Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het tribunal de grande instance te Charleville-Mézières verzoekt het Hof krachtens artikel*177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel*30 EEG-Verdrag, ten einde te vernemen of die bepaling eraan in de weg staat dat een Lid-Staat bij wet, bestuursrechtelijke bepaling of administratieve praktijk een regeling invoert die voor voertuigen, ingevoerd uit een andere Lid-Staat, waar zij reeds zijn goedgekeurd of toegelaten, een nieuwe, zogenoemde afzonderlijke goedkeuring verlangt, naar aanleiding waarvan het voertuig aan laboratoriumonderzoeken zal worden onderworpen, behalve bij overlegging van een verklaring, afgegeven door de constructeur of diens in het land van invoer erkende vertegenwoordiger die bevoegd is om de gelijkvormigheidscertificaten van het betrokken type te ondertekenen, waaruit blijkt dat het ingevoerde voertuig gelijkvormig is aan een goedgekeurd type .
I - 2 . Deze vraag is gerezen in een strafzaak in Frankrijk wegens diverse overtredingen van de wegenverkeerswetgeving .
3 . Een van de twee verdachten in deze zaak, A.*Gilliard, van Franse nationaliteit en woonachtig in Frankrijk, had op 5*maart*1984 in België een tweedehands voertuig van het merk Lada gekocht, dat aldaar sedert 25*april*1980 was geregistreerd .
4 . Dit voertuig was op 20*april 1979 goedgekeurd door het Belgische ministerie van Verkeerswezen, nadat een certificaat van de vertegenwoordiger van het merk was overgelegd, waarin de gelijkvormigheid met het goedgekeurde type werd bevestigd .
5 . Op 6*maart*1984 gaf de Franse douaneadministratie een certificaat af, dat bij het verzoek om registratie in Frankrijk moest worden gevoegd en waaruit moest blijken, dat het voertuig voldeed aan de douane - en valutavoorschriften om als serievoertuig te kunnen worden geregistreerd .
6 . De betrokkene richtte daarop een verzoek om goedkeuring aan de service des mines te Charleville-Mézières, die hem in een standaardformulier verzocht om een aantal documenten, waaronder een verklaring, afgegeven door de constructeur of diens in Frankrijk erkende vertegenwoordiger die bevoegd is om het gelijkvormigheidscertificaat van het betrokken type te ondertekenen, waaruit blijkt dat het aangeboden voertuig gelijkvormig is aan het goedgekeurde type .
7 . Daartoe wendde Gilliard zich tot de vennootschap Lada ( Frankrijk ), die hem bij brief van 27*maart 1984 te kennen gaf dat zij onmogelijk de gelijkvormigheid kon bevestigen van een voertuig dat niet door haar was ingevoerd, aangezien dat voertuig haar totaal onbekend was . Om hem "een dienst te bewijzen" was zij evenwel bereid, het voertuig te controleren op alle punten die aan goedkeuring waren onderworpen of waarvoor een Frans voorschrift gold; aangezien deze controle evenwel meer dan tien werkuren vereiste, zou in totaal 1874,58*FF worden aangerekend, exclusief de prijs van de nodige onderdelen .
8 . Daarop besloot Gilliard, het voertuig in Frankrijk in het verkeer te brengen met valse nummerplaten en zonder de vereiste vergunningen of documenten, met name de grijze kaart .
9 . Op 6*mei*1984 maakte de Franse politie tegen hem proces-verbaal op wegens een aantal overtredingen van de wegenverkeerswetgeving . Ter zake van die overtredingen staan hij en D.*Gofette, verdacht van medeplichtigheid wegens het bezorgen van de valse nummerplaten, thans terecht voor het tribunal de grande instance te Charleville-Mézières .
10 . Verdachten hebben de feiten niet betwist, doch Gilliard heeft als verweer aangevoerd dat de op hem toegepaste regeling in strijd is met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel*30 EEG-Verdrag . Daarop heeft het tribunal de grande instance het Hof de onderhavige prejudiciële vraag voorgelegd, naar aanleiding waarvan de Commissie en de Franse regering schriftelijke opmerkingen hebben ingediend .
II - 11 . a)*Voor een goed begrip van het in de prejudiciële vraag aan de orde gestelde probleem zal ik om te beginnen een overzicht geven van de nationale regeling en administratieve praktijk inzake de voorwaarden waaronder een ingevoerd voertuig in Frankrijk kan worden geregistreerd, en de huidige stand van het gemeenschapsrecht ter zake onderzoeken .
12 . b)*De ten tijde van de feiten geldende Franse regeling was vervat in decreet nr.*54/724 van 10*juli*1954, later gecodificeerd in de code de la route, en in het - verscheidene malen gewijzigde - besluit van 19 juli 1954 betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen, vastgesteld ter uitvoering van voormeld decreet .
13 . Deze regeling is nadien gewijzigd bij besluit van 5*november 1984 betreffende de registratie van voertuigen .
14 . Uit voormelde bepalingen volgt, dat een voertuig in Frankrijk eerst kan worden geregistreerd nadat er een goedkeuring voor is afgegeven, waarin wordt gewaarborgd dat het voertuig beantwoordt aan de geldende voorschriften .
15 . Die goedkeuring kan op twee manieren worden verkregen .
16 . De zogenoemde goedkeuring "per type" geldt voor nieuwe in serie gebouwde voertuigen : de fabrikant of diens in Frankrijk erkende vertegenwoordiger dient een verzoek in voor een type voertuig dat in serie zal worden gebouwd . Na controle of dit type voertuig voldoet aan de vereisten van de Franse regeling, geeft de service des mines een "proces-verbaal van goedkeuring" af . Vervolgens verstrekt de fabrikant of zijn in Frankrijk erkende vertegenwoordiger de koper van een voertuig van het betrokken model het proces-verbaal van goedkeuring en een "gelijkvormigheidscertificaat" voor het goedgekeurde type .
17 . De zogenoemde "afzonderlijke" goedkeuring is vereist voor normale serievoertuigen, die in Frankrijk voor de eerste maal ter registratie worden aangeboden zonder dat een gelijkvormigheidscertificaat kan worden overgelegd . Het gaat hier om bepaalde categorieën nieuwe voertuigen, voertuigen die in aanzienlijke mate zijn omgebouwd en tweedehands voertuigen zonder grijze kaart .
18 . Met deze goedkeuring bevestigt de service des mines, dat een ingevoerd voertuig aan de Franse specificaties beantwoordt .
19 . Voor deze gevallen zijn de uitvoeringsbepalingen van het besluit van 19*juli 1954 gepreciseerd in circulaire nr.*74/121 van 19*juli 1974, met name wat ingevoerde tweedehands voertuigen betreft van een type dat - zoals in casu - in Frankrijk reeds is goedgekeurd .
20 . In die circulaire is bepaald, dat ofschoon de gelijkvormigheid van de betrokken voertuigen niet kan worden bevestigd, a priori geen technische keuringen worden gedaan, behoudens voor wat betreft de algemene toestand en de goede werking van onderdelen die van belang zijn voor de veiligheid; evenwel kunnen geluids - en luchtverontreinigingstesten worden vereist en bewijsstukken worden verlangd wanneer op een bepaald punt wordt betwijfeld, of het voertuig overeenstemt met het prototype .
21 . Noch de Franse wettelijke regeling noch hogerbedoelde administratieve bepalingen vereisen de overlegging van het certificaat dat de service des mines van Gilliard heeft verlangd .
22 . Het is echter een algemene administratieve praktijk geworden om van particulieren bovenbedoeld "gelijkvormigheidscertificaat" te verlangen, afgegeven door de fabrikant of diens in Frankrijk erkende vertegenwoordiger, waarin het betrokken voertuig wordt geïdentificeerd en waarin wordt vermeld, of het overeenstemt met een goedgekeurd type dan wel waarin het van dit laatste verschilt .
23 . Ter vermijding van al te zware belemmeringen voor particulieren die een voertuig uit een andere Lid-Staat invoeren, zond de directie Veiligheid en wegverkeer van het ministerie van Verkeer op 6*februari 1985 een brief aan de beroepsorganisatie van auto-importeurs, waarin dezen werden herinnerd aan hun verplichting om aan een ieder die daarom verzoekt, een gelijkvormigheidscertificaat af te geven zulks zonder aanbieding van het voertuig, zonder ongerechtvaardigd verzoek om inlichtingen, onverwijld en tegen een prijs die verenigbaar is met de in Frankrijk geldende regeling en de communautaire rechtspraak ter zake .
24 . c)*De geldende gemeenschapsregeling beoogt de belemmeringen van het vrije verkeer van goederen af te schaffen door middel van richtlijnen tot harmonisatie van de nationale wetgevingen .
25 . De kaderrichtlijn op dit gebied is richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6*februari 1970 ( 1 ), op grond waarvan de fabrikant of diens mandataris in een Lid-Staat voor nieuwe voertuigen van een bepaald type een "EEG-goedkeuring" kan verkrijgen, die in de gehele Gemeenschap geldig is .
26 . Dat zal evenwel eerst het geval zijn, wanneer alle gegevens en kenmerken die worden vermeld in het in bijlage bij de richtlijn gevoegde "EEG-goedkeuringsformulier", bij bijzondere richtlijnen zijn geharmoniseerd, wat nog niet is gebeurd .
27 . Ten einde in de onderscheiden Lid-Staten de verkrijging van een nationale goedkeuring te vergemakkelijken, zijn intussen meer dan 50 bijzondere richtlijnen vastgesteld .
28 . De door de kaderrichtlijn en de bijzondere richtlijnen beoogde harmonisatie is een "facultatieve" harmonisatie, waarbij de Lid-Staten bevoegd blijven om naast de geharmoniseerde bepalingen andere technische specificaties op te leggen voor de goedkeuring van een bepaald type voertuig .
29 . Aangezien de Commissie een groot aantal klachten had ontvangen en zich bewust was van mogelijke belemmeringen van het vrije verkeer van goederen, richtte zij op 20*september 1984 een mededeling tot de Lid-Staten betreffende "de formaliteiten voor de goedkeuring en de registratie van voertuigen welke uit een andere Lid-Staat worden ingevoerd en de verenigbaarheid ervan met het communautair recht ".
30 . De Commissie is van mening, dat bij tweedehands voertuigen een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de technische specificaties van het ingevoerde voertuig op het ogenblik waarop het werd gebouwd, en zijn fysieke staat op het ogenblik waarop in de Lid-Staat van invoer om registratie wordt verzocht, ten einde vast te stellen in hoeverre de vereisten van de Lid-Staat van invoer zich verdragen met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag en met de ter zake reeds vastgestelde richtlijnen .
III - 31 . Gezien het voorgaande en gelet op de opmerkingen van de Franse regering en van de Commissie, zal ik trachten het probleem zodanig te verduidelijken, dat de verwijzende rechter een nuttig antwoord op zijn prejudiciële vraag krijgt .
32 . a)*Eerst en vooral wordt niet betwist, dat de aan een particulier - ongeacht op welke wijze - opgelegde verplichting om een ingevoerd voertuig dat reeds in een andere Lid-Staat is geregistreerd, door de constructeur of diens vertegenwoordiger in de Lid-Staat van invoer te laten controleren ten einde na te gaan of het voldoet aan de voorschriften van die Lid-Staat, als een in beginsel bij artikel*30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is te beschouwen .
33 . Dit volgt trouwens ook uit 's*Hofs rechtspraak . ( 2 )
34 . Dit betekent dat een dergelijke maatregel slechts verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, wanneer hij gerechtvaardigd is uit hoofde van een in artikel*36 EEG-Verdrag genoemde reden, met name de "openbare veiligheid ".
35 . b)*Het staat niet aan mij, hier in concreto te beoordelen of de betrokken nationale bepalingen zich verdragen met het gemeenschapsrecht .
36 . In het kader van een krachtens artikel*177 EEG-Verdrag ingeleide procedure dient het Hof de nationale rechter alle gegevens met betrekking tot de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, die deze in staat stellen om over de verenigbaarheid van de nationale voorschriften met de desbetreffende regel van gemeenschapsrecht te oordelen . ( 3 )
37 . c)*Ik kom hier weer terug op het onderscheid dat de Commissie maakt tussen de twee soorten controles bij de invoer van tweedehands voertuigen die reeds in een andere Lid-Staat zijn geregistreerd .
38 . In de eerste plaats kan het gaan om de controle van de fysieke staat van het voertuig op het ogenblik van invoer . De Lid-Staten mogen immers tests voorschrijven die garanderen dat de fysieke staat van het in te voeren voertuig op het gebied van de openbare veiligheid en het milieu dezelfde waarborgen biedt als in identieke omstandigheden van in de Lid-Staat van invoer geregistreerde voertuigen wordt verlangd . Volgens 's*Hofs rechtspraak ( 4 ) is die controle gerechtvaardigd uit hoofde van artikel*36 EEG-Verdrag, wanneer zij werkelijk noodzakelijk is en geen loutere herhaling van proeven die reeds in een andere Lid-Staat zijn verricht en waarvan de resultaten ter beschikking staan van de Lid-Staat van invoer .
39 . In het hoofdgeding en in de prejudiciële vraag gaat het echter in wezen om het tweede type van controle, dat betrekking heeft op de technische specificaties van het voertuig op het ogenblik dat het wordt gebouwd .
40 . Op dit punt is het probleem niet fundamenteel verschillend voor nieuwe auto' s en tweedehands auto' s .
41 . Gelijk de Commissie stelt, hebben de technische voorschriften betreffende motorvoertuigen in wezen tot doel, de veiligheid op de weg en/of het milieu te beschermen .
42 . Daarom moet voor de registratie van een voertuig in de meeste Lid-Staten het bewijs worden geleverd, dat het voertuig beantwoordt aan deze technische voorschriften of specificaties .
43 . Indien de specificaties van het ingevoerde voertuig beantwoorden aan een lager veiligheidsniveau dan door de wetgeving van de Lid-Staat van invoer of door de communautaire richtlijnen is vereist, kan het betrokken voertuig eerst na de nodige aanpassingen worden geregistreerd .
44 . Ofschoon de controlemaatregelen wegens het doel ervan in beginsel niet aanvechtbaar zijn, kan de wijze waarop zij worden uitgevoerd een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten als bedoeld in de laatste volzin van artikel*36 vormen . ( 5 )
45 . Het bewijs van overeenstemming met de technische specificaties van de Lid-Staat van invoer kan immers op verschillende manieren worden geleverd .
46 . Een daarvan is de overlegging van een verklaring van gelijkvormigheid, afgegeven door de autoriteiten van de Lid-Staat van invoer, dan wel door de fabrikant of diens in dat land erkende vertegenwoordiger, waarin wordt verklaard aan welke technische voorschriften het betrokken voertuig beantwoordde toen het de fabriek verliet, met vermelding van de verschillen ten opzichte van de in de staat van invoer geldende technische specificaties .
47 . Deze "verklaring van gelijkvormigheid" heeft dus een ander doel dan het "gelijkvormigheidscertificaat", waarin uitsluitend wordt bevestigd dat nieuwe voertuigen in overeenstemming zijn met een goedgekeurd type .
48 . Uit praktische overwegingen geven de nationale autoriteiten er meestal de voorkeur aan, de afgifte van gelijkvormigheidscertificaten en -verklaringen te delegeren aan de fabrikant of diens erkende vertegenwoordiger, aangezien die het voertuig en de technische specificaties waaraan het beantwoordt, beter kennen .
49 . Deze delegatie ontslaat hen evenwel niet van de verplichting, na te gaan of de certificaten of verklaringen worden afgegeven conform het gemeenschapsrecht .
50 . Meer in het bijzonder verzetten de vereisten van het vrije verkeer van goederen zich ertegen, dat aan de vervulling van deze formaliteit zodanige kosten of termijnen zijn verbonden dat de invoer onmogelijk, te moeilijk of uiterst duur wordt gemaakt . Zo heeft het Hof bij voorbeeld in het reeds aangehaalde arrest-Biologische Produkten geoordeeld, dat de controle niet verder mag gaan dan nodig is ter bereiking van het beoogde doel en de importeur geen buitensporige verplichtingen of onnodige kosten mag opleggen .
51 . Het delegeren van de controles aan de fabrikant of diens erkende vertegenwoordigers blijft overigens twijfelachtig vanuit het oogpunt van de mededingingsregels van het Verdrag .
52 . In het kader van het mededingingsbeleid heeft de Commissie stellig reeds erkend, dat groepen afzet - en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen zich verdragen met artikel*85, lid*3, wanneer zij niet ten gevolge hebben dat "parallelinvoer" wordt verhinderd . ( 6 )
53 . Dit neemt evenwel niet weg, dat degenen aan wie die bevoegdheid in het kader van een nationaal delegatiesysteem zoals het Franse is gedelegeerd, uiteindelijk ter zake van de afgifte van gelijkvormigheidscertificaten of -verklaringen een machtspositie de zin van artikel*86 innemen .
54 . Indien derhalve de afgifte van een gelijkvormigheidscertificaat of -verklaring wordt geweigerd, daarvoor een ongerechtvaardigde vergoeding wordt verlangd of daarmee te lang wordt gewacht, kan dit een gedraging zijn die zowel op nationaal als op gemeenschapsniveau kan worden beteugeld wegens misbruik van een machtspositie .
55 . In ieder geval blijkt met betrekking tot artikel 30 uit 's*Hofs rechtspraak, dat de Lid-Staten schending van het Verdrag kan worden verweten, wanneer zij misbruik van een machtspositie door fabrikanten of hun erkende vertegenwoordigers, wier handelen of niet-handelen de invoer kan beperken, mogelijk maken of vergemakkelijken . ( 7 )
56 . Het gaat er hier niet om dat, gelijk de Franse regering en de Commissie zelf ter terechtzitting hebben betoogd, de Franse marktdeelnemers aan wie een dergelijk verzoek wordt gericht, door de band de gelijkvormigheidscertificaten of -verklaringen afgeven overeenkomstig de vereisten van het vrije verkeer .
57 . Het staat evenwel vast, dat de Franse administratie in casu van de importeur van het voertuig door middel van een - overigens onduidelijk - standaardformulier zonder duidelijk alternatief de overlegging heeft verlangd van een door de fabrikant of diens vertegenwoordiger afgegeven document, en dat deze daarvoor buitensporige eisen stelde .
58 . Met zijn prejudiciële vraag heeft de verwijzende rechter deze situatie - of de loutere mogelijkheid ervan - voor ogen .
59 . Indien de staat van invoer niet over de middelen beschikt om daadwerkelijk te garanderen, dat de fabrikant of zijn vertegenwoordiger het gemeenschapsrecht zorgvuldig eerbiedigen, moet op andere wijze kunnen worden gegarandeerd dat het voertuig in overeenstemming is met zijn technische specificaties .
60 . De Franse regering merkt op, dat zulks kan gebeuren aan de hand van de "inlichtingenformulieren voor gedeeltelijke goedkeuringen", voorzien in richtlijn 70/156/EEG van 6*februari 1970 .
61 . Deze suggestie doet bij mij de vraag rijzen, welke invloed de op dit gebied verwezenlijkte gedeeltelijke harmonisatie heeft op de invoer van tweedehands voertuigen die reeds in een andere Lid-Staat zijn geregistreerd .
62 . Ter terechtzitting hebben de vertegenwoordigers van de Commissie erop gewezen, dat het systeem van de formulieren voor gedeeltelijke goedkeuring niet alleen onvoldoende is - de richtlijnen ter uitvoering van richtlijn nr.*70/156 zijn nog niet gepubliceerd - en te omslachtig - het leidt tot veel meer administratief werk en aanzienlijke vertragingen -, maar bovendien niet van toepassing is op de invoer van tweedehands voertuigen die onder de "afzonderlijke goedkeuring" vallen .
63 . Uit de richtlijn en de ter terechtzitting afgelegde verklaringen blijkt immers, dat een individuele importeur onmogelijk in het bezit kan komen van de formulieren voor gedeeltelijke goedkeuring voor de registratie van een voertuig dat voordien reeds in een andere Lid-Staat was goedgekeurd en geregistreerd .
64 . Deze formulieren kunnen alleen worden gebruikt, wanneer een fabrikant in een bepaalde Lid-Staat de goedkeuring van een nieuw model heeft verkregen en om de goedkeuring ervan in een andere Lid-Staat verzoekt .
65 . Voor de goedkeuring van die onderdelen van het voertuig die in overeenstemming zijn met de vereisten van de harmonisatierichtlijnen volstaat het in dat geval, dat de fabrikant de desbetreffende formulieren voor gedeeltelijke goedkeuring overlegt, waarna de overeenkomstige goedkeuring in de tweede Lid-Staat niet mag worden geweigerd .
66 . Als onontbeerlijke alternatieve oplossing in het kader van een juiste toepassing van de gemeenschapsnormen moet bijgevolg de mogelijkheid worden geschapen om de goedkeuring en de registratie rechtstreeks bij de administratie van de Lid-Staat van invoer aan te vragen onder overlegging van de door de Lid-Staat van uitvoer afgegeven documenten . Het gaat daarbij in hoofdzaak om het certificaat van registratie en het gelijkvormigheidscertificaat voor een in de Lid-Staat van uitvoer goedgekeurd type; dit verwijst naar het proces-verbaal van goedkeuring, dat kennelijk gemakkelijk beschikbaar is en waarin voor elk onderdeel van het voertuig naar de EEG-goedkeuring of de nationale goedkeuring wordt verwezen .
67 . De diensten van de Lid-Staat van invoer dienen dan de verschillen ten opzichte van de in hun land geldende technische specificaties na te gaan, waarbij zij in voorkomend geval tevens de fysieke staat van het voertuig onderzoeken .
68 . Deze conclusie ligt in de lijn van 's*Hofs rechtspraak, die is ingegeven door de bekommernis om de Lid-Staten ertoe aan te sporen, de documenten en de controles van de Lid-Staat van uitvoer te aanvaarden, voor zover deze in overeenstemming zijn met de vereisten van de Lid-Staat van invoer . ( 8 )
IV - 69 . Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt *:
70 . "Artikel*30 juncto artikel*36 EEG-Verdrag staan er niet aan in de weg dat een Lid-Staat bij wet, bestuursrechtelijke bepaling of administratieve praktijk een regeling invoert die voor voertuigen ingevoerd uit een andere Lid-Staat, waar zij reeds waren goedgekeurd, een nieuwe, zogenoemde 'afzonderlijke' goedkeuring verlangt, waartoe de door de constructeur of diens in de Lid-Staat van invoer erkende vertegenwoordiger afgegeven verklaring moet worden overgelegd waaruit blijkt, dat het ingevoerde voertuig gelijkvormig is aan een goedgekeurd type of aan de op het grondgebied van de betrokken staat geldende technische specificaties, op voorwaarde dat
- die verklaring tegen een redelijke vergoeding en binnen een redelijke termijn wordt afgegeven;
- het de importeur uitdrukkelijk is toegestaan, de in de Lid-Staat van uitvoer opgestelde documenten over te leggen, in zoverre die de noodzakelijke gegevens bevatten voor een nieuwe goedkeuring;
- geen laboratoriumonderzoeken of andere gelijkaardige controles worden vereist, wanneer die reeds in de Lid-Staat van uitvoer zijn verricht en de resultaten ervan ter beschikking staan van de autoriteiten van de Lid-Staat van invoer of hun gemakkelijk ter beschikking kunnen worden gesteld ."
(*) Vertaald uit het Portugees .
( 1 ) PB 1970, L*42, blz.*1 .
( 2 ) Zie onder meer de arresten van 24*januari*1978, zaak*82/77, Van Tiggele, Jurispr.*1978, blz.*25; 12*oktober*1978, zaak*13/78, Eggers, Jurispr.*1978, blz.*1935; 13*maart*1979, zaak*119/78, Peureux, Jurispr.*1979, blz.*975 .
( 3 ) Zie onder meer de arresten van 26*janauri*1977, zaak*49/76, Gesellschaft fuer UEberseehandel, Jurispr.*1977, blz.*41; 23*november*1977, zaak 38/77, Enka, Jurispr.*1977, blz.*2203; 29*juni*1978, zaak*154/77, Dechmann, Jurispr.*1978, blz.*1573; 17*december*1981, zaak 272/80, Biologische Produkten, Jurispr.*1981, blz.*3277, r.o.*9 .
( 4 ) Arrest Biologische Produkten, t.a.p . blz.*3291 tot en met 3293 .
( 5 ) Arrest Biologische Produkten, t.a.p . r.o.*13 .
( 6 ) Zie verordening nr.*123/85 van de Commissie van 12*december*1984, PB*1985, L*15, blz.*16 .
( 7 ) Zie arrest van 16*november*1977, zaak*13/77, Inno, Jurispr.*1977, blz.*2115, inz . blz.*2143 tot en met 2146 .
( 8 ) Zie arrest van 20*mei*1976, zaak*104/75, De*Peijper, Jurispr.*1976, blz.*613, inz . blz . 637 .
Full & Egal Universal Law Academy