoerde goederen bestaand concurrentievoordeel teniet werd gedaan . Wat de onderhavige problematiek betreft, valt niet te ontkennen, dat de ongeoorloofdheid van de heffing van een aanvullend verveelvoudigingsrecht voor het gebruik van geïmporteerde geluidsdragers ( zo er al op grond van overwegingen betreffende het eigenlijke voorwerp van het auteursrecht en de uitputting daarvan door rechtmatige verveelvoudiging in het buitenland, sprake zou zijn van ongeoorloofdheid ) tot gevolg zou kunnen hebben, dat dergelijke geluidsdragers in verband met hun prijsvoordeel de voorkeur van de gebruikers krijgen, waardoor de invoer zou toenemen . Dat zou dan omgekeerd ook betekenen, dat de heffing van dit recht een ongunstige invloed zou kunnen hebben op de invoer en dat dus inderdaad, ondanks het feit dat het onderhavige recht zonder onderscheid in rekening wordt gebracht voor ingevoerde en nationale produkten, aan toepassing van artikel 30 zou kunnen worden gedacht .
2 - 14 . Bedenkt men echter, dat de verwijzende rechter in zijn beschikking uitdrukkelijk heeft verklaard dat de hoogte van de totale vergoeding ( 8,25 % van de recettes ) niet onredelijk is, en dat verzoeker heeft erkend dat de forfaitaire berekening rechtmatig was ( omdat artikel 35 van de Franse wet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van een forfaitaire berekening ), dan zijn er ook enkele andere argumenten denkbaar die tot de conclusie leiden, dat artikel 30 in een situatie als de onderhavige in wezen niet speelt .
15 . a ) Zo stelt de Commissie, dat indien het aanvullend verveelvoudigingsrecht gemeenschapsrechtelijk ontoelaatbaar wordt geacht en bijgevolg moet worden afgeschaft voor zover het om invoer gaat, SACEM van discotheken hoogstwaarschijnlijk 8,25 % van hun recettes zal blijven verlangen, ditmaal alleen als tegenprestatie voor de toestemming voor openbare uitvoeringen; dit is bij de bestaande machtsverhoudingen zonder meer mogelijk . Hiertegen is juridisch niets in te brengen, want dat deel van het exploitatierecht is met zekerheid nog niet uitgeput door de vervaardiging en het in het verkeer brengen van de geluidsdragers in een andere Lid-Staat . De afschaffing van het aanvullend verveelvoudigingsrecht zou dus uiteindelijk niet in het voordeel van geïmporteerde geluidsdragers werken; het zou dan ook niet te verwachten zijn dat zij qua prijs attractiever zouden worden en dat de handelstromen op die wijze zouden worden beïnvloed .
16 . Voor deze redenering valt mijns inziens wel wat te zeggen . Daartegen kan ook niet worden ingebracht wat SACEM tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, namelijk dat een dergelijke verandering niet geheel zonder problemen is omdat er voor de verschillende onderdelen van de vergoeding verschillende rechthebbenden zijn ( de Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen onweersproken uiteengezet, hoe de verdeling verloopt en dat daarbij het grootste deel aan de uitgevers toevloeit ). Van belang is namelijk, dat in de door SACEM gesloten gebruiksovereenkomsten enkel een totale vergoeding wordt genoemd . Hoe deze onder de gerechtigden wordt verdeeld is een zaak van de beheersmaatschappij alleen, en voor haar levert de juiste berekening van het aandeel van de verschillende gerechtigden beslist geen problemen op, of zij nu van de onderdelen of van het totale bedrag moet uitgaan .
17 . b ) Van wezenlijk belang is ook, dat bij de afrekening met discotheken en andere gebruikers van geluidsdragers uitsluitend met forfaits kan worden gewerkt, en dat dit in de Franse wet van 11 maart 1957 uitdrukkelijk is voorzien . Gelet hierop is het niet erg aannemelijk, dat het eventuele wegvallen van het aanvullend verveelvoudigingsrecht ( voor geïmporteerde geluidsdragers op grond van auteursrechtelijke overwegingen ) de individuele gebruikers een koopprikkel zou geven en aldus de handelsstromen zou beïnvloeden . Zou deze vergoeding namelijk wegvallen, met als gevolg dat - juist vanwege het aantal geïmporteerde geluidsdragers in het assortiment van een discotheek - het aanvullend verveelvoudigingsrecht enkel nog in beperkte mate in rekening zou worden gebracht ( namelijk voor binnenlandse geluidsdragers ), dan zou dit onmogelijk individueel kunnen worden berekend . Men zou ofwel van de algemene verkoopstatistieken moeten uitgaan en moeten aannemen, dat het gebruik van geïmporteerde geluidsdragers bij de discotheken navenant is, of desnoods door middel van steekproeven bij discotheken gemiddelde waarden moeten vaststellen voor het gebruik van geïmporteerde geluidsdragers; hiertegen zou overigens niets zijn in te brengen . Gelijk de Commissie terecht opmerkt, zou het enige gevolg van een dergelijke wijziging zijn, dat de overmakingen aan buitenlandse beheersmaatschappijen dienovereenkomstig zouden dalen, zonder dat duidelijk zou zijn of het koopgedrag van de individuele discotheekeigenaren en dus de handelsstromen waren beïnvloed .
18 . c ) Een laatste belangrijke factor is, dat discotheekexploitanten zich bij hun beslissingen in eerste instantie laten leiden door de voorkeur van het publiek ( die, zo verklaarde verzoeker in het hoofdgeding, uitgaat naar muziek uit angelsaksische landen en uit Italië ). Dat dit bepalend is voor het koopgedrag, is zonder meer aannemelijk, terwijl het anderzijds zeer de vraag is, of daarnaast ook een zeker financieel voordeel door het wegvallen van het aanvullend verveelvoudigingsrecht bij het gebruik van geïmporteerde geluidsdragers een rol kan spelen . Zelfs indien men ervan uitgaat, dat een wijziging van de afrekeningsmethode wellicht het koopgedrag van de discotheekeigenaren zal beïnvloeden, is het nauwelijks aan te nemen dat dit in vergelijking met de ongetwijfeld veel belangrijker op de smaak van het publiek afgestemde beslissingen zoveel betekenis zal hebben, dat men mag verwachten dat de handelsstromen erdoor zullen worden beïnvloed .
19 . d ) Het standpunt dat de heffing van het aanvullend verveelvoudigingsrecht niet op één lijn kan worden gesteld met een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, laat zich dus op goede gronden verdedigen; volledigheidshalve zij opgemerkt, dat men in dit verband ook niet verder komt met een verwijzing naar het arrest van 20 januari 1981 ( 5 ), waaraan verzoeker kennelijk veel gewicht toekent, waarschijnlijk ook omdat de Franse commission de la concurrence het in haar opmerkingen van 19 juni 1986 vermeldt . Daarvoor wijken de casusposities te sterk van elkaar af .
20 . In genoemde zaak was er sprake van een rechtstreekse ongunstige beïnvloeding van de invoer ( door heffing van aanvullende royalty' s op geluidsdragers uit andere Lid-Staten door de Duitse beheersmaatschappij ), dat wil zeggen van een directe beïnvloeding van de handel, en niet, zoals in casu, enkel van een in theorie denkbare, indirecte beïnvloeding via het koopgedrag van de binnenlandse afnemers, die in de regel na het moment van de invoer plaatsvindt . Bovendien was van beslissende betekenis, dat de Duitse beheersmaatschappij zich op haar exploitatierecht ( i.c . het verveelvoudigingsrecht ) beriep en er op grond van de relevante rechtspraak over aanverwante terreinen grond was om aan te nemen, dat dit recht was uitgeput nadat de auteur zelf toestemming had gegeven om het werk in het buitenland in het verkeer te brengen .
21 . In casu gaat het daarentegen in wezen niet om de uitoefening van een recht dat in een andere Lid-Staat reeds is uitgeput ( te weten het verveelvoudigingsrecht ), maar - ondanks de verwarrende benaming, die waarschijnlijk met het oog op de gerechtigden is gekozen - om een aan het uitvoeringsrecht verwant recht, waarvan in het buitenland nog geen gebruik is gemaakt en dat zich bij elke uitvoering doet gelden .
22 . Uit genoemd arrest kan dus voor het onderhavige geval rechtstreeks niets worden afgeleid . Voor een analoge oplossing van het onderhavige probleem zou deze rechtspraak op belangrijke punten moeten worden verruimd en gewijzigd . Ik zal hieronder nagaan of daarvoor dwingende redenen aanwezig zijn .
3 - 23 . Om maar meteen met de conclusie te komen : mijns inziens zijn er in werkelijkheid geen belangrijke overwegingen om tot een dergelijke stap te adviseren . Ook indien zou moeten worden aangenomen, dat artikel 30 in casu in beginsel speelt, zijn er belangrijke argumenten tegen de opvatting, dat de heffing van het aanvullend verveelvoudigingsrecht voor het gebruik van geïmporteerde grammofoonplaten in strijd moet worden geacht met het Verdrag .
24 . a ) In dit verband heeft SACEM zich terecht beroepen op artikel 36 ( dat in de eerste vraag ook uitdrukkelijk wordt genoemd ), de bepaling op grond waarvan beperkingen van de handel onder meer gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom .
25 . In genoemd arrest wordt duidelijk gemaakt, dat hiertoe ook het auteursrecht behoort . De volgende essentiële vraag was in dit verband altijd - terecht -, of de uitoefening van het recht en de invloed hiervan op het handelsverkeer het specifieke voorwerp van het betrokken recht van industriële eigendom raakte ( zie arrest van 8 juni 1971 ( 6 )) - bij uitoefening van het octrooirecht werd beslissend geacht wat de kern van dat recht was ( arrest van 14 juli 1981 ( 7 )) - en of dit tot belemmeringen van het handelsverkeer leidde .
26 . Het auteursrecht wordt in de rechtsstelsels van alle Lid-Staten gekenmerkt door een exploitatierecht in de vorm van enerzijds een recht van verveelvoudiging en anderzijds een recht om het werk in het openbaar ten gehore te brengen ( dit laatste recht bestaat ook wanneer de uitvoering plaats vindt met geluidsdragers ). De bijzonderheid van het Franse recht is hierbij, dat het verveelvoudigingsrecht voor een beperkt gebruik ( privégebruik ) kan worden overgedragen . Wordt de geluidsdrager waarop het werk is vastgelegd, in het openbaar gebruikt, dan is het bekende aanvullende verveelvoudigingsrecht verschuldigd . Men vindt dit kennelijk uit een oogpunt van rechtvaardige verdeling van de inkomsten uit exploitatie en met het oog op een adequate belasting van de respectieve gebruikers passend ( dit lijkt alleszins aanvaardbaar, ook al is de benaming van de vergoeding niet gelukkig gekozen ).
27 . grond daarvan zou men kunnen zeggen, dat voornoemd aspect van het Franse recht ( de vaststelling van het precieze gebruik bij overdracht van het verveelvoudigingsrecht ) deel uitmaakt van het specifieke voorwerp van het auteursrecht en dat de uitoefening daarvan, met daaraan verbonden de inning van een bijzonder recht bij gebruik in het openbaar van geluidsdragers, door artikel 36 wordt gedekt . Belangrijk is in elk geval, dat in een situatie als de onderhavige met betrekking tot geluidsdragers die uit andere Lid-Staten zijn geïmporteerd, enkel van het desbetreffende verveelvoudigingsrecht kan worden gezegd, dat het is uitgeput en niet ook van het recht van openbare weergave, dat - evenals bij films ( zie arrest van 18 maart 1980 ( 8 )) - zich bij elke uitvoering weer doet gelden . Wordt dus in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van vervaardiging bij gebruik in het openbaar van geluidsdragers een uitvoeringsrecht verlangd door de auteur of zijn gemachtigde, dan is er zeker sprake van een uitoefening die de kern van het auteursrecht raakt en moet dit optreden op grond van artikel 36 worden aanvaard, ook al heeft het voor de handel beperkende nevenwerkingen .
28 . b ) Voorts is terecht gewezen op de bepalingen van internationale conventies waarbij alle Lid-Staten partij zijn ( te weten de Berner auteursrechtconventie van 9 september 1886 in de versie van 24 juli 1971 en de Unesco-conventie van 16 september 1952 ), en op artikel 234 EEG-Verdrag, volgens hetwelk "de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór de inwerkingtreding van (( het EEG-))verdrag gesloten tussen een of meer Lid-Staten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, door de bepalingen van dit Verdrag niet worden aangetast ". Daar op grond van deze conventies ( waarvan de Berner conventie overigens uitdrukkelijk verklaart, dat het recht van verveelvoudiging en het recht van openbare uitvoering tot de beschermde rechten behoren ) het beginsel geldt, dat werken van onderdanen van andere verdragsluitende staten in elke verdragsluitende staat volgens de eigen rechtsvoorschriften moeten worden beschermd ( dat wil zeggen volgens het gelijkstellingsbeginsel ), betekent dit inderdaad, dat in Frankrijk het Franse systeem in al zijn details ( ook die welke auteursrechtelijk gezien "dogmatisch" wellicht niet geheel overtuigend werken ) moet worden toegepast op werken uit andere Lid-Staten . Omdat nu volgens het Franse recht bij het in het openbaar afspelen van geluidsdragers een aanvullend verveelvoudigingsrecht verschuldigd is, kan deze vergoeding op grond van genoemde conventies niet aan Franse werken worden voorbehouden; zij moet juist ook worden toegepast bij geluidsdragers uit andere Lid-Staten die ze niet in die vorm kennen, en daarom kan een hieruit resulterende ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer gemeenschapsrechtelijk niet ongeoorloofd worden geacht .
4 - 29 . Zonder dat dieper behoeft te worden ingegaan op de in vraag 1 vermelde details ( zoals de omstandigheid dat SACEM voor de bescherming van haar repertoire een feitelijk monopolie geniet en via overeenkomsten van wederzijdse vertegenwoordiging banden heeft met overeenkomstige buitenlandse maatschappijen ), kan en moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 30 EEG-Verdrag ( eventueel in samenhang met artikel 36 en met internationale conventies ) er ook dan niet aan in de weg staat, dat de Franse maatschappij voor het beheer van auteursrechten gebruikers wegens het in het openbaar ten gehore brengen van opnamen van werken uit het repertoire van buitenlandse zustermaatschappijen, welke opnamen zich op het grondgebied van die Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden, een royalty in rekening brengt, aanvullend recht voor mechanische verveelvoudiging geheten, indien deze royalty niet bestaat in de Lid-Staten waaruit de opnamen afkomstig zijn .
II - De tweede vraag
30 . De tweede vraag is net zo geformuleerd als de eerste . Gevraagd wordt echter om uitlegging van artikel 86 EEG-Verdrag . Nagegaan moet dus worden of deze bepaling eraan in de weg staat, dat de SACEM voor het in het openbaar afspelen van geluidsdragers uit andere Lid-Staten een aanvullend verveelvoudigingsrecht in rekening brengt .
31 . In dit verband is ons meegedeeld, dat de Commissie, naar aanleiding van een klacht ter zake, een onderzoek instelt naar de banden tussen de SACEM en buitenlandse beheersmaatschappijen en - in verband met de hoogte van de door SACEM verlangde rechten - een onderzoek in het licht van artikel 86 EEG-Verdrag . Opgemerkt zij echter, dat het in de huidige zaak niet gaat om de hoogte van de door SACEM verlangde rechten - met betrekking waartoe de vertegenwoordiger van Basset uitvoerige verklaringen heeft afgelegd en in het bijzonder vergelijkingen heeft gemaakt met de door discotheken in andere landen te betalen royalty' s . Dienaangaande heeft de verwijzende rechter immers uitdrukkelijk vastgesteld, dat de vergoeding uiteindelijk niet onredelijk hoog kan worden geacht . De vraag die ons bezig houdt, is veeleer of aan artikel 86 argumenten kunnen worden ontleend die tegen de heffing van het aanvullend verveelvoudigingsrecht als zodanig pleiten .
32 . Wat deze problematiek betreft moet ik, in aansluiting op opmerkingen die tijdens de procedure zijn gemaakt, eerlijk bekennen dat ik moeite heb de gedachtengang met betrekking tot artikel 86 te volgen . Ook wat Bassets vertegenwoordiger hierover heeft opgemerkt, werpt in wezen weinig licht op de zaak .
33 . Uitgaande van het weinige dat in dit verband is opgemerkt, kan men na afweging van alle argumenten slechts tot de conclusie komen, dat aan artikel 86 EEG-Verdrag geen argumenten kunnen worden ontleend die tegen de heffing van het aanvullend verveelvoudigingsrecht pleiten .
34 . Terecht merkt SACEM op, dat van de in artikel 86 genoemde gevallen van misbruik in casu zonder meer uitvallen, de gevallen genoemd
- onder b ) ( het beperken van de produktie, de afzet of de technische ontwikkeling ),
- onder c ) ( het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties - dit punt is door de verwijzende rechter rechter zelf afgedaan voor zover het de vergelijking betreft met de vergoedingen die van andere gebruikers worden verlangd ),
- onder d ) ( het aan de wederpartij opdringen van extra prestaties die geen verband houden met het onderwerp van de overeenkomst ).
35 . Hooguit zou men dus kunnen denken aan het onder a ) genoemde geval ( oplegging van onbillijke prijzen of andere contractuele voorwaarden ). In verband hiermee is gesteld, dat de SACEM bij de inning van het aanvullend verveelvoudigingsrecht de volmacht van haar buitenlandse zustermaatschappijen heeft overschreden .
36 . Al zeer gauw blijkt echter, dat dit in werkelijkheid niet het geval is . Deze overeenkomsten voorzien namelijk, zo heeft SACEM nadrukkelijk verzekerd, uitdrukkelijk in "nationale" behandeling . Zoals wij zagen, verlangen de desbetreffende internationale conventies dit overigens ook .
37 . Ook de kritiek in het reeds genoemde rapport van de Commission de la Concurrence op de inningsmethodes van de SDRM helpt ons niet verder, omdat hierin enkel de aard van de heffing en niet de heffing als zodanig wordt gekritiseerd .
38 . De opvatting die overblijft, is dat de inning van het aanvullend verveelvoudigingsrecht in Frankrijk, dat wil zeggen de uitoefening van een wettelijk recht, niet kan worden aangemerkt als misbruik in de zin van artikel 86, zelfs dan niet wanneer zij plaatsvindt wegens het gebruik van geïmporteerde geluidsdragers .
39 . Bedenkt men voorts, dat, gelijk aan het begin reeds werd opgemerkt, eigenlijk nauwelijks gesproken kan worden van een ongunstige beïnvloeding van de handel en dat de uitoefening van voornoemd recht niets te maken heeft met de machtspositie van de SACEM ( dit recht komt elke auteur in wezen op grond van de wet toe, zonder dat op grond hiervan reeds van een machtspositie kan worden gesproken - zie arrest in zaak 78/70 ), dan wordt duidelijk, dat in een situatie als de onderhavige een beroep op artikel 86 EEG-Verdrag niet mogelijk is .
C - Conclusie
Op grond hiervan kan ik het Hof slechts één antwoord op de vragen van de cour d' appel te Versailles in overweging geven .
40 . Noch artikel 30 noch artikel 86 EEG-Verdrag laat de conclusie toe, dat een nationale maatschappij voor het beheer van auteursrechten, die voor de bescherming van haar repertoire over een feitelijk monopolie beschikt en overeenkomsten van wederzijdse vertegenwoordiging heeft gesloten met diverse, met name in de Lid-Staten van de Gemeenschap gevestigde overeenkomstige buitenlandse maatschappijen, gebruikers wegens het in het openbaar ten gehore brengen van werken uit het repertoire van deze buitenlandse maatschappijen door middel van opnamen die zich op het grondgebied van die Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden, geen royalty in rekening mag brengen - aanvullend recht voor de mechanische verveelvoudiging geheten - die in de Lid-Staten waaruit deze opnamen zijn ingevoerd, niet wettelijk is voorzien .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Arrest van 10 januari 1985, zaak 229/83, Leclerc, Jurispr . 1985, blz . 17 .
( 2 ) Zaak 130/80, Kelderman, Jurispr . 1981, blz . 527 .
( 3 ) Gevoegde zaken 16 tot en met 20/79, Danis, Jurispr . 1979, blz . 3327 .
( 4 ) Zaak 231/83, Cullet en CSNCRA, Jurispr . 1985, blz . 315 .
( 5 ) Gevoegde zaken 55 en 57/80, Musikvertrieb membran en K-tel, Jurispr . 1981, blz . 147 .
( 6 ) Zaak 78/70, DGG, Jurispr . 1971, blz . 487 .
( 7 ) Zaak 187/80, Merck, Jurispr . 1981, blz . 2063 .
( 8 ) Zaak 62/79, Coditel, Jurispr . 1980, blz . 881 .
Full & Egal Universal Law Academy