Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Toepassing van gemeenschapsregeling - Geen verplichting beleid van belangrijke handelspartner van Gemeenschap te volgen
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Prijzen in kader van normale handelstransacties - Inaanmerkingneming van bijzondere aard van bedrijfsorganisatie van betrokken producent - Wettigheid
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2, lid 3, sub a )
3 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Onjuiste vaststelling - Aantasting van anti-dumpingrecht - Geen aantasting aangezien recht is vastgesteld op niveau van schade, die minder bedraagt dan werkelijke dumpingmarge
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 13 )
4 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen - Geen aantasting van rechtszekerheid
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad )
5 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Vaststelling door vergelijking tussen invoerprijzen en prijzen van communautaire produkten, die zijn berekend zonder te letten op daling ervan na dumping - Wettigheid - Voorwaarde
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 4 )
6 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Beoordeling van belangen van Gemeenschap - Instelling van anti-dumpingrechten die niet met dumping verband houdende problemen van bedrijfstak van Gemeenschap laten voortbestaan - Wettigheid
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 12, lid 1 )
Samenvatting
1 . Het beleid van een van haar handelspartners, zelfs een belangrijke, ter verdediging tegen dumpingpraktijken verplicht de Gemeenschap nog niet om bij de toepassing van haar eigen regeling op dit gebied hetzelfde beleid te voeren .
2 . In het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten mogen de gemeenschapsinstellingen als normale waarde van het produkt de prijs aanhouden die op de binnenlandse markt van het land van produktie bij wederverkoop wordt berekend door de met de betrokken producent verbonden distributiemaatschappij, wanneer deze maatschappij door de producent economisch wordt gecontroleerd en aan haar taken zijn toevertrouwd, die gewoonlijk door een binnen de produktieorganisatie bestaande verkoopafdeling worden uitgeoefend .
De scheiding van produktie - en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, doet niets af aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt .
3 . Een producent aan wie anti-dumpingrechten zijn opgelegd, kan deze niet betwisten met het argument, dat bij de vaststelling ervan is gewerkt met een overgewaardeerde dumpingmarge, wanneer het bedrag van de rechten is gesteld op het niveau van de schade en deze lager is dan de ten onrechte aangehouden dumpingmarge, alsook lager dan de werkelijke dumpingmarge .
4 . De bij verordening nr . 2176/84 ingestelde regeling betreffende de verdediging tegen dumpingpraktijken laat aan de gemeenschapsinstellingen, met name aan de Commissie, in meerdere opzichten een zekere discretionaire bevoegdheid gedurende het anti-dumpingonderzoek, bij de vaststelling van een voorlopig recht en bij haar voorstel voor een definitief recht aan de Raad; wanneer de Commissie van deze bevoegdheid gebruik maakt zonder vooraf gedetailleerd uiteen te zetten welke criteria zij in elke concrete situatie denkt te hanteren, handelt zij niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel .
5 . In het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten mogen de instellingen de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade vaststellen door te vergelijken tussen enerzijds de prijzen van ingevoerde produkten en anderzijds de prijzen van soortgelijke communautaire produkten, en zulks niet op het werkelijke niveau maar op het niveau dat zij zouden hebben bereikt zonder dumping, wanneer op het moment van de vergelijking de prijzen van de communautaire produkten juist als gevolg van dumping reeds langdurig onder druk hebben gestaan en daardoor zijn gedaald .
6 . Tegen het instellen van anti-dumpingrechten kan niet worden opgekomen met het argument, dat zij de problemen die voor de bedrijfstak van de Gemeenschap worden gecreëerd door de concurrentie van zonder dumping uit derde landen ingevoerde produkten, laten voortbestaan of dat zij uiteindelijk niet-efficiënte producenten beschermen, want het feit dat een producent in de Gemeenschap ook andere dan door dumping veroorzaakte moeilijkheden ondervindt, is geen reden deze producent elke bescherming tegen de door dumping veroorzaakte schade te onthouden .
Partijen
In zaak 250/85,
Brother Industries Ltd, gevestigd te Nagoya ( Japan ), optredend voor zichzelf alsmede in naam en voor rekening van haar dochterondernemingen in de EEG :
- Brother International ( Belgium ) SA, te Zellik ( België ),
- Brother International Maskin A/S, te Ishoj ( Denemarken ),
- Brother International GmbH, te Bad Vilbel ( Bondsrepubliek Duitsland ),
- Brother-Jones SMC Ltd, te Manchester ( Verenigd Koninkrijk ),
- Brother International Corp . ( Irl .) Ltd, te Dublin ( Ierland ),
- Brother International ( Nederland ) BV, te Badhoevedorp, en
- Brother France SA, te Aulnay-sous-Bois ( Frankrijk ),
vertegenwoordigd door P . Didier, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L . Mosar, advocaat aldaar, 8, rue Notre-Dame,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H . J . Lambers, directeur van zijn juridische dienst, en E . H . Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door G . Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Temple Lang als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
en
Committee of European Typewriters Manufacturers ( Cetma ), vertegenwoordigd door D . Ehle, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E . Arendt en G . Harles, advocaten aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening nr . 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1985, L 163, blz . 1 ), voor zover die verordening verzoekster betreft,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida, U . Everling, Y . Galmot en R . Joliet, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 22 september 1987,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 augustus 1985, heeft de vennootschap Brother Industries Ltd ( hierna : Brother ), gevestigd te Nagoya, Japan, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr . 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1985, L 163, blz . 1 ), voor zover die verordening verzoekster betreft; voorts vordert zij schadevergoeding van de Raad en de Commissie wegens gekwalificeerde schending van de communautaire anti-dumpingregels en van de algemene rechtsbeginselen van de Gemeenschap .
2 Brother is een onderneming die onder meer elektronische schrijfmachines produceert, welke zij voornamelijk in het buitenland verkoopt . In 1984 diende het Committee of European Typewriter Manufacturers ( hierna : Cetma ) bij de Commissie een klacht in, waarin verzoekster en andere Japanse producenten ervan werden beschuldigd hun produkten in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen te verkopen .
3 De door de Commissie ingeleide anti-dumpingprocedure op basis van verordening nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1984, L 201, blz . 1 ) resulteerde in een voorlopig anti-dumpingrecht voor Brother van 43,7 % ( verordening nr . 3643/84 van de Commissie van 20.12.1984, PB 1984, L 335, blz . 43 ). Vervolgens stelde de Raad op voorstel van de Commissie een definitief anti-dumpingrecht van 21 % vast bij verordening nr . 1698/85, waartegen Brother het onderhavige beroep heeft ingesteld .
4 Bij verzoekschrift in kort geding van 29 augustus 1985 verzocht Brother om de toepassing van verordening nr . 1698/85 te haren aanzien op te schorten tot de uitspraak van het Hof in de hoofdzaak . De President van het Hof heeft dit verzoek bij beschikking van 18 oktober 1985 afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden .
5 Cetma is in deze zaak toegelaten als interveniënte ter ondersteuning van de conclusies van verweerder . De Commissie is eveneens toegelaten als interveniënte ter ondersteuning van de conclusies van verweerder, nadat Brother haar schadevordering had ingetrokken, die zij tegen de Raad en de Commissie had ingesteld bij hetzelfde verzoekschrift als het beroep tot nietigverklaring .
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Brother voert tegen verordening nr . 1698/85 de volgende zeven middelen aan :
- Onjuistheden in de berekening van de normale waarde
- Schending van verordening nr . 2176/84 wat betreft de berekening van de uitvoerprijs
- Schending van verordening nr . 2176/84 bij de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs
- Schending van het rechtszekerheidsbeginsel
- Schending van verordening nr . 2176/84 bij de vaststelling van de schade die de industrie in de Gemeenschap heeft geleden
- Onjuiste beoordeling van de belangen van de Gemeenschap
- Schending van het gelijkheids - en het non-discriminatiebeginsel
Het middel betreffende onjuistheden in de berekening van de normale waarde
8 Brother betoogt in de eerste plaats, dat de marktstructuur van Japan, waar zeer weinig elektronische schrijfmachines worden gebruikt, niet goed kan worden vergeleken met die van de Gemeenschap en dat de Japanse prijzen dus geen "vergelijkbare" prijzen zijn in de zin van verordening nr . 2176/84 .
9 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat artikel 2, lid 2, van verordening nr . 2176/84 bepaalt : "Ten aanzien van een produkt wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van het produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan de normale waarde van een soortgelijk produkt ." Zoals blijkt uit lid 3, sub a, van ditzelfde artikel, wordt onder normale waarde verstaan "de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van oorsprong ". Andere criteria voor de vaststelling van de normale waarde zijn voorzien voor het geval, dat het soortgelijke produkt in het land van uitvoer of van oorsprong niet in het kader van normale handelstransacties wordt verkocht of dat dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken .
10 Erkend moet worden dat, om redenen die voornamelijk verband houden met de bijzondere kenmerken van het Japanse schrift, in Japan in de binnenlandse handelsbetrekkingen geen schrijfmachines worden gebruikt en daar derhalve, vergeleken met de Gemeenschap, slechts in zeer geringe aantallen worden verkocht . Blijkens de processtukken betaat er niettemin in Japan een markt voor elektronische schrijfmachines, die enkele tienduizenden machines per jaar omvat en die wordt gekenmerkt door een tamelijk levendige concurrentie, wat onder meer blijkt uit de aanwezigheid van buitenlandse produkten . Onder deze omstandigheden verzet zich er niets tegen aan te nemen, dat de prijzen op de Japanse markt vergelijkbaar zijn met die op de communautaire markt .
11 Brother stelt vervolgens, dat de prijzen op de Japanse markt niet representatief waren, gelet op het aantal elektronische schrijfmachines dat zij daar verkocht . Dit aantal lag namelijk niet boven de drempel van 5 % van de uitvoer, waarbeneden de verkopen op de Japanse markt volgens een besluit van de instellingen als verwaarloosbaar waren te beschouwen . Zij meent ook, dat de derde overweging van de considerans van verordening nr . 2176/84 ertoe dwingt om rekening te houden met het beleid van de belangrijkste handelspartners van de Gemeenschap . Deze 5 %-drempel had dus net zo moeten worden berekend als gebruikelijk is in de Verenigde Staten . Bovendien zou de door de instellingen in casu aangenomen houding een onverhoedse wijziging vormen van de tot dusver gevolgde praktijk, die van veel hogere "insignificantie-drempels" uitging .
12 In de processtukken is geen steun te vinden voor de bewering van Brother, dat de voor de vaststelling van de normale waarde van haar produkten in aanmerking genomen binnenlandse verkopen niet boven de insignificantie-drempel uitkwamen . Dit is enkel juist, wanneer men, zoals Brother, de insignificantie-drempel voor de binnenlandse verkopen bepaalt op 5 % van de totale uitvoer naar alle bestemmingen . De instellingen hebben evenwel nimmer aldus geredeneerd; in casu zijn zij uitgegaan van 5 % van de totale uitvoer naar de Gemeenschap .
13 Wat betreft Brothers argument in verband met de praktijk van de Verenigde Staten op dit punt, moet worden opgemerkt, dat het beleid van een van haar handelspartners, zelfs een belangrijke, de Gemeenschap nog niet verplicht om hetzelfde beleid te voeren .
14 Brother verwijt de instellingen in de derde plaats, dat zij de normale waarde van de meeste van haar modellen hebben berekend aan de hand van de wederverkoopprijs van de met haar verbonden distributeur in Japan, Brother Sales Ltd, terwijl, wanneer zij ervan overtuigd waren dat de prijzen die Brother aan Brother Sales Ltd berekende, geen in het kader van normale handelstransacties vastgestelde prijzen waren, zij overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, van verordening nr . 2176/84 zich hadden moeten baseren op de prijzen van soortgelijke, naar derde landen uitgevoerde produkten of op de aangenomen waarde .
15 Het gebruik van de wederverkoopprijzen van de geassocieerde distributeur is evenwel gerechtvaardigd, omdat deze prijzen terecht kunnen worden beschouwd als de prijzen waartegen het produkt voor het eerst in het kader van normale handelstransacties wordt verkocht . Brother verhandelt haar produkten op de binnenlandse markt namelijk via een distributiemaatschappij, die zij economisch controleert en waaraan zij taken toevertrouwt, die gewoonlijk worden uitgeoefend door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van een producent .
16 De scheiding van produktie - en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, doet niets af aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht, die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt .
17 Wat de modellen betreft waarvan de normale waarde is aangenomen, voert Brother aan, dat de algemene, administratieve en andere uitgaven hadden moeten worden berekend aan de hand van de situatie, dat het produkt wordt uitgevoerd .
18 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat het doel van het aannemen van de normale waarde in het systeem van verordening nr . 2176/84 is, de verkoopprijs van een produkt te bepalen, zoals deze zou zijn, wanneer dit produkt in het land van oorsprong of van uitvoer zou worden verkocht . Derhalve moeten die kosten in aanmerking worden genomen, die met de verkoop op de binnenlandse markt in verband staan .
19 Bovendien moet erop worden gewezen, dat voor de modellen die in voldoende aantallen op de binnenlandse markt werden verkocht, een werkelijke prijs kon worden vastgesteld, terwijl de normale waarde moest worden aangenomen voor de modellen die enkel werden uitgevoerd . Zou men nu voor deze laatste niet dezelfde kosten in aanmerking nemen als die welke een bestanddeel van de werkelijke prijs van de in het binnenland verkochte modellen vormen, dan zouden de fabrikanten die elektronische schrijfmachines exporteren, zonder enige reden verschillend worden behandeld, al naar gelang zij ook in hun eigen land verkopen of uitsluitend in het buitenland .
20 In de vijfde plaats beklaagt Brother zich erover, dat de winstmarge die voor het samenstellen van de normale waarde van sommige van haar modellen is gehanteerd, op onjuiste wijze is berekend, doordat de algemene verkoopkosten van Brother Sales Ltd in Japan zijn gedeeld door de totale verkopen van Brother over de hele wereld, welke verkopen niets te maken hebben met die van Brother Sales Ltd . Hierdoor is de winst opgeschroefd en zijn de algemene verkoopkosten gedrukt .
21 De instellingen voeren terecht hiertegen aan dat, zelfs indien de berekeningen zouden zijn gemaakt op basis van de door Brother aangegeven cijfers, het resultaat niet anders was geweest, aangezien zowel de winstmarge als de algemene kosten, die beide voor het aannemen van de normale waarde zijn gebruikt, componenten zijn van de binnenlandse prijzen van Brothers produkten, zodat als één ervan vermindert, de andere in dezelfde mate toeneemt .
22 Op grond van het voorgaande moet het middel betreffende onjuistheden in de berekening van de normale waarde worden verworpen .
Het middel ontleend aan schending van verordening nr . 2176/84 bij de berekening van de uitvoerprijs
23 Nu de instellingen de in dit middel aangevoerde fout, namelijk het tweemaal in aanmerking nemen van de kosten van kredieten aan klanten, hebben gecorrigeerd en de dumpingmarge met 1,5 % hebben verminderd, vraagt Brother zich af, of wel mocht worden uitgesloten, dat de aldus vastgestelde nieuwe gegevens ook gevolgen konden hebben voor de berekening van het anti-dumpingrecht .
24 Aangezien het anti-dumpingrecht door de instellingen is bepaald op het niveau van de door de communautaire industrie geleden schade, namelijk op 21 % van de prijs van het produkt, terwijl de voor Brother vastgestelde dumpingmarge 33,6 % van de prijs van het produkt bedroeg, dient te worden geconstateerd, dat de gemeenschapsinstellingen ontegenzeglijk mochten aannemen, dat een vermindering van de dumpingmarge met 1,5 % geen enkele invloed op de hoogte van het anti-dumpingrecht zou hebben .
Het middel ontleend aan schending van verordening nr . 2176/84 bij de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs
25 Brother betoogt in de eerste plaats, dat de normale waarde en de uitvoerprijs op onjuiste wijze zijn vergeleken, omdat uitvoerprijzen "af-fabriek" zouden zijn vergeleken met normale waarden "af-exclusieve distributeur ".
26 Dit middel treft geen doel, omdat, zoals reeds is uiteengezet, Brother en de met haar geassocieerde distributeur als één enkele economische eenheid moeten worden beschouwd .
27 Nu dit middel niet kan slagen, kunnen de middelen die betrekking hebben op de weigering van de instellingen om in verzoeksters geval correcties in de zin van artikel 2, lid 10, van verordening nr . 2176/84 aan te brengen, onbesproken blijven . Deze middelen zijn subsidiair aangevoerd voor het geval, dat zou worden vastgesteld, dat de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs in verschillende handelsstadia had plaatsgevonden .
Het middel ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel
28 Brother voert aan, dat in de bestreden verordening, vanwege de onnauwkeurigheid van basisverordening nr . 2176/84 ten aanzien van de praktische berekeningswijze van de dumpingmarge, een groot aantal nieuwe principiële keuzes zijn gemaakt . Deze handelwijze zou zich niet verdragen met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat daardoor zelfs een zorgvuldige en bedachtzame marktdeelnemer werd belet al het nodige te doen ten einde te voorkomen dat hem een anti-dumpingrecht zou worden opgelegd .
29 Met betrekking tot dit middel dient te worden opgemerkt, dat de bij verordening nr . 2176/84 ingestelde regeling in meerdere opzichten een zekere discretionaire bevoegdheid laat aan de gemeenschapsinstellingen, met name aan de Commissie bij het anti-dumpingonderzoek, bij de vaststelling van een voorlopig recht en bij haar voorstel voor een definitief recht aan de Raad; wanneer de Commissie van deze bevoegdheid gebruik maakt zonder vooraf gedetailleerd uiteen te zetten, welke criteria zij in elke concrete situatie denkt te hanteren, dan handelt zij niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel .
30 Het middel ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel moet dus worden verworpen .
Het middel ontleend aan schending van verordening nr . 2176/84 bij de vaststelling van de door de communautaire industrie geleden schade
31 In het eerste onderdeel van dit middel stelt Brother, dat krachtens artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr . 2176/84 het onderzoek naar de schade onder meer moet omvatten "de prijzen van de invoer met dumping of subsidiëring, waarbij in het bijzonder wordt nagegaan of er een aanzienlijke onderbieding is geweest in vergelijking met de prijs van een soortgelijk produkt in de Gemeenschap ". Volgens Brother kan de in dit artikel bedoelde vergelijking enkel een vergelijking zijn tussen werkelijke prijzen, vooropgesteld dat deze redelijk zijn .
32 Bij de beoordeling van dit middel moet in aanmerking worden genomen, dat de instellingen pas konden beginnen met de vaststelling van de schade, nadat de producenten in de Gemeenschap op 15 februari 1984 een klacht hadden ingediend, terwijl uit de processtukken blijkt, dat de bedrijfstak van de Gemeenschap al enige tijd daarvoor de gevolgen van de Japanse invoer begon te merken die naderhand aan de anti-dumpingprocedure werd onderworpen . De prijzen van de communautaire produkten in 1984 waren dus niet meer bruikbaar voor de vaststelling van de schade in de zin van artikel 4, omdat zij al sedert enige tijd waren verlaagd ten einde weerstand te kunnen bieden aan de steeds verder toenemende druk van de Japanse invoer .
33 In het licht van deze overwegingen is de enige oplossing die de in artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr . 2176/84 bedoelde vergelijking niet zinledig maakt, om als prijs binnen de Gemeenschap de prijs te nemen zoals deze zou zijn geweest, wanneer hij niet langdurig onder druk had gestaan van de Japanse invoer .
34 Het argument van Brother, dat zij niet wist hoe de streefprijzen zijn berekend, kan niet worden aanvaard, daar de berekeningswijze van de streefprijzen haar is meegedeeld en de produktiekosten van de ondernemingen uit de Gemeenschap vertrouwelijke gegevens zijn, die haar in geen geval hadden kunnen worden meegedeeld .
35 Vervolgens stelt Brother, dat de voor een prijsvergelijking noodzakelijke correcties tussen de verschillende modellen op onredelijke wijze zijn aangebracht .
36 Dienaangaande moet worden beklemtoond dat, zoals Brother ook toegeeft, het wegens de grote verscheidenheid aan modellen en verschillen in technische kenmerken ervan onmogelijk was om een rechtstreekse vergelijking te maken tussen de ingevoerde modellen en de communautaire modellen die het meest daarmee overeenkwamen . Aangezien er dus een correctie nodig was om met deze verschillen rekening te houden, hebben de instellingen de Japanse exporteurs en de communautaire fabrikanten verzocht om van elk model aan de hand van de technische kenmerken naar eer en geweten de handelswaarde te schatten, en hebben zij vervolgens het gemiddelde van de twee schattingen genomen .
37 Aangezien een technisch mechanisme, waarvan de produktiekosten niet erg hoog zijn, voor een potentiële koper zeer interessant kan zijn, omdat de machine daardoor voor een bijzonder gebruiksdoel geschikt is, moet worden vastgesteld, dat de handelswaarde van een machine niet noodzakelijkerwijze verschilt naar gelang van de produktiekosten van de bestanddelen ervan . Bij gebreke van een objectieve methode om de handelswaarde van elektronische schrijfmachines te schatten, moet worden aangenomen, dat de door de instellingen gevolgde methode, gebaseerd op het gemiddelde van de verschillende subjectieve schattingen, redelijk was .
38 Ten slotte had Brother aangevoerd, dat bepaalde modellen die als in de Gemeenschap vervaardigd waren beschouwd, in werkelijkheid in derde landen waren vervaardigd . De Raad heeft daarop geantwoord, en Brother heeft dit toegegeven, dat al die modellen ofwel in de Gemeenschap waren vervaardigd, ofwel niet in aanmerking waren genomen bij de berekening van de schade, met uitzondering van twee modellen, waarvoor die fout tijdens het geding werd gecorrigeerd bij verordening nr . 113/86 van de Raad van 20 januari 1986 ( PB 1986, L 17, blz . 2 ). Dit middel is dus zonder voorwerp geraakt .
39 De middelen met betrekking tot de vaststelling van de door de communautaire industrie geleden schade moeten derhalve worden verworpen .
De middelen ontleend aan een onjuiste beoordeling van de belangen van de Gemeenschap
40 Brother stelt, dat in haar geval het instellen van een definitief anti-dumpingrecht niet in overeenstemming is met artikel 12 van verordening nr . 2176/84, volgens hetwelk een dergelijke maatregel kan worden getroffen wanneer onder meer blijkt "dat de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden noodzakelijk maken ". In casu zou het opleggen van een anti-dumpingrecht aan Brother de belangen van de Gemeenschap op geen enkele wijze dienen, aangezien andere niet-communautaire ondernemingen op de markt van de Gemeenschap blijven verkopen tegen prijzen gelijk aan of lager dan die van haar .
41 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat Brother niet beweert, dat bedoelde ondernemingen op de markt van de Gemeenschap tegen dumpingprijzen verkopen . Onder die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de belangen van de Gemeenschap doeltreffend zijn gewaarborgd door beschermende maatregelen tegen invoer met dumping, ook al kan een anti-dumpingrecht de communautaire industrie niet vrijwaren van de mededinging van zonder dumping ingevoerde produkten uit andere derde landen .
42 Brother voert ook aan, dat het niet in het belang van de Gemeenschap is om inefficiënte producenten te beschermen . Zoals de instellingen terecht stellen, is het overeenkomstig artikel 12, lid 1, van verordening nr . 2176/84 hun taak om bij het bestaan van dumping en schade te beoordelen, of "de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden noodzakelijk maken ". Het feit dat een producent in de Gemeenschap ook andere dan door dumping veroorzaakte moeilijkheden ondervindt, is geen reden deze producent elke bescherming tegen de door de dumping veroorzaakte schade te onthouden .
43 De aan de communautaire producenten, ook aan de minder efficiënte, verleende bescherming is overigens niet overdreven, want bij de berekening van de streefprijs werd voor de communautaire industrie een winstmarge van 10 % aangenomen, hoewel deze producenten op grond van steekhoudende cijfers hadden gesteld, dat een marge van 18 tot 20 % van de omzet redelijk kon worden geacht .
44 De middelen ontleend aan een onjuiste beoordeling van de belangen van de Gemeenschap moeten dus worden verworpen .
45 Gezien de conclusies met betrekking tot de andere middelen van Brother, kan het middel ontleend aan schending van het gelijkheids - en non-discriminatiebeginsel onbesproken blijven, aangezien dit middel in wezen de vraag opwerpt, of de door de instellingen gebruikte berekeningsmaatstaven juist waren .
46 Gelet op het voorgaande moet het beroep in zijn geheel worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
47 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien Brother in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in de kosten van de hoofdzaak en van de procedure in kort geding, daaronder begrepen de kosten van de interveniënten die in die zin hebben geconcludeerd .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verwijst verzoekster in de kosten van de hoofdzaak en van de procedure in kort geding, daaronder begrepen de kosten van de interveniënten die in die zin hebben geconcludeerd .
Full & Egal Universal Law Academy