Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gevoegde zaken 277 en 300/85
Canon Inc . en anderen
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen
"Anti-dumpingrecht op elektronische schrijfmachines"
Rapport ter terechtzitting 0000
Conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn van 8 maart 1988 0000
Arrest van het Hof ( Vijfde kamer ) van 5 oktober 1988 0000
Samenvatting van het arrest
1 . Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening houdende vaststelling van anti-dumpingrechten - Beroep van importeur geassocieerd met exporteur uit derde land - Ontvankelijkheid
( EEG-Verdrag, artikel 173, 2e alinea; Verordening nr . 2176/84 van de Raad )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Met prioriteit in aanmerking te nemen factor - Prijzen in kader van normale handelstransacties - Inaanmerkingneming van bijzondere aard van bedrijfsorganisatie van betrokken producent - Wettigheid
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2, lid 3, sub a en b )
3 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Toepassing van gemeenschapsregeling - Geen verplichting om beleid van belangrijke handelspartner van Gemeenschap te volgen
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad )
4 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde, van uitvoerprijs en vergelijking - Verschillende regels
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2 )
5 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - In aanmerking te nemen factoren - Invloed van dumping op communautaire produktie - Onderzoek beperkt tot meest relevante factoren - Wettigheid
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 4, lid 2, sub c )
6 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Vaststelling door vergelijking tussen invoerprijzen en prijzen van communautaire produkten, die zijn berekend zonder te letten op daling ervan na dumping - Wettigheid - Voorwaarde
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 4 )
7 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Beoordeling van belangen van Gemeenschap - Instelling van anti-dumpingrechten, die niet met dumping verband houdende problemen van bedrijfstak van Gemeenschap laten voortbestaan - Wettigheid
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 12, lid 1 )
Samenvatting
1 . Wanneer op de produkten van importeurs die zijn geassocieerd met exporteurs uit derde landen, anti-dumpingrechten zijn gelegd, kunnen zij opkomen tegen de verordeningen waarbij deze rechten zijn ingesteld, met name ingeval de uitvoerprijs is berekend aan de hand van hun verkoopprijzen op de gemeenschappelijke markt .
2 . In het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten dient voor de samenstelling van de normale waarde van het produkt vóór elke andere factor te worden uitgegaan van de prijs die bij normale handelstransacties op de binnenlandse markt van het land van produktie wordt berekend, wanneer het mogelijk is om die prijs aan te houden .
De gemeenschapsinstellingen mogen uit dien hoofde de prijs aanhouden die op genoemde markt geldt bij wederverkoop door de met de betrokken producent verbonden distributiemaatschappij, wanneer deze maatschappij door de producent economisch wordt gecontroleerd en aan haar taken zijn toevertrouwd die gewoonlijk door een binnen de produktieorganisatie bestaande verkoopafdeling worden uitgeoefend .
De scheiding van produktie - en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, doet niets af aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt .
3 . Het beleid van een van haar handelspartners, zelfs een belangrijke, ter verdediging tegen dumpingpraktijken verplicht de Gemeenschap nog niet om bij de toepassing van haar eigen regeling op dit gebied hetzelfde beleid te voeren .
4 . In het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten vormen de berekening van de normale waarde en van de uitvoerprijs verschillende bewerkingen vanwege de uiteenlopende berekeningsmethoden, voorzien in respectievelijk artikel 2, leden 3 tot en met 7, en artikel 2, lid 8, van verordening nr . 2176/84 .
Voor de geldigheid van de in artikel 2, lid 9, voorziene vergelijking, waardoor de dumpingmarge kan worden bepaald, kan dus niet als voorwaarde worden gesteld, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens identieke methoden moeten zijn berekend .
5 . Aangezien in het kader van de raming van de door de dumping veroorzaakte schade de in artikel 4, lid 2, sub c, van verordening nr . 2176/84 opgenomen lijst met economische factoren die bij de beoordeling van de invloed van de dumping op de communautaire produktie in aanmerking moeten worden genomen, louter indicatief is, mochten de instellingen zich op het standpunt stellen, dat de meest relevante van deze factoren reeds een toereikende grondslag opleverden om tot een oordeel te kunnen komen .
6 . In het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten mogen de instellingen de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade vaststellen door te vergelijken tussen enerzijds de prijzen van ingevoerde produkten en anderzijds de prijzen van soortgelijke communautaire produkten, en zulks niet op het werkelijke niveau maar op het niveau dat zij zouden hebben bereikt zonder dumping, wanneer op het moment van de vergelijking de prijzen van de communautaire produkten juist als gevolg van dumping reeds langdurig onder druk hebben gestaan en daardoor zijn gedaald .
7 . Tegen het instellen van anti-dumpingrechten kan niet worden opgekomen met het argument, dat zij uiteindelijk niet efficiënte producenten beschermen, want het feit dat een producent in de Gemeenschap ook andere dan door dumping veroorzaakte moeilijkheden ondervindt, is geen reden deze producent elke bescherming tegen de door de dumping veroorzaakte schade te onthouden . Een anti-dumpingrecht moet bovendien slechts worden opgelegd enkel ten belope van de schade, die door de dumping aan de communautaire bedrijfstak is toegebracht .
Partijen
In de gevoegde zaken 277 en 300/85,
Canon Inc ., te Tokyo ( Japan ),
Canon France SA, te Le Blanc Mesnil ( Frankrijk ),
Canon Rechner Deutschland GmbH, te Muenchen-Martinsried, ( Bondsrepubliek Duitsland )
en
Canon ( UK ) Ltd, te Wallington, Surrey, ( Verenigd Koninkrijk ),
vertegenwoordigd door I . S . Forrester, advocaat bij de Schotse balie, van het kantoor Forrester & Norall, M . van Empel, advocaat te Amsterdam, van het kantoor Stibbe, Blaisse en De Jong, en R . Burke, advocaat bij de Ierse balie, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J . C.Wolter, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H . J . Lambers, directeur van zijn juridische dienst, en E . H . Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door F . Jacobs, QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Temple Lang als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
en
Committee of European Typewriters Manufacturers ( Cetma ), vertegenwoordigd door D . Ehle, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E . Arendt en G . Harles, advocaten aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,
interveniënten,
betreffende de nietigverklaring van verordening nr . 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1985, L 163, blz . 1 ), voor zover zij verzoeksters betreft,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida, U . Everling, Y . Galmot en R . Joliet, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 22 september 1987,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 9 september en 4 oktober 1985, hebben Canon France SA, Canon Rechner Deutschland GmbH en Canon ( UK ) Ltd enerzijds en Canon Inc ., te Tokyo, anderzijds krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr . 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1985, L 163, blz . 1 ), voor zover die verordening verzoeksters betreft . De twee beroepen zijn ingeschreven onder de nummers 277 en 300/85 .
2 Canon Inc . is een onderneming die optische en elektronische produkten vervaardigt en sinds 1982/1983 eveneens elektronische schrijfmachines, die zij zowel in het buitenland verkoopt, met name in de Gemeenschap via haar dochterondernemingen Canon France SA, Canon Rechner Deutschland GmbH en Canon ( UK ) Ltd, alsook, zij het op veel kleinere schaal, in Japan via de met haar geassocieerde exclusieve distributiemaatschappij Canon Sales . In 1984 diende een Europese producentenvereniging, het Committee of European Typewriter Manufacturers ( hierna : Cetma ), bij de Commissie een klacht in, waarin verzoekster ervan werd beschuldigd haar produkten in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen te verkopen .
3 De door de Commissie ingeleide anti-dumpingprocedure op basis van verordening nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1984, L 201, blz . 1 ) resulteerde in een voorlopig anti-dumpingrecht voor Canon van 33,3 %. Vervolgens stelde de Raad op voorstel van de Commissie een definitief anti-dumpingrecht van 35 % vast bij verordening nr . 1698/85, waartegen Canon en haar Europese dochterondernemingen de onderhavige beroepen hebben ingesteld .
4 Bij verzoekschrift in kort geding van 7 oktober 1985 verzochten verzoeksters om de tenuitvoerlegging van verordening nr . 1698/85 te hunnen aanzien op te schorten tot de uitspraak van het Hof in de hoofdzaak . De president van het Hof heeft dit verzoek bij beschikking van 18 oktober 1985 afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden .
5 Bij beschikking van 11 november 1985 zijn de zaken 277 en 300/85 voor de behandeling en voor het arrest gevoegd .
6 De Commissie en de Cetma hebben in beide zaken geïntervenieerd aan de zijde van verweerder .
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Met betrekking tot de door de Raad geuite twijfel over de ontvankelijkheid van het beroep in zaak 300/85, voor zover het door importeurs is ingesteld, moet worden vastgesteld, dat volgens de rechtspraak van het Hof, laatstelijk het arrest van 21 februari 1984 ( gevoegde zaken 239 en 275/82, Allied Corporation en anderen, Jurispr . 1984, blz . 1005 ), importeurs die met exporteurs zijn geassocieerd, een verordening houdende instelling van een anti-dumpingrecht kunnen betwisten, met name wanneer, zoals in deze zaken, de uitvoerprijs is berekend aan de hand van hun verkoopprijzen op de gemeenschappelijke markt .
9 Tot staving van hun beroepen voeren verzoeksters ( hierna gezamenlijk te noemen Canon ) de volgende vijf middelen aan :
- onjuiste berekening van de normale waarde;
- onjuiste berekening van de uitvoerprijs;
- onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs;
- onjuiste vaststelling van de schade;
- procedurefouten .
Het middel betreffende de onjuiste berekening van de normale waarde
10 Canon betoogt in de eerste plaats, dat voor zover de instellingen meenden de prijs van transacties in Japan tussen Canon Inc . en de met haar geassocieerde distributeur Canon Sales Ltd niet als normale waarde te kunnen beschouwen, zij deze waarde dan overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub a en b, van verordening nr . 2176/84 hadden moeten samenstellen op basis van de produktiekosten en niet hadden mogen uitgaan van de prijzen die Canon Sales Ltd bij de eerste verkoop van het produkt aan een onafhankelijke koper in rekening bracht .
11 Luidens artikel 2, lid 3, sub a, van verordening nr . 2176/84 wordt onder normale waarde primair verstaan "de prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer of het land van oorsprong ". Andere, sub b, i en ii, genoemde elementen kunnen als normale waarde worden gebruikt, "wanneer op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of van oorsprong geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken ". Uit de tekst en de structuur van genoemde bepalingen blijkt duidelijk, dat voor de vaststelling van de normale waarde in de eerste plaats dient te worden uitgegaan van de prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald . De andere oplossingen zijn slechts secundair .
12 In casu kunnen de door de eerste onafhankelijke koper van het produkt betaalde prijzen terecht worden beschouwd als de in het kader van normale handelstransacties werkelijk betaalde prijzen in het land van uitvoer of van oorsprong; deze prijzen moeten dus met voorrang boven elke andere factor worden gebruikt .
13 In de tweede plaats voert Canon aan, dat de prijzen op de Japanse markt, gezien het aantal elektronische schrijfmachines dat zij op die markt verkocht, niet representatief waren . Dit aantal lag namelijk niet boven de drempel van 5 % van de uitvoer, waarbeneden de verkopen op de Japanse markt volgens een besluit van de instellingen als verwaarloosbaar waren te beschouwen . Zij meent ook, dat de derde overweging van de considerans van verordening nr . 2176/84 ertoe dwingt om rekening te houden met het beleid van de belangrijkste handelspartners van de Gemeenschap . Deze 5 %-drempel had dus net zo moeten worden berekend als gebruikelijk is in de Verenigde Staten, namelijk in verhouding tot de uitvoer naar alle andere derde landen .
14 Het argument van Canon, dat de "insignificantie-drempel" moet worden berekend over de totale uitvoer van alle modellen elektronische schrijfmachines, kan niet worden aanvaard, aangezien de zeer grote verschillen tussen de kenmerken van de diverse modellen ertoe dwingen voor elk model een eigen normale waarde te bepalen . De binnenlandse verkopen van elk van beide door Canon vervaardigde modellen waarvan de binnenlandse prijzen in aanmerking zijn genomen, bedragen per model bekeken meer dan 5 % van de uitvoer van verzoekster naar de Gemeenschap, al vormen zij nauwelijks 1,4 % van de totale omvang van Canons uitvoer naar de Gemeenschap .
15 Wat betreft het argument in verband met de praktijk van de Verenigde Staten op dit punt, moet worden opgemerkt, dat het beleid van een van haar handelspartners, zelfs een belangrijke, de Gemeenschap nog niet verplicht om hetzelfde beleid te voeren . Deze verwijzing kan dus niet beslissend zijn voor de uitlegging van de gemeenschapsregeling .
16 In de derde plaats stelt Canon, dat indien de binnenlandse prijzen niet representatief zijn, de instellingen krachtens artikel 2, lid 3, sub b, verplicht zijn om uit te gaan van de prijs van een soortgelijk produkt bij uitvoer naar een derde land .
17 Uit genoemde bepaling blijkt niet, dat het gebruik van de prijs bij uitvoer naar een derde land voorrang heeft boven de samenstelling van de normale waarde . De instellingen beschikken ter zake derhalve over een beoordelingsvrijheid en Canon is er niet in geslaagd aan te tonen, dat die vrijheid verkeerd is gebruikt .
18 In de vierde plaats verwijt Canon de instellingen, dat zij de bijzonder hoge bedragen, die Canon Sales Ltd wegens de zeer speciale kenmerken van de Japanse markt heeft moeten uitgeven in Japan voor de reclame voor haar elektronische schrijfmachines, niet van de normale waarde hebben afgetrokken .
19 Voor zover dit argument berust op het feit, dat er wel reclameuitgaven van de prijs bij wederverkoop aan de eerste onafhankelijke koper in de Gemeenschap zijn afgetrokken om de uitvoerprijs te bepalen, moet eraan worden herinnerd, dat aan de in artikel 2, lid 3, sub a, gestelde eis van vergelijkbaarheid is voldaan, wanneer de normale waarde en de uitvoerprijs beide zijn vastgesteld uitgaande van de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper . De vergelijking moet derhalve tussen de aldus berekende cijfers worden verricht, onverminderd de in artikel 2, leden 9 en 10, uitdrukkelijk voorziene correcties en verminderingen . Uit artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr . 2176/84 volgt echter dat geen correcties worden toegepast "voor verschillen in administratieve en algemene kosten, met inbegrip van kosten voor ... reclame ". Dit argument kan dus niet worden aanvaard .
20 In de vijfde plaats voert Canon verschillende argumenten aan, die de vier modellen elektronische schrijfmachines betreffen waarvoor de normale waarde is samengesteld .
21 Dienaangaande stelt Canon allereerst, dat artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr . 2176/84 de instellingen niet toestaat om de normale waarde samen te stellen door daarbij bepaalde elementen - namelijk de winstmarges - van de werkelijke binnenlandse prijs van andere modellen als richtsnoer te gebruiken . Zij beweert bovendien, dat haar boekhouding over de referentieperiode een winst van 7,2 % op elektronische schrijfmachines te zien geeft, wat zou bewijzen, dat de veel hogere winstmarge die de instellingen haar toeschreven, niet "redelijk" is .
22 Met betrekking tot dit punt moet worden opgemerkt, dat de winstmarge die voor het samenstellen van de normale waarde is gebruikt, niet verschilt van Canons winstmarge op de twee modellen waarvan de binnenlandse prijzen in aanmerking zijn genomen . Gelet op de beoordelingsvrijheid waarover de instellingen beschikken, kan deze marge derhalve als redelijk in de zin van genoemde bepaling van verordening nr . 2176/84 worden beschouwd voor de samenstelling van de normale waarde, nu Canon geen enkel bewijs van het tegendeel heeft geleverd en de boekhouding niet heeft overgelegd, waarop zij haar stelling baseert .
23 Ook voert Canon aan, dat door geen rekening te houden met de werkelijke reclamekosten voor elektronische schrijfmachines, die in Japan veel hoger zijn dan de reclamekosten voor andere produkten, de instellingen de winstmarge van de betrokken onderneming hebben overgewaardeerd en dientengevolge een te hoge aangenomen normale waarde hebben vastgesteld .
24 Uit de processtukken blijkt evenwel, dat Canon geen nader bewijs heeft aangevoerd voor haar bewering, dat de instellingen niet overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr . 2176/84 naar behoren rekening hebben gehouden met haar werkelijke uitgaven voor reclame en promotie . Bovendien volgt uit de processtukken, dat Canon er wel mee instemde, dat de instellingen het omstreden kostenbedrag gebruikten voor het bepalen van de factor "administratieve, algemene en overige kosten", die in de eerste fase van de samenstelling van de normale waarde in de produktiekosten moet worden verwerkt . In het licht van deze overwegingen kan Canons argument derhalve niet worden aanvaard .
25 Canon voert eveneens aan, dat de administratieve, algemene en overige kosten, die zijn opgenomen in de samengestelde normale waarde, hadden moeten worden vastgesteld aan de hand van de kosten die bij uitvoer van het produkt ontstaan .
26 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat het doel van het aannemen van de normale waarde in het systeem van verordening nr . 2176/84 is, de verkoopprijs van een produkt te bepalen, zoals deze zou zijn, wanneer dit produkt in het land van oorsprong of van uitvoer zou worden verkocht . Derhalve moeten die kosten in aanmerking worden genomen, die met de verkoop op de binnenlandse markt in verband staan .
27 Met een beroep op artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr . 21276/84, bepalende dat de normale winstmarge wordt vastgesteld aan de hand van de winst die "gewoonlijk bij verkoop van produkten van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong wordt behaald", voert Canon verder aan, dat de instellingen rekening hadden moeten houden met de in de gehele sector kantoormachines in Japan behaalde winstmarges .
28 Waar evenwel vaststaat, dat onder "soortgelijk produkt" in de zin van artikel 2, leden 2 en 12, van verordening nr . 2176/84 een produkt is te verstaan, dat dezelfde kenmerken vertoont, kunnen onder "produkten van dezelfde algemene categorie" in de zin van lid 3 dan enkel de produkten worden verstaan, die behoren tot de categorie elektronische schrijfmachines, aangezien die onderling voldoende homogeniteit vertonen om betrouwbare aanwijzingen te kunnen verschaffen, terwijl de term "kantoorautomatisering" een buitengewoon grote variëteit aan produkten dekt, die wegens hun bijzondere gebruiksmogelijkheden en specifieke klantenkring ieder een verschillende winst kunnen opleveren . De instellingen hebben dus niet onjuist gehandeld door de normale winst te bepalen aan de hand van gegevens van andere modellen elektronische schrijfmachines .
29 Op grond van het voorgaande moet het eerste middel worden verworpen .
Het middel betreffende de onjuiste berekening van de uitvoerprijs
30 Canons eerste argument in dit verband is, dat de uitvoerprijs had moeten worden berekend aan de hand van de prijzen waartegen zij aan haar Europese dochterondernemingen verkocht .
31 Blijkens de processtukken behoren de Europese dochterondernemingen volledig in eigendom toe aan de moedermaatschappij . Hieruit volgt, dat er tussen Canon en deze ondernemingen een associatie bestaat in de zin van artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr . 2176/84, zodat de instellingen het recht hadden om de uitvoerprijs te berekenen op basis van de verkoopprijs aan de eerste onafhankelijke koper in de Gemeenschap .
32 Op het tweede argument van Canon, dat de af te trekken winstmarge 3 % moest zijn en geen 5 %, hebben de instellingen terecht geantwoord, dat in de eerste plaats laatstgenoemd percentage is ontleend aan de winstmarges van onafhankelijke importeurs en derhalve de meest objectieve grondslag vormt voor een bevredigende raming van de uitvoerprijs, en in de tweede plaats, dat Canon geen bewijs heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van het door haar voorgestelde percentage .
33 In de derde plaats meent Canon, dat de voor de promotie van bepaalde modellen in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk gemaakte kosten over een groter aantal modellen en over een groter geografisch gebied hadden moeten worden verdeeld en over een langere periode hadden moeten worden afgeschreven .
34 Ook al is het niet uitgesloten, dat een op bepaalde modellen gerichte en in bepaalde landen gevoerde reclamecampagne de verkoop van andere modellen eveneens ten goede kan komen en gevolgen kan hebben in andere landen, is deze omstandigheid bij gebreke van gedetailleerd bewijs door verzoekster van zulke neveneffecten, op zich onvoldoende grond om de kosten van een dergelijke campagne te verdelen over alle in de Gemeenschap op de markt gebrachte elektronische schrijfmachines . Er is dus geen aanleiding in casu af te wijken van de algemene regel van artikel 2, lid 11, van verordening nr . 2176/84, dat de kosten proportioneel worden toegerekend "aan de omzet van elk betrokken produkt en van elke betrokken markt ". Hetzelfde geldt voor de periode waaraan deze kosten zijn toegerekend . Aangezien het gaat om kosten die tijdens de onderzoeksperiode zijn gemaakt, hebben de instellingen hun discretionaire bevoegdheid niet overschreden door deze kosten aan die periode te koppelen .
35 Het tweede middel moet dus worden verworpen .
Het middel betreffende de onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs
36 In de eerste plaats voert Canon aan dat, door een berekeningsmethode te gebruiken die de normale waarde kunstmatig opschroeft en de uitvoerprijs drukt, de instellingen inbreuk hebben gemaakt op de verplichting van artikel 2, lid 9, van verordening nr . 2176/84 om tussen beide termen een deugdelijke vergelijking te maken . Een vergelijking waarbij die twee termen niet volgens analoge methoden en op symmetrische wijze worden berekend, zou namelijk niet als deugdelijk kunnen worden aangemerkt .
37 In dit verband moet worden opgemerkt, dat volgens de arresten van het Hof van 7 mei 1987 ( zaken 240, 255, 256, 258 en 260/84, anti-dumpingrecht op de invoer van kogellagers, Jurispr . 1987, blz . 1809, 1861, 1899, 1923, 1975 ) de berekening van de normale waarde en van de uitvoerprijs verschillende bewerkingen zijn vanwege de uiteenlopende berekeningsmethoden, voorzien in respectievelijk artikel 2, leden 3 tot en met 7, en artikel 2, lid 8, van verordening nr . 2176/84 . Voor de geldigheid van de in artikel 2, lid 9, voorziene vergelijking kan dus niet als voorwaarde worden gesteld, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens identieke methoden moeten zijn berekend .
38 In de tweede plaats voert Canon aan, dat de instellingen artikel 2, lid 9, eveneens hebben geschonden, doordat zij, in strijd met het daar bepaalde, de vergelijking niet hebben uitgevoerd in hetzelfde handelsstadium, dat gewoonlijk het stadium "af-fabriek" zou moeten zijn, maar hebben vergeleken tussen een uitvoerprijs "af-fabriek" en een normale waarde die was verkregen uitgaande van de verkopen van Canons exclusieve distributeur in Japan .
39 Zoals uit de processtukken blijkt, brengt Canon haar produkten op de binnenlandse markt in de handel via een distributiemaatschappij, die zij economisch controleert en waaraan zij taken toevertrouwt, die gewoonlijk worden uitgeoefend door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van een producent .
40 De scheiding van produktie - en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, doet niets af aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht, die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt .
41 Bijgevolg kan het argument van Canon niet worden aanvaard, omdat juist de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper een correcte berekening van de normale waarde in het stadium "af-fabriek" mogelijk maakt in het geval van een produktie - en verkooporganisatie als die Canon heeft opgezet op de Japanse markt .
42 Gelet op het voorgaande, kunnen de argumenten met betrekking tot de weigering van de instellingen om Canon correcties in de zin van artikel 2, lid 10, van verordening nr . 2176/84 toe te staan, onbesproken blijven . Deze argumenten zijn subsidiair aangevoerd voor het geval dat zou worden vastgesteld, dat de normale waarde en de uitvoerprijs in verschillende handelsstadia waren vergeleken .
43 Het derde middel moet dus worden verworpen .
Het middel betreffende de onjuiste vaststelling van de schade
44 Canon meent, dat de vaststelling van de schade een uitgebreid onderzoek van de totale betrokken markt vereiste, en bekritiseert de afwijkende aanpak van de instellingen, die terecht hebben geantwoord, dat artikel 4 van verordening nr . 2176/84 een dergelijk onderzoek absoluut niet voorschrijft, maar de gemeenschapsautoriteiten enkel verplicht na te gaan, of de invoer met dumping schade heeft veroorzaakt .
45 In dit verband heeft Canon eerst gesteld, dat op de bepaling van de schade van invloed was geweest dat de "OEM-invoer" ( original equipment manufacturer ), te weten de invoer van machines van oorsprong uit Japan die door de communautaire producenten waren gekocht en vervolgens onder hun eigen merk doorverkocht, door de instellingen als invoer uit Japan is meegerekend .
46 Canon heeft echter uiteindelijk toegegeven, dat de "OEM-invoer" terecht als invoer uit Japan is beschouwd . Onder deze omstandigheden blijft haar redenering beperkt tot de stelling, dat deze invoer niet in de overwegingen van de considerans van verordening nr . 1698/85 is vermeld . Gelet op het feit, dat het meerekenen van deze "OEM-invoer" nooit door de instellingen is ontkend en overigens aan Canon heel goed bekend was, en dat het onmogelijk is om alle details van een anti-dumpingonderzoek in de considerans van een verordening weer te geven, kan dit argument niet worden aanvaard .
47 Voorts beweert Canon, dat de verkopen van de communautaire bedrijfstak maar langzaam zijn gestegen, aangezien de produktiecapaciteit niet toereikend was om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen . Uit de door de Raad verstrekte gegevens blijkt evenwel, dat de communautaire producenten tussen 1980 en eind 1983 hun produktiecapaciteit nooit ten volle hebben benut . Dit argument moet dus eveneens worden afgewezen .
48 Canon verwijt de instellingen ook, dat zij ten onrechte geen aandacht hebben geschonken aan bepaalde factoren die erop duidden, dat de dumping geen enkele schade veroorzaakte, en zich vrijwel uitsluitend hebben georiënteerd op de prijzen, het marktaandeel en financiële gegevens, die echter niets zeggen, als geen onderscheid wordt gemaakt tussen door de dumping veroorzaakte verliezen en verliezen die te wijten zijn aan de structurele problemen van de communautaire fabrikanten; aan de verbetering van de produktie, van de verkopen, van de omzet en van de bezettingsgraad van de communautaire producenten gaan zij daarentegen volledig voorbij .
49 Voor de beoordeling van dit argument moet worden gekeken naar de voorschriften die de schadebeoordeling regelen, met name naar artikel 4 van verordening nr . 2176/84, dat is ontleend aan artikel 3 van de anti-dumpingcode van de GATT . Volgens deze bepaling is er slechts sprake van schade, indien de invoer met dumping "door het effect van de dumping" aanmerkelijke schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt of dreigt toe te brengen, en mag schade veroorzaakt door andere factoren niet worden toegeschreven aan de invoer met dumping .
50 Volgens Canon hebben de instellingen ten onrechte schade toegeschreven aan dumping, terwijl deze schade in werkelijkheid heel andere oorzaken had en voornamelijk voortvloeide uit het feit, dat de ondernemingen in de Gemeenschap zich niet tijdig aan de nieuwe technologie hadden aangepast .
51 Uit de processtukken blijkt, dat het in werkelijkheid de Europese industrie is geweest die de nieuwe technologie in de schrijfmachinesector als eerste ontwikkelde en reeds aan het eind van de jaren zeventig elektronische schrijfmachines op de markt bracht, dus nog voordat de Japanse producenten op de markt verschenen . Bijgevolg is het onjuist, zoals Canon beweert, dat de moeilijkheden van de Europese producenten van elektronische schrijfmachines het gevolg zouden zijn van een technologische achterstand ten opzichte van de Japanse industrie .
52 Hoewel de omschakeling naar de produktie van elektronische schrijfmachines voor sommige communautaire producenten minder gemakkelijk is verlopen dan voor andere en hoewel dit zeer aanzienlijke investeringen vergde, mogen de aan deze investeringen toe te schrijven verliezen in geen geval worden verward met die welke aan dumping zijn te wijten . Aangezien de communautaire ondernemingen gedurende de periode waarop het onderzoek betrekking had, klaarblijkelijk in staat waren om een breed assortiment elektronische schrijfmachines aan te bieden, valt het slinken van hun marktaandeel niet te verklaren uit omschakelingsmoeilijkheden, maar moet voornamelijk aan de dumping door de Japanse producenten worden toegeschreven .
53 Wat het argument van Canon betreft, dat de daling van de rentabiliteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap te maken had met de aard van de markt van elektronische schrijfmachines, moet worden vastgesteld, dat dit argument in tegenspraak is met de houding van de Japanse ondernemingen zelf, die zich op de gemeenschapsmarkt hebben gestort juist op het moment waarop volgens Canon de verkoop van elektronische schrijfmachines al bijna niet langer lonend was .
54 De door de instellingen voor de raming van de schade gebruikte methode blijkt, anders dan Canon meent, wel degelijk in staat te differentiëren tussen de effecten van dumping en die van structurele moeilijkheden van de bedrijfstak van de Gemeenschap . De schade is namelijk vastgesteld op grond van de onderbiedingen die bij de ingevoerde produkten waren geconstateerd ten opzichte van de prijzen die de ondernemingen in de Gemeenschap hadden kunnen realiseren, wanneer er niet was gedumpt .
55 Uit de voorgaande overwegingen volgt, dat de instellingen de specifiek door dumping veroorzaakte schade correct hebben geïdentificeerd . Niet is bewezen, dat de reeds genoemde factoren of andere, zoals de prijzen van andere zonder dumping ingevoerde produkten, of een ingezakte vraag, aan de geconstateerde schade zouden hebben bijgedragen .
56 Wat de grief betreft, dat de in artikel 4, lid 2, sub a, b en c, van verordening nr . 2176/84 genoemde factoren ( omvang van de invoer met dumping, prijzen van de invoer, de invloed ervan op de produktie in de Gemeenschap ) niet juist zouden zijn onderzocht, tonen de overwegingen van de considerans van verordening nr . 1698/85 aan, dat de instellingen deze factoren wel hebben onderzocht . Indien zij bij de beoordeling van de invloed van de dumping op de produktie in de Gemeenschap niet alle in lid 2, sub c, opgesomde relevante economische factoren hebben onderzocht, moet eraan worden herinnerd dat, zoals blijkt uit de formulering van deze bepaling, die opsomming louter indicatief is; de instellingen mochten zich derhalve op het standpunt stellen, dat de meest relevante van deze factoren reeds een toereikende grondslag opleverden om tot een oordeel te kunnen komen .
57 Canon bestrijdt, dat er schade zou kunnen worden geconstateerd voor een periode, waarin de verkopen van de communautaire producenten in absolute cijfers zijn gestegen .
58 Zoals blijkt uit de zich in het dossier bevindende statistieken, zijn deze verkopen weliswaar in absolute cijfers gestegen, maar zijn zij procentueel gezien op de zeer sterk expanderende markt gedaald . De instellingen konden zich derhalve op het standpunt stellen, dat de dumping door de Japanse producenten een aanzienlijk gunstigere ontwikkeling van de afzet van de Europese ondernemingen had verhinderd .
59 Ook betoogt Canon nog, dat de instellingen de omvang van de onderbiedingen van de werkelijke prijzen van de communautaire produkten door de prijzen van de ingevoerde produkten onvoldoende hebben onderzocht .
60 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat de prijzen van de communautaire produkten in 1984 niet meer bruikbaar waren voor de vaststelling van de schade in de zin van artikel 4, omdat zij al sedert enige tijd waren verlaagd ten einde weerstand te kunnen bieden aan de steeds verder toenemende druk van de Japanse invoer, waartegen naderhand een anti-dumpingprocedure werd ingeleid, en in de tweede plaats, dat het onderzoek van talrijke andere factoren het reeds mogelijk maakte om de invloed van de dumping op de produktie in de Gemeenschap te beoordelen . Het was dus niet nodig en evenmin zinvol om in de verordening over het voorlopige anti-dumpingrecht grondiger in te gaan op onderbiedingen van de werkelijke prijzen . Bij de verordening over het definitieve anti-dumpingrecht kon vervolgens naar behoren worden vastgesteld wat de onderbiedingen waren in vergelijking met de streefprijzen, dat wil zeggen de prijzen die met de communautaire produkten zouden zijn gerealiseerd, wanneer er geen dumping had plaatsgevonden .
61 Bovendien hebben de instellingen volgens Canon geen enkel onderscheid gemaakt tussen efficiënte en niet-efficiënte producenten, waardoor zij de verliezen van twee communautaire producenten aan dumping hebben toegeschreven, hoewel hun moeilijkheden in werkelijkheid te wijten waren aan een gebrek aan efficiëntie .
62 Zoals reeds eerder opgemerkt, bood de door de instellingen gebruikte methode de mogelijkheid om de schade die door de dumping aan de communautaire bedrijfstak was toegebracht, voldoende nauwkeurig te bepalen en een anti-dumpingrecht op te leggen enkel tot het beloop van die schade . Anders dan in de oude regeling wordt in artikel 4 van verordening nr . 2176/84 niet meer bepaald, dat enkel schade kan worden geconstateerd, wanneer de dumping de hoofdoorzaak ervan is . Een importeur kan dus aansprakelijk worden gesteld voor schade veroorzaakt door dumping, zelfs indien de aan dumping te wijten verliezen slechts een gedeelte vormen van een grotere, aan andere factoren toe te schrijven schade .
63 Canon voert ook aan, dat het niet in het belang van de Gemeenschap is om inefficiënte producenten te beschermen . Zoals de instellingen terecht stellen, is het overeenkomstig artikel 12, lid 1, van verordening nr . 2176/84 hun taak om bij het bestaan van dumping en schade te beoordelen, of "de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden noodzakelijk maken ". Het feit dat een producent in de Gemeenschap ook andere dan door dumping veroorzaakte moeilijkheden ondervindt, is geen reden deze producent elke bescherming tegen de door de dumping veroorzaakte schade te onthouden .
64 Canon betoogt ook, dat geen enkele communautaire onderneming ooit de winstmarge van 10 % heeft gehaald, die door de instellingen ter berekening van de streefprijs is gebruikt . Deze bewering, die steunt op zeer algemene overwegingen over de economische levensduur van elektronische schrijfmachines, wordt door geen enkel bewijsmiddel gestaafd en moet dus worden afgewezen .
65 Canon heeft bezwaren tegen de wijze waarop de schade is berekend, omdat tot prijsonderbiedingen is geconcludeerd op grond van een vergelijking tussen Japanse en Europese modellen waarvan de handelswaarde aan de hand van subjectieve criteria was geschat, terwijl het enige objectief controleerbare gegeven de produktiekosten van de kenmerken waren geweest, waardoor die modellen van elkaar verschillen .
66 Dienaangaande moet worden beklemtoond dat, zoals Canon ook toegeeft, het wegens de grote verscheidenheid aan modellen en verschillen in technische kenmerken ervan onmogelijk was om een rechtstreekse vergelijking te maken tussen de ingevoerde modellen en de communautaire modellen die het meest daarmee overeenkwamen . Aangezien er dus een correctie nodig was om met deze verschillen rekening te houden, hebben de instellingen de Japanse exporteurs en de communautaire fabrikanten verzocht om van elk model aan de hand van de technische kenmerken naar eer en geweten de handelswaarde te schatten, en hebben zij vervolgens het gemiddelde van de twee schattingen genomen .
67 Aangezien een technisch mechanisme, waarvan de produktiekosten niet erg hoog zijn, voor een potentiële koper zeer interessant kan zijn, omdat de machine daardoor voor een bijzonder gebruiksdoel geschikt is, moet worden vastgesteld, dat de handelswaarde van een machine niet noodzakelijkerwijze verschilt naar gelang van de produktiekosten van de bestanddelen ervan . Bij gebreke van een objectieve methode om de handelswaarde van elektronische schrijfmachines te schatten, moet worden aangenomen, dat de door de instellingen gevolgde methode, gebaseerd op het gemiddelde van de verschillende subjectieve schattingen, redelijk was .
68 De notulen van de vergaderingen tussen Canon en de instellingen alsook de tussen partijen gevoerde correspondentie ten slotte tonen aan, dat Canon de instellingen niet kan verwijten haar niet alle gevraagde inlichtingen te hebben verschaft, uiteraard met uitzondering van informatie van vertrouwelijke aard .
69 In het licht van deze overwegingen moet Canons vierde middel eveneens worden verworpen .
Het middel betreffende procedurefouten
70 Canon betoogt, dat voor zover de cijfers en de tendenzen waarvan de instellingen zijn uitgegaan, niet openbaar zijn, zij hun verordeningen volledig en overtuigend dienen te motiveren . Zeker nu de instellingen bij de dumpingberekening onorthodoxe en uitzonderlijke methodes hadden gebruikt, moest het de betrokkenen mogelijk worden gemaakt tot in de details te controleren, of de gevolgde procedures wel eerlijk en nauwkeurig zijn geweest . De instellingen zouden evenwel met sommige relevante factoren geen rekening hebben gehouden, onvoldoende aandacht hebben besteed aan Canons argumenten en hun optreden niet naar behoren met redenen hebben omkleed, zodat verordening nr . 1698/85 op procedurele gronden moet worden nietig verklaard .
71 Gelet op de bespreking van de voorgaande middelen, is er geen reden om aan te nemen, dat de berekeningsmethoden niet passend waren of dat relevante factoren buiten beschouwing zijn gebleven . De consideransen van de verordeningen van de Commissie en de Raad geven overigens een duidelijke en uitvoerige uiteenzetting van de methoden die de instellingen hebben gevolgd .
72 Mitsdien moet het vijfde middel eveneens worden verworpen .
73 Op grond van het voorgaande moeten de beroepen in hun geheel worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
74 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij, in zaak 277/85 hoofdelijk, te worden verwezen in de kosten van het hoofdgeding en van de procedure in kort geding, daaronder begrepen de kosten van de interveniënten die in die zin hebben geconcludeerd .
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
rechtdoende :
Dictum
1 ) Verwerpt de beroepen .
2 ) Verwijst verzoeksters - in zaak 277/85 hoofdelijk - in de kosten van het hoofdgeding en van de procedure in kort geding, daaronder begrepen de kosten van de interveniënten, die in die zin hebben geconcludeerd .
Full & Egal Universal Law Academy