Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Bescherming tegen subsidiepraktijken van derde staten - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie - Draagwijdte van rechterlijke toetsing die kan worden gevraagd door ondernemingen wier verzoek om beschermende maatregelen is afgewezen
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Bescherming tegen subsidiepraktijken van derde staten - Subsidie - Begrip - Economisch voordeel toegekend door middel van last voor overheidsfinanciën
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 3 )
3 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Bescherming tegen subsidiepraktijken van derde staten - Subsidies die instelling van compenserend recht niet kunnen rechtvaardigen - Binnenlandse subsidie die niet op specifieke sector is gericht - Exportsubsidie die vermogen van ondernemingen versterkt maar is verleend voor ander produkt dan produkt dat schade voor communautaire bedrijfstak veroorzaakt
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 3 )
4 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Bescherming tegen subsidiepraktijken van derde staten - Beoordeling van belangen van Gemeenschap - Beëindiging van procedure - Beoordelingsbevoegdheid van Commissie
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikelen 9, lid 1, en 12 )
Samenvatting
1 . Ofschoon verordening nr . 2176/84 de Commissie een discretionaire bevoegdheid verleent ter zake van het vaststellen van beschermende maatregelen tegen subsidiepraktijken van derde landen, moet het Hof nagaan, of de Commissie de bij de betrokken bepalingen aan de klagers toegekende procedurele waarborgen in acht heeft genomen, of zij de feiten niet kennelijk verkeerd heeft beoordeeld, en of zij wezenlijke gegevens die het bestaan van gevolgen van subsidiëring aannemelijk zouden kunnen maken, buiten beschouwing heeft gelaten, dan wel bij haar motivering overwegingen een rol heeft laten spelen, die misbruik van bevoegdheid opleveren .
2 . Het in artikel 3 van verordening nr . 2176/84 genoemde begrip subsidie wordt noch in die verordening noch in andere handelingen van de Gemeenschap uitdrukkelijk omschreven . De bijlage bij deze verordening bevat evenwel een "enuntiatieve lijst" van uitvoersubsidies, waarnaar artikel 3, lid 2, van de verordening verwijst . In het laatste punt van deze lijst worden "alle andere uitgaven ten laste van de overheidsfinanciën" als uitvoersubsidie in de zin van artikel XVI van de GATT aangemerkt . Zowel uit de formulering van deze algemene bepaling als uit de andere in de lijst opgenomen voorbeelden blijkt, dat de gemeenschapswetgever het begrip uitvoersubsidie aldus heeft opgevat, dat het noodzakelijkerwijs financiële lasten impliceert die rechtstreeks of indirect door de overheid worden gedragen . Bovendien volgt uit artikel 3, lid 3, van deze verordening, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat het feit dat produkten van bepaalde heffingen en belastingen bij uitvoer zijn vrijgesteld, niet als subsidie kan worden aangemerkt, dat het begrip lasten niet enkel slaat op het geval waarin de staat een financiële bijdrage levert, maar ook op het geval waarin de staat afziet van de inning van heffingen en aldus een uitzondering op een algemeen geldende belastingregel invoert .
Het begrip subsidie, begrepen in die zin dat het de toekenning van een economisch voordeel door middel van een last voor de overheidsfinanciën onderstelt, is niet in strijd met de verplichtingen die voor de Gemeenschap voortvloeien uit het internationale recht, inzonderheid uit de GATT en de in het kader daarvan gesloten overeenkomsten .
3 . Een subsidie heeft slechts het karakter van een binnenlandse subsidie die communautaire beschermende maatregelen in de zin van artikel 3 van verordening nr . 2176/84 kan rechtvaardigen, wanneer zij op een specifieke sector is gericht, dat wil zeggen wanneer zij slechts aan bepaalde ondernemingen een voordeel beoogt toe te kennen en daardoor de mededinging vervalst .
Een subsidie heeft slechts het karakter van een exportsubsidie die communautaire beschermende maatregelen in de zin van genoemde bepaling kan rechtvaardigen, wanneer zij ten goede komt aan het produkt waarvan de invoer schade berokkent aan de communautaire bedrijfstak, welke hypothese verschilt van die waarin de subsidie weliswaar wordt toegekend aan de ondernemingen die dat produkt exporteren maar dan voor een ander produkt en de ondernemingen een voordeel verschaft waarover deze in het kader van het geheel van hun activiteiten beschikken .
4 . Al is de Commissie verplicht de feiten inzake het bestaan van subsidiepraktijken van derde landen en de daaruit voor de ondernemingen voortvloeiende schade in alle objectiviteit vast te stellen, toch beschikt zij over een ruime beoordelingsvrijheid om in het kader van de bevoegdheid tot beoordeling van de belangen van de Gemeenschap, die haar op grond van artikel 9, lid 1, van verordening nr . 2176/84 moet worden toegekend, te beslissen dat vaststelling van beschermende maatregelen inopportuun zou zijn en bijgevolg de procedure te beëindigen .
Partijen
In zaak 188/85,
Federatie van de olie-industrie in de EEG ( Fediol ), te Brussel, in de persoon van haar voorzitter D . Billing, vertegenwoordigd door D . Ehle, U . C . Feldmann, V . Schiller en H . Nehm, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E . Arendt, advocaat aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P . Gilsdorf, bijgestaan door H.-J . Rabe van het advocatenkantoor Schoen & Pflueger te Hamburg en Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Associação brasileira das industrias de oleos vegetais ( Abiove ), vertegenwoordigd door I . Van Bael en J . F . Bellis, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger & Hoss, advocaten aldaar, 15, Côte d' Eich,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van besluit 85/233/EEG van de Commissie van 16 april 1985 tot beëindiging van de anti-subsidieprocedure betreffende de invoer van sojaschroot van oorsprong uit Brazilië ( PB 1985, L 106, blz . 19 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, waarnemend voor de president, O . Due, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, T . Koopmans, U . Everling, K . Bahlmann, Y . Galmot, C . Kakouris, R . Joliet en F . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : G . F . Mancini
griffier : D . Louterman, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 13 oktober 1987,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 maart 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 18 juni 1985, heeft de Federatie van de olie-industrie in de EEG ( hierna : Fediol ) krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van besluit 85/233 van de Commissie van 16 april 1985 tot beëindiging van de op verzoek van Fediol ingeleide anti-subsidieprocedure betreffende de in de periode van 1 januari 1983 tot 31 december 1983 verrichte invoer van sojaschroot van oorsprong uit Brazilië ( PB 1985, L 106, blz . 19 ).
2 De door Fediol bij brief van 6 januari 1984 overeenkomstig artikel 5 van verordening nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1984, L 201, blz . 1 ) ingediende klacht betrof de navolgende praktijken : a ) preferentiële financiering van de invoer van sojabonen; b ) preferentiële financiering van de uitvoer door middel van een programma ter bevordering van de uitvoer; c ) differentiële belastingen op de uitvoer van de produkten van de sojagroep; d ) belemmeringen voor de uitvoer van sojabonen; e ) preferentiële financiering van de opslag van sojabonen; f ) preferentiële financiering van de uitvoer van sojaolie; g ) vrijstelling van inkomstenbelasting op de winst over de uitvoer van sojaolie; h ) preferentiële financiering van de uitvoer van sojaschroot; i ) fiscale voordelen met betrekking tot termijntransacties op buitenlandse markten .
3 In haar besluit van 16 april 1985 stelde de Commissie vast, dat de eerste twee praktijken niet waren toegepast tijdens de periode waarop het onderzoek betrekking had, dat de sub c, d, e, f, en g genoemde praktijken niet het karakter van een subsidie voor de uitvoer van sojaschroot hadden, en dat de laatste twee praktijken ( sub h en i ) weliswaar subsidies waren, doch dat de belangen van de Gemeenschap de instelling van compenserende rechten niet vereisten .
4 Het beroep is gericht tegen het besluit van 16 april 1985, voor zover de Commissie daarbij heeft geweigerd de sub c, d, e, f en g genoemde praktijken als subsidie aan te merken, en heeft geoordeeld dat de laatste twee ( sub h en i genoemde ) praktijken weliswaar het karakter van een subsidie hebben, doch geen grond opleveren voor de instelling van compenserende rechten .
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De omvang van de rechterlijke toetsing
6 Met betrekking tot de opmerkingen van de Commissie en interveniënte over de eventuele grenzen van een rechterlijke toetsing van het besluit moet worden vastgesteld, dat het Hof volgens zijn eigen rechtspraak ( zie inzonderheid het arrest van 4 oktober 1983, zaak 191/82, Fediol/Commissie, Jurispr . 1983, blz . 2913 ) ook in het geval van discretionaire bevoegdheid van de Commissie op het betrokken gebied moet nagaan, of de Commissie de bij de betrokken bepalingen aan de klagers toegekende procedurele waarborgen in acht heeft genomen, of zij de feiten niet kennelijk verkeerd heeft beoordeeld, en of zij wezenlijke gegevens die het bestaan van gevolgen van subsidiëring aannemelijk zouden kunnen maken, buiten beschouwing heeft gelaten, dan wel bij haar motivering overwegingen een rol heeft laten spelen, die misbruik van bevoegdheid opleveren .
7 Dit is het kader voor het onderzoek van het door Fediol aangevoerde middel, dat de Commissie is voorbijgegaan aan wezenlijke gegevens die het bestaan van een subsidie en een belang van de Gemeenschap in de zin van verordening nr . 2176/84 aannemelijk hadden kunnen maken .
De differentiële belastingen op de uitvoer van de produkten van de sojagroep
8 Luidens punt 12 van het bestreden besluit van de Commissie voerde Fediol aan, dat tijdens de periode waarop het onderzoek betrekking had, de op de uitvoer van de produkten van de sojagroep toegepaste tarieven van de belasting op het verkeer van goederen 13% voor sojabonen, 11,1% voor sojaschroot en 8% voor sojaolie bedroegen en dat deze differentiële belasting tot een beperking van de uitvoer van sojabonen leidde en aldus de Braziliaanse industrie verzekerde van een voorziening met grondstoffen tegen lage prijzen; dit kostprijsvoordeel zou een voordeel bij de uitvoer van sojaschroot naar de Gemeenschap opleveren, waarbij dan nog komt het voordeel voor de uitvoer dat voortvloeit uit de omstandigheid dat over sojaschroot minder belasting wordt geheven dan over sojabonen . In het bestreden besluit wordt erkend, dat de feitelijke gegevens in de beweringen van Fediol juist zijn .
9 In de motivering van het bestreden besluit wordt dienaangaande evenwel gezegd : "Op het gebied van internationale handel wordt een subsidie ... gekenmerkt door een financiële bijdrage van de overheid . ... een maatregel kan slechts dan als subsidie worden aangemerkt als hij ten laste van de overheidsfinanciën komt . ... het begrip lasten voor de overheidsfinanciën omvat ook het afzien door de overheid van door een belastingplichtige verschuldigde belastingen of andere heffingen ." In het onderhavige geval zou er evenwel geen sprake zijn van dergelijke lasten en inzonderheid zou er geen sprake van zijn, dat de Argentijnse overheid afziet van opeisbare heffingen .
10 De Commissie heeft voor het Hof verklaard, dat het hier niet gaat om een uitvoerbelasting, maar om de Braziliaanse omzetbelasting ( ICM ), die in principe in alle stadia van de verhandeling of verwerking van produkten op het Braziliaanse grondgebied wordt geheven . In de regel wordt geen ICM geheven over de uitvoer van verwerkte produkten; bijgevolg had rekening moeten worden gehouden met de ICM die was betaald over de grondstof van deze uitgevoerde produkten . In 1977 had Brazilië zich evenwel na tussenkomst van de Commissie bereid verklaard om, in afwijking van de algemene regel, op de uitvoer van de verwerkte produkten sojaschroot en sojaolie een ICM van respectievelijk 11% en 8% toe te passen . Volgens de Commissie vormt het ICM-stelsel een algemene belasting waarvan het tarief voor de produkten van de sojagroep is gedifferentieerd . Deze gedifferentieerde belastingheffing levert voor de sojabonen geen voordeel op dat als subsidie in de zin van verordening nr . 2176/84 kan worden aangemerkt, daar zij hoe dan ook niet gepaard gaat met uitgaven ten laste van de overheidsfinanciën .
11 Volgens Fediol onderstelt het begrip subsidie in de zin van artikel 3 van verordening nr . 2176/84 niet noodzakelijkerwijs lasten voor de overheidsfinanciën, maar moet het ruim worden uitgelegd : er is sprake van subsidie, wanneer de vastgestelde maatregelen gezamenlijk tot gevolg hebben dat aan de begunstigden een voordeel wordt verstrekt .
12 Allereerst moet worden vastgesteld, dat het in artikel 3 van verordening nr . 2176/84 genoemde begrip subsidie noch in die verordening noch in andere handelingen van de Gemeenschap uitdrukkelijk wordt omschreven . De bijlage bij deze verordening bevat evenwel een "enuntiatieve lijst" van uitvoersubsidies, waarnaar artikel 3, lid 2, van de verordening verwijst . In het laatste punt van deze lijst worden "alle andere uitgaven ten laste van de overheidsfinanciën" als uitvoersubsidie in de zin van artikel XVI van de GATT aangemerkt . Zowel uit de formulering van deze algemene bepaling als uit de andere in de lijst opgenomen voorbeelden blijkt, dat de gemeenschapswetgever het begrip uitvoersubsidie aldus heeft opgevat, dat het noodzakelijkerwijs financiële lasten impliceert die rechtstreeks of indirect door de overheid worden gedragen . Bovendien volgt uit artikel 3, lid 3, van deze verordening, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat het feit dat produkten van bepaalde heffingen en belastingen bij uitvoer zijn vrijgesteld, niet als subsidie kan worden aangemerkt, dat het begrip lasten niet enkel slaat op het geval waarin de staat een financiële bijdrage levert, maar ook op het geval waarin de staat afziet van de inning van heffingen en aldus een uitzondering op een algemeen geldende belastingregel invoert .
13 Het aldus opgevatte begrip subsidie is niet in strijd met de verplichtingen die voor de Gemeenschap voortvloeien uit het internationale recht en inzonderheid uit de GATT en de in het kader daarvan gesloten overeenkomsten . Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat tot op heden noch de GATT noch de overeenkomst inzake de uitlegging en de toepassing van de artikelen VI, XVI en XXIII van de GATT een uitdrukkelijke omschrijving van het begrip "subsidie" bevat en dat genoemde lijst een letterlijke weergave is van de als bijlage bij laatstgenoemde overeenkomst gevoegde "enuntiatieve" lijst .
14 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie niet verkeerd of willekeurig heeft gehandeld, door te concluderen dat het begrip subsidie in de zin van artikel 3 van verordening nr . 2176/84 het verlenen van een economisch voordeel door middel van een last voor de overheidsfinanciën onderstelt .
De belemmeringen voor de uitvoer van sojabonen
15 In punt 13 van het bestreden besluit wordt gesteld, dat een eventuele beperking van de uitvoer van sojabonen geen subsidie voor sojaschroot is, daar zij niet gepaard gaat met lasten voor de overheidsfinanciën .
16 Fediol voert aan, dat in Brazilië de uitvoer van sojabonen in het kader van een quotaregeling wordt geregistreerd en daardoor wordt belemmerd . Deze praktijk heeft derhalve dezelfde, convergente werking als de differentiële belastingen .
17 Dienaangaande behoeft enkel te worden vastgesteld, dat Fediol in dit middel uitgaat van de opvatting dat er ook subsidies zonder lasten voor de overheidsfinanciën kunnen bestaan . Daar deze opvatting hiervoren is weerlegd, moet dit middel worden afgewezen .
De preferentiële financiering van de opslag van sojabonen
18 In punt 7 van het bestreden besluit wordt geconstateerd, dat de Braziliaanse regering ter financiering van de bewerking en vooral van de opslag van 27 landbouwbasisprodukten een programma van leningen tegen een rente van 45% toepast; dit is een preferentieel tarief, daar het lager is dan zowel het door de Braziliaanse Schatkist te betalen als het normaal op de markt geldende rentetarief . Daar deze praktijk geen rechtstreekse uitvoersubsidie vormt, moet worden nagegaan of zij een binnenlandse subsidie is .
19 Volgens het bestreden besluit onderstelt het bestaan van een binnenlandse subsidie, dat de overheidstussenkomst waaruit de subsidie voortvloeit, geen algemeen karakter heeft, doch slechts aan bepaalde ondernemingen ten goede komt en daardoor de mededinging vervalst . In het onderhavige geval vormt het programma van leningen tegen een preferentieel rentetarief geen bijzonder voordeel voor de sojasector; het geldt namelijk voor 27 landbouwbasisprodukten . Ook al omvat het programma niet alle landbouwbasisprodukten, toch wordt het algemeen toegepast, daar het geldt voor alle landbouwbasisprodukten die steun bij de opslag nodig hebben of daarvoor in aanmerking komen .
20 Fediol voert hiertegen aan, dat de bestreden praktijk een specifiek karakter heeft, daar zij voornamelijk ten goede komt aan de verwerkers van landbouwbasisprodukten, inzonderheid aan die in de sojasector . Door haar weigering om deze praktijk als binnenlandse subsidie aan te merken, heeft de Commissie derhalve inbreuk gemaakt op de artikelen 3 en 7 van verordening nr . 2176/84 . Bovendien heeft zij enkele belangrijke aspecten onderzocht noch in aanmerking genomen en kennelijke fouten gemaakt bij de beoordeling van de feiten .
21 De Commissie stelt met name, dat de omstreden praktijk niet "op een specifieke sector is gericht", daar zij voor alle belangrijke landbouwbasisprodukten ( 27 produkten ) geldt, zonder dat de sojabonen, die 31,9% van de landbouwproduktie uitmaken en op 31,7% van de financiering beslag leggen, bijzonder worden begunstigd .
22 De opvatting van de Commissie moet worden gedeeld, daar Fediol niet heeft aangetoond dat de door de Braziliaanse staat verleende preferentiële financiering erop was gericht, een bepaalde sector van de landbouw of van de voedingsmiddelenindustrie bijzonder te begunstigen . Uit de processtukken blijkt namelijk, dat deze financiering een algemene maatregel is die op 27 landbouwbasisprodukten wordt toegepast .
23 Dit middel moet derhalve worden afgewezen .
De preferentiële financiering van de uitvoer van sojaolie en de vrijstelling van inkomstenbelasting op de winst over deze uitvoer
24 In punt 10 van het bestreden besluit wordt geconstateerd, dat de Braziliaanse exportondernemingen in 1983 voor de uitvoer van bepaalde produkten, waaronder sojaolie, leningen tegen een rente van 40 tot 60% hebben gekregen . Dit is een preferentieel tarief, daar het lager is dan zowel het door de Braziliaanse Schatkist te betalen als het normaal op de markt geldende rentetarief . Dit voordeel zou evenwel per 2 januari 1984 zijn ingetrokken .
25 Volgens het bestreden besluit kan deze preferentiële financiering niet als een subsidie voor sojaschroot worden aangemerkt, daar zij erop gericht was de uitvoer van sojaolie te bevorderen, en werd verleend op basis van de daadwerkelijk uitgevoerde hoeveelheden sojaolie . Bovendien is bij het onderzoek niet gebleken, dat dit voordeel enig gevolg zou hebben voor de uitvoer van sojaschroot; het gaat ten slotte om een indirecte beïnvloeding waarvan het bestaan onmogelijk is aan te tonen .
26 Verder wordt in punt 11 van het bestreden besluit verklaard, dat Fediol terecht heeft opgemerkt dat de over de uitvoer van sojaolie behaalde winsten van inkomstenbelasting zijn vrijgesteld . De Braziliaanse regering heeft overigens bevestigd dat deze praktijk bestaat . Dit zou evenwel geen subsidie van de uitvoer van sojaschroot zijn, maar een subsidie van de uitvoer van sojaolie .
27 Fediol voert aan dat de Commissie de artikelen 3 en 7 van verordening nr . 2176/84 heeft geschonden, door niet te onderzoeken welke gevolgen de subsidie en de belastingvrijstelling voor sojaolie precies hebben voor het sojaschroot . De Braziliaanse exporteurs zouden namelijk de mogelijkheid hebben om het uit de subsidie en de belastingvrijstelling voor sojaolie voortvloeiende voordeel over te dragen op het daarmee verbonden produkt sojaschroot ( dat voor 80% wordt uitgevoerd, terwijl sojaolie slechts voor 40% wordt uitgevoerd ); het sojaschroot zou daardoor indirect worden gesubsidieerd .
28 Dienaangaande behoeft enkel te worden vastgesteld, dat de omstandigheid dat een marktdeelnemer in het kader van het geheel van activiteiten van zijn onderneming voordelen geniet, onder meer doordat hij van de preferentiële financiering van de uitvoer van sojaolie en van de belastingvrijstelling profiteert, niet impliceert dat die voordelen inzonderheid ten goede komen aan het sojaschroot . Het middel moet derhalve worden afgewezen .
De twee als subsidie aangemerkte praktijken
29 In punt 5 en 6 van het bestreden besluit heeft de Commissie het bestaan erkend van twee subsidies, die zouden zijn toegekend als volgt : a ) door preferentiële financiering van de uitvoer van sojaschroot, bestaande in het toekennen van leningen tegen het preferentiële rentetarief van 40% ( vanaf 10.6.1983 60 %) terwijl de staat over de door hem opgenomen leningen 156,6% rente moest betalen; b ) door het verlenen van fiscale voordelen met betrekking tot door de exporteurs van sojaschroot op buitenlandse markten verrichte termijntransacties (" hedging"-transacties ). Volgens de berekeningen van de Commissie bedroeg eerstgenoemde subsidie 7,66% en laatstgenoemde 0,09% van de fob-waarde van de sojaschrootexporten ( in totaal 7,75 %).
30 Verder stelde de Commissie in het bestreden besluit vast, dat de door de twee genoemde subsidies mogelijk gemaakte lagere prijzen voor Braziliaans sojaschroot, de Europese maalbedrijven aanmerkelijke schade hebben berokkend .
31 Zij was evenwel van mening, dat de belangen van de Gemeenschap de vaststelling van compenserende rechten niet vereisten, daar het eerste voordeel, dat vrijwel de gehele subsidie en de daaruit voortvloeiende schade voor de Europese bedrijfstak uitmaakte, per 14 september 1983 voor sojaschroot was ingetrokken .
32 Fediol bestrijdt dit deel van het betrokken besluit op de navolgende gronden .
33 Allereerst is de Commissie haars inziens niet bevoegd de procedure met een beroep op de "belangen van de Gemeenschap" te beëindigen zonder anti-subsidiemaatregelen voor te stellen . Na de definitieve vaststelling van het bestaan van een subsidie en van daardoor veroorzaakte schade, zouden de belangen van de Gemeenschap nog slechts door de Raad in het kader van artikel 12 van verordening nr . 2176/84 met het oog op de vaststelling van definitieve compenserende maatregelen kunnen worden onderzocht en in aanmerking kunnen worden genomen . Ook de Commissie kan de "belangen van de Gemeenschap" onderzoeken, doch enkel om voorlopige rechten als bedoeld in artikel 11 van verordening nr . 2176/84 in te stellen en niet om de procedure te beëindigen .
34 Verder zou de Commissie zelf de noodzaak van de instelling van compenserende rechten hebben erkend en zou zij de Raad op 4 januari 1985 hebben voorgesteld een opgeschort compenserend recht van 7,27% in te stellen; zij zou dit voorstel derhalve niet meer mogen intrekken en daardoor de Raad beletten daarover te beslissen .
35 Met betrekking tot de bevoegdheid van de Commissie dient erop te worden gewezen, dat volgens artikel 9, lid 1, van verordening nr . 2176/84 de procedure wordt beëindigd "wanneer na overleg blijkt dat geen enkele beschermende maatregel noodzakelijk is, en wanneer hiertegen in het ... raadgevend comité geen bezwaar ( is ) gemaakt ". Ingevolge deze bepaling dient de Commissie de procedure niet enkel dan te beëindigen wanneer het bestaan van een subsidie of een schade niet is vastgesteld, maar in alle gevallen waarin de vaststelling van beschermende maatregelen niet nodig blijkt, dus ook wanneer bij de beoordeling van de belangen van de Gemeenschap blijkt dat de vaststelling van beschermende maatregelen inopportuun is .
36 Deze uitlegging van artikel 9, lid 1, wordt niet weersproken door de omstandigheid dat het volgens artikel 12 aan de Raad staat om, op voorstel van de Commissie, te beslissen of beschermende maatregelen moeten worden vastgesteld, daar die bepaling beoogt enkel de Raad de bevoegdheid te verlenen om een definitieve beslissing te nemen over de vaststelling van beschermende maatregelen, en zulks enkel voor het geval de Commissie de vaststelling van dergelijke maatregelen noodzakelijk heeft geacht en derhalve aan de Raad een dienovereenkomstig voorstel heeft gedaan .
37 Het staat de Commissie overigens vrij, om, zolang de Raad nog geen beslissing heeft genomen, haar voorstel in te trekken of te wijzigen wanneer zij op grond van een nieuwe beoordeling van de belangen van de Gemeenschap tot de conclusie komt, dat de vaststelling van beschermende maatregelen overbodig is .
38 Als derde bezwaar voert Fediol aan, dat voor de toepassing van de artikelen 7, lid 1, sub c, en 12, lid 1, van verordening nr . 2176/84 de vaststelling van het bestaan van een subsidie en van schade voor de communautaire bedrijfstak van doorslaggevend belang is en niet door een latere intrekking van de subsidie uit de wereld kan worden geholpen . Het begrip belangen van de Gemeenschap kan als criterium voor de beslissing niet zo ruim worden opgevat, dat het bestaan van reële schade, de handhaving van de subsidie en de waarschijnlijkheid van wederinvoering van de subsidie na de intrekking ervan, buiten beschouwing mogen worden gelaten .
39 In het onderhavige geval zou uit de bij het onderzoek gedane vaststellingen zijn gebleken, dat de vaststelling van beschermende maatregelen in de zin van artikel 9, lid 1, van verordening nr . 2176/84 noodzakelijk was, en zou elke andere beslissing misbruik van bevoegdheid opleveren, daar de praktijk van de Braziliaanse regering erin bestond, gecumuleerde en verkapte subsidies te verlenen die voortdurend werden ingetrokken en in andere vorm weer werden ingevoerd .
40 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de Commissie de feiten inzake het bestaan van subsidiepraktijken en de daaruit voor de bedrijven in de Gemeenschap mogelijk voortvloeiende schade weliswaar in alle objectiviteit moet vaststellen, doch over een zeer ruime beoordelingsvrijheid beschikt om, de belangen van de Gemeenschap in aanmerking genomen, te beslissen of de procedure overeenkomstig artikel 9, lid 1, van verordening nr . 2176/84 moet worden beëindigd ( cf . arrest van 4 oktober 1983, Fediol/Commissie, reeds aangehaald ).
41 In het onderhavige geval was de Commissie van mening, dat de belangen van de Gemeenschap de vaststelling van beschermende maatregelen niet rechtvaardigden, daar de Braziliaanse regering tijdens de periode waarop het onderzoek betrekking had, een einde had gemaakt aan de betrokken preferentiële financiering, die vrijwel de gehele, voor de betrokken communautaire bedrijfstak schadelijke subsidie uitmaakte . Dit oordeel blijft binnen de grenzen van de door artikel 9, lid 1, van verordening nr . 2176/84 aan de Commissie toegekende beoordelingsvrijheid en levert geen misbruik van bevoegdheid op .
42 Mitsdien moeten de bezwaren die Fediol in verband met de twee vastgestelde subsidies heeft aangevoerd, worden afgewezen .
43 Gelet op het voorgaande moet het beroep worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij worden verwezen in de kosten, daaronder begrepen die van interveniënte .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verwijst verzoekster in de kosten, daaronder begrepen die van interveniënte .
Full & Egal Universal Law Academy