Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Aanwerving - Vacature - Voorziening - Modaliteiten - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen - Grenzen - Ambt met beslissingsbevoegdheid - Keuze van één van de rechtsregelingen voorzien in Statuut of Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen
2 . Ambtenaren - Beroep - Procesbelang - Direct betrokkenen bij arrest houdende nietigverklaring - Beroep tegen handeling van instelling ter uitvoering van arrest van Hof - Ontvankelijkheid
( Ambtenarenstatuut, artikel 91 )
3 . Ambtenaren - Aanwerving - Aanstelling van tijdelijk functionaris - Aanstelling ter regularisering van situatie van betrokkene na nietigverklaring van aanstelling als ambtenaar - Misbruik van bevoegdheid - Onwettigheid
4 . Ambtenaren - Aanwerving - Procedures - Keuze - Beoordelingsbevoegdheid van administratie - Aanstelling van tijdelijk functionaris om vast ambt te vervullen - Toelaatbaarheid
( Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, artikel 2, sub b )
5 . Ambtenaren - Aanwerving - Kennisgeving van vacature - Procedure van algemeen vergelijkend onderzoek - Noodzaak van overeenstemming tussen kennisgeving van vacature en aankondiging van vergelijkend onderzoek
( Ambtenarenstatuut, artikel 29, lid 1 )
Samenvatting
1 . De instellingen beschikken over een ruime discretionaire bevoegdheid bij de keuze van de meest geschikte middelen om in hun personeelsbehoeften te voorzien, doch dienen zich, wanneer het gaat om ambten waaraan beslissingsbevoegdheid verbonden is, te houden aan een van de rechtsregelingen die limitatief zijn voorzien in het Statuut of in de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen .
Daaruit volgt, dat de instellingen, wanneer zij iemand niet als ambtenaar of personeelslid kunnen aanstellen, zelfs voorlopig niet anders dan door plaatsvervanging of aanstelling ad interim kunnen voorzien in een dergelijk vacant ambt .
Van dat beginsel mag in voorkomend geval slechts worden afgeweken in geval van dwingende redenen, met name wanneer met grote spoed in de vacature moet worden voorzien .
2 . De direct betrokkenen bij een arrest houdende nietigverklaring van een besluit van een instelling, worden rechtstreeks geraakt door de wijze waarop die instelling aan het arrest uitvoering geeft, en kunnen dus beroep instellen tegen een naar aanleiding van dat arrest genomen besluit, ook al heeft het bestreden besluit inmiddels opgehouden rechtsgevolg te sorteren .
3 . Een instelling mag enkel een tijdelijk functionaris aanstellen om in de behoeften van de dienst te voorzien, en niet om een feitelijke situatie te regulariseren . De aanstelling met terugwerkende kracht van een tijdelijk functionaris ter regularisatie van de situatie van de betrokkene, wiens aanstelling als ambtenaar bij arrest van het Hof is nietig verklaard, welk arrest niet de nietigheid van de door de betrokkenen in de uitoefening van zijn functie verrichte handelingen tot gevolg had, daar het de schijn had dat hij die functie op reguliere wijze had verworven, noch hem - wegens zijn goede trouw - de bedragen ontnam die hij als vergoeding voor zijn diensten had ontvangen, levert bijgevolg misbruik van bevoegdheid op .
4 . Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer het in een post moet voorzien, en mag krachtens artikel 2, sub b, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen een tijdelijk functionaris aanwerven om een vast ambt te vervullen, alvorens een ambtenaar aan te stellen om de met dat ambt overeenstemmende functies uit te oefenen .
5 . Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag in een vacante post voorziet, beschikt het weliswaar bij de vergelijking van de titels van de kandidaten over een ruime beoordelingsmarge, doch dient het die bevoegdheid uit te oefenen binnen het kader dat in de kennisgeving van vacature is vastgesteld, hetgeen betekent dat het, wanneer bij het onderzoek van de sollicitaties de in die kennisgeving gestelde eisen strenger blijken te zijn dan voor de behoeften van de dienst noodzakelijk, de procedure opnieuw moet beginnen door de oorspronkelijke kennisgeving door een nieuwe kennisgeving van vacature te vervangen .
Deze beginselen moeten met des te meer gestrengheid worden toegepast wanneer het gaat om de overeenstemming tussen de kennisgeving van vacature en de aankondiging van een vergelijkend onderzoek . Immers, indien het tot aanstelling bevoegd gezag in het stadium van het algemeen vergelijkend onderzoek de voorwaarden van de kennisgeving van vacature zou mogen wijzigen, dan zou het in feite - in strijd met de krachtens artikel 29, lid 1, van het Statuut op hem rustende verplichting om de mogelijkheden van interne aanwerving te onderzoeken alvorens een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren - de vrije hand hebben om externe-aanwervingsprocedures te organiseren zonder interne sollicitaties te moeten onderzoeken .
Partijen
In de gevoegde zaken 341/85, 251, 258, 259, 262 en 266/86, 222 en 232/87,
E . van der Stijl, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F . Herbert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N . Decker, advocaat aldaar, 16, avenue Marie-Thérèse,
en
G . Cullington, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F . Herbert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . May, advocaat aldaar, 31, Grand-rue,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D . Gouloussis als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
B . Math, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Slusny, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te zijnen huize, 2, rue Mameranus,
interveniënt,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om Math na 7 oktober 1985 te handhaven op de post van afdelingshoofd bij het directoraat-generaal Energie, directoraat Veiligheidscontrole Euratom, afdeling F 1 ( Inspectie ); van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het verzoek van Van der Stijl om een beslissing over zijn sollicitatie naar die post; van het besluit van 16 oktober 1985 om Math met ingang van 28 september 1983 voor twee jaar, verlengd tot 31 december 1985, aan te stellen als tijdelijk functionaris in de functie van hoofd van genoemde afdeling; van het besluit van 18 december 1985 om die aanstelling te verlengen tot 30 juni 1986; van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/477; van de besluiten van de jury van dat vergelijkend onderzoek om Math tot deelneming eraan toe te laten en hem op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen en Van der Stijl niet op die lijst te plaatsen, en, ten slotte, van het besluit van de Commissie waarbij Math op bedoelde post van afdelingshoofd is aangesteld,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
samengesteld als volgt : T . F . O' Higgins, kamerpresident, G . F . Mancini en F . A . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : D . Louterman, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 30 november 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 januari 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 november 1985 ( zaak 341/85 ), 29 september 1986 ( zaak 251/86 ), 15 oktober 1986 ( zaak 258/86 ), 20 oktober 1986 ( zaak 262/86 ), 29 oktober 1986 ( zaak 266/86 ) en 30 juli 1987 ( zaak 232/87 ), heeft E . van der Stijl, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, zes beroepen ingesteld strekkende :
a ) in zaak 341/85, enerzijds tot nietigverklaring van het besluit van 16 oktober 1985 om de heer Bernard Math per 28 september 1983 voor een periode van twee jaar, verlengd tot 31 december 1985, aan te stellen als tijdelijk functionaris van de rang A 3, in de functie van hoofd van afdeling F 1 ( Inspectie ) bij het directoraat-generaal Energie, en anderzijds tot veroordeling van de Commissie om aan Van der Stijl een schadeloosstelling van 2 000 ecu, subsidiair een door het Hof ex aequo et bono te bepalen schadeloosstelling, wegens morele schade te betalen;
b ) in zaak 251/86, enerzijds tot nietigverklaring van het besluit om Math na 7 oktober 1985 in de betrokken functie te handhaven, alsmede van het besluit van 18 december 1985 tot verlenging van het contract van Math als tijdelijk functionaris tot 30 juni 1986, en anderzijds tot veroordeling van de Commissie om aan Van der Stijl een ex aequo et bono vast te stellen schadeloosstelling wegens morele schade te betalen;
c ) in zaak 266/86, tot nietigverklaring van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/477 ten einde te voorzien in de post van afdelingshoofd ( rang A 3 ) van afdeling F 1 ( PB 1986, C 67, blz . 8 ), alsmede van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het verzoek van 21 oktober 1985, waarin Van der Stijl de Commissie om een besluit over zijn sollicitatie in het kader van de kennisgeving van vacature COM/963/83 had verzocht;
d ) in zaak 258/86, tot nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/A/477 om Math toe te laten tot de examens van dit vergelijkend onderzoek, alsmede van het besluit om hem op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen;
e ) in zaak 262/86, enerzijds tot nietigverklaring van het besluit van dezelfde jury om Van der Stijl niet op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, en anderzijds tot veroordeling van de Commissie om aan Van der Stijl een ex aequo et bono vast te stellen schadeloosstelling wegens morele schade te betalen;
f ) in zaak 232/87, enerzijds tot nietigverklaring van het besluit houdende aanstelling van Math tot afdelingshoofd, en anderzijds tot veroordeling van de Commissie om aan Van der Stijl een ex aequo et bono vast te stellen schadeloosstelling wegens morele schade te betalen .
2 Daarnaast heeft G . Cullington, ambtenaar van de rang A 4 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 oktober 1986 ( zaak 259/86 ) en 16 juli 1987 ( zaak 222/87 ), twee beroepen ingesteld strekkende :
a ) in zaak 259/86, tot nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/A/477 om Math toe te laten tot de examens van dit vergelijkend onderzoek, alsmede van het besluit om hem op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen;
b ) in zaak 222/87, enerzijds tot nietigverklaring van het besluit houdende aanstelling van Math tot afdelingshoofd en de daaruit voortvloeiende afwijzing van Cullingtons sollicitatie, en anderzijds tot veroordeling van de Commissie om aan Cullington een ex aequo et bono vast te stellen schadeloosstelling wegens morele schade te betalen .
3 Van der Stijl was van 1971 tot 1986 als ambtenaar van de rang A 4 werkzaam bij het directoraat Veiligheidscontrole, waar hij van 1982 tot 1983 hoofd ad interim van afdeling F 1 ( Inspectie ) was . Cullington, ambtenaar van de rang A 4 bij dezelfde afdeling, heeft de leiding van de tweede van de twee secties van die afdeling . Math, interveniënt in de acht zaken, was van 1968 tot 1983 ambtenaar van het Franse Commissariaat voor atoomenergie . Op 28 september 1983 werd hij aangesteld als hoofd van afdeling F 1, in de rang A 3 .
4 Bij arrest van 7 oktober 1985 ( zaak 124/84, Van der Stijl, Jurispr . 1985, blz . 3281 ) heeft het Hof het besluit van de voorzitter van de Commissie van 3 november 1983 houdende aanstelling van Math tot hoofd van afdeling F 1, alsmede het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag tot afwijzing van de sollicitatie van Van der Stijl naar dat ambt, nietigverklaard op grond dat toepassing van de buitengewone procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut in dat geval niet gerechtvaardigd was .
5 Na dat arrest besloot de Commissie op 16 oktober 1985 Math per 28 september 1985 voor een periode van twee jaar, verlengd tot 31 december 1985, aan te stellen als tijdelijk functionaris van de rang A 3, in de functie van hoofd van afdeling F 1 .
6 Op 18 december 1985 besloot de Commissie enerzijds de aanstelling van Math te verlengen tot 30 juni 1986, en anderzijds een algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/477 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken en een examen te organiseren, ten einde in de betrokken post te voorzien . Aan het einde van het vergelijkend onderzoek werden Cullington en Math op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst, waarna Math op de betrokken post werd aangesteld . Van der Stijl, die ook aan het vergelijkend onderzoek had deelgenomen, was niet op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst, omdat hij niet beantwoordde "aan het zeer bijzondere profiel van de vacature ".
7 Alle klachten van Van der Stijl en Cullington tegen de besluiten die thans het voorwerp van de onderhavige beroepen vormen, zijn door de Commissie afgewezen .
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak en de argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
Het besluit om Math na 7 oktober 1985 in zijn functie te handhaven ( zaak 251/86 )
9 Verzoeker Van der Stijl stelt, dat het feit dat Math tussen 7 oktober 1985, datum van het arrest van het Hof, en 16 oktober 1985, datum van het besluit waarbij hij als tijdelijk functionaris werd aangesteld, de facto in zijn functie is gehandhaafd, schending oplevert van artikel 176 EEG-Verdrag, krachtens hetwelk de instelling die de nietigverklaarde handeling heeft verricht, gehouden is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof . De handhaving van Math zou eveneens in strijd zijn met de grondbeginselen van het Ambtenarenstatuut, volgens welke alleen een regulier aangesteld ambtenaar of personeelslid een tot het Europees openbaar ambt behorende functie mag uitoefenen .
10 De Commissie antwoordt, dat zij ten aanzien van maatregelen die de continuïteit van de dienst beogen te verzekeren, over een discretionaire bevoegdheid beschikt en dat zij de grenzen van die bevoegdheid in casu niet heeft overschreden . Haars inziens mocht zij aannemen dat Math, die de functie van hoofd van de betrokken afdeling gedurende meer dan twee jaar had uitgeoefend, de meest geschikte persoon was om die functie voorlopig te vervullen .
11 Erkend moet worden, dat de instellingen over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken bij de keuze van de meest geschikte middelen om in hun personeelsbehoeften te voorzien . Niettemin moet worden opgemerkt - en hier kan in het midden blijven of de instellingen in andere gevallen een andere oplossing kunnen kiezen -, dat zij wanneer het gaat om ambten waaraan beslissingsbevoegdheid verbonden is, zich dienen te houden aan een van de rechtsregelingen die limitatief zijn voorzien in het Statuut of in de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ( hierna : de Regeling ).
12 Het zou immers in strijd zijn met het beginsel van goed bestuur om een persoon zonder enige statutaire band met de Gemeenschappen met een zo verantwoordelijke functie te bekleden . Zo iemand zou met name niet onderworpen zijn aan de verplichtingen die op ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschappen rusten, en zou in voorkomend geval kunnen ontkomen aan de voor het geval van niet-nakoming van die verplichtingen voorziene tuchtmaatregelen .
13 Daaruit volgt, dat de gemeenschapsinstellingen, wanneer zij iemand niet als ambtenaar of personeelslid kunnen aanstellen, zelfs voorlopig niet anders dan door plaatsvervanging of aanstelling ad interim kunnen voorzien in een vacant ambt waaraan beslissingsbevoegdheid verbonden is . Van dat beginsel mag in voorkomend geval slechts worden afgeweken in geval van dwingende redenen, met name wanneer met grote spoed in de vacature moet worden voorzien . De Commissie heeft echter niet aangetoond, dat er in casu dergelijke dwingende redenen bestonden .
14 Bijgevolg moet het besluit om Math van 7 oktober 1985, datum van het arrest waarbij zijn aanstelling is nietigverklaard, tot 16 oktober 1985, datum waarop hij als tijdelijk functionaris werd aangesteld, de facto op de post van hoofd van afdeling F 1 te handhaven, worden nietigverklaard .
Het besluit van 16 oktober 1985 om Math van 28 september 1983 tot 31 december 1985 als tijdelijk functionaris aan te stellen ( zaak 341/85 )
A - Ontvankelijkheid
15 De Commissie werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen dit onderdeel van het beroep, op grond dat het is gericht tegen een besluit dat op 31 december 1985 heeft opgehouden rechtsgevolg te sorteren . Na die datum zou het door het Hof niet meer kunnen worden nietigverklaard en het beroep zou dus zonder voorwerp zijn geraakt .
16 Interveniënt wijst erop, dat verzoeker, nu de Commissie op 18 december 1985 had besloten een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren ter voorziening in het ambt dat hij ( interveniënt ) bekleedde, door het litigieuze besluit van 16 oktober 1985 niet kon zijn bezwaard .
17 Verzoeker betoogt dat, gelet op de termijnen die het Statuut voor de precontentieuze fase en de procedure voor het Hof voorziet, de stelling van de Commissie erop neerkomt, dat besluiten met een beperkte geldigheidsduur nagenoeg niet kunnen worden bestreden . Voorts is hij van mening, dat het bestreden besluit zijn rechtspositie ook na 31 december 1985 ongunstig beïnvloedt .
18 Zonder dat het nodig is op die argumenten in te gaan, zij eraan herinnerd dat, gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 25 november 1976 ( zaak 30/76, Kuester, Jurispr . 1976, blz . 1719, r.o . 8 ), de direct betrokkenen bij een arrest houdende nietigverklaring van een besluit van een instelling, rechtstreeks worden geraakt door de wijze waarop die instelling aan het arrest uitvoering geeft . Daar het beroep gericht is tegen een naar aanleiding van het arrest van 7 oktober 1985 genomen besluit, moet het ontvankelijk worden verklaard, ook al heeft het bestreden besluit inmiddels opgehouden rechtsgevolg te sorteren .
B - Ten gronde
19 Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 176 EEG-Verdrag, doordat het besluit om Math met terugwerkende kracht als tijdelijk functionaris aan te stellen, de door het Hof onregelmatig verklaarde feitelijke situatie doet herleven . Alleen door een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren en de continuïteit van de dienst door middel van een plaatsvervanging of een aanstelling ad interim te verzekeren, zou het arrest van 7 oktober 1985 correct zijn uitgevoerd .
20 De Commissie betoogt, dat het Hof de aanstelling van Math enkel heeft nietigverklaard wegens onregelmatigheid van de gevolgde procedure . Niets belette haar dus om, in afwachting dat een algemeen vergelijkend onderzoek werd georganiseerd, de persoon die de afdeling al meer dan twee jaar had geleid, als tijdelijk functionaris aan het hoofd ervan te plaatsen .
21 Interveniënt merkt op, dat artikel 176 EEG-Verdrag slechts zou zijn geschonden, indien de Commissie zich ertoe had beperkt, het nietigverklaarde besluit in dezelfde vorm opnieuw te nemen . Het bestreden besluit zou echter een ander voorwerp hebben dan het nietigverklaarde besluit, daar het betrekking heeft op een contract van tijdelijk functionaris en niet op een aanstelling als ambtenaar .
22 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het Hof zich in zijn arrest van 7 oktober 1985 niet heeft uitgesproken over de vraag, of Math de vereiste kwalificaties voor de betrokken post bezat . Het valt dus niet te betwisten, dat de Commissie het recht had hem aan te stellen als tijdelijk functionaris om die post te vervullen .
23 Het middel ontleend aan schending van artikel 176 EEG-Verdrag, moet derhalve worden afgewezen .
24 Het tweede middel houdt in, dat het bestreden besluit misbruik van procedure en misbruik van bevoegdheid oplevert .
25 Tot staving van dit middel voert Van der Stijl aan, dat de Commissie, door het besluit terugwerkende kracht te verlenen, de door het Hof nietigverklaarde administratieve situatie ten gunste van Math had willen regulariseren . Een dergelijke regularisatie met terugwerkende kracht zou echter niet met het belang van de dienst kunnen worden gemotiveerd . Zij zou bovendien overbodig zijn omdat, volgens de theorie van de ambtenaar-de-facto, zowel de administratieve handelingen van Math als ook zijn geldelijke rechten onverlet bleven . De Commissie zou er enkel op uit zijn geweest, Math een anciënniteit en een ervaring te verzekeren waarmee bij een nieuwe aanwervingsprocedure rekening kon worden gehouden, en hem in zijn functie handhaven tot hij definitief kon worden aangesteld .
26 De Commissie ontkent, Math te hebben willen bevoordelen . Verzoeker zou veronderstellingen maken waarvoor geen enkel bewijs bestaat en die overigens worden ontzenuwd door het feit dat er een algemeen vergelijkend onderzoek is georganiseerd .
27 Interveniënt betoogt, dat de Commissie haar besluit in het belang van de dienst heeft genomen . Verzoeker zou overigens niet hebben aangetoond, dat de beweegreden van het bestreden besluit iets anders dan het belang van de dienst was geweest, en hij zou zelfs niet hebben getracht, zulk een andere beweegreden aan te geven .
28 Dit middel is gegrond . Een instelling mag enkel een tijdelijk functionaris aanstellen om in de behoeften van de dienst te voorzien, en niet om een feitelijke situatie te "regulariseren ". Bovendien was de Commissie, zoals verzoeker terecht opmerkt, geenszins verplicht Math met terugwerkende kracht aan te stellen; de nietigverklaring van diens aanstelling als ambtenaar leidde op zich immers niet tot nietigheid van de diverse handelingen die hij als afdelingshoofd had verricht, daar het de schijn had dat hij die hoedanigheid op reguliere wijze had verworven . Aangezien voorts zijn goede trouw niet in geding is, konden de bedragen die hij als vergoeding voor zijn diensten bij de Commissie had ontvangen noch de rechten die hij had verkregen, in gevaar komen .
29 Welke ook de redenen van de Commissie zijn geweest om Math met terugwerkende kracht aan te stellen, vastgesteld moet worden, dat dat besluit misbruik van bevoegdheid oplevert, voor zover het ertoe strekt, een feitelijke situatie voor het verleden te "regulariseren ". Mitsdien moet het besluit voor de periode tussen 28 september 1983 en 15 oktober 1985 worden nietigverklaard . Het is bijgevolg overbodig de overige middelen van verzoeker te onderzoeken voor zover zij op hetzelfde tijdvak betrekking hebben .
30 Daarentegen moeten de overige aan de onwettigheid van het bestreden besluit ontleende middelen wel worden onderzocht voor zover zij het tijdvak tussen 16 oktober en 31 december 1985 betreffen .
31 In een eerste subsidiair middel betwist verzoeker de regelmatigheid van de bij de aanstelling van Math als tijdelijk functionaris gevolgde procedure, voor zover daarbij is voorbijgegaan aan de in artikel 29, lid 1, van het Statuut voorziene voorrang van interne aanwerving . Er zou in de vacature zijn voorzien zonder dat verzoekers sollicitatie opnieuw in overweging is genomen .
32 De Commissie is van oordeel, dat artikel 2, sub b, van de Regeling haar toestaat een tijdelijk functionaris aan te werven om een vast ambt te vervullen, in plaats van onmiddellijk een ambtenaar aan te stellen .
33 De opvatting van de Commissie moet worden aanvaard . Immers, de bepalingen van het Statuut kennen het tot aanstelling bevoegd gezag een ruime beoordelingsbevoegdheid toe wanneer het in een vast ambt moet voorzien; het kan dus een tijdelijk functionaris aanwerven, alvorens definitief een ambtenaar aan te stellen . Afgezien van het besluit om Math met terugwerkende kracht aan te stellen, lijken de grenzen van die bevoegdheid in casu niet te zijn overschreden .
34 In een tweede subsidiair middel stelt verzoeker, dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde bij artikel 12, lid 1 en lid 2, sub e, van de Regeling . In de eerste plaats zou Math niet de vereiste talenkennis hebben gehad om als personeelslid van de Gemeenschappen te worden aangesteld; in de tweede plaats zou hij niet hebben beschikt over de talenkennis en bijzondere bekwaamheden die volgens de eerder gepubliceerde kennisgeving van vacature vereist waren, en ten slotte was hij niet aangeworven met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding .
35 De Commissie en interveniënt ontkennen de juistheid van die beweringen . De talenkennis en de bijzondere bekwaamheden van Math zouden ten volle aan de vereisten voor de te bezetten post hebben voldaan .
36 Ondanks de twijfel die mogelijk is ten aanzien van Maths talenkennis op het moment van zijn aanwerving, heeft verzoeker niet naar genoegen aangetoond dat die kennis onvoldoende was . Voorts bestaat er geen grond voor de bewering, dat betrokkenes bijzondere bekwaamheden niet beantwoordden aan de voor de post te stellen vereisten . Bovendien moet erop worden gewezen, dat Math op het moment van zijn aanstelling als tijdelijk functionaris al meer dan twee jaar de functie van hoofd van afdeling F 1 feitelijk had uitgeoefend en dat zijn hiërarchieke meerderen dus alle gelegenheid hadden gehad om zijn bekwaamheid te beoordelen . Ten slotte is ondanks sterke vermoedens dienaangaande niet komen vast te staan, dat Math uitsluitend wegens zijn nationaliteit was aangeworven .
37 Uit het voorgaande volgt, dat de twee subsidiaire middelen ongegrond zijn .
Het besluit om de aanstelling van Math van 31 december 1985 tot 30 juni 1986 te verlengen ( zaak 251/86 )
38 Verzoeker stelt, dat het besluit van 18 december 1985 om de aanstelling van Math tot 30 juni 1986 te verlengen, niet slechts de onregelmatigheid van het oorspronkelijke aanstellingsbesluit verergert, maar bovendien een flagrante schending oplevert van artikel 8, tweede alinea, van de Regeling, dat bepaalt dat een tijdelijk functionaris ten hoogste voor een termijn van twee jaar kan worden aangesteld om tijdelijk een vast ambt te vervullen, welke termijn slechts éénmaal voor ten hoogste één jaar verlengbaar is . Nu de aanstelling van Math reeds bij het oorspronkelijke aanstellingsbesluit tot 31 december 1985 was verlengd, was verdere verlenging onmogelijk .
39 De Commissie voert aan, dat door de verlenging van Maths aanstelling de maximaal toegelaten duur van drie jaar niet is overschreden . Haars inziens legt verzoeker de betrokken bepaling van de Regeling te strikt uit .
40 Het betoog van de Commissie faalt . Artikel 8, tweede alinea, van de Regeling stelt drie verschillende tijdsbeperkingen aan de aanstelling van een tijdelijk functionaris die tijdelijk een vast ambt moet vervullen : de duur van de oorspronkelijke aanstelling mag ten hoogste twee jaar bedragen, de oorspronkelijke duur kan slechts éénmaal worden verlengd, en voor ten hoogste één jaar .
41 In casu was het besluit van de Commissie in strijd met de tweede beperking . Daar Math reeds bij het besluit van 16 oktober 1985 was aangesteld voor twee jaar ( van 28 september 1983 tot 28 september 1985 ) met verlenging tot 31 december 1985, was elk ander verlengingsbesluit onwettig . Bijgevolg moet het besluit van 18 december 1985 worden nietigverklaard .
De wettigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/A/477 ( zaak 251/86 )
42 Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut, doordat de Commissie het besluit om een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren, heeft genomen zonder eerst de interne sollicitaties te onderzoeken, met name die van verzoeker, waarvan de afwijzing bij het arrest van 7 oktober 1985 was nietigverklaard .
43 In het kader van dit middel betwist verzoeker de verklaring van de Commissie, dat zij tijdens haar vergadering van 18 december 1985 "de sollicitaties" heeft onderzocht . Dienaangaande betoogt hij, dat er slechts één sollicitatie kon zijn, namelijk de zijne, daar er geen nieuwe kennisgeving van vacature was gepubliceerd en alle besluiten tot afwijzing van de bij de eerste aanwervingsprocedure ingediende sollicitaties definitief waren geworden, met uitzondering van het besluit dat hemzelf betrof en dat bij het arrest van 7 oktober 1985 was nietigverklaard . Hij wijst erop, dat hij ondanks zijn uitdrukkelijk verzoek desbetreffend eerst bij de aan hem gerichte brief van 25 juli 1986
- die het antwoord bevatte op de klacht die hij inmiddels had ingediend - formeel in kennis is gesteld van de afwijzing van zijn sollicitatie .
44 De Commissie betoogt, dat zij de door het Statuut voorziene procedures in acht heeft genomen . Nadat tijdens haar vergadering van 18 december 1985 de mogelijkheden van bevordering en overplaatsing binnen de instelling opnieuw waren onderzocht, had zij besloten niet door middel van bevordering in de betrokken post te voorzien en geen intern vergelijkend onderzoek op basis van artikel 29, lid 1, sub b, te organiseren . Daar er geen verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen waren, had zij vervolgens besloten een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren .
45 Dienaangaande zij opgemerkt, dat uit het op verzoek van het Hof overgelegde proces-verbaal van die vergadering inderdaad blijkt, dat de Commissie de door artikel 29, lid 1, van het Statuut voorgeschreven procedure in acht heeft genomen .
46 Het langdurig stilzwijgen van de Commissie over verzoekers sollicitatie, in weerwil van diens uitdrukkelijk verzoek, strookt weliswaar niet met de beginselen van behoorlijk bestuur en getuigt van een weinig zorgvuldige houding jegens haar ambtenaren, doch kan geen invloed hebben op de regelmatigheid van de gevolgde procedure . Hetzelfde geldt voor de dubbelzinnigheid die verzoeker in de toelichting van de Commissie opmerkt . Bijgevolg faalt het eerste middel .
47 Het tweede middel is ontleend aan onwettigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, doordat de formulering ervan afwijkt van die van de kennisgeving van vacature . Het vereiste van "grondige ervaring passend bij de functie" in de kennisgeving van vacature was vervangen door "een postuniversitaire beroepservaring ... waarvan ten minste verscheidene jaren in een soortgelijke functie ".
48 Verzoeker is van mening, dat de tweede formulering minder streng is dan en wezenlijk verschilt van de eerste . Omdat de beroepservaring van Math niet aan de vereisten van de kennisgeving van vacature voldeed, zouden de wijzigingen zijn aangebracht om de toelatingsvoorwaarden op diens beroepservaring af te stemmen .
49 De Commissie verklaart, dat het slechts om geringe redactionele verschillen gaat, die noodzakelijk waren om de aankondiging van het vergelijkend onderzoek leesbaarder te maken voor de buitenwereld .
50 Dit betoog van de Commissie kan niet worden aanvaard . Door de aangebrachte wijzigingen zijn de voorwaarden voor deelneming aan de aanwervingsprocedure wel degelijk verzacht .
51 In zijn arrest van 30 oktober 1974 ( zaak 188/73, Grassi, Jurispr . 1974, blz . 1099, r.o . 38 ) overwoog het Hof, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij de vergelijking van de titels van de kandidaten weliswaar over een ruime beoordelingsmarge beschikt, maar niettemin binnen het kader dient te blijven dat het zichzelf bij de kennisgeving van vacature heeft gesteld . In hetzelfde arrest preciseerde het Hof ( r.o . 43 ), dat wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag achteraf tot de bevinding komt, dat in de aankondiging van vacature strengere eisen zijn gesteld dan voor de behoeften van de dienst noodzakelijk was, niets het belet, de procedure opnieuw te beginnen door de oorspronkelijke kennisgeving van vacature in te trekken en door een gewijzigde te vervangen .
52 Deze beginselen zijn weliswaar naar aanleiding van een interne bevorderingsprocedure geformuleerd, maar zij moeten met des te meer gestrengheid worden toegepast wanneer het gaat om de overeenstemming tussen de kennisgeving van vacature en de aankondiging van een vergelijkend onderzoek . Iedere andere uitlegging zou leiden tot uitholling van artikel 29 van het Statuut, dat de instellingen verplicht de mogelijkheid van interne aanwerving te onderzoeken alvorens een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren . Zouden de instellingen de toelatingsvoorwaarden van de ene tot de andere fase van de procedure kunnen wijzigen, met name door ze te verzachten, dan zouden zij in feite de vrije hand hebben om externe-aanwervingsprocedures te organiseren zonder interne sollicitaties te moeten onderzoeken .
53 Bijgevolg is het tweede middel gegrond en moet de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/A/477 worden nietigverklaard .
54 Door deze nietigverklaring zijn de beroepen in de zaken 258, 259 en 262/86, 222 en 232/87 zonder voorwerp geraakt, zodat er niet op behoeft te worden beslist .
De vorderingen tot vergoeding van morele schade
55 Tot staving van hun vorderingen tot schadevergoeding in de zaken 341/85, 251 en 266/86, 222 en 232/87 voeren verzoekers in wezen aan : de ernst van de begane fouten, het provocerend karakter van de te hunnen aanzien genomen besluiten, de niet-eerbiediging door de Commissie van haar zorgplicht en de beginselen van behoorlijk bestuur die de verhoudingen tussen haar en haar ambtenaren moeten beheersen, en, wat verzoeker Van der Stijl betreft, de toenemende psychologische spanningen die voor hemzelf en zijn gezin daarvan het gevolg zijn geweest .
56 Ofschoon de wijze waarop de Commissie het arrest van 7 oktober 1985 heeft uitgevoerd, tot grote verontrusting aanleiding geeft, moet worden vastgesteld dat, gelet op de gronden die verzoekers voor hun schadevorderingen aanvoeren, het onderhavige arrest op zichzelf een adequaat herstel vormt voor de morele schade die zij in casu mochten hebben geleden . Aangezien er geen te vergoeden schade meer overblijft, zijn de vorderingen tot schadevergoeding ongegrond .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
57 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Commissie op de wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in de kosten, daaronder begrepen die welke gevallen zijn op het verzoek in kort geding dat tot de beschikking van de president van de Tweede kamer van 5 december 1985 ( zaak 341/85 ) heeft geleid, alsmede die welke verband houden met de excepties van niet-ontvankelijkheid die tot de vier beschikkingen van de president van de Tweede kamer van 25 juni 1987 hebben geleid ( zaken 251, 258, 262 en 266/86 ). De interveniënt dient zijn eigen kosten te dragen, alsmede die welke door zijn interventie aan de verzoekers zijn opgekomen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het besluit om B . Math van 7 oktober 1985 tot 16 oktober 1985 te handhaven als hoofd van afdeling F 1 van het directoraat-generaal Energie .
2 ) Verklaart nietig, voor de periode van 28 september 1983 tot 15 oktober 1986, het besluit om B . Math aan te stellen als tijdelijk functionaris .
3 ) Verklaart nietig het besluit om Maths aanstelling van 31 december 1985 tot 30 juni 1986 te verlengen .
4 ) Verklaart nietig de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/A/477 .
5 ) Verwerpt de vorderingen tot schadevergoeding .
6 ) Verwijst de Commissie in de kosten, met uitzondering van die welke door de interventie zijn veroorzaakt .
7 ) Verstaat dat interveniënt zijn eigen kosten zal dragen, alsmede die welke door zijn interventie aan de verzoekers zijn opgekomen .
Full & Egal Universal Law Academy