Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Aangenomen normale waarde - Inaanmerkingneming van redelijke winstmarge
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2, lid 3, sub b, ii )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Aangenomen normale waarde - Produktiekosten - Verkoopkosten en administratieve en andere algemene uitgaven
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2, lid 3, sub b, ii )
3 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde, van uitvoerprijs en vergelijking - Verschillende regels
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2 )
4 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Onjuiste vaststelling - Aantasting van anti-dumpingrecht - Geen aantasting aangezien recht is vastgesteld op niveau van schade, die minder bedraagt dan werkelijke dumpingmarge
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 13 )
5 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Vaststelling door vergelijking tussen invoerprijzen en prijzen van communautaire produkten, die zijn berekend zonder te letten op daling ervan na dumping - Wettigheid - Voorwaarde
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 4 )
Samenvatting
1 . Wanneer de gemeenschapsinstellingen, in het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten, voor het vaststellen van de normale waarde moeten uitgaan van de aangenomen waarde, mogen zij als redelijke winstmarge de winst nemen die door concurrenten van de dumpende producent voor soortgelijke produkten op de binnenlandse markt van het land van produktie is behaald, zonder dat hen kan worden tegengeworpen dat het om gegevens gaat die de betrokken producent niet kent en waarvan hij de juistheid niet kan nagaan, doordat de in het kader van het onderzoek ontvangen gegevens, die onder het zakengeheim vallen, vertrouwelijk worden behandeld .
Wanneer het namelijk niet mogelijk is om van de werkelijke prijzen uit te gaan, blijkt het in het stelsel van verordening nr . 2176/84 dikwijls noodzakelijk te zijn zich te bedienen van elementen die de betrokken producent niet kent, en moet de daaruit voortvloeiende mate van onvoorzienbaarheid worden aanvaard .
2 . Wanneer de instellingen, in het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten, voor het vaststellen van de normale waarde moeten uitgaan van de aangenomen waarde, mogen zij, wanneer het gaat om vaststelling van het redelijk bedrag voor bij de produktiekosten op te tellen verkoopkosten en administratieve en andere algemene uitgaven, in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid en bij gebrek aan bewijs dat deze methode onjuist is, uitgaan van de uitgaven van een met de betrokken producent verbonden maatschappij die andere dan de gedumpte produkten verkoopt, wanneer deze producent zijn produkten op de binnenlandse markt in de handel brengt via genoemde maatschappij, die hij economisch controleert en waaraan hij taken toevertrouwt die gewoonlijk worden uitgeoefend door een bedrijfsinterne verkoopafdeling .
De scheiding van produktie - en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, doet niets af aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt . Bovendien maakt enkel deze methode het mogelijk om, door de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper in aanmerking te nemen, de normale waarde in het stadium "af-fabriek" te bepalen ingeval van een dergelijke produktie - en verkooporganisatie .
Van weinig belang is dat de exclusieve distributeur de produkten waarmee wordt gedumpt, niet verkoopt, omdat de normale waarde van deze produkten moet worden samengesteld alsof zij op de binnenlandse markt waren verkocht .
3 . In het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten bestaan er, wanneer het erom gaat de dumpingmarge te bepalen, drie reeksen onderling verschillende regels, die elk afzonderlijk moeten worden geëerbiedigd, respectievelijk regels voor de vaststelling van de normale waarde, voor het bepalen van de uitvoerprijs en voor de vergelijking tussen beide .
4 . Een producent aan wie anti-dumpingrechten zijn opgelegd, kan deze niet betwisten met het argument, dat bij de vaststelling ervan is gewerkt met een overgewaardeerde dumpingmarge, wanneer het bedrag van de rechten is gesteld op het niveau van de schade en deze lager is dan de ten onrechte aangehouden dumpingmarge, alsook lager dan de werkelijke dumpingmarge .
5 . In het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten mogen de instellingen de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade vaststellen door te vergelijken tussen enerzijds de prijzen van ingevoerde produkten en anderzijds de prijzen van soortgelijke communautaire produkten, en zulks niet op het werkelijke niveau maar op het niveau dat zij zouden hebben bereikt zonder dumping, wanneer op het moment van de vergelijking de prijzen van de communautaire produkten juist als gevolg van dumping reeds langdurig onder druk hebben gestaan en daardoor zijn gedaald .
Partijen
In de gevoegde zaken 260/85 en 106/86,
Tokyo Electric Company Ltd ( TEC ), te Tokio ( Japan ),
TEC Belgium SA, te Brussel(België ),
TEC Elektronik GmbH, te Ratingen ( Bondsrepubliek Duitsland ),
TEC Europe Company Ltd, te Londen ( Verenigd Koninkrijk ),
TEC France SA, te Gentilly ( Frankrijk ),
vertegenwoordigd door J.-F . Bellis en I . Van Bael, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger en Hoss, advocaten aldaar, 15, Côte d' Eich,
en
Tokyo Electric Company Ltd ( TEC ), te Tokio ( Japan ), vertegenwoordigd door J.-F . Bellis en I . Van Bael, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger en Hoss, advocaten aldaar, 15, Côte d' Eich,
verzoeksters,
ondersteund door
UTAX GmbH Organisationssysteme, te Hamburg ( Bondsrepubliek Duitsland ), vertegenwoordigd door P . Czirnich, advocaat te Muenchen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger en Hoss, advocaten aldaar, 15, Côte d' Eich,
interveniënte,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H . J . Lambers, directeur van zijn juridische dienst, en E . H . Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door F . Jacobs, QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Temple Lang als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
en
Committee of European Typewriters Manufacturers ( Cetma ), vertegenwoordigd door D . Ehle, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E . Arendt en G . Harles, advocaten aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,
interveniënten,
betreffende :
- nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van verordening nr . 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1985, L 163, blz . 1 ), voor zover zij Tokyo Electric Company Ltd betreffen ( zaak 260/85 ), en
- nietigverklaring van artikel 1 van verordening nr . 113/86 van de Raad van 20 januari 1986 tot wijziging van verordening nr . 1698/85 van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1986, L 17, blz . 2 ), voorzover dit artikel Tokyo Electric Company Ltd betreft ( zaak 106/86 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida, U . Everling, Y . Galmot en R . Joliet, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 22 september 1987,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 augustus 1985 ( zaak 260/85 ), hebben Tokyo Electric Company Ltd ( TEC ), te Tokio ( Japan ), en haar Europese dochterondernemingen TEC Belgium SA, TEC Elektronik GmbH, TEC Europe Company Ltd en TEC France SA krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr . 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1985, L 163, blz . 1 ), voor zover die verordening verzoeksters betreft .
2 Tokyo Electric Company Ltd ( TEC ) is een onderneming die onder meer elektronische schrijfmachines vervaardigt en verkoopt . De produktie is uitsluitend voor de uitvoer bestemd en wordt in de Lid-Staten van de Gemeenschap afgezet hetzij via 100%-dochterondernemingen, hetzij via onafhankelijke distributeurs . Een aanzienlijk deel van de uitvoer van TEC naar de Gemeenschap bestond ook uit zogenoemde "OEM-verkopen" ( Original Equipment Manufacturer ), dat wil zeggen verkopen aan Europese fabrikanten zoals UTAX GmbH in Duitsland, die de elektronische schrijfmachines vervolgens onder hun eigen merk in de handel brengen . In 1984 diende een Europese producentenvereniging, het Committee of European Typewriter Manufacturers ( hierna : Cetma ), bij de Commissie een klacht in, waarin verzoekster en andere Japanse producenten ervan werden beschuldigd hun produkten in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen te verkopen .
3 De door de Commissie ingeleide anti-dumpingprocedure op basis van verordening nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1984, L 201, blz . 1 ) resulteerde in een voorlopig anti-dumpingrecht voor Tokyo Electric Company Ltd ( TEC ) van 6,9 %. Vervolgens stelde de Raad op voorstel van de Commissie een definitief anti-dumpingrecht van 21 % vast bij verordening nr . 1698/85, waartegen Tokyo Electric en haar Europese dochterondernemingen beroep hebben ingesteld .
4 Bij verzoekschrift in kort geding van 22 augustus 1985 verzochten verzoeksters om de tenuitvoerlegging van verordening nr . 1698/85 te hunnen aanzien op te schorten tot de uitspraak van het Hof in de hoofdzaak . De president van het Hof heeft dit verzoek bij beschikking van 18 oktober 1985 afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden .
5 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 mei 1986 ( zaak 106/86 ), heeft Tokyo Electric Company Ltd ( TEC ) krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr . 113/86 van de Raad van 20 januari 1986 tot wijziging van verordening nr . 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1986, L 17, blz . 2 ), voor zover zij verzoekster betreft .
6 Bij beschikking van 11 maart 1987 zijn de zaken 260/85 en 106/86 voor de behandeling en voor het arrest gevoegd .
7 De Commissie en Cetma hebben in beide zaken geïntervenieerd aan de zijde van verweerder . UTAX GmbH heeft geïntervenieerd aan de zijde van verzoeksters .
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
9 Vooraf moet erop worden gewezen, dat - zoals Tokyo Electric Company Ltd ( TEC ) ook zelf reeds heeft verklaard - het op 5 mei 1986 ingestelde beroep geen enkel nieuw middel bevat, maar enkel is bedoeld om verzoekster de zekerheid te geven, dat het Hof behalve verordening nr . 1698/85 houdende instelling van het definitieve anti-dumpingrecht, ook verordening nr . 113/86 zou toetsen; daarbij is het in verordening nr . 1698/85 vastgestelde bedrag van het recht namelijk gewijzigd als gevolg van de verbetering van een fout, ontstaan doordat in Singapore vervaardigde elektronische schrijfmachines bij de berekening van de door de communautaire bedrijfstak geleden schade ten onrechte waren beschouwd als communautaire produkten .
10 Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters ( hierna gezamenlijk "TEC" te noemen ) de volgende vier middelen aan :
- voor het bepalen van de aangenomen normale waarde is een buitensporig hoge winstmarge gebruikt;
- in de aangenomen normale waarde zijn verkoopkosten verwerkt;
- bij de berekening van de aan TEC France toegerekende kosten is een fout gemaakt;
- bij de vaststelling van de door de communautaire bedrijfstak geleden schade zijn fouten gemaakt .
Het middel, dat voor het bepalen van de aangenomen normale waarde een buitensporig hoge winstmarge is gebruikt
11 Volgens artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr . 2176/84 moet, wanneer op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of van oosprong geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken, onder normale waarde worden verstaan, "de aangenomen waarde, bepaald door bij de produktiekosten een redelijk bedrag voor winst te voegen ". Dit artikel bepaalt eveneens : "In het algemeen mag de opslag voor winst, op voorwaarde dat er gewoonlijk bij verkoop van produkten van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong winst wordt behaald, niet hoger zijn dan die normale winst . In andere gevallen wordt met gebruikmaking van de beschikbare gegevens voor de vaststelling van de opslag elke redelijke grondslag benut ."
12 TEC betoogt, dat de instellingen bij de berekening van het "redelijke bedrag voor winst", dat in de aangenomen normale waarde van haar elektronische schrijfmachines is verwerkt, verordening nr . 2176/84 onjuist hebben toegepast .
Tot staving van dit middel voert zij aan :
- dat de door de instellingen genomen winstmarge te hoog is om een "redelijk bedrag voor winst" of een "normale winst" te kunnen zijn;
- dat de gebruikte marge niet overeenstemt met de winst die "gewoonlijk bij verkoop van produkten van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong wordt behaald" in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr . 2176/84; volgens TEC gaat het daarbij om alle produkten in de sector kantoormachines in Japan;
- dat de ter bepaling van deze marge gebruikte methode in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel;
- dat de toepassing van een dergelijke marge discriminerend is, omdat een andere onderneming die zich in dezelfde situatie bevond, anders werd behandeld;
- dat die marge is berekend op basis van gegevens die niet rechtsgeldig konden worden gebruikt, omdat zij niet aan de betrokkenen zijn meegedeeld .
13 Wat het eerste argument betreft, kan op grond van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr . 2176/84 niet worden gezegd, dat de instellingen de door hen aangehouden winstmarge in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid niet als een redelijke marge konden beschouwen . TEC heeft immers niet aangetoond, dat de betrokken winstmarge niet werd behaald in het kader van normale handelstransacties .
14 Met betrekking tot het tweede argument staat vast, dat onder "soortgelijk produkt" in de zin van artikel 2, leden 2 en 12, van verordening nr . 2176/84 een produkt is te verstaan, dat dezelfde kenmerken vertoont; onder "produkten van dezelfde algemene categorie" in de zin van lid 3 moeten derhalve in casu de produkten worden verstaan, die behoren tot de categorie elektronische schrijfmachines, aangezien alleen die onderling voldoende homogeniteit vertonen om betrouwbare aanwijzingen te kunnen verschaffen, terwijl onder de term "kantoorautomatisering" hoogst uiteenlopende produkten vallen, die wegens hun bijzondere gebruiksmogelijkheden en specifieke klantenkring ieder een verschillende winst kunnen opleveren . De instellingen hebben dus niet onjuist gehandeld door de normale winst te bepalen op grond van gegevens van andere modellen van door andere Japanse producenten verkochte elektronische schrijfmachines .
15 Tegen het derde argument van TEC, dat de door de instellingen gebruikte methode tot onvoorspelbare resultaten leidt, omdat de betrokken producent de winstmarges van zijn concurrenten niet kan kennen, moet worden ingebracht, dat het in het stelsel van verordening nr . 2176/84 dikwijls noodzakelijk blijkt te zijn om zich te bedienen van elementen die de betrokken producent niet kent, wanneer het, zoals in casu, niet mogelijk is om van de werkelijke prijzen uit te gaan; een zekere mate van onvoorzienbaarheid is bij dergelijke transacties onvermijdelijk .
16 Voorts moet worden beklemtoond, dat wanneer voor producenten die niet op de binnenlandse markt actief zijn, de normale waarde enkel zou kunnen worden samengesteld op basis van een hypothetische winst, het gevaar zou bestaan, dat de andere fabrikanten, voor wie de winstmarge op door hen in Japan verkochte modellen wordt gebruikt voor het samenstellen van de normale waarde van hun overige modellen, worden gediscrimineerd . Een oplossing als die welke de instellingen hebben gekozen, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel zoveel mogelijk wordt gewaarborgd, zonder daarom afbreuk te doen aan het beginsel van gelijke behandeling, is dan ook in overeenstemming met het stelsel van verordening nr . 2176/84 .
17 Het vierde argument van TEC is, dat de voor haar berekende winstmarge discriminerend is, omdat deze veel hoger blijkt te zijn dan de marge die bij besluit 86/34 van 12 februari 1986 ( PB 1986, L 40, blz . 29 ) is vastgesteld voor Nakajima, die zich volgens TEC in een volledig met haar te vergelijken situatie bevond .
18 Aangezien uit besluit 86/34 voortvloeit, dat Nakajima niet behoort tot de ondernemingen die een definitief anti-dumpingrecht kregen opgelegd, kan een discriminatie ten gunste van Nakajima, zelfs als die al zou vaststaan, niet leiden tot nietigverklaring van de verordening waarbij TEC een definitief anti-dumpingrecht werd opgelegd; deze verordening is vastgesteld op basis van gegevens die in de loop van het anti-dumpingonderzoek op correcte wijze en overeenkomstig de regels van verordening nr . 2176/84 waren verkregen .
19 Ten slotte stelt TEC, dat de instellingen bij de berekening van de winstmarge niet mede gebruik hadden mogen maken van gegevens die zij niet aan verzoekster hadden meegedeeld .
20 Het argument van TEC is ongegrond, omdat haar klacht gegevens betreft die vertrouwelijk zijn en die haar niet hadden kunnen worden verstrekt zonder schending van het zakengeheim .
21 Gelet op het voorgaande moet het middel van TEC betreffende het gebruik van een buitensporig hoge winstmarge worden verworpen .
Het middel, dat in de aangenomen normale waarde verkoopkosten zijn verwerkt
22 TEC stelt, dat de instellingen verordening nr . 2176/84 onjuist hebben toegepast door in de produktiekosten van haar produkten een bedrag voor verkoopkosten op te nemen, die in een na het stadium "af-fabriek" gelegen handelsstadium waren ontstaan en die de verkoop van andere produkten dan de hier in het geding zijnde betroffen .
23 Volgens TEC is de door de instellingen gebruikte methode in de eerste plaats onjuist, omdat de aangenomen waarde in werkelijkheid niet is bedoeld om een normale waarde te bepalen, alsof er verkopen op de binnenlandse markt hadden plaatsgevonden .
24 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat het doel van het aannemen van de normale waarde in het systeem van verordening nr . 2176/84 is, de verkoopprijs van een produkt te bepalen, zoals deze zou zijn, wanneer dit produkt in het land van oorsprong of in het land van uitvoer zou worden verkocht . Derhalve moeten die kosten in aanmerking worden genomen, die met de verkoop op de binnenlandse markt in verband staan .
25 TEC betoogt voorts, dat de instellingen in strijd met artikel 2, leden 9, 10 en 11, van verordening nr . 2176/84 in haar produktiekosten een bedrag hebben opgenomen voor verkoopkosten en administratieve en andere algemene uitgaven ( hierna : VAA-kosten ) van TEC Electronics, een dochteronderneming die in Japan andere produkten dan elektronische schrijfmachines verkoopt .
26 Zoals uit de processtukken blijkt, brengt TEC haar produkten op de binnenlandse markt in de handel via een distributiemaatschappij, die zij economisch controleert en waaraan zij taken toevertrouwt, die gewoonlijk worden uitgeoefend door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van een producent .
27 Ook al verkoopt TEC geen elektronische schrijfmachines in Japan en verkoopt de met haar verbonden exclusieve distributeur in Japan uitsluitend andere produkten, toch moet voor het anti-dumpingonderzoek de aangenomen normale waarde van haar elektronische schrijfmachines zo worden bepaald, alsof zij op de binnenlandse markt werden verkocht .
28 De scheiding van produktie - en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, doet niets af aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht, die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt .
29 Het zou echter discriminerend zijn, indien kosten die noodzakelijkerwijs in de verkoopprijs van een produkt moeten worden verwerkt, wanneer dit wordt verkocht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, niet meer werden meegeteld, wanneer dat produkt wordt verkocht door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap .
30 Bovenstaande overwegingen leiden eveneens tot afwijzing van het argument van TEC, dat de door de instellingen gehanteerde methode in strijd is met artikel 2, lid 9, van verordening nr . 2176/84, bepalende dat de normale waarde en de uitvoerprijs "normaliter worden vergeleken in hetzelfde handelsstadium, bij voorkeur in het stadium 'af-fabriek' ". Immers, juist de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper maakt een correcte berekening van de normale waarde in het stadium "af-fabriek" mogelijk in het geval van een produktie - en verkooporganisatie als waarvoor Tokyo Electric Company Ltd heeft gekozen voor de op de Japanse markt verkochte produkten .
31 Wat het argument betreft, dat bij het samenstellen zowel van de normale waarde als van de uitvoerprijs de VAA-kosten op dezelfde wijze moeten worden behandeld, kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat het Hof dit duidelijk heeft afgewezen in zijn arresten van 7 mei 1987 ( zaken 240, 255, 256, 258 en 260/84, anti-dumpingrecht op de invoer van kogellagers, Jurispr . 1987, blz . 1809 e.v .), waarin het verklaarde, dat er drie reeksen onderling verschillende regels bestaan, die elk afzonderlijk moeten worden geëerbiedigd . Het betreft respectievelijk regels voor de vaststelling van de normale waarde, voor het bepalen van de uitvoerprijs en voor de vergelijking tussen beide .
32 TEC stelt voorts, dat de VAA-kosten van TEC Electronics niet voor de berekening van de aangenomen waarde van de door TEC vervaardigde elektronische schrijfmachines mochten worden gebruikt, omdat die kosten betrekking hadden op andere produkten dan elektronische schrijfmachines .
33 Artikel 2, lid 3, sub b, ii, bepalende dat een "redelijk bedrag" voor VAA-kosten in de aangenomen normale waarde moet worden opgenomen, verleent de instellingen een discretionaire bevoegdheid bij de bepaling van dit bedrag . Een uitlegging, waarbij deze kosten niet mogen worden bepaald aan de hand van de kosten van een geassocieerde onderneming die andere produkten dan elektronische schrijfmachines verkoopt, zou de instellingen iedere mogelijkheid ontnemen om het bedrag van die kosten te achterhalen . TEC heeft niet aangetoond, waarom de VAA-kosten bij de afzet van andere elektronische produkten geen bruikbare aanwijzing zouden kunnen verschaffen voor de berekening van de VAA-kosten bij verkoop van elektronische schrijfmachines .
34 Evenmin kan het argument worden aanvaard, dat de VAA-kosten voor elektronische schrijfmachines die niet op de binnenlandse markt worden verkocht, nihil zouden moeten zijn op grond van het feit, dat ingevolge artikel 2, lid 11, alle kostenberekeningen moeten worden gebaseerd op de beschikbare boekhoudkundige gegevens die gewoonlijk, wanneer nodig, proportioneel worden toegerekend aan de omzet van elk betrokken produkt en van elke betrokken markt . Een dergelijk argument ontneemt immers elke betekenis aan artikel 2, lid 3, sub b, ii, dat juist van toepassing is in geval van een te geringe afzet op de binnenlandse markt .
35 Het middel, dat in de aangenomen normale waarde VAA-kosten zijn opgenomen, moet derhalve worden verworpen .
Het middel, dat bij de berekening van de aan TEC France toegerekende kosten een fout is gemaakt
36 TEC voert aan, dat haar uitvoerprijzen verkeerd zijn berekend . Bij de VAA-kosten van haar dochteronderneming TEC France zouden namelijk ten onrechte de salarissen zijn opgeteld van personeelsleden die geen elektronische schrijfmachines verkochten, en deze kosten zouden vervolgens ten onrechte aan haar dochterondernemingen in de Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn toegerekend .
37 Wat de bewering van TEC betreft, dat de instellingen de voor TEC France verkeerd berekende VAA-kosten ten onrechte aan haar Britse en Duitse dochterondernemingen hebben toegerekend, moet worden beklemtoond, dat TEC zelf aan de instellingen had voorgesteld om met de VAA-kosten van TEC France rekening te houden, omdat die ook representatief zouden zijn voor de kosten van haar overige Europese dochterondernemingen, die niet waren gecontroleerd . Men kan de instellingen dus niet verwijten op dit voorstel van TEC te zijn ingegaan, ook al bleek later, dat de VAA-kosten van TEC France hoger waren dan verzoekster had gedacht .
38 TEC voert evenwel aan, dat de instellingen in de kosten van TEC France ook de salarissen van personeelsleden hebben meegerekend, die zich nooit met de verkoop van elektronische schrijfmachines hebben beziggehouden, en dat het bedrag van de aan haar Europese dochterondernemingen toegerekende VAA-kosten door die fout veel te hoog is opgestuwd .
39 Volgens TEC bedroegen de VAA-kosten van TEC France in verband met de verkoop van elektronische schrijfmachines geen 27,7 %, maar 16,97 % van de omzet van elektronische schrijfmachines en waren dus 10,73 % lager dan de Commissie had aangenomen . Zelfs als deze cijfers juist zouden zijn, zou dit geen invloed kunnen hebben gehad op de vaststelling van het definitieve anti-dumpingrecht .
40 Er moet namelijk aan worden herinnerd, dat de instellingen voor TEC een dumpingmarge van 48,1 % en een schade van 21 %, uitgedrukt in procenten van de cif-waarde, hadden geconstateerd en dat zij meenden, het anti-dumpingrecht te moeten bepalen op het laagste van die twee percentages, hetgeen volstond om de veroorzaakte schade ongedaan te maken .
41 Uit de processtukken blijkt evenwel, dat de uitvoerprijs was verkregen door van de verkoopprijs van elektronische schrijfmachines in Frankrijk een winst van 5 % en VAA-kosten van in totaal 27,7 % af te trekken, hetgeen betekent, dat die prijs neerkomt op 67,3 % van de verkoopprijs van TEC France . Zelfs wanneer de uitvoerprijs zou worden verhoogd met een bedrag gelijk aan 10,73 % van de verkoopprijs, door de VAA-kosten op 16,97 % te bepalen, zoals TEC heeft verzocht, zou de dumpingmarge nog steeds meer dan 21 % bedragen . Een wijziging van het in verordening nr . 1698/85 vastgestelde anti-dumpingrecht zou dus niet gerechtvaardigd zijn .
42 Het middel moet dus worden verworpen .
Het middel betreffende de onjuistheden bij de vaststelling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade
43 TEC voert in de eerste plaats aan, dat er geen enkele reden bestond om anti-dumpingrechten te heffen op elektronische schrijfmachines die onder Nimexe-code 84.51-14 vielen; voor deze machines was het marktaandeel van de Japanse producenten gedurende de onderzoekperiode gedaald en bovendien werden ze door de communautaire ondernemingen zelf in de Gemeenschap ingevoerd .
44 Het eerste argument berust op de mening, dat voor elektronische schrijfmachines van Nimexe-code 84.51-14, die TEC "compact" noemt, en voor die welke onder andere Nimexe-codes vallen, die TEC "professioneel" noemt, de door de communautaire industrie geleden schade apart had moeten worden vastgesteld . Dit argument vooronderstelt het bestaan van twee afzonderlijke markten .
45 Uit de processtukken blijkt, dat voor zover al ooit een onderscheid tussen "compacte" en "professionele" elektronische schrijfmachines heeft bestaan, dit ten tijde van het anti-dumpingonderzoek reeds was verdwenen wegens de tendens om elektronische schrijfmachines te construeren die allemaal ruimschoots aan dezelfde behoeften kunnen voldoen . De instellingen hebben dus niet onjuist gehandeld door het bestaan van afzonderlijke markten, iets wat zij trouwens nooit hebben erkend, af te wijzen .
46 Het tweede argument van TEC gaat ervan uit, dat de Europese producenten die bepaalde modellen elektronische schrijfmachines uit Japan hadden ingevoerd en deze onder hun eigen merk hadden verkocht, niet tot de ondernemingen hadden mogen worden gerekend die als gevolg van de Japanse invoer schade hadden geleden .
47 Dienaangaande blijkt uit de door de instellingen gemaakte opmerkingen, die door TEC niet serieus zijn bestreden, dat de communautaire producenten slechts enkele, uitsluitend goedkopere modellen hadden ingevoerd ten einde destijds in hun produktassortiment bestaande leemtes op te vullen, en dat de totale omvang van deze invoer steeds betrekkelijk gering was . Onder deze omstandigheden dient te worden aangenomen, dat deze invoer door de producenten in de Gemeenschap niet heeft bijgedragen aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden en dat er dus geen aanleiding was om deze producenten buiten het onderzoek naar de schade te houden .
48 TEC betoogt vervolgens, dat de schade ondeugdelijk is vastgesteld, omdat de omvang van de prijsonderbieding niet overeenkomstig artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr . 2176/84 is bepaald aan de hand van een vergelijking tussen de invoerprijzen en de prijzen van soortgelijke produkten in de Gemeenschap, maar op basis van een vergelijking tussen enerzijds de invoerprijzen en anderzijds de "streefprijzen", dat wil zeggen bedragen die op gekunstelde en hypothetische wijze zijn berekend .
49 Bij de beoordeling van dit middel moet in aanmerking worden genomen, dat de instellingen pas konden beginnen met de vaststelling van de schade, nadat de producenten in de Gemeenschap op 15 februari 1984 een klacht hadden ingediend, terwijl uit de processtukken blijkt, dat de bedrijfstak van de Gemeenschap al enige tijd daarvoor de gevolgen van de Japanse invoer begon te merken die naderhand aan de anti-dumpingprocedure werd onderworpen . De prijzen van de communautaire produkten in 1984 waren dus niet meer bruikbaar voor de vaststelling van de schade in de zin van artikel 4, omdat zij al sedert enige tijd waren verlaagd ten einde weerstand te kunnen bieden aan de steeds verder toenemende druk van de Japanse invoer .
50 In het licht van deze overwegingen is de enige oplossing die de in artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr . 2176/84 bedoelde vergelijking niet zinledig maakt, om als prijs binnen de Gemeenschap de prijs te nemen zoals deze zou zijn geweest, wanneer hij niet langdurig onder druk had gestaan van de Japanse invoer .
51 TEC is evenwel van mening, dat de Commissie de onderbieding van de prijzen van de communautaire produkten door de Japanse producenten foutief heeft vastgesteld, omdat sommige van TEC' s modellen waren vergeleken ofwel met modellen die in de onderzoeksperiode niet in de Gemeenschap werden vervaardigd, ofwel met duurdere Europese modellen dan die welke naderhand vergelijkbaar werden geacht met de TEC-modellen .
52 Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard . De door TEC vermelde gebreken zijn immers hersteld bij de vergelijking die met het oog op de vaststelling van het definitieve anti-dumpingrecht is uitgevoerd en die door verzoekster niet is aangevochten .
53 Onder deze omstandigheden moet ook het vierde middel worden verworpen .
54 Op grond van het voorgaande moeten de beroepen in hun geheel worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
55 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij, in zaak 260/85 hoofdelijk, te worden verwezen in hun eigen kosten alsmede in die van verweerder en van interveniënten, voor zover zij dit hebben gevorderd, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding . De vennootschap UTAX, interveniënte aan de zijde van verzoeksters, dient haar eigen kosten te dragen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt de beroepen .
2 ) Verwijst verzoeksters - in zaak 260/85 hoofdelijk - in de kosten van verweerder en van interveniënten die in die zin hebben geconcludeerd, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding . Verstaat dat UTAX haar eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy