Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Aangenomen normale waarde - Inaanmerkingneming van redelijke winstmarge
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2, lid 3, sub b, ii )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijkten - Dumpingmarge - Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs - Keuze van handelsstadium voor bepaling van te vergelijken waarden - Inaanmerkingneming van bijzondere aard van bedrijfsorganisatie van betrokken producent - Wettigheid
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2, lid 9 )
Samenvatting
1 . Wanneer de gemeenschapsinstellingen, in het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten, voor het vaststellen van de normale waarde moeten uitgaan van de aangenomen waarde, mogen zij als redelijke winstmarge de winst nemen die door een concurrent van de dumpende producent voor soortgelijke produkten op de binnenlandse markt van het land van produktie is behaald, en zeker wanneer zij daarvoor de marge nemen van de concurrent met de laagste winst, zonder dat hen kan worden tegengeworpen, dat het om gegevens gaat die de betrokken producent niet kent .
Wanneer het namelijk niet mogelijk is om van de werkelijke prijzen uit te gaan, blijkt het in het stelsel van verordening nr . 2176/84 dikwijls noodzakelijk te zijn zich te bedienen van elementen die de betrokken producent niet kent, en moet de daaruit voortvloeiende mate van onvoorzienbaarheid worden aanvaard .
2 . In het kader van de procedure tot vaststelling van anti-dumpingrechten handelen de gemeenschapsinstellingen niet verkeerd door ter bepaling van de dumpingmarge te vergelijken tussen enerzijds de uitvoerprijzen van de betrokken producent, berekend voor het stadium "af-fabriek", en anderzijds een samengestelde normale waarde voor het stadium "af-exclusieve distributeur", wanneer blijkt dat, wegens het feit dat de producenten van het land van uitvoer over een bijzondere bedrijfsorganisatie beschikken, waarbij zij aan een exclusieve distributeur taken toevertrouwen die gewoonlijk door een verkoopafdeling worden verricht, enkel de prijs van genoemde distributeur als de normale waarde van het produkt kan worden beschouwd .
Van weinig belang is dat de exclusieve distributeur de produkten waarmee wordt gedumpt, niet verkoopt, omdat de normale waarde van deze produkten moet worden samengesteld alsof zij op de binnenlandse markt waren verkocht .
Partijen
In zaak 301/85,
Sharp Corporation, gevestigd te Osaka ( Japan ), vertegenwoordigd door J . Lever, QC, Ch . Vajda, barrister, en R . Griffith, solicitor, van het kantoor Coward Chance, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J . C . Wolter, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H . J . Lambers, directeur van zijn juridische dienst, en E . H . Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan
door F . G . Jacobs, QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Temple Lang als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
en door
Committee of European Typewriters Manufacturers ( Cetma ), vertegenwoordigd door D . Ehle, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E . Arendt en G . Harles, advocaten aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening nr . 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1985, L 163, blz . 1 ), subsidiair, tot nietigverklaring van deze verordening voor zover zij verzoekster betreft,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida, U . Everling, Y . Galmot en R . Joliet, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 22 september 1987,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 maart 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 oktober 1985, heeft de vennootschap Sharp Corporation ( hierna : Sharp ), gevestigd te Osaka ( Japan ), krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr . 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1985, L 163, blz . 1 ), in haar geheel of althans voor zover zij verzoekster betreft . In het bijzonder verzoekt Sharp nietigverklaring van die bepalingen van deze verordening, waarbij een definitief anti-dumpingrecht van 32 % is opgelegd op door haar naar de Gemeenschap uitgevoerde elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan, alsmede van de bepalingen die voorzien in de definitieve inning van de voorlopige anti-dumpingrechten, opgelegd bij verordening nr . 3643/84 van de Commissie van 20 december 1984 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( PB 1984, L 335, blz . 43 ), althans voor zover de geïnde bedragen het percentage van 16,08 % te boven gaan .
2 Sharp is in 1982 begonnen met de produktie van elektronische schrijfmachines, die steeds uitsluitend voor uitvoer bestemd waren . In 1984 diende een Europese producentenvereniging, het Committee of European Typewriter Manufacturers ( Cetma ), bij de Commissie tegen haar en tegen andere Japanse producenten een klacht in, waarin zij Sharp beschuldigde haar produkten in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen te verkopen .
3 De door de Commissie ingeleide anti-dumpingprocedure op basis van verordening nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1984, L 201, blz . 1 ) resulteerde in een voorlopig anti-dumpingrecht voor Sharp van 21,1 %. Vervolgens stelde de Raad op voorstel van de Commissie bij verordening nr . 1698/85, waartegen Sharp het onderhavige beroep heeft ingesteld, het definitieve anti-dumpingrecht vast op 32 %.
4 De Commissie en Cetma hebben geïntervenieerd aan de zijde van verweerder .
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
6 Tot staving van haar beroep voert Sharp de volgende vijf middelen aan :
- bij de berekening van de normale waarde is uitgegaan van een buitensporige winstmarge,
- de normale waarde en de uitvoerprijs zijn in verschillende handelsstadia met elkaar vergeleken,
- de aftrek ter zake van aan klanten verleende kredieten is bij de berekening van de uitvoerprijs op onjuiste wijze bepaald,
- discriminatie ten opzichte van andere ondernemingen,
- het voorlopige anti-dumpingrecht is ten onrechte tegen het volle tarief geïnd .
Het middel, dat bij de berekening van de normale waarde is uitgegaan van een buitensporige winstmarge
7 Sharp voert aan, dat de met de winstmarge van Canon bij de verkoop van elektronische schrijfmachines op de Japanse markt overeenkomende marge die voor haar is gebruikt bij het berekenen van de - wegens het ontbreken van binnenlandse verkopen - aangenomen normale waarde van haar produkten, niet kan worden beschouwd als een "redelijk bedrag voor winst" in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr . 2176/84 . Voor het aannemen van de normale waarde van de produkten van de betrokken producent mag de winstmarge van een andere producent niet in combinatie met de produktiekosten van de betrokken producent worden gebruikt . Het gebruik van een dergelijke marge is bovendien in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat daardoor de betrokken producent, die de marges van zijn concurrenten niet kan kennen, niet in staat is het nodige te doen om te voorkomen, dat hij zich aan dumping schuldig maakt .
8 In de eerste plaats moet er in dit verband aan worden herinnerd, dat volgens artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr . 2176/84 de in de aangenomen waarde te verwerken winstopslag in het algemeen niet hoger mag zijn dan de normale winst, op voorwaarde dat er gewoonlijk bij verkoop van produkten van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong winst wordt behaald . Niets in deze bepaling verbiedt om als "redelijk bedrag voor winst" de winst te gebruiken, die gewoonlijk wordt behaald door een andere onderneming dan die waarop het anti-dumpingonderzoek betrekking heeft .
9 Wat het argument betreft, dat de door de instellingen gevolgde methode tot onvoorspelbare resultaten leidt, omdat de betrokken producent de winstmarges van zijn concurrenten niet kan kennen, moet worden opgemerkt, dat het in het stelsel van verordening nr . 2176/84 dikwijls noodzakelijk blijkt te zijn om zich te bedienen van elementen die de betrokken producent niet kent, wanneer het, zoals in casu, niet mogelijk is om van de werkelijke prijzen uit te gaan; een zekere mate van onvoorzienbaarheid brengt dus nog geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel mee .
10 Voorts moet worden beklemtoond, dat wanneer voor producenten die niet op de binnenlandse markt actief zijn, de normale waarde enkel zou kunnen worden samengesteld op basis van een hypothetische winst, het gevaar zou bestaan, dat de andere fabrikanten, voor wie de winstmarge op door hen in Japan verkochte modellen wordt gebruikt voor het samenstellen van de normale waarde van hun overige modellen, worden gediscrimineerd . Een oplossing als die welke de instellingen hebben gekozen, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel zoveel mogelijk wordt gewaarborgd, zonder daarom afbreuk te doen aan het beginsel van gelijke behandeling, is dan ook in overeenstemming met het stelsel van verordening nr . 2176/84 . Bovendien was in casu elk risico van willekeur uitgesloten, aangezien de instellingen voor Sharp zijn uitgegaan van de winstmarge van Canon, die de laagste was van alle ondernemingen die hun produkten op de Japanse markt aanboden .
11 Het middel, dat de normale waarde en de uitvoerprijs in verschillende handelsstadia met elkaar zijn vergeleken
12 Sharp voert aan, dat de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs op onjuiste wijze is uitgevoerd, in zover uitvoerprijzen die voor het stadium "af-fabriek" waren berekend, zijn vergeleken met samengestelde normale waarden voor het stadium "af-exclusieve distributeur ".
13 Ook al verkoopt Sharp geen elektronische schrijfmachines in Japan en verkoopt de met haar geassocieerde exclusieve distributeur in Japan uitsluitend andere produkten, toch moet voor het anti-dumpingonderzoek de aangenomen normale waarde van haar elektronische schrijfmachines zo worden bepaald, alsof zij op de binnenlandse markt werden verkocht . De bij het anti-dumpingonderzoek betrokken Japanse fabrikanten van elektronische schrijfmachines hebben een bijzondere organisatiestructuur . Zij brengen hun produkten namelijk in de handel via een met hen geassocieerde distributeur en hebben geen eigen verkoopafdeling . Ook Sharp heeft de verkoop van haar produkten op de binnenlandse markt aldus georganiseerd, en zou zij ook op de Japanse markt elektronische schrijfmachines verkopen, dan zouden die dezelfde weg volgen . Dientengevolge kunnen de door de moedermaatschappij berekende prijzen niet als de normale waarde worden beschouwd, maar moet daarvoor worden uitgegaan van de prijzen van de geassocieerde exclusieve distributeur .
14 Uit het voorgaande blijkt, dat de instellingen de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs niet op onjuiste wijze hebben uitgevoerd . Het middel moet derhalve worden verworpen .
Het middel, dat de aftrek ter zake van aan klanten verleende kredieten bij de berekening van de uitvoerprijs op onjuiste wijze is bepaald
15 Sharp voert aan, dat de berekening van de uitvoerprijs is vervalst, doordat de kredieten die haar Duitse dochteronderneming SEEG aan klanten verleende, ten onrechte in mindering zijn gebracht op basis van de waarde ervan in de nationale valuta van de klanten uit andere Lid-Staten en niet op basis van de kosten die aan het sluiten van een lening voor hetzelfde bedrag in DM zijn verbonden .
16 Met betrekking tot dit middel moet erop worden gewezen, dat volgens artikel 2, lid 8, sub b "de uitvoerprijs kan worden samengesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst wordt wederverkocht aan een onafhankelijke koper ". Gezien de omstandigheden van dit geval lijkt het ter bepaling van de werkelijke wederverkoopprijs passend om niet uit te gaan van de kredietkosten voor de verkoper, maar van de waarde die dit krediet voor de onafhankelijke koper vertegenwoordigt .
17 Dit klemt te meer, omdat in een andere Lid-Staat dan de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde kopers een krediet doorgaans in hun eigen land opnemen en nationale wettelijke regels ter zake van deviezencontrole het hun zelfs onmogelijk kunnen maken om in het buitenland krediet te vragen . Door als waarde van een door de leveranciers verleend krediet de waarde in de nationale valuta van de klanten te nemen, hebben de instellingen derhalve geen onjuiste maatstaf aangelegd .
18 Dit middel moet derhalve worden verworpen .
Het middel betreffende discriminatie ten opzichte van andere ondernemingen
19 Sharp voert aan, dat het haar opgelegde definitieve anti-dumpingrecht als nietig moet worden beschouwd op grond van discriminatie, omdat de instellingen Sharp dit recht hebben opgelegd zonder tegelijkertijd aan Nakajima, die in dezelfde omstandigheden verkeerde, zelfs maar een voorlopig recht op te leggen, en omdat de Commissie later de procedure tegen Nakajima heeft beëindigd op grond van onderzoeksresultaten, die op een andere winstmarge en een andere referentieperiode berustten dan in het geval van verzoekster .
20 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de Commissie na de vaststelling van verordening nr . 3643/84 ontdekte, dat zij een vergissing had begaan bij de berekeningen op grond waarvan zij tot de conclusie was gekomen, dat de dumpingmarge voor Nakajima minimaal was . De heropening van de procedure tegen Nakajima, waartoe de Commissie zeer spoedig daarna besloot, kon evenwel niet samengaan met een schorsing van de tenuitvoerlegging van verordening nr . 3643/84 voor ondernemingen waarvoor een aanzienlijke dumpingmarge was vastgesteld, aangezien de communautaire bedrijfstak, die door deze verordening moest worden beschermd, dan was blootgesteld aan het risico van onherstelbare schade .
21 De anti-dumpingprocedure met betrekking tot de invoer van door Nakajima vervaardigde elektronische schrijfmachines leidde vervolgens tot een besluit van de Commissie van 12 februari 1986 ( PB 1986, L 40, blz . 29 ), waarbij werd vastgesteld, dat de dumpingmarge voor deze onderneming als minimaal moest worden beschouwd .
22 Aangezien door dit besluit Nakajima niet behoort tot de ondernemingen die een defintief anti-dumpingrecht kregen opgelegd, kan een discriminatie ten voordele van Nakajima, zelfs als die al zou vaststaan, niet leiden tot nietigverklaring van de verordening waarbij Sharp een definitief anti-dumpingrecht werd opgelegd, welke verordening is vastgesteld op basis van gegevens, die in de loop van het anti-dumpingonderzoek op correcte wijze en overeenkomstig de regels van verordening nr . 2176/84 waren verkregen . Bijgevolg moet het middel betreffende discriminatie worden afgewezen .
Het middel, dat het voorlopig anti-dumpingrecht ten onrechte tegen het volle tarief is geïnd
23 Sharp stelt, dat de Raad bij verordening nr . 1698/85 slechts een gereduceerd voorlopige anti-dumpingrecht gelijk aan 16,08 % had mogen innen, welk percentage resulteerde uit de correctie van een rekenfout die de Commissie na de vaststelling van verordening nr . 3643/84 heeft toegegeven .
24 Uit een brief van de Commissie van 7 februari 1985 blijkt evenwel, dat zij twee andere onjuistheden had ontdekt die, ten opzichte van de zoëven genoemde fout, in tegenovergestelde richting werkten en dat zij voornemens was al deze vergissingen gezamenlijk recht te zetten in de bij de Raad in te dienen voorstellen voor de vaststelling van het definitieve anti-dumpingrecht .
25 De Raad van zijn kant heeft onweersproken verklaard, dat hij met deze twee verschillende soorten van vergissingen rekening heeft gehouden .
26 Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan, dat de onnauwkeurigheden die voor Sharp ongunstig waren, werden gecompenseerd door die welke in haar voordeel uitvielen, en dat de Raad met de inning van het voorlopig recht tegen het aanvankelijk voorziene percentage juist heeft gehandeld .
27 Het vijfde middel van Sharp moet derhalve worden verworpen .
28 Op grond van het voorgaande moet het beroep in zijn geheel worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
29 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien Sharp in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in de kosten, daaronder begrepen de kosten van interveniënten, voor zover zij dit hebben gevorderd .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verwijst verzoekster in de kosten, daaronder begrepen de kosten van interveniënten .
Full & Egal Universal Law Academy