RAPPORT TER TERECHTZITTING
in de gevoegde zaken 227 tot en met 230/85 ( *1 )
I — De feiten
1.
Ingevolge's Raads richtlijnen
—
75/439 van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB 1975, L 194, blz. 23),
—
75/442 van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB 1975, L 194, blz. 39),
—
76/403 van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PB 1976, L 108, biz. 41),
—
en 78/176 van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie (PB 1978, L 54, biz. 19),
dienden de Lid-Staten binnen bepaalde termijnen de ter uitvoering daarvan noodzakelijke maatregelen in werking te doen treden.
Bij vier arresten van 2 februari 1982 stelde het Hof op verzoek van de Commissie vast, dat het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen door niet binnen de voorgeschreven termijn de nodige bepalingen vast te stellen om aan deze richtlijnen te voldoen, meer bepaald
—
aan richtlijn 78/176 (zaak 68/81),
—
aan richtlijn 75/442 (zaak 69/81),
—
aan richtlijn 75/439 (zaak 70/81) en
—
aan richtlijn 76/403 (zaak 71/81).
2.
Aangezien zij van het Koninkrijk België geen inlichtingen had ontvangen met betrekking tot de maatregelen die waren genomen om zich naar deze arresten te voegen, stelde de Commissie bij vier brieven van 16 april 1984 de Belgische regering overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag in de gelegenheid haar opmerkingen te maken ter zake van de niet-uitvoering van de arresten van het Hof.
Toen deze brieven onbeantwoord bleven, bracht de Commissie op 21 december 1984 vier met redenen omklede adviezen uit, inhoudende dat het Koninkrijk België, door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan de bovengenoemde richtlijnen, de op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen. Zij nodigde het Koninkrijk België uit om dit advies binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan op te volgen.
De Commissie ontving geen antwoord op deze met redenen omklede adviezen.
II — Schriftelijke behandeling en conclusies
1.
Bij vier verzoekschriften, ingekomen ter griffie van het Hof op 23 juli 1985, heeft de Commissie krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag bij het Hof beroepen wegens niet-nakoming ingesteld, waarin zij concludeert dat het den Hove behage:
1)
te verklaren dat het Koninkrijk België, door ondanks de arresten van het Hof van Justitie van 2 februari 1982 in de zaken 68/81, 69/81, 70/81 en 71/81 nog steeds niet de maatregelen te treffen die nodig zijn voor de omzetting in nationaal recht van's Raads richtlijnen
—
78/176 van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie (arrest 68/81—zaak 227/85),
—
75/442 van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (arrest 69/81 — zaak 228/85),
—
75/439 van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (arrest 70/81 — zaak 229/85) en,
—
76/403 van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (arrest 71/81—zaak 230/85),
de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2)
het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
In zijn verweerschrift en in dupliek heeft het Koninkrijk België geen uitdrukkelijke conclusies voorgedragen.
2.
Bij beschikking van 9 oktober 1985 werden de vier zaken voor de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.
De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het Hof heeft partijen evenwel verzocht hun standpunten te verduidelijken in verband met het in de loop van de schriftelijke behandeling gestelde en voor iedere richtlijn beknopt uiteen te zetten, welke maatregelen ontbreken of voor de tenuitvoerlegging ervan nodig zijn.
III — Middelen en argumenten van partijen
1.
De Commissie stelt dat, door meer dan drie jaar na de uitspraak van de arresten van 2 februari 1982 nog steeds geen maatregelen te hebben vastgesteld voor de omzetting van de betrokken richtlijnen in de Belgische nationale rechtsorde, de uit artikel 171 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichting om die maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van deze arresten, niet is nagekomen.
De Belgische regering wijt de vertraging bij de vaststelling van de noodzakelijke regels aan de bijzondere moeilijkheden die zijn verbonden met de overdracht van een aanzienlijk deel van de bevoegdheden aan de nieuwe regionale instellingen in België, die zijn opgericht bij de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980.
Op dit punt beroept de Commissie zich op de rechtspraak van het Hof, volgens welke een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van zijn verplichtingen niet op praktijken of situaties van zijn nationale rechtsorde kan beroepen.
2.
De Belgische regering geeft verder een overzicht van de maatregelen die ter uitvoering van de richtlijnen op milieugebied zijn genomen sinds de inwerkingtreding van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980.
Nationaal:
—
Koninklijk Besluit van 7 november 1983 ter uitvoering van de wet van 8 februari 1978 houdende goedkeuring van het Verdrag ter voorkoming van de verontreiniging van de zee, en
—
wet van 9 juli 1984 betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van afvalstoffen;
—
een Koninklijk Besluit met betrekking tot de sectoriële normen voor lozingen afkomstig van de titaandioxydeproduktie is in voorbereiding.
Regionaal:
—
Vlaamse gewest:
—
decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen;
—
verscheidene tientallen besluiten van de Vlaamse Executieve, inzonderheid het besluit van 25 juli 1985 houdende nadere regelen betreffende de verwijdering van afvalolie;
—
Waalse gewest:
—
decreet van 5 juli 1985 betreffende het beheer van afvalstoffen (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14.12.1985);
—
verschillende besluiten van de Waalse Executieve zijn in voorbereiding;
—
Brusselse gewest:
—
een comité is belast met het opstellen van een tekst voor een Koninklijk Besluit betreffende afvalstoffen;
—
in afwachting van dit besluit zal de Executieve een circulaire vaststellen met het oog op de toepassing van de richtlijnen.
De Commissie heeft van deze bepalingen akte genomen. Zij wijst er evenwel op, dat deze in hun huidige vorm slechts ten dele uitvoering geven aan de betrokken richtlijnen, aangezien:
—
de richtlijnen 78/176 en 76/403 nog niet volledig worden toegepast;
—
de toepassing van de richtlijnen 75/439 en 75/442 weliswaar naar behoren is verzekerd in het Vlaamse gewest, en in het Waalse gewest kan worden verwezenlijkt door de inwerkingtreding van het decreet van 5 juli 1985 en de verschillende besluiten van de Waalse Executieve (intussen plaatsgevonden), maar de maatregelen in het Brusselse gewest zich nog slechts in een voorbereidende fase bevinden.
De Commissie stelt bovendien, dat een interne circulaire aan de administratie naar nationaal recht geen rechten en verplichtingen kan doen ontstaan en bijgevolg niet de dwingende kracht heeft die noodzakelijk is voor een correcte uitvoering van de richtlijnen in het nationale recht.
IV — Antwoorden op de vragen van het Hof
In antwoord op de vraag van het Hof om voor iedere richtlijn uiteen te zetten, welke maatregelen ontbreken of voor de uitvoering ervan nodig zijn, heeft de Commissie uittreksels overgelegd uit een studie inzake het „toezicht op de toepassing van de communautaire richtlijnen inzake het milieu en de consumentenbescherming”, die een gedetailleerd overzicht van de stand van zaken bij de uitvoering van de vier hier bedoelde richtlijnen bevat; blijkens dit overzicht is de uitvoering met name in het Brusselse en het Waalse gewest verre van volledig.
De Belgische regering heeft verklaard dat de nationale regering, die enkel ten dele bevoegd is voor richtlijn 78/176, een Koninklijk Besluit heeft voorbereid met betrekking tot lozingen in oppervlaktewateren, dat in augustus 1986 in werking zou moeten treden. In het Waalse gewest zullen alle uitvoeringsbesluiten uiterlijk in mei 1987 van kracht zijn geworden en in het Brusselse gewest zullen de Koninklijke Besluiten ter aanvulling van een zojuist ondertekend Koninklijk Besluit, waarbij de vier richtlijnen ten uitvoer worden gelegd, eind 1986 in werking treden.
In antwoord op een aanvullende vraag van het Hof heeft de Belgische regering bevestigd, dat de door haar genoemde uitvoeringsbesluiten alle maatregelen bevatten, die volgens de Commissie voor een volledige toepassing van de richtlijnen nog ontbreken.
De Commissie heeft akte genomen van de aangekondigde uitvoeringsmaatregelen. Zij betreurt het, dat deze maatregelen eerst zo laat van kracht worden, en wenst zich nog niet erover uit te spreken, of deze maatregelen voor een integrale uitvoering van de vier richtlijnen volstaan.
U. Everling
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaal: Frans.
ARREST VAN HET HOF
14 januari 1988 ( *1 )
In de gevoegde zaken 227 tot en met 230/85,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Amphoux als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door R. Hoebaer, directeur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, 4, rue des Girondins,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen, dat het Koninkrijk België de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van 's Hofs arresten van 2 februari 1982 in de zaken 68/81, 69/81, 70/81 en 71/81 (Commissie/België, Jurispr. 1982, respectievelijk blz. 153, 163, 169 en 175),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. Bosco, kamerpresident, waarnemend voor de president, G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, T. Koopmans, U. Everling, C. Kakouris, R. Joliét en F. Schockweiler, rechters,
advocaatgeneraal: G. F. Mancini
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 24 juni 1987,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 10 november 1987,
het navolgende
Arrest
1
Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 juli 1985, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag vier beroepen ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België, door zich niet te voegen naar de arresten van het Hof van 2 februari 1982 (zaken 68/81, 69/81, 70/81 en 71/81, Commissie/België, Jurispr. 1982, respectievelijk blz. 153, 163, 169 en 175), de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2
In voornoemde arresten heeft het Hof vastgesteld, dat het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen door niet binnen de voorgeschreven termijnen de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan:
—
richtlijn 78/176 van de Raad van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie (PB 1978, L 54, blz. 19),
—
richtlijn 75/442 van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB 1975, L 194, blz. 39),
—
richtlijn 75/439 van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB 1975, L 194, blz. 23), en
—
richtlijn 76/403 van de Raad van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PB 1976, L 108, blz. 41).
3
Aangezien zij van het Koninkrijk België geen inlichtingen had ontvangen over de maatregelen die het had genomen om zich naar deze arresten te voegen, stelde de Commissie de Belgische regering overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag schriftelijk in gebreke bij vier brieven van 16 april 1984, waarin zij haar verzocht haar opmerkingen te maken. Deze brieven bleven onbeantwoord. Na op 21 december 1984 vier met redenen omklede adviezen te hebben uitgebracht, die evenmin werden beantwoord, stelde de Commissie de onderhavige beroepen in.
4
Voor de voorgeschiedenis van het geschil en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
5
De Commissie voert aan, dat het feit dat meer dan drie jaar na de uitspraak van de arresten van 2 februari 1982 nog steeds niet de nodige maatregelen zijn genomen om de betrokken richtlijnen in de Belgische nationale rechtsorde om te zetten, een schending oplevert van de uit artikel 171 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichting om die maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van deze arresten.
6
De Belgische regering wijt deze vertraging aan de bijzondere moeilijkheden die zijn verbonden met de overdracht van een aanzienlijk deel van de bevoegdheden aan de nieuwe regionale instellingen in België, die zijn opgericht bij de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen.
7
In antwoord op de vragen van het Hof heeft de Belgische regering verklaard, dat de nationale overheid slechts ten dele bevoegd is voor de uitvoering van richtlijn 78/176. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de Belgische regering erop gewezen, dat op 4 augustus 1986 een Koninklijk Besluit inzake lozingen van afvalwater in de oppervlaktewateren is vastgesteld en dat bijgevolg op het niveau van de nationale overheid alle maatregelen zijn genomen die ter uitvoering van voornoemde arresten nodig waren.
8
Wat de gewesten betreft heeft de Belgische regering het Hof meegedeeld, dat het Vlaamse gewest op 2 juli 1981 een decreet betreffende het beheer van afvalstoffen heeft vastgesteld alsook een reeks uitvoeringsbesluiten, die de vier richtlijnen dekken. De Belgische regering heeft evenwel toegegeven, dat in het Waalse en het Brusselse gewest de integrale toepassing van de richtlijnen nog op zich laat wachten niettegenstaande de inspanningen die deze twee gewesten zich getroosten om uitvoering te geven aan de vier richtlijnen. In dit verband heeft de gemachtigde van de Belgische regering er ter terechtzitting op gewezen, dat de Belgische wetgeving de staat niet de bevoegdheid verleent om de gewesten tot uitvoering van de communautaire wetgeving te dwingen of om zich, ingeval zij blijven stilzitten, in hun plaats te stellen rechtstreeks in die uitvoering te voorzien.
9
Zoals het Hof in de arresten van 25 mei 1982 (zaken 96/81 en 97/81, Commissie/Nederland, Jurispr. 1982, respectievelijk blz. 1791 en 1819) heeft verklaard, heeft iedere Lid-Staat de vrijheid de bevoegdheden intern naar eigen goeddunken te verdelen en richtlijnen via maatregelen van regionale of plaatselijke overheden ten uitvoer te leggen. Deze bevoegdheidsverdeling ontslaat hem echter niet van de verplichting ervoor te zorgen, dat de bepalingen van de richtlijn nauwkeurig in nationaal recht worden omgezet.
10
Bovendien is het vaste rechtspraak, dat een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen niet ten exceptieve op bepalingen, praktijken of situaties van zijn nationale rechtsorde kan beroepen.
11
In voormelde arresten van 2 februari 1982 heeft het Hof vastgesteld dat het Koninkrijk België, door de richtlijnen niet binnen de voorgeschreven termijnen ten uitvoer te leggen, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen. Ingevolge artikel 171 EEG-Verdrag was het Koninkrijk België gehouden de maatregelen te nemen die ter uitvoering van de arresten van het Hof nodig waren. In dit artikel wordt niet bepaald, binnen welke termijn die maatregelen moeten worden genomen. Nochtans dient onverwijld met de uitvoering van een arrest te worden begonnen en deze dient zo spoedig mogelijk te worden voltooid, hetgeen in casu niet het geval is geweest, aangezien sedert de uitspraak van de betrokken arresten verscheidene jaren zijn verstreken.
12
Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door in weerwil van 's Hofs arresten van 2 februari 1982 (zaken 68/81, 69/81, 70/81 en 71/81, Commissie/België, Jurispr. 1982, respectievelijk blz. 153, 163, 169 en 175) nog steeds niet de nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan 's Raads richtlijnen 78/176 van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandi-oxyde-industrie (PB 1978, L 54, blz. 19), 75/442 van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB 1975, L 194, blz. 39), 75/439 van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB 1975, L 194, blz. 23) en 76/403 van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PB 1976, L 108, blz. 41).
Kosten
13
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1)
Door in weerwil van 's Hofs arresten van 2 februari 1982 (zaken 68/81, 69/81, 70/81 en 71/81, Commissie/België, Jurispr. 1982, respectievelijk blz. 153, 163, 169 en 175) nog steeds niet de nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan 's Raads richtlijnen 78/176 van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie (PB 1978, L 54, blz. 19), 75/442 van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB 1975, L 194, blz. 39), 75/439 van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (PB 1975, L 194, blz. 23) en 76/403 van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polycbloorterfenylen (PB 1976, L 108, blz. 41), is het Koninkrijk België de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2)
Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Bosco
Rodríguez Iglesias
Koopmans
Everling
Kakouris
Joliét
Schockweiler
Uitgesprken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 januari 1988.
De griffier
P. Heim
De president
A. J. Mackenzie Stuart
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy